Part 9
Op een goeien morgen werd de ukaze uitgevaardigd. De keizer is tot de ontdekking gekomen (wat men te allen tijde al wist) dat de Poolsche Joden, van elke nijverheidsonderneming buitengesloten, leven van den handel in rariteiten en van smokkelen. Bevel ze onmiddellijk over te plaatsen naar het hart van Rusland. Sedert den val van Jerusalem is niemand ooit zoo wanhopig geweest. Geen uitstel. De Kozakken komen. Daar liggen hun eigendommen op straat... "Allo, vooruit! pakt je uit de voeten... jullie moet weg, zoo is 't bevel... Geen dag, geen uur uitstel..." Grijsaards, vrouwen, jonge kinderen vertrekken, slepen zich voort. De soldaat dringt van achteren aan en maakt, zoo noodig, van zijn wapens gebruik om tot voortgang te prikkelen. Uitgeput, verhongerd vallen de slachtoffers neêr. Zonder hulp laat men hen daar, als honden, omkomen. De vrouw valt in zwijm en sterft; haar man moet den weg voortzetten.
Is dit nu genoeg? O, neen. De overlevenden bemerken alras, dat voor hen, in hun nieuwe woonplaatsen, een verschrikkelijke vervolging begint: de lichting der kinderen! Ze worden, op zesjarigen leeftijd, weggevoerd, zwak en teeder als ze nog zijn, om ingelijfd te worden bij het leger of de marine. Maar het joodsche ras is van oudsher volkomen ongeschikt voor den militairen dienst. Al die kinderen sterven. De Jood kan als soldaat niet leven.
De keizer heeft goed gerekend. Deze wreede strafoefening is zeer populair geweest. De Russische en Poolsche boeren verafschuwen de Joden. Zij bedenken niet, dat wanneer dit ongelukkig ras gehate ambachten en bedrijven uitoefent, geen andere aan hen worden overgelaten. Den gelukkigen aanleg, dien in den laatsten tijd zooveel Joden uit verschillende landen hebben bewezen, de Oostersche schoonheid van hun ras, hun vrouwen, de mooiste van de heele wereld, àlles moet de barbaarsche middelen ter uitroeiïng doen betreuren, welke men in Rusland tegen hen in toepassing brengt.
Doch de keizer is in dit opzicht zijn volk in 't gevlei gekomen. En hij heeft opnieuw hun hart gestolen, toen hij den geheelen adel van 't koninkrijk Polen van vijftig-duizend familiën, met één pennestreek, terugbracht tot vijfduizend. Kort daarop slingerde hij zijn vermaard geworden ukaze van 2 April 1842, ter vrijmaking van de Russische lijfeigenen, de wereld in.
De vrijmaking in naam en de voorgewende onafhankelijkheid der lijfeigenen van de kroon had niets bizonder aanlokkelijks voor de lijfeigenen, die den adel toebehoorden. De eersten, het is zoo, kunnen elk bedrijf uitoefenen, waar zij behagen in scheppen; maar de keizerlijke zaakwaarnemer zwaait een roede over hen, die veel harder is dan van eenig ander meester. De omkoopbaarheid van dezen persoon, dien zij onophoudelijk moeten tevreden stellen, doet hen de slavernij betreuren.
Wat beoogde inderdaad de keizer, toen hij door de ukaze van 1842 de heeren aandreef om met hun boeren een overeenkomst aan te gaan, waardoor ze zoogenaamd vrij zouden worden, d.w.z. onderworpen raken aan de heerschappij van den keizerlijken knoet?
Hij wilde den adel vrees aanjagen.
De werkelijke vrijmaking kan door dezen niet geschieden, tenzij aan de boeren, mèt de vrijheid, een groot stuk grond wordt gegeven. Wordt dit goed bebouwd, dan zou 't hun gemaklijk zooveel opbrengen, dat hun verlies gedekt werd. Velen denken en zeggen het, maar durven toch niets doen. Zij beweren de eigenlijke meening van den keizer op dit stuk te kennen. Zij verzekeren, dat hij in toorn zou ontsteken, wanneer hij hierin gehoorzaamd werd, dat hij hen, die zijn officiëele uitspraak als gemeend zouden opvatten, en beginnen zouden haar ten uitvoer te brengen zeer verdacht zou vinden. Een ernstig schrijver, Tolstoï, [66] zegt dat de boeren in sommige gewesten onderstelden dat de vorsten en de adel in den hemel andere beschermers hadden dan zij, een afzonderlijk God, een God van rijkdom, die hun met kwistige hand hun bezittingen schonk. Tijdens den hongersnood in den winter van 1845-'46 gingen de boeren van Esthland, Lijfland en Koerland in grooten getale tot den staatsgodsdienst over, om eenige ondersteuning te verkrijgen. Alleen verkeerden zij hierbij in de meening, dat zij, door het geloof van den keizer te omhelzen, dus over te gaan tot den god van den rijkdom, den eigendom zouden verkrijgen van den grond, die door hen bebouwd werd. De keizer was wel verplicht deze al te voorbarige bekeeringen tegen te gaan. Wij vernamen deze bizonderheden van personen, die ze ter plaatse zelf hebben verzameld, te Riga en te Dorpat.
De keizer sidderde, toen hij begreep dat hij aan 't hoofd stond van een uitgebreiden communistischen en godsdienstigen boerenopstand.
Hij deinsde terug voor de noodzakelijke gevolgen, die zijn geestelijke aanspraken en zijn beroep op vrijmaking schenen te hebben. Eén stap verder, en hij zou misschien de Messias der lijfeigenen geworden zijn. Men weet door de tallooze voorbeelden der geschiedenis van het Oosten, hoe spoedig de vonk van dweepzucht bij de blinde massa oplaait. Zij zou, wie haar, zelfs door moord, tegelijkertijd het bezit van den grond en de vrijheid schonk, hebben aangebeden en door dik en dun gevolgd zijn.
Dus, de keizer deinsde terug. Hij wendde zich naar den adel, dien hij totnogtoe had bedreigd.
En sedert staan beide partijen, czaar en adel, van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar, niets doende, niets durvende ondernemen, elkaâr schrik aanjagende, als twee spinnen, die elkander beloeren omdat ze niet weten of zij bevriend of vijandig zijn, en of bij de bespieding de een er niet op zint de ander te verslinden.
X.
OVER DEN CZAAR ALS PAUS EN ALS GOD.
MEN DOET HET VOORSTEL HEM TOT UNIVERSEEL PAUS TE BENOEMEN.
De Russische boer, die in zijn catechismus den naam van den keizer met groote letters ziet gedrukt, evenals dien van God, terwijl die van Jezus maar klein gedrukt is, vormt zich natuurlijk een zeer hoog denkbeeld van de keizerlijke macht. Hij leest erin dat de keizer een emanatie (uitvloeisel) van God is. Maar wat is een emanatie? Als hij bij zijn priester daarnaar vraagt, of bij den keizerlijken beambte (gewoonlijk een priesterszoon), zegt men hem dat Gods geest inderdaad in den keizer moet zijn gevaren, omdat de geestelijke rechtbank, die de plaats bekleedt van den patriarch, hem als hoofd en rechter van de Kerk erkent, en omdat hij de bisschoppen kiest. Rechtstreeks aan hem leggen de burgerlijke en militaire ambtenaren van het rijk ieder jaar door getuigschriften de verklaring af, dat zij hun godsdienstige plichten nauwgezet hebben vervuld.
Groot is dan ook de verwondering van zoo'n boer, wanneer hij, naar Sint-Petersburg of Moscou gegaan, er den keizer ziet. Wat! is dat een emanatie? Wat! die hoogste vertegenwoordiger van den godsdienst, van wien de bisschoppen afhankelijk zijn, is een officier in nauwsluitende uniform en met de stramme houding, die alle andere Russische militairen ook hebben?
Volgens een overlevering, misschien wel weinig betrouwbaar, maar die toch verdient dat er aandacht aan geschonken wordt, als aan elke volksoverlevering, zou eens een soldaat, die den keizer voor de eerste maal zag en hem den eed van trouw moest afleggen, geweigerd hebben dit te doen, zeggende niet te kunnen gelooven, dat die militair werkelijk de keizer was.
De Rus heeft van nature een verheven, vriendelijken en heiligen dunk van de macht van zijn souverein. Hij onderstelt, dat degeen die hier op aarde de plaatsvervanger is van den Vader der wereld zelf ook een vader is (batouska). En die vadernaam, dien hij den keizer geeft, omvat voor hem het begrip van priester en rechter.
Het moderne czaarschap, door Peter den Grooten en zijn opvolgers gemodelleerd naar het Pruisische despotisme, met zijn ganschen nasleep van soldaten en bureaucraten, beantwoordt in geenen deele aan de aartsvaderlijke voorstelling, welke de Rus zich in zijn hart gevormd heeft.
Gelooft de keizer-zelf er aan te beantwoorden? Heeft hij de zekerheid, welke deze overtuiging hem zou geven? Ik betwijfel het. Naar welk tijdperk ik opklim tot aan Peter den Grooten toe, zijn alle reizigers eenstemmig in de voorstelling van den czaar, wèlken zij ook bedoelen, als van een minder majestueus vorst, dan men van zulk een machthebber zou verwachten: een gejaagd en vreesachtig man. Deze karaktertrek vindt men ook bij den tegenwoordigen keizer, [67] wiens hooge en trotsche gestalte hem van zèlf majestueus zou doen zijn. Hij geeft er zich te veel moeite voor. Zelfs in de kerk, bij een plechtige gelegenheid: het huwelijk van zijn zoon, heeft de heer de Custine deze gejaagdheid opgemerkt.
Als hij voèlde op zijn wettigen grondslag, de Russische opvatting, vàst gezeteld te zijn; als hij van zich getuigen kon, dat hij beantwoordde aan de voorstelling van een volk uit zoo veel millioenen menschen bestaande, dan zou hij zeker niet zoo gejaagd zijn. Wanneer de ziel van een volk ook in het lichaam huist van één man, vindt hij daarin een houvast en een hechtheid, die hem een rustig evenwicht schenken.
Het gezag is vredelievend, wanneer het voelt in gemeenschap te staan met de menschen, te worstelen in de groote samen-leving van het volk met zijn God. Hier echter is het in beroering, omdat het alleen staat, volslagen alleen, omdat het, bij de diepe stilzwijgendheid van het rijk, slechts zijn eigen stem hoort, zonder te worden gewaarschuwd, gerust gesteld door de stem van het algemeen gezond verstand. Het weet, dat het een kracht is; maar is het wel zeker ook een recht te zijn?
Er is geen recht in Rusland. De wet is er een onmogelijkheid. De zestig wetsdeelen, die de keizer heeft laten bijeenbrengen, vormen één groote bespotting.
Alle recht berust er op dezen grondslag, die het belet een recht te zijn: Het goede is wat overeenstemt met den wil van den meester. Het kwaad is wat zich verzet tegen dienzelfden wil.
Het gebouw is gevestigd op het ledig. Daar de moraal niet in de fundamenten is gelegd, verheft de wetgeving zich, zonder steun, als 't ware in de lucht. Van onwaarde in de basis, is zij van geen beteekenis tot aan den top. Welke is de drager van dat onmogelijk wetboek? De willekeur. En deze alleen wordt, in den naam van de wet, ten uitvoer gelegd.
Doch het is niet alleen de willekeur van den meester, welke een spel speelt met de wetten, het is ook de willekeur van alle meesters van minderen rang (de uitvoerders der bevelen van den souverein), ontrouwe tusschenpersonen, die tot eigen voordeel de opperste dwingelandij bedriegen, exploiteeren en deze trotsche macht tot een afhankelijke maken. Zij bedreigt, zij beveelt, en zonder het te weten of 't wèl wetend, gehoorzaamt zij meestal aan haar dienaars, menschen van het laagst allooi. Zoodat wij, het zonderling gebouw van rechtsverkrachting en list, dat versierd is met den naam van wetten wel beschouwende, op de spits zelfs van deze pyramide van slavernij, een slaaf ontdekken.
Slaaf van zijn agenten, van zijn ministers, van zijn rechters, slaaf van hun trouweloosheid en haar ieder oogenblik voelende.
Hierin ligt het martelaarschap van den keizer.
Men moet er zich niet over verwonderen, wanneer hij in zijn wantrouwen en zijn onrust telkenmale de orde, die hij gesticht heeft, zelf verstoort, door b.v. zaken aan haar natuurlijke rechters te onttrekken, en ze dadelijk voor de hoogere rechtbanken te doen brengen. Maar de zoo hóóggeplaatste rechters zijn niet betrouwbaarder dan de anderen. De keizer voelt onder zijn voeten de aarde beven van kuiperijen. Hij is verontwaardigd. Hij roept de zaak voor zich als rechter. Hij zal alléén oordeel vellen. Maar heeft hij den tijd, de kennis, de noodige studie? Hij moet toch een beslissing nemen, gelooven aan zijn eigen wijsheid, of liever aan zijn instinct, aan ingeving van den hemel, hij moet in zich den Heiligen Geest voelen.
Alzoo blijft deze uitgebreide komedie van wetten en rechtbanken, al die moeite om een wereld van gerechtigheid in te richten, ijdel doen. Alles is uitgegaan van de willekeur des keizers, alles keert terug tot de ingeving van den keizer. Of hij wil of niet, hij moet wel paus zijn.
Vreeselijke straf voor een zoo groote aanmatiging. Terwijl in een wereld, waar alles natuurlijk en rechtvaardig toegaat, alles hellend naar beneden gaat, en het recht, afwaarts stremmende als een rivier, aan de maatschappij leven en kracht inblaast,--gaat hier alles naar boven, komt alles op onnatuurlijke wijze aan de spits aankloppen, aan een zwak menschelijk hoofd, waarin, naar men beweert, de wijsheid en de geest Gods zetelen.
De dienaren van de hoofdmacht gevoelen zich al te wel op hun monsterachtige plaats, om niet voortdurend te wenschen, dat de keizer alles tot zich laat opklimmen, dat hij de rechtspraak opschort en in alles stoutweg zelf uitspraak doet uit kracht van zijn pauselijk gezag.
Het streven van zulk een staat is klaarblijkelijk hoe langer zoo minder een staat te worden, meer en meer een godsdienst. Alles is godsdienstig in Rusland. Niets is wettelijk, niets is rechtvaardig. Alles is of tracht heilig te zijn.
Het binnenlandsch bestuur is heilig. De priesters zijn ambtenaren, godsdienstige koningen. De kommiezen zelven zijn zonen van priesters.
De actie naar buiten is heilig; zij bestaat voornamelijk in de kerkelijke propaganda, welke Rusland naar alle onbeschaafde volkeren heendrijft. Het is een soort van godsdienstige overheersching.
Dit alles geschiedt haast zonder medeweten van Europa. Men spreekt er bitter weinig over. Rusland heeft niet graag, dat men over hem spreekt, zelfs niet ten goede. Zijn agenten bewerken de voornaamste organen van de Europeesche pers en weten haar stilzwijgendheid te verkrijgen.
Laat het heilige Rusland maar onder den grond voortkruipen. God zal het met zijn licht wel eenmaal beschijnen, tot stichting van de gansche wereld.
Wat voor de vrome zielen reeds een heele troost is, is dat tegenwoordig alle rechtschapen menschen, van Moscou tot Rome, Jezuïeten en Kozakken, in nadere aanraking met elkaâr zijn gekomen.
De slecht ingelichte katholieken, die, in weêrwil van den paus, Polen zoo lang hebben verdedigd en Rusland aangeblaft, zijn tot beter inzicht gekomen en houden hun mond.
Toch is er één oogenblik geweest, waarop dit stomme Rusland, dat zooveel van zwijgen houdt, zelf de stilte heeft verbroken. Zijn hart bevrijdde zich; een overwinningskreet--weldra gesmoord--is door zijn mond geüit.
Het was na de Hongaarsche geschiedenis, na het beleg van Rome, toen de Omwenteling [68] door eigen hand ten doode gewond scheen, dat de keizer een manifest de wereld inzond, als riep hij ter kruisvaart op: "Rusland zal zijn heilige roeping vervullen..."
Welke roeping? Dat was nog niet duidelijk uiteengezet. Die om den paus te doen zegevieren? Tijdens het beleg van Rome [69] bevond zich onder de priesters-afgevaardigden, aan het hoofd van het corps diplomatique, inderdaad de afgezant van Rusland.
Maar de vreugde zat te diep, de hartstocht was te hevig, om zich aan duistere woorden te houden. De keizer heeft zijn minachting voor Rome laten uitbazuinen; later, verdronk de stad in bloed. Hij heeft, niet zonder reden, gedacht, dat het zich na zulk een zegepraal niet weêr zou opheffen. Op 't zelfde tijdstip, waarop hij met zooveel macht het herstel van het wereldlijk gezag in de hand werkte, heeft hij den geestelijken ondergang doen verkondigen.
De wijze waarop dit geschiedde was vreemd, niet op den man af, maar zeer duidelijk en zeer authentiek. In dit land wordt, over zulke ernstige onderwerpen, geen woord gesproken, dat niet geoorloofd is. En in deze zaak is het woord overgebracht door een lid van de Russische diplomatie-zelve, een werktuig van den keizer.
Er zijn altijd in zijn omgeving jonge mannen, vol ambitie, voortgesproten uit de opbruischende school van de Maistre, die, in weêrwil van de oude diplomaten, branden van verlangen om hun stem te doen hooren en opzien te baren. Zij hebben blijkbaar hun voordeel gedaan met een aanval van hoogmoed van hun meester om zich een volmacht te doen geven tot een ongehoorden stap, indruischend tegen de lijn van omzichtigheid, doodzwijgen en list, welke altijd door Rusland gevolgd wordt.
Een brief van den 13den October 1849, gedateerd van Sint-Petersburg, en geteekend: Een Russisch diplomaat, verschijnt in een Revue. De schrijver is de gezant van den keizer in Beieren. De titel: Het pausdom en de Romeinsche kwestie, bezien van het standpunt van Sint-Petersburg.
De mystieke en godvruchtige toon herinnert niettemin herhaaldelijk, door hooghartige, half-ironische trekken, den meester, wiens ruwe wenken de schrijver heeft gevolgd. Zonder het te willen, zonder er zich misschien van bewust te zijn, slaat hij tusschenbeide een harden, bitteren en hoogen toon aan, zooals die zou zijn van den machtigen heer, wiens geheimschrijver hij is.
Het artikel is vol minachting voor Frankrijk en het Westen, en vol medelijden met Rome, maar een minachtend medelijden. "Rome, dat de oorsprong was van het Westen, was nog zijn laatste kracht. Het bezwijkt. Het is bewezen dat de Romeinsche kwestie onoplosbaar is, daar Rome niet te verzoenen is met Rome en de paus en de Romeinsche staat elkander niet meer kunnen erkennen. De paus is door God gestraft, omdat hij is afgeweken van de Katholieke eenheid, omdat hij den christelijken hoofdzetel heeft doen ondergaan in pauselijke en romeinsche eigenbaat."
Maar zoo dáár dan een eind is, hier is een begin. We zouden ongelijk hebben bang te zijn. De wereld sterft nog niet. Zij bestaat, die katholieke eenheid, die de redding moet aanbrengen; zij is in de Grieksche Kerk. Deze wacht tot de bewaarster der christelijke lotgevallen in het Westen, het zieke en oud-geworden Rome, haar het toevertrouwde heilig pand teruggeeft.
Het is niet moeilijk de conclusie te trekken. Rome, om zijn baatzucht veroordeeld, moet het Latijnsche pausdom met dat van den paus te Moscou vereenigen, die klaarblijkelijk minder egoïstisch is. En, daar deze militaire paus de beide zwaarden in zijn hand voert, het wereldlijk en het geestelijk; daar hij, als apostelen, achtmaal honderdduizend Russen en Kozakken te zijner beschikking heeft, zal de orde weldra hersteld zijn zoowel in de maatschappelijke wereld, als in die van het geweten.
Achtmaal-honderdduizend! Dat is zeker veel. Maar, afgezien van overdrijving, ontslaat dit toch niet van gehoorzaamheid aan de logica.
Tegen wie is die kruistocht gericht? Tegen het democratisch individualisme, wordt beweerd. Maar wat is de czaar-zelf, en het Russisch gouvernement? Immers het individualisme.
En er is dit onderscheid, dat, zoo het republikeinsche ik een onrustig, bewegelijk ik is, vol van gejaagdheid, deze onrust vruchtbaar is, deze gejaagdheid voortbrengende kracht heeft. Zij wekt zonder ophouden de levensvonken op. De democratie van Athene, de volksregeering van Florence, [70] zijn de roem van de menschheid geweest.
Het czarendom is ook een individuëel ik; maar wat voor vrucht draagt het? Wie ziet niet in, dat Rusland daardoor uitgebluscht is, onvruchtbaar geworden, als 't ware gestorven? Zijn rust is geen rust: het is de droom van een levend begraven mensch. O, om alleen maar van het geluk te spreken, zonder van den roem te gewagen, wat zou 't meer baat hebben bij al de woelingen, welke de vrijheid meêbrengt!
Ongeloofelijk ondernemen! Gij kunt niet eens bij u zelven den toestand van maatschappelijke orde scheppen, die toch van ondergeschikten aard is! En gij maakt aanspraak op de hoogere sferen van den godsdienst! Vijanden der Wet, wilt gij hooger stijgen dan de Wet, gij vergrijpt u aan de wereld der Genade!... Onmachtig de werken van den mensch tot stand te brengen, noemt gij u daarom God!
Gij stelt u in de plaats van de Kerk! Maar gij wéét niet eens wat een Kerk is.
O, een Kerk van de Godheid, wie geeft mij er zoo een te aanschouwen? De Middeleeuwen hebben er een onjuist beeld van gegeven, en de Nieuwe tijd gaat er langzaam heen. In allen gevalle zal de groote toekomstige omwenteling, die in aantocht is, ons zeker vergunnen er den eersten steen van te leggen, d.i. dien van Gerechtigheid.
Een Kerk, dat wil zeggen een geest,--een geest van broederliefde.
Een Kerk, dat wil zeggen een gemeenschap in dien geest--een wezenlijke, diepgaande gemeenschap, in volkomen overeenstemming.
Een Kerk, dat wil zeggen een beschaving, die deze overeenstemming en deze liefde uitstraalt.
Geen enkele dezer drie kenmerken van een ware Kerk kan bij u gevonden worden. Waar is de geest? Hol en ijdel. En de geestesovereenstemming? Valsch; gij verbiedt het volk te onderrichten. En de beschaving?...... Men vindt op den ganschen aardbodem geen dorheid, die te vergelijken is met die van de Grieksche Kerk, gedurende haar bestaan van duizend jaren.
Maar wat u een strenger verbod moet zijn den naam van Kerk te voeren, dat is uw bloedvergieten, de schrikbarende, krankzinnige verkwisting van menschenlevens, waaraan gij u schuldig maakt. Het zwaard, het vuur, de knoet waren daartoe niet voldoende; gij hebt ook gebruik gemaakt van de moordende natuurkrachten van het klimaat en van de elementen.
Hoe kunt gij het altaar beroeren met door bloed bezoedelde handen!
De keizer is in 't jaar 1846 te Rome geweest; hij is door den paus goed ontvangen; hij heeft de Sint-Pieter bezocht; hij heeft gebeden op het graf der heiligen.
Wat zou de heilige Ambrosius [71] gedaan hebben? Zou hij niet voor de deur gestaan hebben, om den keizer den toegang te beletten? Zou hij niet gezegd hebben: "Vóór dezen tempel binnen te gaan, verwaardige Uwe Majesteit zich ons zijn handen te toonen."
"Men herinnert zich", zegt de Russische schrijver, dien ik vroeger aanhaalde, "men herinnert zich de ontroering, welke in de Sint-Pieter de verschijning verwekte van den orthodoxen keizer, die na verscheiden eeuwen van afwezigheid te Rome wederkeerde. Begrijpelijke ontroering! De neêrgeknielde keizer was niet alleen." Enz.
Neen, zeker, hij was niet alleen. Om hem bevond zich een groot gezelschap. Rechts de martelaren van Rusland, die van Polen ter linkerzijde. De zielen van eenige honderd-duizenden menschen vulden op dien dag de Kerk; zooveel duizenden, die van ellende in Siberië omkwamen, zooveel duizenden, die doodgeranseld waren, een bevolking van rampzalige schimmen, vooral van kinderen, Poolsche en Joodsche, op zoo hardvochtige wijze aan hun moeders ontrukt, die den Dood tot voedster hadden en wier jonge beenderen men langs alle wegen aantrof...... Ja, deze alle waren dien dag ook in Sint-Pieter, en hun stemmen stegen op tot God!
De paus heeft deze zielen gezien noch gehoord. Van dat oogenblik af-aan was hij geoordeeld.
Hij heeft gezwegen. Maar Frankrijk zal niet zwijgen. Het zal in zijn plaats spreken. Bewaakster van de Nieuwe Kerk, zal het bij den ingang dien helschen Messias tegenhouden, die komt in den naam van God.
Moordenaar van Gods werk, van zijn levende schepselen, wat zoekt gij hier?
Een nieuwe wereld is opgestaan, een van menschelijkheid en rechtvaardigheid. Frankrijk behoedt den drempel, en gij zult niet verder gaan. Het spreekt zijn priesterwoord: "Gij zult niet binnentreden!"
INHOUD.
Bladz.
Inleidend woord van de Redactie 5 I. Aan de Russische Officieren 7 II. 18 III. Geschiedenis van Katya, eene Russische Lijfeigene 26 IV. De Minotaurus.--Over het Leger als Strafmiddel 37 V. Siberië 47 VI. Siberië.--De Straffen 54 VII. Van het toenemend Schrikbewind in Rusland. --Martelaarschap van Pestel en Rylejew 65 VIII. Over de vernietiging van Polen 87 IX. Over den Czaar als Paus en als God.--Kerkelijke vervolgingen 110 X. Over den Czaar als Paus en als God.--Men doet het voorstel hem tot universeel Paus te benoemen 118
AANTEEKENINGEN