Martelaren van Rusland

Part 4

Chapter 43,817 wordsPublic domain

Men heeft dikwijls gesproken van de martelaars van Siberië. Maar waarom ze afzonderlijk te noemen? De scheidingslijn is geheel denkbeeldig. Behalve een verscherping van kou, is Siberië overal in Rusland, het begint bij den Weichsel.

Men spreekt van veroordeelden. Maar iedere Rus is een veroordeelde.

In een land waar de wet, die slechts een bespotting is, geen ernstig oordeel kan vellen, zijn allen veroordeelden of is niemand het. Er is geen onderscheid te maken tusschen lijden en kwelling.

De algemeene kwelling is niet het een of ander stoffelijk kwaad, het is 't breken van het hart, het is de zedelijke angst van een bij voorbaat gebroken ziel wegens de mogelijkheid van een oneindigheid van rampen. In deze zoo hardvochtige wereld, waar alles de onbewegelijke stijfheid schijnt te hebben van het ijs, is niets vast; in werkelijkheid is alles vol van wisselvalligheid en twijfel.

Allen zijn veroordeelden, zeggen we. De lijfeigene is het niet zoozeer door zijn dienstbaarheid en zijn ellende, als omdat hij niet zeker is van zijn ellende-zelve. Morgen kan alles voor hem veranderen, hij kan worden weggevoerd naar het leger of de fabrieken, zijn vrouw aan een ander gegeven worden, zijn gezin verspreid worden.

De soldaat is een veroordeelde, niet alleen omdat hij den een of anderen morgen, uit zijn huis opgelicht, overgeleverd wordt aan de voortdurende afranseling, die men militairen dienst noemt, maar ook omdat hij niet weet wanneer het uur van zijn bevrijding zal slaan. Vroeger na dertig jaren, tegenwoordig na twintig: zoo luidt de wet. Maar wat beteekent de wet in Rusland?

De officier is een veroordeelde. Tegen wil en dank volgt hij den harden, eentonigen weg van een eeuwigheid van exercities, parades en telkens weêrkeerende garnizoensveranderingen. Ongelukkige oorlogsmonnik, terwijl zijn fortuin hem riep naar de genietingen van de wereld! Maar, als hij niet in dienst treedt, wat zal er dan gebeuren? Dan is zijn familie voortaan verdacht, kan zij geruïneerd, van haar rang ontzet worden, en hij-zelf, hij is verloren.

Verloren? Wat beteekent dit woord? Gedood?

Maar klaarblijkelijk is het iets ergers dan gedood, omdat een officier aan den oorlog deelneemt, zich laat dooden als 't moet; anders, zegt hij, zou hij verloren zijn.

De lijfeigene, die voor het leger gevat wordt, zegt: "Ik ben verloren!" Hij staat op de onderste trede van het ongeluk, en kan niet lager dalen. De officier kan wel dieper zakken. Hij heeft nòg iets te vreezen, en wat hij méér vreest dan den dood: Siberië.

Met den lijfeigene soldaat te doen worden, heeft men slechts zijn lichaam genomen; over zijn hart bekommert men zich weinig. Maar wat den officier aangaat, van hem wil men de ziel; de opgaaf, welke het Russisch gouvernement zich stelt, is te weten te komen op welke wijs zich meester te maken van de ziel van een mensch, die door een ondragelijk leven onverschillig is geworden voor den dood.

Men heeft deze ziel vroegtijdig verstompt in scholen, waar niets wézenlijks onderwezen wordt, een weinig, maar heel weinig van practischen aard, en niets van moreel belang; in-dier-voege, dat de wanhopigste verveling haar drijft tot ontzenuwende genietingen, welke haar nog meer verstompen. Maar deze dubbele operatie is niet altijd in staat een sterke ziel uit te blusschen. Wat zij menschelijks zou kunnen overhouden, moet bedwongen, ten onder gebracht worden door vrees van moreel gehalte. Welke? Die voor een onbekende straf.

De inquisitie der katholieke kerk beschikte, behalve over onderaardsche kerkerholen en foltertuigen, om de stoffelijke kwellingen te voltooien, nog over een moreele straf: de eeuwige hellepijnen, de oneindigheid van haar duur. Rusland heeft evenzeer zijn hel, de oneindigheid van ruimte, de verschrikking van de woestenij, van het ledig.

Een oneindigheid van afstand. Wie de reis te voet aflegt, beladen met zware ketenen, vertrekt jong en komt oud aan. Een man van vijf en twintig jaar, vol levenslust en levenskracht, is uit Polen weggevoerd. Drie jaren later valt een schim uitgeput in Kamschatka [25] neder.

Een oneindigheid van lijden is een gevolg van het klimaat. Een onmeêdoogend klimaat; eenige graden méér beneden het vriespunt zijn voldoende om den dood te veroorzaken.

Als de Rus, zelfs in zijn eigen woning, acht maanden opgesloten naast zijn oven, in een gloeiend verhit vertrek, nauwelijks de woede van den fellen Noordenwind weet te verschalken, hoe moet het dan niet zijn in dit tweede Rusland, waar de kou brandwonden doet ontstaan, waar het staal als glas afknapt, waar de honden, die de sleden voorttrekken, zouden omkomen, als hun buik en pooten niet omwoeld waren met bont?

Daar aan te komen zonder hulpmiddelen, zonder beschutting, zou slechts verlossing geven; men zou sterven. Men mag er echter niet spoedig dood gaan. In een klein fort onder dak gebracht, te midden van een bevroren woestenij, met een houweel zwoegende of tot kruiwagenstraf veroordeeld, gevoed met zure melk en bedorven visch, twee, drie jaren lang, soms langer, dan sterft gij wel onder zulke omstandigheden.

Maar voor hen, die niet zulk een afschuwelijk lot hoeven te ondergaan, die nog een halve-vrijheid genieten, een leven, dat stoffelijk ten minste bijna te dragen is, is de zedelijke uitwerking nauwelijks minder verschrikkelijk. Al is Siberië voor hen geen oneindigheid van lijden, zoo is het er toch een van vergetelheid, waar zij zich voelen verdwijnen, afsterven voor de wereld der menschen, voor hun familie en hun vrienden. Zijn naam verliezen, zich numero tien, numero twintig hooren noemen, en, als het huwelijksleven voortgezet mag worden, kinderen te verwekken zonder naam, een beklagenswaardig ras, dat zich zal voortplanten in eeuwige ellende: barbaarsche uitbeelding van de barbaarsche leerstelling van de zonden der vaderen! De verloren mensch verliest zijn kinderen; verdoemd, verdoemt hij hen, en, door een hardvochtig crescendo, komt het voor, dat de kinderen van een tot twintig jaren arbeid in de mijnen veroordeeld man, mijnwerkers zullen zijn veertig, vijftig jaar lang, tot aan hun dood toe, hun kinderen nog na hen, en heel hun nakomelingschap.

Siberië sleept de ontaarding mede niet alleen van de menschen, maar ook van de voorwerpen, die er heen worden gevoerd. Een klok werd er naartoe gebracht, omdat ze alarm had geluid bij een oproer. Kanonnen werden er naartoe gebracht, en ontvingen te Tobolsk knoetslagen. De vernedering moet wel zeer ernstig zijn voor de mènschen, in een land waar een pak slaag naar welgevallen wordt uitgedeeld.

Hadden de ballingen niets anders te vreezen dan den geheelen ommekeer in hun levenswijs, den overgang van een slap, Aziatisch bestaan tot een van zwoegende arbeiders, dan zou dit reeds voldoende zijn om Siberië tot den afschrik der Russen te maken. Hun weekelijkheid verdraagt ternauwernood het leven dat gezeten lieden in het Westen van Europa leiden. Een Russische dame bekende mij eens niet hier te Parijs te kunnen blijven; tallooze veraangenamingen, die haar eigen land aan de hand deed, ontbraken haar; de bediening door onze dienstboden leek haar te plomp, hun stemmen klonken te hard en te aanmatigend; zij kon de natuurlijke verhoudingen niet verdragen, die in een wereld van gelijkheid ontstaan. Zij had behoefte aan de vleierijen van haar kameniers, haar voorkomendheden, aan de genegenheidsbewijzen van haar voedster, aan een leven in sterk verwarmde vertrekken en badkamers, de lauwe atmosfeer van het Russisch huis. Wat zou er van die arme vrouw terecht zijn gekomen, indien ze, inplaats van den tocht naar Parijs, welken zij zoo pijnlijk vond, dien naar Tobolsk had gemaakt?

Er bestaat een overlevering in Rusland, dat Catharina (of misschien een der keizerinnen, die haar vooraf gingen), aan zekere groote dames, om haar trots te breken, soms bevel zond zich zelven, in haar paleis, door haar dienstboden te laten geeselen. Het hoofd der geheime kanselarij zei dit bevel van hooger hand eerbiedig aan, maar bleef getuige van de uitvoering. Als de patiënte de vernederende behandeling had ondergaan, bracht zij haar toilet weêr in orde, zich gelukkig rekenende er tot dien prijs van af te komen en aan de verbanning naar Siberië te zijn ontsnapt.

Men oordeele eens inderdaad over al de afschuwelijkheid, die er voor een arme, vreesachtige vrouw in gelegen is, uit haar paleis te worden weggerukt, beroofd van al haar weelderige overdaad, van haar eeuwigen zomer, en misschien nog wel des nachts in een met ijzer beslagen koets te worden geduwd voor een tocht van vijftienhonderd mijlen!... Of misschien gedwongen te worden, zij die nooit geloopen heeft, die afgrijselijke reis te voet af te leggen, onder zweepslagen, al bedelend, onder weg slechts aalmoezen ontvangend van de liefdadigheid der lijfeigenen!...

Op welke manier zij dan ook trekken, het is in waarheid, voor een vrouw, een verschrikkelijke straf alléén te moeten weggaan, met achterlating van haar man, haar kinderen, alles wat zij liefhad, alléén, in den nacht, in het ruwe Noorden en in den winter, met de verschrikking van de onbekende toekomst. Van Europa over te gaan naar Siberië, staat gelijk met in het ijdel niet te vervallen. Een leegte van menschen, een leegte van gedachten. Een uitgestrekt niets, zonder verleden, zonder tradities, zonder geloof (behalve dat aan hekserij). Een leegte, zoo volkomen, zoo volslagen, dat zelfs de godsdiensten, die er zijn binnengedrongen, het Tartaarsche Mahomedanisme bijvoorbeeld, er hun leerstellingen, hun overleveringen, hun waas van heiligheid verliezen, er verbleeken, weggewischt worden, tot niets verdwijnen, evenals de onzichtbare zon van Siberië.

Weinigen bieden weerstand aan deze droef-stemmende macht der ontkenning. Opgaande in dit uitgestrekte niets, vervormen zij zich naar het beeld daarvan en worden ten slotte ook een niets.

In een reisverhaal, in 1850 te Wilna uitgekomen, met goedkeuring van de Russische censuur, beschrijft een zekere juffrouw Eva Felinska den betreurenswaardigen toestand, waarin zij te Tobolsk een Poolschen kolonel aantrof. Betrokken in het verzet van 1825, was hij door den senaat veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, alleen voor het achterhouden van onthullingen. De keizer schonk niet de minste aandacht aan deze veroordeeling; hij deed hem naar het Noorden van Siberië overbrengen, op drie-en-zeventig graden breedte, vanwaar men hem, bij wijze van gratie, naar Tobolsk liet komen. Deze ongelukkige, eens de mooiste man van het leger, was niet meer te herkennen. "Daar hij zich niet meer staande kon houden, had hij in een armstoel plaats genomen. Zijn haren, reeds vergrijsd en hoe ook gedund, waren met zorg gekamd, vielen hem op de schouders en daalden tot zijn elbogen. Zijn gelaat was heel bleek en gezwollen, zijn blik dof. De aandoening deed zijn oogen en zijn lippen trillen. Men zag hem aan, dat hij wilde spreken, maar het niet kon. Hij gaf ons met zijn hand een teeken naderbij te komen, om ons te kunnen begroeten. Zijn geest genoot toen een oogenblik van helderheid, doch de ontroering maakte het hem moeilijk zijn tong te gebruiken, die half verlamd was. Wetende, dat wij naar Berezow [26] gingen, waar hij had gewoond, bewoog hij ons onzen intrek te nemen bij zijn gastvrouw. Het geheele onderhoud werd van zijn kant met groote moeite gevoerd; we moesten veeleer raden, wat hij wilde zeggen. Maar weldra bemerkten we, dat hij 't gebruik zijner vermogens had uitgeput, want, terwijl hij in zijn verbeelding ongetwijfeld vertoefd had aan de oevers van den Taag en van de Seine, die hij zoo door en door kende, deelde hij ons meê, dat we te Berezow meloenen zouden vinden, druiven en andere zuidvruchten. Wij maakten toen een eind aan ons bezoek, met beklemd hart, terwijl hij ons nog met een gebaar wilde doen blijven, en poogde te zeggen: Blijft nog wat!!!"

VI.

SIBERIË.

DE STRAFFEN.

"Hier is de nacht somber als de winter. Hij is droefgeestig, maar indrukwekkend. Wanneer hij verhelderd wordt door het noorderlicht, vertoonen zich aan den donkerblauwen, bijna zwarten hemel duizenden vallende sterren en schijnt hij in vlam te staan. Dit vuur verwarmt niet, verlicht niet. Die sterren zijn zwaarmoedig; men zou ze houden voor de oogen der geesten van veroordeelden, die voor immer dit ongelukstafereel willen vastleggen...

"Kolommen vuurs, vreemdsoortige, verschrikkelijke, majestueuse gedaanten stooten op alle punten van den hemel tegen elkander; men zou zeggen gloeiende houtskolen, bijwijlen stroomen bloeds... Zou de natuur, evenals de mensch, visioenen hebben? Deze Noordsche natuur, misdeeld, ingeslapen, schijnt droomen van ballingen te droomen."

Dit is een der trekken van de groote schildering, welke de goede generaal Kopec, metgezel van Kosciusko, [27] voor ons heeft ontworpen van Oostelijk Siberië, bij de punt van Kamschatka, waarheen hij was verbannen. Niets kan treffender zijn dan de mémoires van dezen eenvoudigen man. Geen grooter verschil dan met die van zijn voorganger in dezelfde streken, den Pool Beniowski. [28] Deze, ontembaar, woelziek, vermetel speler en nog vermeteler soldaat, eigent zich in één oogenblik de wildernis toe en wordt koning in het oord van zijn ballingschap. Hij herwint zijn fortuin, vindt een tweede vrouw, vervolgt zijn vervolgers, verslaat zijn bewakers, en in plaats van gevangene te blijven in Kamschatka, voert hij haar meê, scheept hij zich met haar in.--Kopec wendt zich tot God; hij voelt zich in het hart getroffen, te zeer gewond om dergelijke avonturen te wagen. Zonder studie of opleiding, alleen door zijn ongeluk gevormd, legt hij in zijn onopgesmukt verhaal de teedere en vrome melancholie van de ziel der Lithauers. Zijn boek geeft getuigenis van een zedelijke omwenteling. Polen is in zijn wezen veranderd, het heeft de gaaf der tranen ontvangen.

"Ik wandelde langs de kust der zee, en als het weêr stormachtig werd, zag ik allerlei vreemdsoortige dieren, walvisschen, zeeleeuwen en zeehonden. Soms werd ik door steenen getroffen; beren slingerden die naar mij toe, om mij te wonden en vervolgens aan te vallen. Deze zee heeft in den herfst veel deining; zij breekt met zooveel kracht, dat Kamschatka er tot op zijn grondslagen van trilt. De dagen zijn grauw en de nachten zwart. Als de storm in aantocht is en de Oceaan zijn gerommel doet hooren, huilen de groote troepen honden, die leven van visschen (er zijn er misschien wel twintig duizend) tegen den Oceaan, en tallooze beren geven antwoord door onheilspellend gebrom. Gedurende dien tijd rommelen de vulkanen en braken vlammen en asch. O, wat een helsch schouwspel! en wat is een eerlijk man in een benarden toestand te midden van den tweespalt der toornige elementen!"

Kopec beklaagt zich over de natuur, zelden over de menschen. Toch was hij met groote barbaarschheid behandeld. Gekwetst, ziek, zonder dat men op zijn wonden acht sloeg, die door de kou weêr opengingen, was hij dag en nacht in een koets, van binnen dubbel met ijzer beslagen, voortgesleurd. Geheel uitgeput, vroeg hij den officier, die hem geleidde, eenige rust. "Ik heb order zonder oponthoud verder te gaan, zei deze; ik zal in allen geval uw lijk meêvoeren. U heeft vrijheid onderweg te sterven."

Wat ook nog erg treurig voor hem was, was dat hij onmetelijke convooien ontmoette van arme Polen, die naar Siberië gevoerd werden, kaal geschoren, met een brandmerk op 't voorhoofd en een afgehakten neus. Verder voortgaande werd de weg niet anders aangewezen dan door doodsbeenderen van beren, paarden of menschen, en enkele graven van in de woestenij gestorven ballingen, welke afwachtten wie na hen zouden komen.

Bij eene pleisterplaats zag hij een oogenschijnlijk voorname vrouw, die dienstbode was. "Wie is u?" vroeg hij.--"Indertijd echtgenoote van een kolonel, nu van een grofsmid." En zij verwijderde zich, zonder te zeggen wie ze was.

Kopec scheen een verloren man, voor altijd Siberiër te worden, zonder eenige gelukkige kans. Andere generaals, die men later zocht om ze de vrijheid te hergeven, konden nergens gevonden worden.

"Eens op een dag keek ik, in droefgeestige gedachten, terwijl ik mij op de overblijfselen van een verongelukt schip bevond, naar de zee, die vol was van allerlei monsters. Plotseling ontdek ik een jongen, knappen, statigen man, in een vreemde kleederdracht; de verschijning greep me zeer aan. "Tot welke natie behoort u?" vroeg hij mij.--"Tot het ongelukkig volk." "O, je bent dus een Pool!... Ik ben koopman... ik ga naar Rusland terug... Schrijf een brief aan de uwen... Ik weet wel wat voor gevaar ik loop... maar dat kan me niet schelen! gauw, ga schrijven." Hij trotseerde het gevaar, belastte zich met den brief en heeft hem eerlijk bezorgd."

Maanden en jaren verloopen. Eens op een dag komt de man, bij wien Kopec inwoonde, bleek en ontdaan bij hem in de kamer: "Er is een schip in zee gezien."--"Nu, des te beter!" gaf de Pool ten antwoord.--"Neen, des te erger," zei de man. "De kommandant hier zal ons beschuldigen een komplot te hebben gesmeed, zooals hij wel meer doet; hij zal ons goed en leven nemen. Hij weet, dat het drie jaar duurt vóór een klacht te bestemder plaatse komt."

Het schip bracht de gratie van Kopec, zijn bevrijding. Hij wilde het eerst niet gelooven. Toen hij 't zelf gelezen had, viel hij in zwijm. Om zich te herstellen, ging hij naar de zee. "Het was stormachtig weêr; de monsters kwamen bij troepen naar de kust toezwemmen. Ik verbeeldde mij menschen te zien, gezichten te herkennen, ik zag tafereelen uit ons volksleven, processies, monniken die mij het kruis tegemoet droegen. Ik wilde mij naar voren werpen... maar werd tegen gehouden.

"Teruggekomen, had ik moeite om mijn kamer binnen te treden. Ieder kwam mij gelukwenschen. De vrouwen brachten mij geschenken, goede en zonderlinge: rum, suiker, waskaarsen (in het land van eindelooze nachten, van alle dingen het meeste waard).

"De geestelijke, een gemoedelijke grijsaard van tachtig jaar, balling als de overigen, kwam in zijn priestergewaad, met zijn koorzangers, zes kinderen van de naburige eilanden, door hem gevormd, die heel goed zongen, bepaald aandoenlijk. Ik stak al mijn kaarsen tegelijk aan. Hun fijne stemmetjes drongen ons tot in het hart. Ik ben altijd spoedig tot tranen geroerd geweest; maar ditmaal barstte ik in snikken uit, of, om 't juister uit te drukken, in woeste kreten.

"Vervolgens gingen we rondom mijn steenen tafel zitten, en iedereen bleef doorweenen. Ik maakte wat Poolsche punch klaar. Elks gedachten waren bij het vaderland, dat niemand durfde hopen ooit te zullen weêrzien."

"Gij zijt wel gelukkig," zeiden ze tot Kopec. "Ge vertrekt in drie jaar." Het schip lichtte inderdaad eerst het anker na zoo lang in deze kuststreken te hebben vertoefd.

Hoeveel treffende geschiedenissen zou de wildernis niet kunnen vertellen, als ze spreken kon! Ze is echter even stom als somber. Deze oceaan van bevroren vlakten is nog geslotener dan de Oceaan der wateren over de schipbreuken, welke hij overdekt. Aan dit uitgestrekte graf heeft Rusland, even onvermijdelijk als de dood, de zorg toevertrouwd om den heldenaard te vernietigen der al te schitterende naties, die het omringden. Door krijgsgevangenen niet terug te geven, maar hen te laten verdwijnen, heeft het Zweden uitgeput. De metgezellen van Karel XII, [29] gedwongen tot deerniswaardig metselaarswerk, slapen aan den voet der bastions van Tobolsk, door hen-zelven met inspanning van alle krachten gebouwd. Zweden is dáár leeggevloeid. En Polen is er op komst. De droevige processie gaat maar steeds voort; gansch een volk marcheert naar de woestijn, naar het graf.

Terwijl alzoo het onpersoonlijke, onverschillige groote slaafsche Rusland zich vermenigvuldigt, vruchtbaar als het gras der steppen en niet minder eentonig dan deze,--verdwijnt de krachtige persoonlijkheid der heldenvolken, bij welke ieders hart warm klopte, wordt ze uitgebluscht, begraven. Siberië bedekt, verbergt zijn schat onder de aarde.

Treffende eigenaardigheid! Wat men niet heeft kunnen geheim houden, wat aan het helderst daglicht gekomen is, dat is niet de weerstand der dapperen, het zijn de bewijzen van toewijding als een natuurlijk uitvloeisel van den band van 't familieleven. De helden zijn heengegaan; maar de vader, de echtgenoot, de verloofde is gebleven, en de natuur, de wonderen van het hart, de overwinningen van de liefde op de menschelijke wreedheid duren voort.

Iedereen heeft bij Custine de aandoenlijke geschiedenis gelezen van prinses Troubetskoi, [30] die alles verlaten heeft om haar man te volgen, een rampspoedige maar toch weinig belangwekkende persoonlijkheid, die het groote ongeluk gehad heeft zijn vrienden te laten omkomen, zich te verontschuldigen en hen te overleven. Werd hij bemind toen hij vorst was? Niets toont het aan. Maar als veroordeelde won hij liefde. In Rusland hadden zij geen kinderen; in Siberië krijgen zij er vijf. Deze bewonderenswaardige vrouw heeft door haar onverwachte liefde den balling veel meer geschonken, dan de keizerlijke wraak hem had ontnomen.

Laat mij hier een gebeurtenis boekstaven, nog verrukkelijker, maar minder bekend, historisch vaststaande door het getuigenis van een waarheidlievenden mond, die niet in staat was te liegen.--In 1825 werd een jonge Rus (noemen we hem Iwan) naar Siberië gezonden. Hij had lief en werd bemind. Een Fransch meisje, een jeugdige onderwijzeres bij zijn familie, had trouwbelofte van hem. De familie, die dit wist, maar op de verbintenis niet gesteld was, had het jonge meisje verwijderd. Nauwelijks had zij vernomen, dat haar verloofde in 't ongeluk was gestort en van allen verlaten, dat hij "aan den ketting moest," of zij liet de haar gedane trouwbelofte gelden. Zij ging zonder schroom naar Sint-Petersburg, regelrecht naar den keizer. Hij dacht dat ze krankzinnig was, trachtte haar van haar voornemen af te brengen, beduidde haar niet te volharden in haar wensch de vrouw te worden van een tot dwangarbeid veroordeelde. Helaas! 't was zoo gemaklijk hem zijn vrijheid te hergeven... De gunst, die men haar toestond bestond alleen in 't verlof hem te volgen, met hem te lijden, te sterven. De arme Française werd inderdaad het slachtoffer van haar toewijding; haar zwakke borst kon het verschrikkelijke klimaat niet verdragen; na verloop van een jaar stierf zij. Haar man overleefde haar niet; 't zij door ellende, 't zij door smart vergezelde hij haar in 't graf.

Zij lieten een kind na, een ongelukkige wees, bij zijn geboorte reeds een verschoppeling en geruïneerd. De bezittingen van zijn vader moesten overgaan in de handen van een natuurlijken zoon zijns grootvaders. Doch deze (niets is eervoller voor het Russisch karakter) weigerde voordeel te trekken uit de wreedheid der wet en liet den wees alles behouden.

Een gevaar, dat Siberië meêbrengt, en wel het grootste, is dat men er sterft vóór zijn dood. De oneindige verscheidenheid der lotsbeschikkingen, die men er aantreft, de absolute willekeur waaraan allen daar onderworpen zijn, maakt het maar al te makkelijk zelfs de sterkste zielen te beteugelen, te vernietigen. Rusland heeft niet noodig, zooals Oostenrijk, met zorg ingerichte gevangenissen te bouwen, waar de veroordeelde gedwongen wordt onwaardig werk te verrichten, vrouwenarbeid te doen of met allerlei beuzelingen zich af te geven, die den geest verstompen. Het verlaat zich op het voor den mensch al te ruwe klimaat, dat hem breekt. Het verlaat zich op de beestachtigheid van de militaire geweldenarij, welke iederen veroordeelde van karakter als 't ware door een molensteen fijnmaalt. De hardvochtige soldaat, die telkens vervangen wordt, maakt den veroordeelde weerloos door die wrijving. Deze wordt hoe langer zoo kleiner gemaakt, verslapt, en verliest ten slotte alle kracht tot verder verzet. Het verstand komt hem te hulp en betoont zich vindingrijk, door hem zich zelf te doen wijsmaken dat hij verkeerd zou handelen met langer tegen te spartelen. Het laat hem zijn beulen rechtvaardigen, vernietigt in hem het begrip van goed en kwaad, maakt hem volkomen onverschillig voor alles, verderft zijn zinnen, doet hem gelooven dat het goed is.