Martelaren van Rusland

Part 3

Chapter 33,833 wordsPublic domain

Vóór eenigen tijd werd het hart van Katya op een merkwaardige proef gesteld. Zij ontmoette op straat een bejaarde dame, die zij meende te herkennen, maar die schamel gekleed was, met een versleten sjaal en een ouden hoed. Zonderlinge ommekeer der dingen! het was haar vroegere meesteres, nòg armer geworden dan zij zelve was. Katya gaat naar haar toe, groet haar, kust haar de hand; de oude vrouw, zichtbaar ontsteld en van streek gebracht, stamelt uit een overkropt gemoed eenige woorden over het haar overkomen ongeluk en de ellende, waarin ze verkeert. "O, mevrouw," roept Katya uit, zich tegenover haar uit de volheid van haar goede hart weêr dienstbode voelend, "u blijft altijd mijn meesteres, en wat ik bezit is het uwe." Dienzelfden dag verliet zij haar woning, met al haar spaarpenningen bij zich, en stelde die in handen van de oude dame, die niet anders kon dan stille tranen weenen.

De lezers zullen er zich misschien over verwonderen, dat wij, in een werk van zoo kleinen omvang, waarin wij de lijdensgeschiedenis van Rusland slechts verhalen om tot de martelaarsschappen te komen, die er het gevolg van zijn, zoo lang hebben stilgestaan bij het leven van dit meisje.

Wij antwoorden, dat de volledige kennis van één enkel lotsgeval ons beter heeft ingewijd in de geschiedenis van het Russische zieleleven, dan eenig verhaal, eenig boek, eenige mededeeling ooit zou hebben bereikt.

Rusland is één lijden, dat blijkt maar al te duidelijk. Tot hoever is de ziel van 't volk er door aangetast? Dat is de vraag. Die ongelukkigen stellen tegenover de slagen, de beleedigingen, een schijnbare ongevoeligheid. Men kent hun taal heel weinig. En, kende men haar, in hun zoo gewettigd wantrouwen tegen de standen, die hen overheerschen, zouden zij zich wel wachten hun hart bloot te leggen. Hun bestaan is zóó onzeker, hun dierbaarste banden zijn zóó weinig hecht, dat zij erg vreezen te zullen mishagen, en wie hen ook bezoekt, treft hen altijd aan met een glimlach op de lippen. Zij zijn er bang voor om ongelukkig te schijnen en vragen haast vergiffenis voor 't kwaad, dat men hun aandoet. Hoe zal ik de ware beteekenis weêrgeven, de heimelijke gedachtenkring van een wereld, die zich niet uit? Ternauwernood zal ik er iets van kunnen voelen in de zoo diep-treurige melodieën, die deze oogenschijnlijk vroolijke man doet hooren, wanneer hij alléén is, als hij zijn grond bewerkt, of 's morgens zich ver in zijn uitgestrekte bosschen begeeft.

Katya was voor mij de openbaring van een gansche wereld. Haar alleen maar te zien en van haar levensloop kennis te krijgen, verklaarde mij tal van dingen, waarvan ik gelezen had zonder ze te begrijpen.

En haar eenmaal ontmoetende, en die keer was de eenige, vond ik niets anders dan dit woord: Gebroken hart.

Dit is het juiste woord voor den zieletoestand van den Rus.

Wij generaliseeren hier niet lichtvaardelijk. Wij hebben de zaak tal van malen bestudeerd.

Er is geen jaar voorbijgegaan, waarin wij er niet van nieuws af-aan onze aandacht aan schonken. En sedert de meer dan vijf-en-twintig jaren, gedurende welke deze oplossing nader door ons op de proef werd gesteld, is zij ons nòg de eenig juiste gebleken.

Wij leerden toen Rusland kennen, den waren zedelijken grondslag, waarop het volk staat, en daarmeê een dusdanige hartebreking, dat niets er zich meê kan vergelijken.

Het Poolsche volksbewustzijn is ongelukkig--maar 't is niet gebroken; integendeel, 't heeft nieuw leven ontvangen door het besef van zijn martelaarschap.

De Oostersche dienstbaarheid geeft evenmin eenig denkbeeld van dit gebroken-zijn. Niets is ongerijmder, dan, gelijk men gewoonlijk doet, Rusland met de Oostersche wereld te vergelijken. De Aziatische rijken, zelfs die het willekeurigst bestuurd worden, genieten veel meer van de vrijheden, waarop de mensch van nature recht heeft.

Azië verkeert over 't algemeen in een toestand van ontspanning, van onzekerheid, zelfs in wat het nog barbaarsch doet zijn; Rusland, tot brekens toe gespannen, is met voorbedachten rade, op wreedaardige wijs tot lijden afgericht.

Wat het voor gruwzaams heeft is dit, dat het eenige waaraan Rusland hecht, de gedachte die alleen door zijn brein woelt, de uitsluitende liefde welke het in zijn hart koestert,--dat dit alles vereenigd schijnt om het telken ure ten val te brengen.

Een éénig verschijnsel, wij herhalen het, zonder 'twelk het Russisch zieleleven leeg is, een met zegelen gesloten boek, tot welks inhoud zelfs het scherpste oog niet kan doordringen.

Wat is dit? Is het de politieke idée: de Staat? Geenszins.

De Staat is niets voor den Rus; hij kent slechts zijn Gemeente, of, zoo hij iets van een Staat vermoedt, dan lijkt het een dichterlijke droom, die op verren afstand verplaatst.

De godsdienst is louter van uitwèndig belang voor hem; hij is vol vromen eerbied voor het beeld van den een of anderen heilige, maar deze zelf betéékent niets voor hem, hij mist het geloof. Niets is onbegrijpelijker dan de verschillende uitleggingen, die hij aan het Christendom geeft; hij miskent het in zijn gehéél.

Het eigendomsrecht, dat voor de Westerlingen zooveel waarde heeft en hen zoo vervult, is niets in de schatting van den Rus. Maak hem bezitter, en hij keert onmiddellijk tot zijn communistische begrippen weêr.

Waarvoor de Rus alléén iets voelt, dat is voor zijn gezin; de rest kan hem niet schelen.

Al dat overige, zelfs de gemeenschap, heeft voor hem slechts waarde, voorzoover de hardvochtige politiek aan zijn oorspronkelijk bestaan, als lid eener familie, iets heeft toegevoegd. Den meester en den oppersten der meesters, hij kan hen zich niet anders voorstellen dan van het familie-standpunt, deze benamingen door andere, zoo liefelijk klinkende, weêrgevende van vadertje, grootvadertje, enz.

Het paradijs van den Rus is zijn goed gesloten en verwarmd huis, waarin hij acht maanden lang, een grof kleedingstuk wevende en er zijn behagen in vindend voor de behoeften van zijn gezin te verbouwen en te timmeren, boven op zijn kolossalen oven leeft, terwijl de scherpe, van Archangel overwaaiende Noordenwind, langs de kleine woning heenstrijkt, zonder de minste opening te vinden tusschen de dicht aaneengeplante boomen, met mos toegestopt en die het nestje zoo goed sluiten.

Het helle-bestaan voor den Rus is de gewelddadige verbreking van zijn familiebanden. De "heer" kan door zijn machtwoord alles verstoren. Dit is de oorzaak, dat de ongelukkige zoo voor hem kruipt. Tot zelfs de ingewanden behooren aan den heer. Men neme hem zijn vrouw of zijn dochter, hij kan er niets aan doen; men ontneme hem zijn jonge kind, hij heeft het maar goed te vinden.

En eindelijk, als men hem zelf oplicht, hem op een noodlottigen morgen vat, haar en baard afscheert, in boeien slaat en naar de mijnen voert, of naar de fabrieken, of bij het leger inlijft, hij kan er wederom niets tegen inbrengen. Zijn vrouw, hoe afschuwelijk zij 't ook vindt, is verplicht met een ander man te bed te gaan. Immers, zij is niets anders dan een stuk bezit; en dat mag niet ongebruikt blijven. Zij moet, evenals de grond, ieder jaar voortbrengen, zooveel mogelijk lijfeigenen telen, al wordt ze ook in wanhoop bevrucht.

IV.

DE MINOTAURUS. [18]

OVER HET LEGER ALS STRAFMIDDEL.

Eén feit is ten opzichte van het Russische leger welsprekender dan alle woorden. Het is de schaarschte aan mannen in Rusland. De vrouwen zijn er klaarblijkelijk veel talrijker, en, wat dit het duidelijkst aantoont, zijn de ongelijke huwelijken, waartoe men ze verplicht: men laat dikwijls een jongen van twaalf jaar trouwen met een vrouw van vijf-en-twintig of dertig, liever dan haar weduwe te doen blijven.

Het gering aantal mannelijke wezens is niet de schuld van de natuur, maar van de regeering; het is 't gevolg van de buitensporige verkwisting van mannen ten bate van het leger. In Rusland bestaan niet die menigte van uitputtende of den dood brengende ambachten, die, zooals bij ons, zooveel werklui ten grave sleepen. De Russische lijfeigene beult zich niet af; hij werkt op zijn gemak en langzaam, nooit met dien verterenden koortsgloed van de mannen in de Westersche wereld.

Wat voor een leger is het dan, dat, in vredestijd (de Kaukasus telt niet meê) op zoo zichtbare wijs een bevolking van zestig millioen zielen zoo kan dunnen! Tot welk een ongehoord cijfer men dit leger ook wil opvoeren, men zou 't niet kunnen begrijpen, zonder te weten op welk een onmenschelijke manier het wordt gerecruteerd, gedrild en gevoed. Het moet van 't volk driemaal meer mannen nemen dan het soldaten telt. Wat is het lot van de rest? Weinigen, zeer weinigen keeren naar den huiselijken haard terug: niet één man op de honderd; Paskjewitsch [19] zelf zegt het, ik heb zijn woord al aangehaald. Nergens in Rusland ziet men verminkte oud-soldaten, zooals in andere landen zoo veelvuldig aanwezig zijn. Alle genezen; zij hebben tot arts den besten heelmeester: den Dood.

Als de hertog van Ragusa [20] in zijn boek, dat méér Russisch-gezind is, dan de Russen-zelven, tot onzen schrik berekent, dat de Russische soldaat den keizer twee of drie maal minder kost dan de onze, dan ziet hij in zijn becijfering over 't hoofd, dat om één geoefenden en geharden Russischen soldaat te verkrijgen, er vooraf twee of drie moesten doodgaan.

Hij verzuimt, als iets van minder waarde en dat zonder twijfel zijn aandacht niet verdient, rekening te houden met zulk een verschrikkelijk misbruiken van menschenvleesch.

Het ongehoord sterftegehalte heeft voornamelijk drie oorzaken: 1o. is de Rus physiek (door zijn ras, zijn levenswijs, zijn opvoeding) de voor den militairen dienst minst geschikte man; 2o. vervult hij zijn dienstplicht tegen zijn zin, sterft hij van hartzeer en heimwee; kan hij zich nooit troosten over het verlaten van zijn geboortegrond en zijn familie; en 3o. wordt hij nooit met die behoedzaamheid behandeld, waardoor hij aan zijn lot went en het aanvaardt; hij wordt onverhoeds verplaatst van de eene levenswijze naar een andere, gansch tegenovergestelde.

Een opmerking is misschien de aandacht waard der physiologen, namelijk dat dit ras, in vergelijking met de andere in Europa, weinig gevormd schijnt, niet rijp in zijn ontwikkeling, nog kinderlijk is. De gelaatstrekken zijn dikwijls innemend, maar de hoofden zwak, de hersens onbevattelijk, het denken gaat niet diep. Men ontmoet in grooten getale mooie grijsaards, met rozige wangen; witgebaarde mannen, die nog jong lijken, en niet juist eerbiedwaardig zijn.

Bij de Russen doet, evenals bij kinderen, het minder georganiseerde, slechts zwakjes gecentraliseerde leven, onophoudelijk wonderbaarlijke levens ontstaan: ik bedoel insecten; zij worden namelijk door wormen opgegeten.

Het schijnt dat zij koud bloed hebben, of dat zij water in hun bloed hebben. Zij drinken ongestraft hoeveelheden brandewijn, waardoor menschen van hartstochtelijker geaardheid, met voller, krachtiger bloed, inwendig zouden verbranden.

Onze Westersche nationaliteiten, die zooveel hebben doorgemaakt, bezitten een karakter van krachtige degelijkheid, aan Rusland onbekend. De Rus is voor ons, wat voor den olm, den eeuwen-ouden eik de slanke populier is, een hoog spoedig opschietend gewas, als 't ware onvoorbereid door de natuur geschapen. Deze of gene Engelschman, ros van haren en met vleesch gevoed, uit ouders gesproten, die ijzer gebeukt hebben en die van smeden zijn opgeklommen tot mechanici, zoo'n man alleen heeft pit in zich voor vijftig Russen. De sobere Fransche boer, vol van kracht en gezond verstand, die zijn winter in de open lucht doorbrengt, terwijl de Rus acht maanden lang bij zijn oven zit uit te drogen, zou heel wat beter dan hij een legering onder den blooten hemel van den Kaukasus verduren. Die boer is, in zeven jaar, een even goed geoefend soldaat, als de Rus in twintig, en bovendien heeft hij een kijk op de dingen, een levendige en krachtige manier van opmerken en handelen, van een besluit te nemen, welke de Rus nooit heeft. Deze, zelfs wanneer hij een flink soldaat is geworden, doet zelden iets uit eigen beweging.

Ziet eens, op eenzelfden dag, naar twee dorpen, in Frankrijk en in Rusland, den dag van het vertrek der rekruten. De Fransche dienstplichtige hecht linten aan zijn hoed, en, ofschoon hij dikwijls zou willen huilen omdat hij zijn familie verlaten moet, drinkt hij en tracht vroolijk te zijn. De Rus werpt zich op den grond en trekt zijn baard uit. Door zijn heer aangewezen, meestal voor straf, zou hij als kolonist naar Siberië kunnen gezonden zijn; maar hij is er nog slechter aan toe, hij wordt soldaat gemaakt. Een verschrikkelijk iets voor een man, doorgaans gehuwd, vader van verscheiden kinderen, en al dertig jaar en ouder. Want tot zijn veertigste jaar kan de boer ingelijfd worden, en blijft hij in den treurigsten angst omtrent zijn lot.

De jaarlijksche lichting van soldaten door heel het rijk heeft volkomen het karakter van een algemeene drijfjacht op arme wilde dieren, door de honden naar één plaats gejaagd. Om den ketting, waaraan ze allen, geschoren en kaal geknipt, bevestigd zijn, rent voortdurend de Kozak heen en weêr, als een ware wachthond van deze rampzalige kudde. Hij, de eenige in het rijk, wiens vrijheden eenigszins geëerbiedigd worden, wordt soldaat geboren, en, verre van schatting te betalen, ontvàngt hij geld van den keizer. Vleeschverbruiker, voortvarend en ruw, ziet hij met medelijden neêr op die half-gevoede Russische boeren. Zijn klein, leelijk, slechtgebouwd paard, maar vlug, onvermoeid, maakt een deel uit van den ruiter. De Kozak, de voor alles bruikbare onderdaan, weet wonderwel partij te trekken van het rijk. Visscher, jager, koopman, handelaar in rariteiten en tolbeambte, bestrijdt hij de smokkelarij, maar uit beroepsnijd en om zelf alléén te kunnen sluiken.

Wie kan het ontzettend getal stokslagen tellen, die noodig worden geoordeeld om een goed Russisch soldaat te vormen? Wie wel eens in het bad gezien hebben Russen van elken stand, maar vooral soldaten, de oude grenadiers van de garde, stonden verbaasd over hun rug vol naden, wreedaardig opgesmukt met litteekens.

Die dappere mannen, die slechts wònden hadden van voren, vertoonden van achteren de afgrijselijke merken van de krijgstucht, en oude krijgers, eerbiedwaardige mannen, werden, na aan honderd veldslagen te hebben deelgenomen, om de geringste kleinigheid afgeranseld.

Neen, barbaren, dàt is geen militaire opleiding. De Russische discipline, naar uw eigen officieren dikwijls verzekerd hebben, is een afschuwelijk kazernemonnikwezen, een harde kloosterregel, waarbij de kleinste fouten, die niet eens fouten zijn, zoo wreed worden gestraft, dat men geen kastijding meer kon uitvinden voor de werkelijke fouten.

Het toppunt in dit opzicht, om het grillige en onmenschelijke ervan, bereikte de czarewitz Constantijn. Om een handschoen, die niet onberispelijk wit was, liet hij vijfhonderd stokslagen uitdeelen. De door vrees bevangen soldaten, zuinigden ondershands uit, om zelf handschoenen te koopen: die hun verstrekt werden, zouden hun, na tweemaal gewasschen te zijn, een pak slaag bezorgd hebben. "Ik ben niet gesteld op den oorlog," zei Constantijn, "hij bederft den soldaat en maakt zijn uniform maar vuil." En toen iemand, om een officier bij hem te ontschuldigen, zei: "'t is ten minste een man, die veel moed bezit," riep hij uit: "moed? Wat kan me dàt schelen? Ik hou niet van moed."

Hij onthulde met dit gezegde, in zijn naïeve brutaliteit, wat het gezag werkelijk denkt. Het bekommert zich in geenen deele om moed of energie. Heldhaftigheid, zelfs te zijnen voordeele, is verdacht. Men bewijst een slechten dienst aan de autocratie door een held te zijn. Wees een goed onderdaan, middelmatig en onderworpen, sta wat achteraf en wacht op bevelen,--dan is 't in orde.

Als de regeering, die zoo hard is, naar verhouding ten minste rechtvaardig en flink was, zou het kwaad heel wat minder erg zijn. Tot nadeel van den soldaat echter is er in de administratie van 't leger oneindig veel toevalligs, onregelmatigs, en heerscht het misbruik er; het gouvernement wéét dit, maar doet er niets tegen. Hoe kan het gezag, dat zoo sterk is, de oogen sluiten voor de monsterachtige winsten, welke men behaalt op de levensmiddelen, ja zelfs op het leven der menschen? Hoe heeft het de eenvoudige hervorming nog niet aangedurfd, sinds lang reeds overal ingevoerd, van nl. de administratie af te scheiden van het commando, door aan de kolonels de winstgevende verdeeling der levensbehoeften te ontnemen?

Ziedaar dan de ongelukkige soldaat, geslagen, slecht gevoed, slecht gekleed, gevoerd naar de toegangen tot de bergengten van den Kaukasus. De gewoonten zijner jonge jaren, die hierin bestonden, dat hij zich 's winters (en de winter is zoo lang in Rusland) opsloot, zijn in wreede tegenstelling met de bivaks in het gebergte, de voortdurende afwisselingen van warmte en kou, van brandende zon en hagelstormen. Zijn huisvestingen, slecht ineengezet, bestáán dikwijls niet eens; ze zijn aangegeven op de kaart, waarop de keizer de krijgsverrichtingen volgt. Hij geeft bevel--'t is ongeveer vijf en twintig jaar geleden--een fort te bouwen, geeft daar jaarlijks geld voor en laat het werk met ijver doorzetten. Generaal Woronzoff, die evenals de keizer dacht dat het fort bestond, zendt er een bataillon heen; men zoekt er lang naar: nergens een fort te bekennen. Eindelijk vindt men echter een bordje, waarop zijn toekomstige plaats stond aangegeven. Het bataillon sliep in de sneeuw der bergen.

Ik zal geen kwaad van den Kaukasus zeggen, noch van zijn krijgshaftige bewoners, die niet alleen de meerderen zijn van de Russen, maar van alle volkeren der aarde. De Tscherkessen bijvoorbeeld hebben, zooals men weet, aan Egypte de Mamelukken geleverd, die het een tijd lang beheerschten, en hoofden gegeven aan menigen Oosterschen staat. Bekijkt de vrij goede gravures maar eens, die overal voorhanden zijn. Het zijn blijkbaar koningen. Door hun zuiver koninklijke wapenen, hun klingen, die van geslacht op geslacht overerfden, hun geweren van platina, die nooit hun schot missen, hun bewonderenswaardige paarden, die, zonder teugel of stang, alleen gehoorzamen aan de stem van hun meester,--zijn zij voor de Russen, wat de adelaar is voor het schaap. Dikwijls verwaardigen zij zich niet hun vijand te dooden, zij achterhalen hem, in galop, met hun ongeëvenaard ros.

Zelfs de Kozak, hoe goed krijgsman hij is, maar zoo zonderling toegetakeld, en daarbij zaken doende, is een belachelijk wezen, vergeleken bij deze koningen van 't gebergte.

Men moet zich niet verwonderen over het verdriet en den afkeer, welken aan de Russische officieren een oorlog veroorzaakt, waarin ze wel slaag krijgen, maar het niet teruggeven. Ze zijn er nauwelijks minder erg aan toe dan hun ongelukkige soldaten. Van adel en rijk, van kindsbeen af gewend aan genietingen, zijn zij al vroeg opgesloten in een militaire school, waar ze niets leeren. Niets is treuriger, akeliger dan in het dagboek van een officier te lezen, tot welk een wanhopige leegte, een ondragelijk nietsdoen de leerlingen van de cadettenschool te Warschau onder Constantijn (zijn de toestanden wel veranderd?), veroordeeld waren. Geen onderwijs, geen boek, geen vermaak was geoorloofd; alleen meisjes konden ze krijgen, zooveel ze wilden; uitstekende manier van doen om de lichamen uit te mergelen, de zielen te verlagen, goeie dienaars te maken en goeie onderdanen. Men vond hen voorbeeldig; men wenschte zich zelf al geluk, dat ze zoo gedwee waren geworden. Maar diezelfde jongelui, van wie men geloofde dat ze gedemoraliseerd zouden zijn, marcheeren op een zekeren morgen, ten getale van tweehonderd, met een ongelooflijke stoutmoedigheid, tegen een Russisch leger op, dat meende in het bezit te zijn van Warschau, brengen het volk te hoop en weten het hun zijde te doen kiezen.

Welke is de zedelijke toestand van den militair in Rusland? Welke gedragslijn zal hij kiezen bij een groot conflict met Europa? [21] Men kan dit in geenen deele voorzien; welke de gevoelens der officieren of van de soldaten ook mogen zijn, zij dragen een juk van vrees, dat moeilijk af te schudden is.

Dit ras is, onder alle van de geheele wereld, het gemakkelijkst door vrees in bedwang te houden.

Verstaan wij elkaâr goed ten opzichte van deze uitdrukking, van het verschijnsel, dat men vrees noemt. Er is geen sprake van bangheid, ik beweer niet dat de Russen laf zijn. De vrees is een op zichzelf staand verschijnsel van de verbeelding. Het is de toestand, waarin iemand verkeert, die door een onweêrstaanbare macht meent beheerscht te worden, zooals b.v. van een natuurkracht. Men kan zich moedig gedragen tegenover de menschen, en het toch niet zijn, als men staat tegenover geheimzinnige machten.

Welnu, voor den moedigsten Rus is het gezag als een onweêrstaanbaar, natuurlijk noodlot. Zwak als enkeling, buigt hij zich onder de vage voorstelling die hij heeft van het kolossale rijk; hij onderwerpt er zich aan, hij voelt er den druk van bij de bevelen van zijn minste overheid. En het is maar niet een uiterlijk gehoorzamen: hij paart aan zijn fatalisme een godsdienstig gevoel, hij gehoorzaamt met vrome onderwerping.

Een uitnemend beoordeelaar, die, koel, als buiten de zaak staande, de dingen bekeken heeft, heeft deze opmerking gemaakt: de Rus en de Franschman, gelijkelijk dapper in het gevaar, vertoonen dit verschil: de Rus trekt zijn schako tot over de oogen en stormt erop los, zonder te zien; de Franschman gaat voorwaarts en kijkt het gevaar aan.

De Russen plaatsen in de gelederen slechts oude soldaten. Men mag aannemen, dat zij die blijven leven, die vergrijzen in een zoo harde krijgstucht, mannen zijn van ongewoon weêrstandsvermogen, zéér flinke soldaten. Men kan geen andere met hen vergelijken. Tegenover een dusdanigen vijand moet ieder Europeesch leger zich altijd versterken door nieuwe aanwervingen.

Is het Russische leger, dat vroeger dweepziek was, dit tegenwoordig nog? O, neen. Is het dan ten minste geestdriftig? Waarvoor zou het dit zijn? Dertig jaren lang onder de wapenen gehouden, ten aanschouwe van heel Europa, afgemat, verkild door eeuwig paradespel, gelooft het niet meer aan dien God van den oorlog, die altijd de wegen der diplomatie heeft bewandeld.

Niets heeft dit leger méér ontzenuwd dan de buitensporige geest van wantrouwen, welken een bezorgd toezicht er in heeft gebracht. Allen bespieden alles, letten op alles. Iedere officier leeft gestadig in de vrees door zijn buurman te worden verraden en voorkomt hem daarom heel dikwijls. De soldaat merkt dezen treurigen moreelen toestand van zijn chefs terdege op; hij behoudt den eerbied, niet de achting. De innerlijke gehoorzaamheid is er door geschokt.

Niemand kent den Russischen soldaat goed. Met al zijn uiterlijk van een automaat en dat gezicht van hout, heeft hij toch soms een zeer critisch oordeel. Het komt uiterst zelden voor dat hij dit laat doorzien. Laat ik een kostelijk staaltje van dit soort aanhalen. Hierbij is sprake van het dweepzieke tijdperk der soldaten van Suwarow. [22] In het verhaal, dat zeer natuurlijk schijnt en klaarblijkelijk getrouw en waar is, merkt men hiervan niets, maar wel een lichte spotzucht, een treffende neiging tot medelijden, de vage hoop van eindelijk den dienst te zullen verlaten, en, wat den Rus altijd bijblijft, de liefde voor zijn land en zijn familie.

Het was bij den dood van Catharina. [23] Ziehier het gesprek der soldaten, dat Niemcewicz [24] in zijn gevangenis afluisterde: "Eindelijk zullen we dan een czaar krijgen!" zei de een. Waarop de ander antwoordde: "Dat is in lang niet gebeurd. Onze oude matuszka (moedertje) heeft er haar plezier, geloof ik, wèl van genomen."--"Meer dan welletjes," zei de eerste, "maar ieder zijn beurt. Ik hoop dat nù onze arme gevangenen zullen vrijgelaten worden."--"Er zullen groote veranderingen komen," zei een derde. "Men vertelt dat allen, die dertig jaar dienst hebben naar huis kunnen gaan, als ze willen."--"God geve 't!" beaamden allen met een diepen zucht.

V.

SIBERIË.