Martelaren van Rusland

Part 8

Chapter 83,781 wordsPublic domain

Neen, deze doodbrengende macht is noch een mensch, noch een heel volk; het is de geörganiseerde verachtelijkheid, welke men bureaucratie noemt; het is het samenstel van intriganten, vreemde parvenu's, moeras-insekten van het Noorden, die rondom den keizer krielen en zwermen.

Polen is een ding, een zaak. Daarin ligt het geheim.

Duizenden menschen, bureaucraten, politiemannen en allerlei ambtenaren, militairen, halve-militairen (zooals er zooveel in Rusland zijn), die allen zijn in de zaak betrokken, door winstgevende betrekkingen òf door verbeurdverklaringen. De keizer is goed, en hij weet zijn dienaren te beloonen. Een van hen, Adam van Wurtemberg, heeft zich door zijn meester het huis zijner nog levende moeder doen schenken. Hij heeft die moeder aan de deur gezet. Hij heeft het huis van zijn grootmoeder, een ziekelijke tachtigjarige, die niet meer vervoerd kon worden, door kogels doen doorboren.

De prooi vermeerdert den honger, de eters vermenigvuldigen zich als de lokspijs overvloedig is. De dood en de vernietiging, die krachten welke men negatief waande, zijn van scheppend vermogen bevonden; zij hebben bewezen een afgrijselijke vruchtbaarheid te bezitten, zij hebben een geslacht gekweekt van kruipend gedierte en knagende wormen. En Rusland wordt tegenwoordig opgegeten door dit gespuis. Onophoudelijk krijgt het stukken van Polen te verslinden.

Werpt u dus, wormen, hongerigen, intriganten van alle soort, werpt u op den begeerlijken buit! De zoon van den pope, [62] die kan lezen, schrijven en proces-verbaal opmaken, krijgt een plaats bij de politie. De jonge man van kleinen adel, die sedert zijn schooltijd verdorven is, hebzuchtig geworden en eergierig, tot alles bereid, zal wel een kamertje weten te vinden in de monstergebouwen der centrale administraties te Sint-Petersburg. Als hij laaghartig is, zal hij wel spoedig bevorderd worden. De promotie gaat zeer snel. Verscheiden hooge ambtenaren van het keizerrijk zijn niet ouder dan dertig jaar. Als zij kans zien in de omgeving van den meester te komen, als zij gelegenheid vinden de eenige zijde te vleien, waar hij vat op zich geeft, zijn woede, dan is hun fortuin gemaakt. Aan hen de zorg om, ter eere van zijn naam, onophoudelijk deze woede op te wekken, bij een op zulk een noodlottige hoogte geplaatst man de duizeling te onderhouden, het valsch poëtisch gevoel te voeden, dat gelegen is in de inbeelding, dat men een volk heeft kunnen vernietigen.

Zulke lieden zullen er nooit om verlegen zijn nieuwe ukazen voor te stellen. De heftigheid van den keizer is voor hen een uitnemende bodem ter ontginning; dag en nacht bewerken zij dien. Zij vinden er fortuin, eereambten, hooge posten en plotselinge, onverwachte bevordering, waardoor zij vele rangen overspringen.

Verplaatsen wij ons naar het oogenblik van de eerste woede-uiting van den keizer, toen hij het overwonnen Polen in zijn macht had. Een Polen, dat ingekrompen was tot drie millioen menschen, had het gewaagd het zwaard op te heffen tegen een Rusland van vijftig. Die onbeschaamde Polen, een Dembinski bijvoorbeeld, hadden zoo weinig eerbied voor de keizerlijke macht, dat zij met eenige hoopjes mannen de Russische legers van achter en van terzij bestookten, zonder dat men ze kon vatten.

Maar nu hàd hij 't dan in zijn macht, dat Polen; hij bezag 't met het oog, waarmeê de beer kijkt, die honigvreter uit de bosschen van het Noorden, wanneer hij een bij in de holte van zijn fluweelen poot te pakken heeft. Zal hij haar dezen of den anderen vleugel, of een van haar pooten uittrekken? Hij wil haar niet versmoren, maar langzaam doen omkomen.

De eerste daad was, de gevangenen die geen Russen wilden worden, te doen afranselen. Wij hebben al gesproken van de slachting van Kroonstad: aan ieder man acht-duizend stokslagen! Daar men dood gaat bij hoogstens vier-duizend, was men zoo welwillend de patiënten te laten genezen, om de volledige strafoefening mogelijk te maken: deze werd dus bij gedeelten toegepast.

Zij die zich wel tot Russen lieten omdoopen, werden naar den Kaukasus gevoerd en daar bij de voorposten geplaatst. De Tscherkessen, voortreffelijke schutters, hadden weldra gerechtigheid aan hen geoefend.

De keizer werd in deze genietingen een weinig gestoord door de zwakke, koude en laffe vertoogen van de regeeringen van Engeland en Frankrijk. Maar hij was er volkomen van overtuigd dat het eerste rijk, den kogel zijner nijverheid achter zich aansleepende (een gouden kogel, maar niettemin een zwaren), niets wilde en niets zou doen; en Louis-Philippe nog minder, die tegenover Nicolaas de nederige houding aannam van een koning op zijn knieën. Aan beide zijden schijnvertooningen. En een schijnvertooning was het antwoord. Hij zou aan de overwonnelingen een nieuwe grondwet geven. Deze daad beteekende niets anders dan de vernietiging van Polen. Zij, die haar verlangden, hielden zich voor voldaan.

Door de verordening van Februari 1832 werd Polen eenvoudig een onderdeel van het Russische rijk. De Poolsche kroon kon voortaan alleen te Moscou verkregen worden. Geen persoonlijke vrijheid meer noch vrijheid van drukpers. Ook geen landdag meer. Rechters, die naar willekeur konden worden afgezet. Alle posten toegankelijk voor de Russen. Geen ministeriëele verantwoordelijkheid meer. Geen speciaal Poolsch leger meer. De verbeurdverklaring wederom ingesteld. Verbanning buiten Polen, d.w.z. naar Siberië, enz., enz.

Maar welke bepalingen dit vreemde staatsstuk dan ook bevatte, het schijnt dat de keizer verontwaardigd was een schaduw van grondwet te moeten behouden. De provinciale staten, die hij in de plaats stelde van den landdag, hield hij voor een buitensporige, onduldbare toegefelijkheid. Door ze toe te staan aan Europa, wilde hij Europa tevens trotseeren. En een maand later, in Maart, liet hij een aanvang maken met de uitvoering van twee afschuwelijke maatregelen, de wegvoering van geheele familiën en de oplichtingen van kinderen.

In een enkel gouvernement, dat van Podolië, bevel tot verplaatsing van vijf-duizend familiën (vijf-en-twintig- tot dertig-duizend menschen) van opstandelingen, aan wie hun straf was kwijtgescholden, of van verdachte personen; bevel ze naar de onveilige streken van den Kaukasus te brengen, op onbebouwden grond, in een atmosfeer van koorts, op twee pas afstands van den vijand.

Het antwoord van den gouverneur van Podolië is merkwaardig.--Er zijn, zegt hij, drie klassen van adelijken: de adelijke grondbezitters,--de adelijke bedienden, landbouwers en werklui,--èn de adelijken uit de steden, burgers, advokaten, enz. Het is noodzakelijk zich niet te bepalen tot de eerste klasse, maar vooral uit de beide andere te nemen, "het land van déze lieden te ontvolken."

Dit beroep van verfoeilijke vleierij op de keizerlijke wreedaardigheid werd volkomen begrepen. In zijn brief van 6 (18) April 1832 antwoordt de minister van binnenlandsche zaken, dat Zijne Majesteit de voorschriften heeft bekrachtigd, er eigenhandig aan toevoegende: "Ze moeten niet alleen dienen voor Podolië, maar voor alle westelijke gouvernementen. Alleen menschen, die in staat zijn te werken, mogen gezonden worden; hun gezinnen kunnen later volgen."

Alzoo moeten zij alleen weggaan, van de hunnen gescheiden; de vrouw en de kinderen blijven achter om van honger in Polen te sterven, de man vertrekt om in den Kaukasus den dood te vinden.

Ten slotte voegt de keizer erbij, dat de adelijken van de tweede klasse, de niet-grondbezitters, afzonderlijk zullen gehouden worden, ingedeeld bij de Kozakken, zonder aanraking met de koloniën van hun landgenooten.

Dit verschrikkelijk reglement is niet een overgangsmaatregel geweest; het diende en dient nog tot grondslag voor besluiten en daden, die de menschheid doen sidderen.

Voor de Fransche conscriptie, die de mannen naar het lot wegnam, heeft men de verschrikking van de Russische lichtingen in de plaats gesteld, waar de mannen gekozen, aangewezen worden naar de luimen des meesters en van publieke agenten. Men oordeele of mannen, verdacht om hun energie, van Polonisme dus, bij deze doorzichtige, partijdige handelwijze zullen gespaard worden. Zij verdwijnen alzoo naar den Kaukasus, en, volgens de verzekering van Paskjewitsch, [63] keeren zij er nooit van terug. Rusland heeft dáár als 't ware een afzichtelijke fistel gevonden, door welke het 't beste bloed van Polen, zijn manlijkheid en zijn kracht, doet wegvloeien. Het houdt 't land zwak, altijd ziek, als na een aderlating.

Al de strengheid van dit stelsel is neêrgekomen op de tweede klasse, die der adelijke boeren, een in zijn wezen militairen stand, en die meer dan de burgers der steden, den waren derden stand van Polen uitmaakte. Men begon met hen te verlagen tot den rang der zoogenaamd vrije boeren van Rusland (odnod-wortzi); vervolgens vond men een middel uit om hen viermaal voor één de bloedschatting te doen betalen. Al de andere onderdanen van het rijk ondergaan de lichting slechts om de twee jaren, zij echter ieder jaar. De anderen geven vijf man op de duizend, zij tien. Zoodat de lasten, die op hen rusten vierdubbel zijn. Deze ongelukkige klasse, uit ongeveer een millioen zielen bestaande, zal op den duur geen weerstand kunnen bieden aan zulk een herhaalde ontzettende aderlating. Niettemin verzekert men mij, dat dit jaar (1851) de keizer vindt, dat de zaken te langzaam vorderen, en dat men zint op middelen hen in massa naar de woestenijen van Zuid-Rusland over te brengen.

Wat aan Polen overbleef, de wet van 1832, is door den keizer-zelf vernietigd. Hij heeft in de volgende jaren, een geheele gedaanteverandering van het land ondernomen. Voor de verdeeling van Polen in woiwodschappen heeft hij de Russische indeeling in gouvernementen in de plaats gesteld, de Russische munt ingevoerd ter vervanging van de Poolsche, het Russisch stelsel van maten en gewichten in zwang gebracht voor het decimale en metrische systeem, dat de Polen bezaten, den ouden Juliaanschen kalender hersteld, met afschaffing van den wetenschappelijken Gregoriaanschen, dien alle moderne naties volgen. Hij heeft, om de deur dicht te doen, getracht de Poolsche taal te doen verdwijnen, door haar gebruik op te heffen bij de administratiën; de ambtenaren, die het Russisch niet verstonden, af te zetten, de Russische taal in de Poolsche scholen verplichtend te stellen, aan de jeugd te verbieden haar eigen taal te spreken!--Eenige studenten te Wilna vereenigden zich in 't geheim om onder elkander Poolsch te spreken; betrapt, opgelicht, aan den staart van Kozakken-paarden gebonden, werden zij voor hun leven soldaat!

Dit is, dunkt mij, het gedrochtelijkst, het monsterachtigst-barbaarsch en het tegennatuurlijkst ondernemen, dat zich bedenken laat. De taal, onze dierbare moedertaal, ons allen even lief, waarvan elk woord, elke klank ons aan het vaderland doet denken, herinnert ons alle aandoeningen van het leven, onze wieg, al wat wij liefhadden! Haar uit ons hart te rukken, is ons van ons-zelven los te scheuren. Het wil mij voorkomen dat, ten opzichte van de personen die ons dierbaar waren en die wij moesten verliezen, de klank der dagelijksche woorden niet het minste is, wat ons in de herinnering is gegrift, ja, méér is dan de trekken van het gelaat, meer dan hun gebaar en hun houding en gang. Wat mij het sterkst is bijgebleven van mijn vader, met wien ik acht-en-veertig jaren van mijn leven heb samengeleefd, is zijn stem... Een trilling vaart door mij heen, als ik me verbeeld, dat hij in mijn nabijheid is, mij toespreekt en tot me zegt: "Mijn zoon!"

Zeker, heel het hart ligt in de taal: gezin, liefde, het vaderland. Iedere krachtige natie heeft het beste van zich zelve in haar spraak gelegd. De heldhaftige Poolsche taal, trillend van forsche klanken, doet zelfs hem, die de beteekenis der woorden niet kent, de majesteit van den ouden Vrijstaat voeden, en toovert voor het ontvankelijk hart heel de glorie van zijn geschiedenis opnieuw te voorschijn. Men hoort er de kloeke stem der helden in weêrklinken.

Het Russisch heeft een aangenamen klank, het is een zoete, het gehoor streelende taal; het heeft iets van de zangerige talen van het Zuiden. Het op te dringen aan Polen, is het nationaal karakter in een gewichtig punt veranderen, is het verzwakken en ontzenuwen.

Ik ben overigens geneigd te gelooven, dat, wat men door dit barbaarsch verbod vooral wilde bewerken, was Polen te beleedigen, zijn ziel doodelijk te bedroeven, zijn hart te doorboren, waar het 't zekerst te verwonden was en het 't meest door zou lijden.

Het geschiedde in dien tijd dat de keizer Europa deed dreunen door de beleedigende, verwoede rede, welke hij de overheden van Warschau in het gelaat slingerde. Hij liet niets achterwege om den naam zich waard te maken van een meedoogenloos man te zijn. Toen prinses Sanguszko tot hem kwam om genade te smeeken voor haar jongen man, die naar Siberië moest, liet de keizer zich het vonnis geven, en voegde er eigenhandig aan toe: "te voet."

Zulk een theatraal schrikbestuur is een echt Russisch middel. Men heeft er zich van overtuigd door de wandaad van Kroonstad, ten aanschouwe van heel Europa op een der drukst bezochte plaatsen openlijk bedreven. Men heeft het ook maar al te zeer kunnen zien dit jaar, den 20sten Juli 1851, toen het gerucht zich verbreid had, dat enkele gevangenen zouden begenadigd worden en het viertal, ten antwoord hierop, onmiddellijk werd ter-dood-gebracht.

Soms heeft de Russische regeering den schijn aangenomen alsof ze er genoegen in vond voor deze of gene harer daden zich, met bedekten spot, te verdedigen. Bij voorbeeld, in 1842, toen ze te Rome en misschien ook aan andere hoven liet weten, dat, zoo ze zich de bezittingen der Poolsche kerk had toegeëigend, ze dit gedaan had om ze in het belang dier kerk-zelve beter te beheeren; en dat, wat betreft den kinderroof, waarvan zooveel schande werd gesproken, deze alleen uit barmhartigheid gepleegd was.

Uitsluitend om barmhartigheid te oefenen worden nog altijd de kinderen der Joden gestolen. Behalve de razzia's op groote schaal, welke de Staat houdt, rooven de Kozakken ze onophoudelijk, drijven er handel in en verkoopen ze tegen vastgestelden prijs.

De keizerlijke barmhartigheid houdt de Poolsche moeders steeds in vreezen en beven. Altijd zijn zij beangst voor nieuwe slagen.

Het was in de maand Maart van 1832, toen de keizer juist in de hevigste bui van woede verkeerde, toen hij 't bevel gaf tot wegvoering van zooveel gezinnen, dat hij de kinderen van mannelijk geslacht, zwervers, weezen, èn arm, van zeven tot zestien jaar, liet vangen (dit is het woord, waarvan zich de raad van administratie bedient). Het bevelschrift kwam onmiddellijk van den generaal-adjudant Tolstoï.

Paskjewitsch drukt zich in zijn reglement anders uit; met twee letters verandert hij alles, een verandering, die hij wel niet zonder machtiging des keizers zal aangebracht hebben: hij zegt OF en niet en; hij zegt weezen OF arm; een wreedaardig verschil: immers sedert was het geoorloofd kinderen, die geen weezen waren te rooven, alleen maar als ze arme ouders hadden.

Het gouvernement van Warschau voegde, toen het dit onmenschelijk bevelschrift liet aanplakken, om de gisting onder het publiek te verminderen en te verzachten, er deze, aan den tekst onbekende, woorden aan toe: de kinderen, die geen toevluchtsoord hadden.

In werkelijkheid stal men, over 't algemeen, niettemin de kinderen van arme ouders, en niettegenstaande de heftige en verschrikkelijke tegenspartelingen van die ouders.

Het was een weerzinwekkend tafereel. Na menigen stoet van des nachts opgelichte kinderen, liet men den 17den Mei 1832 er een over dag vertrekken. De moeders liepen achter de karren en reten zich de borsten stuk; verscheidene wierpen zich onder de wielen; ze werden door stokslagen weggejaagd. Den 18den werden wederom een menigte jonge kinderen opgelicht, die werk verrichtten of in de straten ventten. Den 19den werden parochie-scholen leeggehaald. De arme kleinen, op deze wijs heengevoerd, stierven den heelen weg over als vliegen. Als ze te zwak waren om den tocht voort te zetten, liet men ze aan hun lot over. De menschen, die in de streek woonden, vonden de lijken dier jonge slachtoffers met hun stukje brood naast zich: ze hadden niet meer de kracht gehad het op te eten.

IX.

OVER DEN CZAAR ALS PAUS EN ALS GOD.

KERKELIJKE VERVOLGINGEN.

Een zeker personnage van het antieke tooneel roept in de eerste verwarring van zijn liefdesgeluk uit: "Ik ben God geworden!"

De dood is als de liefde: hij windt op. De woeste vreugde, veroorzaakt door verdelgingen op groote schaal, doet de ziel duizelen. Wie meent een wereld te vernietigen geeft niets toe aan den Schepper. Hij zegt: "Ik ben God geworden!"

Meer dan God.--God schept langzaam, in de oneindige goedheid van het goddelijk moederschap, met de omzichtigheid der natuur.--De vernieler daarentegen is er trotsch op dat hij onverhoeds vernietigt. Wat hem bij den dood aangenaam stemt, is de plotselinge verandering. Het zou zijn hoogste vreugde zijn met één woord te verdelgen wat jaren van worden gekost heeft; van een menschelijke wereld te kunnen zeggen: "Ik ben er langs gegaan, ze bestaat niet meer."

Te midden van de groote vernietiging van Polen heeft het hoofd van Rusland voor het eerst zijn titels van Plaatsvervanger van God en Emanatie (uitvloeisel) van God, welke in zijn geloofsbelijdenis staan, in ernst opgevat. Opperhoofd en rechter van zijn priesters (naar de bewoordingen van hun eed), is hij bij de vervolging der Katholieken en de uitroeiïng der Joden te werk gegaan als een Russische paus. Zijn portretten in Byzantijnschen stijl, met kwistige hand uitgedeeld, hebben hem, met den stralenkrans van den heiligen Nicolaas om 't hoofd, ter aanbidding voorgesteld aan de volkeren van den Donau en van de Grieksche stammen, in het Turksche rijk wonende.

Maar wat zou die nieuwe God verrichten?

Hij wist het zelf niet.

Terwijl hij in Polen den adel vogelvrij verklaarde, trad hij in Rusland voor korten tijd als revolutionnair op, door de edelen op te roepen tot vrijmaking der lijfeigenen, waaraan zij echter geen gevolg konden geven zonder de afkondiging van een agrarische wet. Als hij op deze helling was voortgegaan, zou hij een soort van Messias der lijfeigenen geworden zijn, een barbaarsche Messias, gevaarlijk voor Europa.

Hij heeft het niet gedurfd. En, zich plotseling naar den anderen kant wendende, trad hij als paus en veldheer van de tegen-revolutie op en liet hij, na het beleg van Rome (October 1849), verklaren dat de Latijnsche kerk, vervallen en dood, niet anders doen kon dan zich met de algemeene, de katholieke kerk van Moscou te vereenigen.

Deze zonderlinge geestelijke vader, die bekeert door het zwaard, die zegent met den knoet, heeft, tusschen twee stelregelen geslingerd en daardoor des te heftiger in zijne uitingen, in het korte tijdsbestek van twintig jaren, verbazingwekkende, ongehoorde teekenen gegeven van zijn aanmatiging God te zijn. Noch de keizers-opperpriesters van het oude Rome, als zij altaren voor zich zelven oprichtten, noch de opperpriesters-koningen van het nieuwe Rome, wanneer zij den aardbol verdeelden of aan de aarde verboden te draaien, hebben hun hoogmoed trotscher ten toon gespreid.

Hij heeft aan den tijd verboden de tijd te zijn, de mathematische en astronomische wetenschappen verloochend, den ouden kalender opgedrongen, die door de heele overige wereld was afgeschaft. Hij heeft aan de munt verboden de waarde te hebben, die ze bezit, door te bevelen dat drie roebels voortaan voor vijf zouden gelden. Hij heeft aan de rede verboden de rede te zijn, en als er een wijze in Rusland werd aangetroffen, werd hij bij de gekken opgesloten.

Wat hem bij zulke ongeloofelijke buitensporigheden heeft aangemoedigd, was--het mag niet verzwegen worden--dat hij alléén stond op de wereld, daar iedere zedelijke kracht in dien tijd verslapt of buiten werking gesteld was.

Het pontificaat van het verleden, Rome, had afstand gedaan van zijn gezag, sedert de paus niet anders meer durfde optreden dan als een machteloos Italiaansch vorst.

Het pontificaat van den tegenwoordigen tijd, Frankrijk, had zich zelf vergeten onder zijn burgerlijk koningschap en bij zijn verafgoding van de nijverheid, op zijn Engelsch.

Rome is in allen geval--het moet erkend worden--niet uitsluitend ten onder gegaan door de persoonlijke zwakheid der pausen, maar meer nog door het logisch uitvloeisel der Katholieke leeringen. Deze hebben geen ander doel dan gehoorzaamheid te kweeken. Rome heeft haar gestadig onderwezen. Niet alleen heeft het in 1831, toen het zieltogende Polen het de hand reikte, de stervende naar den czaar terug-verwezen, maar het heeft in 1832 de Poolsche omwenteling onteerd, door aan de Polen te gelasten hun beul te gehoorzamen.

Rome hoopte, in ruil voor zijn lastbrief, van den czaar te verkrijgen, dat hij een pauselijk gezant te Sint-Petersburg zou ontvangen. Maar hij dacht er niet aan en begon onverhoeds den oorlog met den paus (1833), door te bevelen dat de Unie-Grieken, geloovigen van de Latijnsche kerk, zich onmiddellijk hadden te bekeeren. De wijze waarop men hierbij te werk ging was eenvoudig. Men omsingelde een dorp, de priester werd met den knoet behandeld en daarna weggevoerd. De pope hield de zweep in de hand en bedreigde, sloeg zijn sidderende kudde, terwijl hij haar onderzoekend langs ging. De weêrspannigen werden opgesloten in vol rook staande badstoven. De genade had daar dadelijke uitwerking door middel van bedwelming. Als dan allen het eens waren geworden, werden ze in de kerk bijeengebracht en duwde men hun het heilig avondmaal met geweld in den mond,--onder voortdurende bedreiging met den knoet.

De ergste dezer dwang-bekeeringen geschiedden buiten Polen, in de militaire koloniën, in de woestenijen van Rusland gevestigd. Daarheen werden de weêrspannigen gebracht en er lam geslagen onder het voorwendsel van de krijgstucht te handhaven, zonder den troost te hebben van een godsdienstig martelaarschap, en gedood, niet als katholieken, maar als oproerige soldaten.

Niettemin werd de bekeering als een groote overwinning overal rondgebazuind. Zichtbaar wonder. De kettersche geestelijkheid vraagt, onder het storten van vreugdetranen, om hereeniging met de kerk van Moscou. De keizer verwaardigt zich die toe te staan. Zijn officiëel dagblad zingt in een zalvend artikel een vroom loflied: "Gelukkige hereeniging!" roept het uit, "die zonder tranen is tot stand gekomen! Alleen overreding, zachtheid is gebruikt!"

Wat antwoordde de paus op dezen leugen? Hij, die zich in de Keulsche aangelegenheid [64] zoo fier tegenover Pruisen gedroeg, bleef in ootmoed en vreeze ten overstaan van Rusland. Binnenskamers, in een geheime vergadering met de kardinalen, deed hij niets dan zuchten slaken. Maar in 't openbaar ontving hij den jeugdigen zoon des keizers. Ternauwernood dat hij 't in 1842, toen de czaar de kerken en de geestelijke goederen zich toeëigende, waagde, altijd in heimelijke bijeenkomst, een eerbiedige klacht te uiten, maar in die klacht bezoedelde hij de Poolsche omwenteling opnieuw door haar een oproer te noemen.

Op de vreesachtige woorden van den paus, die de ronde deden in Europa, in 't bizonder door de half-officiëele dagbladen van de Fransche regeering, had de keizer van tevoren geantwoord door daden, die, naar barbaren-aard, even wreed als handig waren. Om zijn christelijke gezindheid te bewijzen, te toonen dat hij een onwankelbaar, en tevens streng Christen was, vaardigde hij zijn ukaze uit ter uitroeiïng van de Joden.

"Hoe kan men nu nog twijfelen, dat de keizer een geloovig en vroom Christen is, als men hem ziet kruisigen die den Christus gekruisigd hebben?"

Op deze wijze vestigde hij den roep zijner vroomheid al heel goedkoop: in anima vili, [65] in de personen van hen, die door niemand verdedigd werden en door niemand beklaagd. De Duitschers, die in verscheiden steden de Joden met steenworpen vervolgden, vatten van dit tijdstip af-aan veel achting op voor den keizer van Rusland.