Part 2
Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude behandeld hebben.
In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden en die naar den grond streek.
Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.
De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.
Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene nieuwe halt, juist op de benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof.
Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.
De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige passen verder op den grond viel.
Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.
„Eene reisduif!” zei hij.
„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd heeft!” antwoordde Sarcany.
„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”
„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt tot uitstel van executie!”
Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een raadselschrift vertoonde:
ghfhna dalant ltenka aohhzk aenzse lsnivi rnryoo tnpees seyehe lxosde soelnl sglpte veknni ilarna lotasa yareah uezmtl rradae
Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval bestaan dat het schrift ontraadselbaar was.
Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst, noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden.
„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons een vermogen zou kunnen bezorgen!”
„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben. Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.... Maar alles goed en wel beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.”
„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te verstaan, wanneer die te Triëst woont.”
„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!”
„Neen, Zirone.”
„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”
„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?”
„Ja.... zoo beschouwd....”
„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat zij hare bestemming bereiken kunne!”
„Met het briefje?” vroeg Zirone.
„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er gebruik van te maken!”
Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo zorgde hij dat de stand der woorden onderling onaangetast bleef. Toen hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op, herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der duif.
Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou moeten worden.
„En thans?” vroeg hij.
„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed te verzorgen.”
En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle, dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten was. De vogel had honger, maar vooral dorst.
Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.
„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, „daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan nog maar een paar minuten te vliegen.”
„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”
„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk.
En ziehier wat hij deed:
De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote, roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw aangebracht was. Die toren beheerschte de geheele topvlakte van den Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had.
Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men had slechts de duif in vrijheid te stellen.
Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven leidde, te bestijgen.
Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder, zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren.
Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht op Triëst in noordwestelijke richting verleende.
Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.
De omstandigheden waren dus zeer gunstig.
Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een poos en gaf haar toen de vrijheid.
De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller zou eindigen.
Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.
„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.
„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.
En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad.
Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.
Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.
Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.
Neen, dat gebeurde niet.
„Ik zie haar nog!.... Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens gezichtsvermogen buitengewoon sterk was.
„Waar?.... Waar?.... vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog verloren te hebben.
„Daar!.... daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger aanwijzend. „Daar!....”
„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.”
Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt. Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.
De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor wien het briefje bestemd was.
Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van de stad uitmaakte.
Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren.
Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen.
„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.
En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist eenige duiven vlogen.
Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif neergestreken.
Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs de Acquedotto gelegen.
Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.
Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en strekte hem tot woning.
„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.
„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.
„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?....”
„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze herberg terug.”
„Ja wel!.... Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen, die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone schamper op.
„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch mogelijk dat wij morgen zullen smullen.”
„Bij wien?”
„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.
„Ja, dat vraag ik.”
„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.”
Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? Toch hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden betalen.
Maar welke verrassing was hun daar bereid?.... Een brief, die aan Sarcany gericht was, was aangekomen.
Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de woorden, die kort maar beteekenisvol waren:
„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat ik nimmermeer iets van u hoore.”
„Silas Toronthal.”
„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”
„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.
„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?....”
„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”
II.
GRAAF MATHIAS SANDORF.
De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te worden.
Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, eene taal, die van af de vijftiende tot de zestiende eeuw bij het geven van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.
Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk verzekerde.
Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk.
De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag van Carlowitz iets wilden weten.
Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.
Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.
Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, voor al het goede dat hij in het land teweeg bracht. Dat kasteel was dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.
Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd. Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was, vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden, een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van.
Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te straffen.