Part 14
Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, gordel, breede Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet misplaatst zijn.
De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s aangeslagen zijn.
Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.
Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.
Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard, dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.
De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als beneden in de borstholte zoeken.
Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt:
Wanneer weerklinkt het lied, Het lied der Singare; U ontsnappe dan niet, Hoe zij zingt dat haar lied Want: Beware! Pas op voor de Singare! Blijft ge echter ver van haar Van haar verteerende blikken Dan is er weinig gevaar Dan kunt ge het nog ontglippen!
Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de canzonetta.
Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel, die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:
„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien braven man.”
Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen, maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke ellende bewogen kunnen worden.
Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn, die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.
Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden evenwel geen toeschouwers.
Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende kleuren besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.
Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst moest zijn.
Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof en lomp met houtskool geschreven waren:
PESCADOS EN MATIFOU.
Fransche acrobaten.
Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. Beiden waren in de Provence geboren.
Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?
Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen, evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules.
Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het gezegde der dichters verdiend heeft:
„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”
Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de zuidelijke worstelperken.
Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien hebben om het te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.
Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur, die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan hij toch de kracht bezat.
Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien mageren sprinkhaan geschapen had.
Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een straatkunstenaarsleven geleidde.
Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.
Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.
Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer bleef hij steken of het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen.
„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij gaarne.
Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen? Dat was inderdaad onverklaarbaar.
De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:
„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”
En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren.
En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert verscheidene maanden geëxploiteerd.
Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.
Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd.
Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.
Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van eenige neiging om die linnen tent binnen te treden.
„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei Pescadospunt.
„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.
„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons eerste geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”
„Om waar heen te gaan?”
„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.
„Spreek maar op.”
„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens per dag te kunnen eten?”
„Waar ligt dat land, Pescadospunt?”
„O ver, heel ver, zeer ver.... zelfs verder dan zeer ver, Kaap Matifou!”
„Aan het uiteinde der aarde?”
„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. „Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk was....”
„Welnu?”.... vroeg Kaap Matifou.
„Welnu.... dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb om een konijn weg te goochelen!”
„En dan?....”
„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.... dan heeft hij dien avond niets te eten!”
„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen wij niet te eten?”
„Neen, voorwaar!”
Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer hoog.... hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling losliet, waarbij hij viel.... viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen in de ledige ruimte.
Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong met uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.
„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder moeite, om hem achteruit te trekken.
„Wat? Mij?....” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij scheelt?....”
„Ja, u!”
„Mij scheelt....” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer talrijk waren. „Mij scheelt.... anders niets dan dat ik je spreken moet, Pescadospunt!”
„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”
De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te breken, zijnen braven makker tot zich.
II.
HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.
„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.
„Wat gaat niet?”
„De zaken!”
„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook nog slechter gaan!”
„Pescadospunt?”
„Kaap Matifou!”
„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”
„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen zal!”
„Welnu.... ge moest mij verlaten,” zei de reus.
„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.... Je in den steek laten?” vroeg Pescadospunt.
„Ja!”
„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt me belang in.”
„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen waart, ge er wel komen zoudt.... Ik hinder je, en zonder mij zou je....”
„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent dik, niet waar?”
„Ja.”
„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je daar uitgekraamd hebt.”
„Waarom dan toch, Pescadospunt?”
„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren uitvoeren?”
„Met wien?....”
„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon uitvoeren?”
„Ja, maar....”
„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen volbrengen?”
„Drommels!....” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de war raakte.
„Ja.... de beenen uit elkander.... voor een stormachtig opgewonden publiek.... wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”
„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.
„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen eten!”
„Ik heb geen honger!”
„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.... nu heb je ook honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, dan zal je eten!”
„Maar jij, kleine Pescadospunt?”
„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, terwijl jij zoonlief.... Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer zal je een wonderverschijnsel zijn!.... Een wonderverschijnsel, ja....”
„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is dat waar of niet?”
„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”
„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in mijn belang niet moet eten!”
„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was....”
„Dat voor jou zou zijn!”
„Maar wanneer voorraad voor twee was?”
„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel twee mannen?”
„Vier.... zes.... tien!....” riep de reus uit, die inderdaad door tien mannen niet zou te bedwingen zijn.
Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen had.
Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige kracht bewezen.
Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten, bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte.
Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier nu eene van de armen.
Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, greep het, toen het met voorover gebogen kop op hem losstormde, bij de hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde, totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder nadeel te kunnen aanrichten.