Martelaren van Rusland

Part 7

Chapter 73,702 wordsPublic domain

Op hetzelfde oogenblik, waarop de keizer, bekomen van de indrukken van den 14den December, de lijfeigenen weêr vasthechtte aan den grond en hun verwachtingen den bodem insloeg, gaven zij hem een bewijs van hun moedige toewijding, daarmeê bevestigend wat de saâmgezworenen hem hadden meêgedeeld van de bestaande misbruiken, en ze tevens met groot gevaar voor zich zelven ontdekkend. Bij een wapenschouwing, welke de keizer hield, treden vier boeren naar voren en verzoeken hem te spreken. Men stoot hen terug; men beduidt hun, dat zij kunnen te kennen geven wat zij aan den czaar te zeggen hebben; zij willen tot niemand anders dan tot hem spreken. Toen zij toegelaten waren, wierpen zij zich op de knieën, en zei een van hen: "Vadertje, gij wordt bestolen... Ga maar naar Kroonstad, en ge zult zien, dat op de markt, openlijk, in de winkels de tuigage van uw schepen, al wat tot uw marine behoort wordt verkocht." De keizer zendt er driehonderd man heen; de bazaar (markt) wordt omsingeld, het gestolene wordt gevonden. Een streng onderzoek wordt ingesteld. Kort daarop gaat de scheepstimmerwerf, de bazaar, alles in vlammen op, en het onderzoek verdwijnt tegelijk met den rook.

De keizer kon de beteekenis der mannen van den 14den December schatten, toen die ongekunstelde stemmen uit het volk op deze wijs hun onthullingen ondersteunden. Zij hadden hem in hun laatste onderhoud een wezenlijken dienst bewezen, door hem Rusland in zijn ware gestalte te toonen, als één groote bloedende wond. Zij hadden dezen jongen krijgsman, van aard hard en spotziek, geleerd eerbied te hebben voor het Russische volk, een volk, waaronder mannen voorkwamen, zoo ijverend voor wet en gerechtigheid, dat zij, zelfs in het aanzien van den dood, van willekeurige genade niets weten wilden, en uitriepen: "Laat de wetten haar gang gaan!"

Pestel had een dictator gewild, om de administratie te hervormen, te zuiveren. En de wensch van het Russische volk was daar niet ver van af. Het verlangde een rechtvaardigen rechter, onverbiddelijk tegenover de misdadigers. En zulk een rechter had zich te vermenigvuldigen over 't geheele rijk. Rusland had niet alleen behoefte aan wetten, maar aan mànnen. Er moesten, tusschen den vader en zijn kinderen, eerlijke rechters gekozen worden, die behoorlijk bezoldigd werden, opdat zij zich niet hoefden te laten omkoopen; er moesten strenge voorbeelden gesteld worden bij de eerste ambtsovertredingen, en zelden, maar met kracht, daartegen opgetreden worden; de eerlijkheid moest bij de rechtbanken en de administratie hersteld, het zedelijk peil der natie verhoogd worden, men moest haar helpen zich te bevrijden van een ingekankerd bederf, haar trapsgewijze waardig maken het beheer over zich zelve te voeren. Het eerste noodige hierbij was, dat er aan de spits, niet een man van genie, stond, maar een met grooten moed bezield, en groot van hart, die, juist door zijn voorbeeld, het Russisch karakter ophief, krachtig maakte, inwijdde in het goede,--in één woord, een heldhaftig opvoeder van het nationale geweten.

De keizer was dit geenszins. Omgeven door menschen tegen wie hij een gewettigd wantrouwen koesterde, trachtte hij aanvankelijk alles zelf te doen, maar hij kon de bezwaren niet overwinnen. Hij had niet zoozeer daden te verrichten als wel mannen te scheppen, uitvoerders van zijn wil te kiezen en te maken.

Evenals de meeste menschen van dit tijdvak, en verscheiden saâmgezworenen zelfs, geloofde hij vast aan de levende kracht van wetten. Een van hen, Tourgenieff, schijnt in zijn lofwaardig boek de meening te zijn toegedaan, dat Rusland gered zou worden als het deze of gene Engelsche of Fransche wet aannam. De keizer was er eveneens van overtuigd, dat orde in het rijk zou heerschen, als men de groote massa der Russische wetten maar ordende en bijeenbracht. Hij vertrouwde dit reuzenwerk toe aan den wetskenner Speranski. Hierdoor heeft hij grooter dienst bewezen aan de rechtsgeleerdheid dan aan de wetgeving. In den oneindigen chaos van elkaar tegensprekende ukazen, kiest de rechter welke hij wil, en de willekeur is dezelfde.

Een strenge regeling van de rechterlijke macht diende vóór alles te gaan. Wat het volk overal vroeg, was een rechtvaardig rechter. Het had behoefte aan een ernstige opvoeding tot gerechtigheid.

Helaas! het noodlot, de hartstocht hebben dit volk op den tegengestelden weg gevoerd: een opvoeding tot ònrechtvaardigheid,--door het tegenover een broedervolk het verderfelijkst bedrijf te doen uitoefenen, dat van den beul.

De keizer zòcht den juisten weg, maar hij had in zich een heimelijke drang tot afwijking ervan. Hij hield van rechtvaardigheid, maar met een wreed hart; hij hield ervan uit persoonlijken hoogmoed, als van iets dat hèm toebehoorde, hij beschouwde ze als gerechtigheid van den czaar, niet als gerechtigheid van God.

Een steen bevond zich op zijn weg,--en hij is voor altijd uit het spoor geraakt.--Waar gaat hij heen? Niemand weet het.

Die steen was Polen.

Een noodlottige steen, niet te verbrijzelen, dien men tevergééfs zoekt fijn te stooten. Hij blijft altijd onwrikbaar.

Het onderzoek van den 14den December had één ding ontsluierd, dat den keizer moest verwonderen, treffen, zijn hart voor goed ontwapenen, namelijk de zielegrootheid, welke de Polen ten toon spreidden in hun heimelijke betrekkingen tot de Russische saamgezworenen.--Deze laatsten openbaarden zich als Romeinen, en de Polen als ridders. Pestel geloofde, evenals Brutus, [52] dat men den tyran moet dooden om de tyrannie te dooden. De Polen kwamen daartegen op. Zij betoonden zich barmhartiger voor hun vijand, dan de Russen voor hun meester. Dezen onrechtvaardigen overweldiger, dezen meineedigen souverein, die den draak stak met de grondwet, welke hij zelf verleend had: de Polen drongen erop aan hem te sparen. De goede, grootmoedige kolonel Krzyzanowski, een man met een eerlijk, menschelijk en teeder hart, zei tot den Russischen republikein, dat hij niet had hooren zeggen, dat de Polen ooit hun koningen hadden gedood.

Dienzelfden kolonel heeft mevrouw Felinska later in Siberië zien sterven. [53]

Om den zieleadel der Polen naar waarde te schatten, moet men weten dat niet alleen hun wetten waren verkracht, hun vergaderingen een schijnvertooning; dat men hun de openbaarheid der beraadslagingen had ontnomen, enz. enz.; maar dat de keizer hen persoonlijk overleverde aan de luimen, aan de wreedheid van Constantijn. [54] Men moet weten dat deze boosaardige woestaard, deze tijger-aap, er zijn behagen in stelde de uitgezochtste kwellingen en straffen uit te denken. Het is ontzettend om neêr te schrijven, maar hij had, in de onderaardsche kerkerholen van een karmelieterklooster, tot speelbal een gevangene, den ongelukkigen Lukasinski, tegen wien hij zich uitputte in het verzinnen van al wat het menschelijk vernuft aan zijn slachtoffer kan doen lijden: honger, ketenen, pijnigingen, dorst gedurende weken achtereen (geen water, en zoute haringen als uitsluitend voedsel), en geeselingen, telkens opnieuw toegediend, zoodra hij weêr van zijn wonden genezen was... En dit alles met duivelsch overleg. Constantijn was vóór alles bevreesd, dat hij hem door den dood zou ontsnappen.

De man van ijzer en staal, die zooveel martelingen te boven kwam, was een dapper officier van het oude leger. Hij had de laatste woorden, den laatsten adem van Dombrowski opgevangen. Deze aanvoerder en formeerder der beroemd geworden Poolsche legioenen, beklaagde zich erover, toen hij in 1818 stierf, dat zijn heldhaftige kameraden zooveel bloed vergoten hadden voor vreemde belangen, zoo weinig ten bate van Polen-zelf. Sedert dit ernstig woord gesproken werd, groeide een nieuw geslacht op, een nieuwe wereld van helden, van onverschrokken samenzweerders. De eerste was Lukasinski.

De tyran voelde bij instinct, dat deze man voor hem een schrikbeeld was, dat in hem de ziel van Polen huisde; in hem zocht hij deze groote, onzichtbare ziel der natie te treffen. Daar hij zijn stilzwijgen niet kon overwinnen, wilde hij hem althans onteeren; men gaf voor dat hij zijn medeplichtigen had verraden. Als dit waar geweest was, zou zijn cipier in zijn woede geen toenemende barbaarschheden tegen hem uitgedacht hebben.

Toen in 1830 de Polen de krankzinnige grootmoedigheid aan den dag legden Constantijn te laten ontvluchten, voerde hij geen andere schatten meê, dan alleen dezen gevangene; goud en zilver golden niet zooveel voor zijn onmenschelijkheid als zijn levend speelgoed; bij zijn overijlden aftocht werd hij gevolgd door de schim van een man, aan het affuit van een kanon meêdoogenloos vastgebonden: den rampzaligen Lukasinski...

Maar keeren wij terug tot de gebeurtenissen van December 1825. De Poolsche aangeklaagden, de goede kolonel en de anderen, zouden in hun vaderland door het opperste gerechtshof, den senaat, gevonnist worden. Dit lichaam, waarin bijna alleen toegewijde aanhangers van Rusland zitting hadden, scheen blindelings te moeten veroordeelen. De keizer twijfelde er geen oogenblik aan. Maar de macht der openbare meening was toen zoo krachtig, dat zij den senaat op haar kant kreeg. Hij verklaarde de aangeklaagde schuldig, omdat zij het Russisch complot niet hadden ontdekt, doch onschuldig voorzoover Polen betrof; hij veroordeelde hen slechts tot lichte straffen. De voorzitter had den moed aan den czaar te berichten: "Zij hebben zich slechts verbonden voor de handhaving van hun volksbestaan; zij stelden zich op het standpunt van het traktaat van Weenen, [55] dat dit erkend heeft. Het opperste gerechtshof heeft hierin niets misdadigs noch strafwaardigs kunnen zien." Welk een overmoedige daad! Men houde hierbij wel in het oog, dat zij niet uitging van het aloude Polen met twintig millioen zielen; maar van het nietige Polen, dat door Alexander om zoo te zeggen, was ingekrompen tot Warschau en zijn stadsgebied.

De ijsbeer knerste op de tanden.--En als ik spreek van den beer, bedoel ik Rusland. De vrijspreking verontwaardigde het meerendeel der Russen, bracht hen tot verzet. Zij vonden Polen ondankbaar; moest het, beter behandeld dan Rusland, daar het, althans in schijn, een grondwet had, zich niet gelukkig rekenen? Zij verweten het zijn materiëelen voorspoed, een natuurlijke vrucht van den vrede, maar dien zij voor het werk van den czaar hielden; ook de verfraaiïngen van Warschau (door Poolsch geld tot stand gebracht) en vooral de instelling der territoriale banken, welke aan de Polen een zoo aangename gemakkelijkheid verschaffen om zich te ruïneeren.

Toen nu de keizer de opwinding in Rusland aanzag, en dat hij zijn volk aan zijn zijde had, kon hij zijn woede niet langer in bedwang houden. Hij dacht niet meer aan de wetten, noch aan zijn rol van wetgever, van Russischen Justinianus. [56] Hij gedroeg zich openlijk, volgens zijn natuur, als een Tartaar. Hij wilde zelfs geen verlof geven het vonnis openbaar te maken. Constantijn verlangde niets minder dan een militaire commissie om de veroordeelden dood te schieten. Zij werden naar Siberië gebracht. De Poolsche rechtbank en geheel Polen werden beleedigd en met minachting behandeld.

Intusschen begon men den keizer aan 't verstand te brengen, dat dit kleine land op niets méér recht had dan elke andere Russische provincie. Het bevond zich in een uitzonderingstoestand, die moest opgeheven worden; het diende te worden gebracht onder het algemeene centrale gezag van het rijk. De souvereinen, bewonderaars van Napoleon (vooral van zijn fouten), achten niets hooger in hem dan zijn streven naar centralisatie, welke hem naar dezelfde wetten volken liet besturen met tien verschillende talen en uiteenloopende zeden: de prefectuur van Hamburg en die van Rome. De wetgeleerde en bureaucratische geest, die te Petersburg heerschte, dreef den keizer in beide richtingen, die van onrechtmatige centralisatie en van plompe wetboekvervaardiging. Hij ondernam een onzinnig, een onbegonnen werk, al zou 't hem ook het leven kosten: de volkomen gelijkmaking van Polen met Rusland, de opslorping, de vernietiging van het Poolsche volksbestaan.

De verkeerde wegen, die hierbij konden worden ingeslagen, waren reeds gebaand. Catharina, een godloochenaarster, had tot uitgangspunt tegen Polen het godsdienstig vraagstuk gekozen. Dit is het beste aanvalsmiddel, het krachtigste houvast. Ten eerste steunt men daarbij op de bekrompen vroomheid en dweperij der Russen; vervolgens treft men er Polen door op een punt, waar het de sympathieën van Europa niet bezit. Europa is er spoedig bij, in dit geval, te gelooven, dat het een zaak van priesters geldt, en het hult zich in een mantel van rustige onverschilligheid.

Wat Polen het meest geschaad heeft, zijn zijn ultra-roomsche verdedigers, die aantoonden dat het juist gebonden was aan wat afsterft en moet òndergaan. Italië zal overwinnen en leven, omdat het den priester eraan gegeven heeft en met Europa meê vooruitgaat. Ierland zinkt hoe langer zoo dieper weg, omdat het zich aan den priester blijft vastklampen, d.w.z. zich buiten Europa plaatst: het heeft zijn leven gezet op wat dood is. Polen is niet dood; het ligt slechts levend in zijn graf, en zal er niet uit opstijgen zoolang het zijn innerlijke tegenspraak niet zal begrijpen, die zijn kracht verlamt en het van de levende wereld vervreemdt. Volk van heldhaftigen en vrijen geest, meent het katholiek te zijn; het is 't, ja; maar niet van nature, alleen omdat het 't wil, als verweermiddel tegen Rusland. Het katholicisme is juist de ontkenning van de heldhaftige persoonlijkheid, welke de karaktertrek van de Polen uitmaakt.

De paus en de Quotidienne [57] hebben 't hun meer dan tienmaal en met reden gezegd: "Als gij katholieken zijt, gehoorzaamt dan, onderwerpt u, draagt het juk van Rusland."

De Montalembert heeft in zijn warmgeschreven verdediging van Polen, uit zijn jeugd dagteekenend (1833), een onberaden woord gebruikt, dat keizer Nicolaas met goud zou betaald hebben. Hij vergelijkt den roem der Polen met dien der Vendéeërs. Het was een even onnauwkeurige als onvoorzichtige gelijkstelling. De Vendée, dat is de burgeroorlog. De Vendée is de Franschman Frankrijk in den rug aanvallend, terwijl heel Europa het vanvoren aantast. [58] Geen overeenkomst alzoo met de wettige, eerlijke, heldhaftige worsteling van het ongelukkige Polen tegen den vreemdeling, met Rusland.

Dit rijk had, onder het bestuur van Alexander, den vader van het Heilig Verbond, [59] die zelf aan den invloed gehoorzaamde van mevrouw Krüdener en van de Maistre, in de hooge Poolsche geestelijkheid een der beste werktuigen van den dompersgeest gezien. De bisdommen werden in aantal vermeerderd, ver boven de behoeften der dungezaaide bevolking, en buitensporig bezoldigd. Iedere bisschop kreeg een jaarwedde van zestigduizend Poolsche guldens, één honderdachtduizend, en de primaat hondertwintig-duizend. Wat de lagere geestelijkheid betreft, deze werd ontzien, terwijl men de oogen sloot voor haar eisch de gewone rechtbanken niet te hoeven erkennen.

Hoe meer de geest van staatkundige vrijheid en het nationaliteitsgevoel hardvochtig werden onderdrukt, zooveel te meer ontzag men den onafhankelijksheidszin der geestelijkheid. Aan haar werd toegestaan zelve haar eigen zaken, in overeenstemming met Rome, te regelen. Ja, wat meer is, men had haar het ministerie der eerediensten en van het openbaar onderwijs overgelaten, waarin de aartsbisschop-primaat met twee bisschoppen zitting had. Het paleis van Constantijn was het middelpunt der bijgeloovige vroomheid. Zijn gemalin was de steunpilaar van het geestelijk genootschap Het Lam Gods. De zedelijke verstomping van Polen scheen het gemeenschappelijk doel, waarnaar militaire dwingelandij en godsdienstige domperij in roerende overeenstemming streefden.

In de groote zaak van het vonnis van het hooggerechtshof rekende Rusland op den steun der acht bisschoppen, die er zitting in hadden. Zij hadden zich kunnen beroepen op hun waardigheid om zich van een oordeel te onthouden. Zij gaven niettemin hun oordeel en verklaarden, den stortvloed der openbare meening volgend, evenals de andere rechters, dat de aangeklaagden niet schuldig waren voorzoover Polen betrof.

De keizer vatte deze vrijspraak als een persoonlijke beleediging op. Hij begon den oorlog tegen de kerk in Polen.

De eerste daad, overigens een zeer verstandige, was een algemeene regeling van het geheele openbaar onderwijs, om aan de katholieke geestelijkheid allen invloed op de opvoeding te ontnemen. De tweede daad, weer van dadelijk-aanvallend karakter, bestond hierin, dat een geestelijk genootschap of gerechtshof werd opgericht, om de belangen der Vereenigde Grieken (d.w.z. verbonden aan Rome) te regelen: een genootschap overeenkomstig met dat, 'twelk, onder den keizer, de Grieksche kerk in Rusland beheert. Het was een volk van drie millioen zielen, totdusver aan 't gezag van den paus onderworpen, dat de czaar zoodoende onder 't Moscovitisch kerkgezag bracht.

Hij wilde nog verder gaan, de Poolsche geestelijkheid beletten in briefwisseling te blijven met den paus, anders dan door bemiddeling van de regeering. Dit werd de oorzaak, dat de geestelijkheid zich aansloot bij de omwenteling van 1830.

Zonderlinge samenloop van omstandigheden! Onze Juli-revolutie, [60] in de eerste plaats begonnen tegen de priesters en de femelarij van den koning, vond op haar weg, als nabootster, België en Polen: priesterrevoluties!

Wat meer dan iets anders ertoe bijgedragen heeft om den opstand der Polen een verloren zaak te doen zijn, was vooral dat een belachelijk generaal [61] aan 't hoofd werd geplaatst, een man van het Heilig Hart of het Lam Gods, verdacht, onbekwaam of verraderlijk, die slechts Rusland ontzag en alleen den Poolschen patriotten den oorlog aandeed.

De Poolsche omwenteling, onder zulk een treurige leiding, verontschuldigde zich als een revolutie, werd een kruistocht, en keerde zich natuurlijk naar den kant van Rome. Zij verwachtte van den paus zedelijken steun; zij onderstelde dat een bul het volk zou wapenen, de landelijke bevolking in massa zou meêsleuren, den bodem zelf tot opstand brengen. Men moet het erbarmelijk antwoord van Rome lezen, en hoe het zich schandelijk verschuilt achter de mogendheden van den eersten rang, die het lot van Polen zullen bepalen tot algemeene genoegdoening van partijen!

Genoegdoening! Er is nooit een meer wreedaardig-spottend woord gesproken!... Het was het oogenblik waarop de keizer, ziende dat Rome en Frankrijk Polen aan zijn lot overlieten, het besluit nam--het te onderdrukken? neen,--het te vernietigen, te doen verdwijnen van den aardbodem.

Dit is de grootste misdaad, die ooit begaan is. Men wachte zich wel naar eenigen grond voor vergelijking te zoeken.

Men heeft het ondernomen niet alleen Polen te vermoorden, zijn wetten, zijn godsdienst, zijn taal, zijn letterkunde, zijn volksbeschaving,--maar ook de Polen te dooden, hen als ras te vernietigen, de kracht der bevolking te breken, zoodat, wanneer zij als kudde van menschelijke wezens nog bestaat, zij als Poolsche bevolking, met levensvatbaarheid en zedelijk vermogen, verdwenen is.

Totdusver had ik 't zelf niet willen gelooven. Ik had mij altijd hardnekkig voorgenomen de uitdrukking: Polen te dooden, voor niets anders dan louter grootspraak te houden, rhetorische overdrijving. Evenwel, ik moet mij voor overwonnen verklaren. Ik heb onder de oogen de (alsnog onvolledige) reeks van keizerlijke ukazen, die van jaar tot jaar, op onverstoorbare wijze, het voornemen eener stelselmatige vernietiging ten uitvoer willen brengen.

Wat is toch de reden, dat de Polen het eenvoudig werk niet hebben ondernomen den veelbeteekenenden tekst dier afschuwelijke wetten bijeen te brengen en te doen drukken, om daardoor voor hun vijand het groote grafmonument op te richten, dat hem beter zou hebben gekarakteriseerd dan iedere schimprede?

Een Tartaarsch veroveraar heeft er eens behagen in gevonden voor zijn roem in de vlakte van Bagdad een pyramide op te richten van honderdduizend doodshoofden. Hoeveel grootscher zou het gedenkteeken zijn, dat wij voorstellen, saamgesteld uit duizenden moordende wetten! Welk een heerlijke Doodstropee!

Niets kan hiermeê in vergelijking komen.

Het oude Rome meende den Joodschen naam te hebben uitgeroeid. En het deed niets anders dan hem over de gansche aarde te verbreiden. De verdrijving der Joden uit Spanje heeft hun vernietiging toch niet ten gevolge gehad.

De Conventie heeft, in een oogenblik van gevaar en woede, door heel Europa in 't nauw gebracht, in den rug door den opstand van de Vendée aangevallen, den eed gezworen de Vendée te zullen verdelgen. Maar de Vendée is blijven bestaan, en is een der dichtstbevolkte streken van Frankrijk.

De onderneming van Lodewijk XIV om de protestanten te bekeeren of uit te roeien biedt meer overeenkomst met de Poolsche vernietiging. Wij vinden, als in Rusland, een reusachtig wetboek, saamgesteld uit wetten ter verbanning en vogelvrijverklaring. Toch is het onderscheid groot. Bij de protestanten-vervolgingen komen geen Tartaarsche razzia's voor, als in Polen zijn gehouden, geen moordende overplaatsingen van rassen en geslachten. Ook hebben de uitgeweken protestanten niet alleen hun bestaan in Europa gered, maar zij hebben stand gehouden in Frankrijk en zijn er tot voorspoed geraakt, door den geldhandel vooral: zij leenen tegenwoordig geld aan de nakomelingen hunner vervolgers.

Neen, niets is te vergelijken met wat in Polen geschied is, niets. Noch wetten, noch het zwaard zouden de bovenmenschelijke verrichting eener zoo verschrikkelijke verwoesting hebben kunnen volvoeren. Slechts twee voorbeelden konden op den weg helpen van krachtdadiger middelen om het doel te bereiken.

In Ierland heeft men een volk gezien, dat door overmaat van ellende, zonder mèrkbaar in getalsterkte te verminderen, ontaardde, wegsmolt, geheel verdween. Er bleven nog wel menschen over, maar het ras bestond niet meer.

In Frankrijk, heeft men tijdens de laatste jaren van Napoleon, toen de heele mannelijke bevolking regelmatig door den oorlog was weggevoerd, de lichaamslengte zien inkrimpen. Nog eenige jaren zulk een systeem volgehouden, en het ras zou verànderd zijn. Een natie die slechts vernieuwd wordt door zwakken, zieken, verkromden, moet ten slotte ondergaan. In getalsterkte kan zij dezelfde blijven; als macht van eenige beteekenis zal zij weldra verdwijnen.

Ziedaar voorbeelden, ziedaar lessen. Door deze middelen tot een te brengen, kunnen wij iets uitrichten in de groote kunst van den dood. Laat ons bij elkander voegen de ellende van Ierland, de lichtingen van Napoleon, de beruchte verordeningen op de verdachten, gevangen genomen volgens de wetten van het Schrikbewind of die van Lodewijk XIV; vermeerderen we al deze westersche middelen met het groote oostersche: de gewelddadige overplantingen van menschen naar hun vijandige klimaten, en het moest wel ongelukkig treffen als het Polonisme aan al deze vereenigde pogingen weêrstand zou bieden.

Het Polonisme, een nieuw woord, dat niet zoozeer een ras als een geestesrichting aanduidt. Polen is niet meer een volk in de gedachte der verdelgers, het is een denkbeeld, het is een leelijke ziel, het is een verbastering van het ware begrip, iets als een ketterij.

Dit kenmerkt den strijd en voorspelt het resultaat ervan. Ja, Polen is iets geestelijks, en het heeft niets dan een lichaam tegen zich over. De barbaarsche, wreede kracht die het met zijn grijparmen vasthoudt, vermag alles, behalve om een geest te worden. Zij blijft ruwheid, stof, en wordt het hoe langer zoo meer. Om een ziel in zich te kunnen opnemen, moest zij zelve een ziel zijn, en die is haar ontzegd.

Maar nu moet alle dichterlijkheid aan een kant gezet worden, dient de platte werkelijkheid, als zóódanig, dus ook platweg, gezegd te worden, het lage met lage woorden genoemd.

Welke macht is het, die in werkelijkheid de uitroeiïng van Polen zich ten doel gesteld heeft? De keizer alleen? De hemel gave 't! Een ènkel mensch put zich uit. Rusland? In geenen deele; tegenwoordig boezemt het ternauwernood nog medelijden in.