Mathias Sandorf [2]

Part 8

Chapter 83,877 wordsPublic domain

„Neen, ik weet het niet, mijnheer Piet; maar alles wel beschouwd, wat kan het ons schelen?”

De zieke glimlachte droefgeestig.

„Wat zeker is,” ging Pescadospunt voort, „dat is, dat wij de gasten van dokter Antekirrt zijn, die ons goed voedt, ons goed kleedt, ons goede bedden verstrekt, ongerekend nog....”

„Wat?”

„De zoo kiesche behandeling, die wij ondervinden,” vulde Pescadospunt aan.

„Maar weet gij ten minste, hoe dit eiland heet?” vroeg Piet.

„Hoe dit eiland heet?”

„Ja, dit eiland, waarvan gij de ligging niet kent.”

„Ja, dat weet ik zeer goed.”

„Welnu?”

„Het heet Antekirrta!” riep Pescadospunt zegevierend.

„Antekirrta?.... Antekirrta?”

Piet Bathory keek hem aan met een verwijtingsvollen blik. Te vergeefs zocht hij zijn geheugen, of hij zich een eiland kon herinneren, dat dien naam droeg.

Pescadospunt gevoelde zich niets op zijn gemak onder dien blik.

„Ja, mijnheer Piet,” stamelde hij koddig. „Ja, het eiland Antekirrta! Onder nul lengte en onder nog minder breedte, in de volle Middellandsche zee! Aan dit adres zou mijn oom mij schrijven, als ik een oom bezeten had. Maar de hemel heeft mij, helaas! dat genoegen onthouden! Maar alles wel beschouwd, is er toch niets verwonderlijks in, dat dit eiland Antekirrta heet, daar het dokter Antekirrt toebehoort. Of nu de dokter zijn naam aan het eiland ontleend heeft, of wel dat het eiland naar hem genoemd is, ziet, dat zou ik, al ware ik secretaris-generaal of penningmeester van het Aardrijkskundig Genootschap van Parijs of van Amsterdam, niet kunnen uitmaken!”

Men ziet het, onze Pescadospunt had zich nog niet ontdaan van zijne kwinkslagen en van zijne aanbevelende kermistaal. Zijne woordenrijkheid en vindingrijkheid hielpen hem evenwel, om den zieke, zooveel hem maar mogelijk was, verstrooiing aan te brengen.

Piet’s herstel van gezondheid nam intusschen geregeld toe. Geene verschijnselen, die gevreesd konden worden, deden zich voor. Met een meer krachtige voeding, die evenwel voorzichtig en doelmatig verstrekt werd, kwamen ook de krachten van den zieke met den dag zichtbaar terug. De dokter bezocht hem dikwijls en koutte dan met hem over alles, behalve over datgene, wat hem toch het meeste belang moest inboezemen. En toch wilde Piet geene vertrouwelijke mededeelingen uitlokken, en wachtte geduldig totdat het den dokter geraden zou voorkomen, ze ongevraagd te doen.

Pescadospunt had steeds de brokstukken van gesprekken, die hij met zijn zieke gehouden had, getrouw aan den dokter medegedeeld. Blijkbaar hield de geheimzinnigheid, waaronder graaf Mathias Sandorf niet alleen zijne identiteit verborg, maar zelfs het eiland waar hij zijn woonoord opgeslagen had, het brein van Piet Bathory bezig. Niet minder blijkbaar dacht hij steeds aan Sava Toronthal, die thans zoover verwijderd van hem was, veel verder dan eenig punt van den aardbol, daar iedere gemeenschap tusschen het eiland Antekirrta en het Europeesche vasteland verbroken scheen. Maar het oogenblik naderde, waarop hij krachtig genoeg zou wezen om alles te vernemen.

Ja! Alles te kunnen vernemen! Die gedachte spookte hem voortdurend door het brein.

En dien dag zou de dokter, als de heelmeester met het snijmes in de hand, ongevoelig zijn voor de kreten van smart van den patiënt.

Verscheidene dagen vloden zoo voorbij.

De wond van den jongen man was geheel genezen. Reeds kon hij opstaan en bij het venster zijner kamer plaats nemen. Eene weldadige zonneschijn, zoo eigen aan de streken der Middellandsche zee, kwam hem toen streelen, terwijl eene leven wekkende zeebries zijne longen vulde, die te zamen hem gezondheid en kracht aanbrachten. Als zijns ondanks gevoelde hij zich herboren worden. Hij klemde zich als het ware het leven, dat hij toch zoo geminacht had. En inderdaad, het waren de verschijnselen van terugkeerende geestkracht, die zich onmiskenbaar voordeden.

Toen vestigden zich zijn oogen als onafwendbaar op dien onmetelijken onbegrensden gezichteinder, waarachter hij met den blik had willen wroeten; maar tevens ook in zijn binnenste dat waarlijk wel degelijk krank was. Die uitgestrekte oppervlakte van water rondom het onbekende eiland scheen hem steeds verlaten en eenzaam toe. Ter nauwernood werden eenige kustvaartuigen, chebekken of tartanen, polacers of speronaren daar ginds in volle zee ontwaard; evenwel zonder dat zij ooit een zweem vertoonden van het eiland te willen aandoen. Nooit verscheen er een handelsvaartuig van groot charter; nooit eene van die pakketbooten, die het Europeesche Middellandsche meer in alle richtingen doorkruisen.

Men had waarlijk kunnen gelooven, dat het eiland Antekirrta aan de uiterste grenzen van de bekende wereld gelegen was.

Op den 24sten Juli deelde dokter Antekirrt aan Piet Bathory mede, dat hij den volgenden dag in de namiddaguren kon uitgaan en bood zich aan, hem bij die eerste wandeling te begeleiden.

„Dokter....” antwoordde Piet met eenige aarzeling in zijne stem.

„Wat is er, mijn vriend?”

„Dokter, als gij mij de kracht toekent, om naar buiten te gaan, dan moet ik ook de kracht bezitten, om u te kunnen aanhooren!”

„Mij aanhooren, Piet?”

„Ja, dokter.”

„Wat wilt ge zeggen?”

„Wat ik zeggen wil! O, dat is eenvoudig. Gij zijt met mijn geheel verleden bekend en van het uwe weet ik niets.”

„Neen, niets!” antwoordde de dokter als een echo.

Maar terwijl hij die woorden, die hem als onwillekeurig ontvielen, uitsprak, bekeek dokter Antekirrt den jongeling aandachtig. Nu evenwel niet meer als vriend, maar wel als geneesheer, als arts, om te beslissen, of hij het scherpsnijdend mes, dan wel het snerkend brandend vuur in het levend vleesch van den zieke zou zetten. Na een poos in gedachten verzonken te zijn geweest, zette hij zich bij hem neer:

„Gij wilt mijn verleden kennen, Piet?” vroeg hij.

„Ja,” knikte de jongman.

„Luister dan! Luister aandachtig; gij zult het heden vernemen,” sprak dokter Antekirrt.

VI.

HET VERLEDEN EN HET TEGENWOORDIGE.

Dokter Antekirrt verhaalde alsnu de geschiedenis van graaf Mathias Sandorf en vervolgde, toen hij medegedeeld had, hoe deze zich in de wateren der Adriatische zee gestort had, als volgt:

„Te midden of beter in weerwil van den kogelregen, die mij bij de laatste losbranding der politie-agenten om de ooren vloog, gelukte het mij toch heelhuids te ontkomen. De nacht was uitermate donker, zoodat door mij niets te zien was. De stroom zette van de kust naar buiten, en al had ik het ook gewild, dan zou ik niet meer naar den vasten wal hebben kunnen terugkeeren. Maar, zooals te begrijpen valt, dat wilde ik niet. Neen, ik wilde liever in de onmetelijke zee verzinken, dan weer gevangen genomen te worden, dan weer teruggebracht te worden naar dien engen vestingtoren van Pisino, om daar doodgeschoten te worden. Wanneer ik bezweek, welnu.... dan was alles gedaan, dan was alles uit!

„Daarenboven, als ik er in slaagde, om mij te redden, dan kon ik voor dood doorgaan. Niets zou mij dan in den weg staan, om de vergeldende rechtspleging uit te oefenen, die ik aan graaf Ladislas Zathmar en aan Stephanus Bathory, uwen vader, gezworen had ten uitvoer te leggen, en die ik ook volbrengen zal!”

Die laatste woorden werden met eene niet weer te geven zeggingskracht geuit.

„Een rechtspleging?” vroeg Piet Bathory, wien oog schitterde bij het ontwaren van dat nieuwe en onverwachte gezichtspunt, hetwelk door dit woord voor hem geopend werd.

„Ja, Piet, eene rechtspleging!” bevestigde dokter Antekirrt met hoogst ernstige stem.

„En welke, heer dokter, als ik u vragen mag?” hernam de jongman met niet minder ernst in stem en gebaar.

„O, gij zult haar kennen; want om er u aan te verbinden, heb ik u aan den dood ontrukt, heb ik u op het kerkhof te Ragusa opgegraven. Voor de wereld zijt ge dood, evenals ik; maar evenals ik zijt gij levend! En dat zullen de verraders ondervinden!”

Bij die woorden voelde zich Piet Bathory als het ware vijftien jaren teruggevoerd, tot op het oogenblik dat zijn vader op het binnenplein van de vesting te Pisino, door de moorddadige kogels doorboord, dood ter nederviel.

„Vóór mij”, ging dokter Antekirrt voort, „strekte zich de onmetelijke zee tot bij het Italiaansche kustland uit. Hoe uitstekend zwemmer ik ook was, zoo kon ik toch de hoop niet koesteren, dien plas te kunnen oversteken, wanneer ik aan eigen kracht overgelaten bleef. Zoodat kwam mij de Voorzienigheid niet te hulp, hetzij door mij het een of ander wrakhout te laten ontmoeten, hetzij dat ik door een vreemd schip opgenomen werd, dan zou het mijn lot zijn, om ellendig te verdrinken. Dat kwam mij ontwijfelbaar voor. Maar wanneer men het offer van zijn leven gebracht heeft, wanneer men van alles afstand gedaan heeft en iedere nevenoverweging verdwijnt, dan is men wel sterk om dat leven te verdedigen, wanneer die verdediging althans mogelijk is.

„Eerst had ik herhaaldelijk onder de watervlakte gedoken, om aan de laatste geweerschoten, die nog knalden, te ontkomen. Later, toen ik zeker was, dat ik niet meer bemerkt kon worden, en ik berekenen kon, buiten het bereik van het geweervuur te zijn, kwam ik weer boven en zwom regelrecht naar volle zee toe. Mijne kleederen hinderden mij weinig, daar zij van zeer lichte stof vervaardigd waren en zeer nauw om het lichaam sloten.

„Het moest toen zoo omstreeks half tien in den avond zijn. Volgens mijne gissing zwom ik gedurende meer dan een uur in de tegenovergestelde richting van de kust en verwijderde mij zoodoende van de havenplaats Rovigno, welker laatste lichten ik langzamerhand zag verdwijnen.

„Waar zwom ik zoo heen? Ik wist het niet.

„En welke hoop bezielde mij? Helaas! Piet, ik had er geene; maar ik voelde in mijn binnenste eene kracht tot het bieden van weerstand, een taaie vasthoudendheid, eene bovenmenschelijke wilskracht, die mij steunde, en mij in staat stelde vol te houden. Het was mijn leven niet meer alleen, wat ik wilde redden; neen, ik wilde behouden blijven, om mijn werk, mijn levensdoel na te jagen, te voltooien. En waarlijk, wanneer ik in dit benarde oogenblik plotseling een visschersvaartuig ontmoet had, zou ik ondergedoken hebben, om het te mijden, want hoeveel verraders kon ik nog op dat Oostenrijksche kustland aantreffen, die gereed zouden zijn mij over te leveren voor een sommetje gelds? Hoeveel Carpena’s zou ik er ontmoeten, tegenover slechts één eerlijken Andreas Ferrato.

„Dat gebeurde zelfs nog vóór dat het eerste uur voorbij was. Een scheepje verscheen in het schemerdonker bijna eensklaps voor mijne oogen. Het kwam uit volle zee en zeilde scherp bij den wind om de kust te bereiken. Daar ik reeds vermoeid begon te geraken, had ik mij op den rug gewenteld, om eenigermate te rusten. Maar als instinctmatig keerde ik mij om, gereed tot duiken. Een vischschuit, die naar een der hoofdplaatsen van Istrië zeilde, kon niet anders dan mij verdacht voorkomen! Ik mocht niets meer in de waagschaal stellen! Ik mocht dat gevaar niet loopen!

„Ik werd bijna oogenblikkelijk dienaangaande ingelicht.

„Een der matrozen riep in het Dalmatische taal-eigen zijnen makker toe, om over den anderen boeg te wenden. Ik dook dadelijk en het vaartuig ging boven mijn hoofd over stag, voordat de opvarenden tijd hadden gehad mij te ontwaren.

„Toen ik het stikken nabij was, kwam ik weer boven in de vrije lucht om adem te scheppen, en vervolgde ik mijn zwemtocht in westelijke richting, nadat ik mij overtuigd had, dat het scheepje in het nachtelijk duister verdwenen was.

„De bries verzwakte bij het intreden van den nacht, en de deininggolven vielen met den wind. Ik voelde mij nog slechts opgeheven door die lange grondzeeën, die mij al verder en verder van het land meesleepten.

„Onder die omstandigheden, dat wil zeggen, terwijl ik beurtelings zwom en rustte, verwijderde ik mij nog gedurende een uur van de kust. Ik zag niets anders dan het te bereiken doel en had geene gedachte voor den af te leggen weg. Het gold vijftig mijlen om de Adriatische zee over te steken! Ja, die wilde ik overzwemmen! Ja, ik zou ze oversteken! Mijn besluit stond onwrikbaar vast!

„O, Piet men moet zulke beproevingen doorstaan hebben, om tot de ervaring te geraken, wat een mensch kan, waartoe hij bekwaam is, welke uitkomsten van de zedelijke krachten verkregen kunnen worden, wanneer zij met de lichamelijke krachten hand aan hand gaan en tot één doel samenwerken! O, dan is het menschelijke werktuig onovertroffen!

„Zoo ondersteunde ik mij ook gedurende het tweede uur.

„Dat gedeelte van de Adriatische zee was geheel eenzaam, men kon zeggen onbevolkt. De laatste watervogels hadden haar verlaten om hunne holen aan de oevers te gaan opzoeken. Geen enkele zweefde meer over mijn hoofd heen, behalve eenige meeuwtjes, die scherpe kreten uitstieten, terwijl zij paarsgewijze over de oppervlakte van de blauwe zee scheerden en soms daarop neerstreken, om zich op de loome golfjes te laten wiegelen.

„Hoewel ik niets van de vermoeidheid wilde gevoelen, begonnen mijne armen en beenen zwaar te worden. Reeds strekten zich mijne vingeren krampachtig van elkander uit, en het kostte mij moeite om de handen gesloten te houden, hetgeen bij het zwemmen zoo noodzakelijk is. Mijn hoofd woog loodzwaar, alsof een kogel aan mijne schouders bevestigd ware geweest. Ik begon moeielijkheid te ondervinden om het boven water te houden.

„Eene soort van hallucinatie, van zinsbegoocheling overviel mij toen. De geregelde gang der denkbeelden begon mij te begeven, en tot eene gezette opeenvolging van gedachten kon ik mijn brein niet meer dwingen. Vreemde samenkoppelingen van meeningen vormden zich in mijne geschokte hersenen. Ik voelde dat ik niet anders dan zeer onvolmaakt een geluid zou kunnen hooren, het welk in mijne nabijheid zou waargenomen kunnen worden, of een licht zou kunnen zien, dat in mijne nabijheid ontstoken zoude worden.

„En het was juist zoo iets, dat mij wedervoer.

„Het kon ongeveer middernacht geweest zijn, toen een dof en verwijderd gerommel zich in oostelijke richting liet vernemen. Het was voor mij onmogelijk den aard van dat gerommel te onderscheiden.

„Een lichtstraal drong door mijne oogleden heen, die zich mijns ondanks gesloten hadden. Ik poogde mijn hoofd op te beuren en slaagde daarin slechts door mij half te laten onderdompelen. Toen keek ik....

„Ik vertel u al die bijzonderheden, Piet, opdat gij ze weten zoudt en opdat gij door haar mij in mijn karakter zoudt leeren kennen.”

„Van uw karakter is mij niets onbekend, dokter. Niets!” antwoordde de jongman.

„Niets?” vroeg dokter Antekirrt.

„Denkt gij dan, dat mijne moeder mij niet op de hoogte gebracht heeft, wie en wat graaf Mathias Sandorf was?”

„Dat zij Mathias Sandorf gekend heeft, dat kan, Piet....”

„Zeker, heeft zij dien gekend!” fluisterde de jongman schier ademloos van spanning.

„Maar dat zij dokter Antekirrt zoude kennen? Neen, dat niet. Dat kan niet, niet waar?”

Piet Bathory luisterde ten hoogste ingespannen.

„En het is juist die man, dien ge moet leeren kennen,” ging de dokter voort. „Luister dus goed.”

De jeugdige ingenieur knikte. Hij was geheel gehoor. Zijn geheel uiterlijk kenmerkte dat.

„Het gerommel, dat ik gehoord had, werd veroorzaakt door een groot schip, dat van den oostkant kwam en naar de Italiaansche kust stevende. De lichtstraal, die tot mij doorgedrongen was, kwam van zijn wit licht, hetwelk in den fokkemast bengelde. Dat was het onbedriegbare teeken, dat het een stoomvaartuig was. Wat zijne positie-lichten betrof, die onderscheidde ik weldra daarna, het roode aan bakboord en het groene aan stuurboord. En daar ik die twee seinlichten tegelijkertijd ontwaarde, wist ik dat het vaartuig recht op mij afkwam.

„Het daaropvolgende oogenblik zou voor mij beslissend zijn. Inderdaad, alle kansen bestonden, dat dit stoomschip een Oostenrijks vaartuig was, daar het van den kant van Triëst kwam. Een toevlucht daar aan boord te verzoeken, zou gelijkstaan met mij zelven weer in de handen der maréchaussées van Rovigno te stellen! Ik was vast besloten zoo iets niet te doen, hoewel ik gereed was, alles te beproeven om het eerste het beste redmiddel aan te grijpen.

„Dat stoomschip was een snelvarend vaartuig. Het vergrootte al meer en meer voor mijn oog, terwijl het naderde. Het vergrootte buitengewoon.

„Eindelijk kon ik de zee voor den boeg in eene witte schuimkuif zien omkrullen. Binnen twee minuten zou die boeg de plaats snijden, waar ik mij bevond, waar ik bewegingloos lag te drijven.

„Ik twijfelde er geen oogenblik aan, dat het een Oostenrijksche stoomer was. Maar het was toch niet onmogelijk, dat zijne bestemming Brindisi of Otranto was. En waren die havenplaatsen zijn einddoel niet, dan kon hij haar toch aandoen. Dat was zelfs zeer waarschijnlijk.

„Als dat zoo was, dan moest hij er binnen de vier en twintig uren aankomen.

„Mijn besluit was dan ook ras genomen: Ik zou blijven drijven en wachten. Dat was het best, wat mij te doen overbleef.

„Ik was er zeker van, dat ik te midden van de dikke duisternis niet opgemerkt zou worden. Ik zorgde, dat ik in de richting bleef, welke die groote massa volgde, welker vaart toen vrij gematigd was en die ternauwernood door de lichte deining der kalme zee geschommeld werd.

„Eindelijk was de stoomer in mijne onmiddellijke nabijheid. Zijn boeg beheerschte de zee twintig voet boven mij. Ik werd in de waterkrul, die hij voor zich uitstiet, met geweld opgenomen; maar ik ontving geen schok. De lange romp gleed langs mij heen en ik stiet mij krachtig met beide handen af. Dat duurde hoogstens een paar seconden. Toen ik daarna de vormen van het achterschip zag verschijnen, klemde ik mij, op gevaar af, door de schroefbladen te pletter geslagen te worden, aan het roer vast.

„Gelukkig was het stoomschip zeer zwaar geladen, zoodat de schroef zeer diep wentelde en de oppervlakte van het water niet bereikte. Want ware dat het geval geweest, dan zou ik aan de draaikolken, die daar gevormd werden, niet hebben kunnen ontkomen; ook zou ik het steunpunt, waaraan ik mij vasthield, niet omklemd hebben kunnen houden, en had ik moeten loslaten.

„Maar, evenals bij alle stoomvaartuigen, hingen twee ijzeren kettingen aan het achterschip en sloten aan de roerwanden aan. Ik greep een van die kettingen en tilde mij tot de ijzeren kram omhoog waarin zij vastgeklonken waren. Ik kon nu boven water zitten en richtte mij zoo goed en zoo kwaad bij den achtersteven in, als maar mogelijk was.

„Betrekkelijk was ik hier in veiligheid!

„Drie uren later brak de dag eindelijk aan. Ik berekende toen, dat ik nog gedurende meer dan vier en twintig uren in dien toestand zou moeten doorbrengen, namelijk wanneer de stoomboot Brindisi of Otranto zou aandoen. Waar ik het meeste door zou lijden, dat was door dorst en honger.

„Maar het voornaamste was, dat ik niet van het dek van de boot ontwaard werd; ook niet van uit de sloepen, die rechts en links van het achterschip in de davits hingen. Het is waar, dat ik door eenige tegenliggende schepen kon gezien worden en dat die seinen konden wisselen; maar gelukkig ontmoetten wij gedurende dien dag zeer weinig schepen, en die wij ontmoetten, voeren ons op zoo’n grooten afstand voorbij, dat niemand bespeuren kon, dat een man zich aan de roerkettingen van het stoomschip vastgeklemd hield.

„Eene brandend heete zon veroorloofde mij weldra mijne kleederen, die ik daartoe uittrok, te drogen.

„De drie honderd gulden van Andreas Ferrato bevonden zich steeds in mijn gordel. Zij moesten mij onderhoud en veiligheid verschaffen, zoodra ik aan wal zoude zijn. Daar, daar zou ik niets meer te vreezen hebben.

„Op vreemden bodem waren voor graaf Mathias Sandorf, de Oostenrijksche agenten en spionnen geen schrikbeelden meer. Daar zou ik het hoofd rechtop kunnen voeren. Daar zou ik niet meer als een rampzalige ellendeling moeten rondsluipen om het veege leven te redden.

„Maar het was mij niet genoeg voor het oogenblik, dat ik dat leven gered had; ik wilde ook dat men aan mijnen dood geloofde....

„Niemand mocht vernemen, dat de laatste vluchteling uit den vestingtoren van Pisino, dat graaf Mathias Sandorf op Italiaanschen bodem voet aan wal gezet had. Ik had daar gegronde redenen voor, zooals gij weldra vernemen zult.

„Wat ik zoo innig verlangde, wat ik zoo innig hoopte, gebeurde gelukkig ook.

„De dag ging zonder buitengewone voorvallen voorbij. De nacht viel eindelijk in. Ongeveer tegen tien uren in den avond flikkerde een licht met regelmatige tusschenpoozen in het zuidwesten. Ik herkende dat licht, want ik was meer in deze streken geweest. Dat was de vuurtoren van Brindisi.

„Twee uren later was de stoomboot in het door boeien afgebakende vaarwater, hetwelk naar de haven geleidt.

„Maar toen, vóórdat de loods aan boord gekomen was, en wij den wal op ongeveer twee mijlen genaderd waren, bond ik mijn kleederen in een pakje, dat ik op mijn hoofd en aan mijn hals bevestigde, liet de kettingen van het roer los en gleed zonder gerucht te maken in het water, hoewel het stoomschip nog in volle beweging was.

„Het hevige geplons van de schroef bedwelmde mij een oogenblik, ik werd ook in de kolken, welke zij met woest geweld vormde, voor een poos meêgesleurd; maar eene minuut later reeds—want ik repte mij en zwom krachtig voort—had ik de stoomboot uit het gezicht verloren en hoorde ik nog maar het oorverscheurend gegil harer stoomfluit, waarmede zij hare aankomst in de havenplaats aankondigde.

„Een half uur later zette ik bij zeer kalme zee op een vlak en dor strand, waarop geen branding stond, voet aan wal, gelukkig zonder dat iemand mij gezien had. Ik zocht eene schuilplaats tusschen de rotsen, die het strand bedekten, kleedde mij daar aan en zocht, terwijl de uitputting door de uitgestane vermoeienissen de bovenhand boven den honger behield, eene rustplaats te midden van droog zeewier, waarmede de tusschenruimten der rotsen gevuld waren, en sliep weldra op dat bed in.

„Bij het aanbreken van den dag wandelde ik Brindisi binnen en zocht daar een der meest bescheidene hôtels van de stad op, alwaar ik besloot de verdere gebeurtenissen af te wachten, alvorens het plan van geheel mijn toekomstig leven vast te stellen. Ik was nu in veilige haven en had derhalve volstrekt geen haast.

„Twee dagen later, Piet, vernam ik door middel van de dagbladen, welke rampzalige ontknooping de Triëster samenzwering gehad had. Ik las dat nasporingen in het werk gesteld waren, om het lijk van graaf Mathias Sandorf te vinden; maar dat die te vergeefs geweest waren. In echten reporterstijl werden daar vele bijzonderheden medegedeeld, die mij deden glimlachen.

„Maar ik werd voor dood gehouden, dat was het voornaamste, even zoo goed dood, alsof ik met mijn makker, graaf Ladislas Zathmar en uwen vader, Stephanus Bathory, onder de doodelijke schoten op het binnenplein van den vestingtoren te Pisino gevallen was!

„Ik, dood!.... Dood!”

„Waarachtig niet, Piet.... en velen zullen wel ondervinden, dat ik nog levend ben!”

Piet Bathory had met alle gretigheid, met de meeste opmerkzaamheid naar dat verhaal van den dokter geluisterd. Hij was onder den indruk daarvan, alsof hem dat alles, wat gebeurd was, in de diepte van een graf medegedeeld was geworden.

Ja, het was graaf Mathias Sandorf die zoo tot hem sprak. Daaraan viel niet te twijfelen.

Tegenover Piet, tegenover den zoon van Stephanus Bathory, tegenover dat levende evenbeeld van zijn vader, had graaf Mathias Sandorf zijne gewone koelheid langzamerhand verloren.

Hij had thans den jongen man geheel en al toegang tot zijne ziel verleend en vertoonde haar in zijne tegenwoordigheid, zooals zij werkelijk was, na ze zoo lange jaren voor anderen gesluierd gehouden te hebben!

Maar hij had nog niets gerept omtrent datgene, wat Piet toch zoo verlangend was te vernemen, niets omtrent hetgeen de arme jongeling van zijne medewerking verwachtte!

Wat de dokter zoo even verhaald had van zijn stoutmoedigen overtocht over de Adriatische zee, was tot in de geringste bijzonderheden waar. Zoo was hij heelhuids te Brindisi aangekomen, terwijl graaf Mathias Sandorf volgens ieders opvatting dood was en dood bleef.