Martelaren van Rusland

Part 2

Chapter 23,736 wordsPublic domain

Onze vriend, de heer Pernet, directeur van de Revue indépendante, was ook in 't bezit van een pas, toen hij verraderlijk werd in hechtenis genomen. Men liet hem vrijelijk reizen tot Moscou. Daar, uit het gezicht van Europa verwijderd en ver van het Fransch gezantschap, nam men hem zonder voorwendsel gevangen. Geen enkele Rus, dien hij kende, durft voor hem in de bres springen. Men werpt hem in een onderaardsche kerkercel, op gelijke hoogte met den bodem der omringende grachten, zoodat hij den ganschen dag, door zijn traliën heen, het gezicht had op, en het ondragelijk gestommel hoorde van de barbaarsche terechtstellingen, die er plaats vonden. Men bracht hem daar onder de oogen lijfeigenen, welke de gedienstige keizerlijke politie zich belast voor hun meesters af te rossen. De smartkreten, de pijnlijke klachten, de stokslagen, die de beenderen doen kraken, de woedende geluiden der bij hun dienst tierende beulen, dit alles vormde voor hem een helsch schouwspel, dat hem 't harte brak, en op verschrikkelijke wijze zijn oogen, zijn ooren en langzamerhand ook zijn hersenen aandeed. Aan zijn tralievenster vastgeketend, zonder er zich van te kunnen verwijderen, voelde hij zich reeds in twee dagen als verstompt worden; zijn gedachten ontsnapten hem... Maar erger werd het nog, toen men twee jonge meisjes van twintig jaar, half naakt, voorbracht, welke haar meesteres, een furie, wreedaardig liet geeselen! Het waren twee ongelukkige mode-naaistertjes, die, niet wetende dat ze lijfeigenen waren, tijdens de afwezigheid harer gebiedster haar geliefden bij zich ontvangen hadden. Zij liet ze door karwatsen stuk rijten. Zij gilden om genade en krompen ineen... Op het zien van die bloedende vrouwenlichamen met blootgelegde zenuwen, dreigde onze landgenoot flauw te vallen. Men hield niet eerder op, dan nadat een der jonge meisjes neêrgevallen was en op het punt van sterven... Pernet bestierf het zelf.

Was dit alles een toeval? Men moet Rusland niet kennen om het te gelooven. Men wilde den Franschman kapot maken, hem een sterken en duurzamen indruk van schrik geven. De vreemdeling heeft inderdaad aanleiding om na te denken, als hij ziet, dat de afstand tusschen den vrije en den aanhoorige zóó gering is, dat de minste politiedienaar den vrije kan arresteeren en doen afranselen. Deze naaistertjes waren géén lijfeigenen; waarschijnlijk waren 't Fransche meisjes: alle modistes zijn dat.

Twee Duitschers, uit Rusland vertrekkend en den voet op een Engelsch schip zettend, vliegen elkander in de armen. "Goddank, mijn vriend!"--roept de een uit--"eindelijk kunnen we dan weêr eens vrij ademhalen!"

Ik weet niet of al degenen, die Rusland verlaten, zich aldus kunnen gelukwenschen. Het meerendeel laat er een aanmerkelijk deel van zich-zelven achter. Zij, die er eenigen tijd doorgebracht hebben, spreken er nauwelijks over dan met groote voorzichtigheid, 't zij omdat ze iets van de verschrikking overhouden, die hen nooit verlaat, 't zij omdat ze zich met dit vreemde land vereenzelvigd hebben, als 't ware gerussificeerd zijn. Zij ontkennen niet, wat er in Rusland voor hatelijks of ontaards is; zij stemmen het toe, maar zonder het te laken. Aldus is hun zedelijke zin, verzwakt en ontzenuwd, niet meer dezelfde als bij andere menschen. Zij zijn ongeschikt geworden om een flink en ernstig oordeel te vormen.

Rusland bezit, behalve zijn verschrikkelijkheden, bovendien een macht die tot aanmerkelijke ontzenuwing leidt. Het voortdurende gebruik maken van warme baden en van dampbaden, de nacht en dag verwarmde huizen, de weekelijke zeden der Slavische landen, alles verslapt het zedelijk gevoel. Het hart, aanvankelijk door de barbaarsche kanten der slavernij gewond, heeft zich het zwijgen opgelegd; de zinnelijke kanten hebben de overhand gekregen. Hij, die eerst in opstand kwam, verontschuldigt weldra, en eindigt met alles heel zachtzinnig te vinden.

Een schrijver, die twintig jaar in Rusland heeft vertoefd, beschrijft de aandoening, welke zich van hem meester maakte, den eersten dag waarop hij vrouwen hoorde slaan. Haar hart-brekende en -verscheurende stemmen drongen tot zijn ooren door, tegelijk met allerlei kinderlijke klachten van een smartelijke naïveteit, met alle vleiwoordjes, waardoor het slachtoffer den beul tot zachtheid hoopt te stemmen. Het meisje: "Genade! medelijden! niet vandaag! ik ben niet wel! spaar me!"--De getrouwde vrouw: "Genade! ik ben zwanger!... Och, man, zacht toch!... Je zult twee schepselen vermoorden!" In één woord, alles wat pijn en vrees voor roerends weten te uiten.--Hij smolt in tranen. De prinses, vrouw van den huize, die hem in dien staat verraste en die dit niet kon begrijpen, zei tot hem: "Wat u zoo van streek brengt, daar zijt ge zelf de oorzaak van. U hebt gezegd, dat u zooveel van aardbeien hield; ik heb deze meisjes naar het bosch gestuurd, en ze hebben haar plicht zoozeer vergeten, dat ze in het dorp zijn gaan dansen." Het was dus uit goedheid, tengevolge van haar beleefdheid voor den gast, dat zij haar tachtig bedienden liet geeselen.

De vrouwen zijn in Rusland veel talrijker dan de mannen; het leger verslindt verschrikkelijk veel van de laatste. De vrouwen verrichten weinig werk, zoo op 't veld als in huis. Een niets-doende, vernederende dienstbaarheid is het lot van een oneindig aantal onder haar. Een Russische dame zei mij eens: "Op een klein landgoed van honderd-vijftig boeren, waar ik nooit kom, heb ik veertig kamervrouwen, die letterlijk niets uitvoeren." Zij zijn zoo weinig in tel, dat de banken alleen voorschot geven op mannelijke lijfeigenen; de vrouwelijke kan men op den koop toe krijgen.

De vernederende plaats door de vrouwen ingenomen, die altijd ter beschikking moeten zijn, is een der dingen, welke Rusland zeer laag stellen. Het Russische familieleven is minder beveiligd dan dat van den neger. Van den meester tot de eigenen is de kleur dezelfde, en de vermengingen geschieden zonder dat een beschuldigende kleurschakeering het ware vaderschap aan den dag brengt. Vandaar afschuwelijke gevolgen, die veel minder in onze koloniën voorkomen. De meester gebruikt broers als dienstbaren, misbruikt zijn zusters, dikwijls zijn dochters. En wanneer wij zeggen de meester, moet men daaronder minder den heer verstaan, dan den werkelijken meester, den intendant, den onbeschaamden zaakwaarnemer, die, op een verafgelegen landgoed, zonder toe- of opzicht, zonder eerbied voor den mensch, naar willekeur de ongelukkige bevolking verkracht.

Wat men ook gelieft te beweren van de gevoelsverstomping der hoorigen, zoo gelooven wij niettemin, dat deze onafgebroken ontwijding van de familie een der martelingen is van het Russisch zieleleven. Geen mensch is zoo ontaard, dat hij niet bitter moet lijden, als hij er niet zeker van is, of de kinderen, die hij liefkoost, wel de zijne zijn. Er is overigens geen volk, geen land, waar 't gevoel voor 't vaderschap inniger is. Voor den aangedanen hoon buigen zij het hoofd. Hoe zouden wij ons daarover kunnen verwonderen? Oproeren blijven altijd plaatselijk, en geven daardoor nooit hoop op bevrijding; men gaat ertoe over, met de zekerheid van onder stokslagen te zullen bezwijken. De mensch wordt in Rusland als gevangene geboren, door de natuur als zoodanig aangewezen, vóór hij het door zijn medemensch gemaakt wordt. De dorpen, op grooten afstand van elkaar afgelegen, hebben weinig onderling verkeer, gescheiden door bosschen en moerassen en, gedurende den meesten tijd van het jaar, door ontoegankelijke sneeuwmassa's. Dáár zijn zij geboren, dáár sterven zij, onder de ijzeren hand van het noodlot. Maar niettemin hebben zij een hart, en dit hart wordt zooveel te meer verteederd voor het eigen gezin, waar al de rest zoo wreed is, niet alleen het gezag, maar ook de hemel.

Men siddert, als men bedenkt met welk een ruwe lichtvaardigheid deze dierbare banden verbroken worden. Wat ons de natuur het meeste geweld schijnt aan te doen, de ontvoering van kinderen, is in Rusland aan de orde van den dag. Niemand verbaast er zich over. De keizer geeft er het voorbeeld van. Hij heeft vervaarlijke rooverijen van kinderen doen plegen en laat ze nog geschieden. Na de revolutie waren het Poolsche kinderen, die opgelicht werden, onder voorgeven van ze in het Grieksche geloof op te doen voeden. De moeders liepen achter de rijtuigen aan en lieten zich onder de hoeven der paarden verpletteren. Later, en nog tegenwoordig, laat hij de kinderen der Joden op zesjarigen leeftijd oplichten, om ze, naar men zegt, voor den soldatendienst voor te bereiden. De arme kleinen, meêdoogenloos behandeld, die voor verzorgsters slechts Kozakken hebben, sterven onderweg. Het doet er niet toe, de begeleiders brengen toch het vereischte getal aan: de dooden worden aangevuld door de kinderen der Russische boeren te stelen.

De heeren rooven de kinderen, niet alleen voor hun genoegen, maar soms ook uit winstbejag. Laat ons hier alleen als voorbeeld noemen één, die op zijn goederen jeugdige dansers liet opleiden, welke hij aan de schouwburgen van Moscou leverde, en tegen hooge prijzen verkocht aan andere heeren, die op hun kasteelen opera's geven.

Deze kinderen, op die wijze in een andere wereld verplaatst, ontvingen een zorgvuldige opvoeding, beter dikwijls dan die van hun meesters; maar toch zijn zij er het ongelukkigst van allen aan toe. Zij blijven lijfeigenen; een redelooze nuk kan hen ieder oogenblik weer laten vervallen tot de hardste vernedering van dienstbaarheid. Een jonge lijfeigene, door zijn meester naar Italië gezonden en een uitstekend violist geworden, had na zijn terugkeer zooveel te verduren, dat hij, zijn kunst vervloekende, in wanhoop zich een vinger afsneed, om ongeschikt te worden zijn instrument verder te bespelen. Een nòg tragischer geval ontstond door de onmenschelijkheid van de bijzit van den wreeden Araschejeff, den gunsteling van keizer Alexander. Deze vrouw had tot gezelschapsdame opgeleid een voortreffelijk, bekoorlijk jong meisje. In ik weet niet welken aanval van woede liet zij haar eens grijpen en met de zweep kastijden. De zuster van het slachtoffer (men houde vol, dat de lijfeigenen geen gevoel hebben!) doorstak de groote dame. Alle bedienden werden op verschrikkelijke wijze gemarteld en naar Siberië gezonden.

Slechts een klein aantal tragische gebeurtenissen wordt ruchtbaar en wekt de aandacht. Het meerendeel wordt echter doodgezwegen. Wij kennen maar enkele treurige feiten. Ons blijft verborgen wat het gewichtigste, het leerrijkst zou zijn: de reeks van lijdensgevallen, die de lijfeigene moet doormaken, het gehéél van een levensnoodlot.

Ik heb het zeldzame voorrecht gehad de volledige levensgeschiedenis te leeren kennen van een zeer belangwekkende en zeer deugdzame lijfeigene, die, wreedaardig aan haar familie ontrukt door de gril van een aanzienlijke dame, maar sedert door haar aan eigen lot overgelaten, te Parijs dienstbode is geworden bij achtenswaardige dames, die mij met haar vriendschap vereeren. Dit reine, heilige meisje leest bijna nooit, geloof ik; zoo niettemin het toeval wilde, dat deze regels haar onder de oogen kwamen, houde ze mij ten goede, dat ik, mèt de onmenschelijke wreedheid van haar land, het mysterie van haar zoo oneindig teêre ziel ontsluier, welk, zonder gal en heugenis van het kwaad, nog zoo zacht en vol eerbied gestemd is voor hen, die haar hebben doen lijden.

III.

GESCHIEDENIS VAN KATYA, EENE RUSSISCHE LIJFEIGENE.

Ik heb wel niet noodig te zeggen, dat ik, in deze op zichzelf zeer eenvoudige geschiedenis, zorgvuldig alle opsmukking der verbeelding vermeden heb. Er komt geen enkele omstandigheid in voor, die ik niet door mij zèlf heb leeren kennen, of door zeer betrouwbare personen. Hun namen reeds, die ik zal noemen, geven aan het publiek den zekersten waarborg.

Iedereen heeft Katya, zonder haar te kennen, aanschouwd op de schilderijen, waarvoor zij als model gediend heeft. Paulin Guérin heeft haar mooie gezicht afgebeeld op verschillende historiestukken. De verrukkelijke schilder van vrouwen-portretten, Belloc, heeft haar als heilige Cecilia voor een geestelijke te Parijs op doek gebracht, en haar zachten blik voortreffelijk weêrgegeven.

Haar vroeg-ontwikkelde schoonheid was de oorzaak van haar rampen. Zij leefde bij haar familie, in 't hart van Rusland, ver achter Moscou. Het was een gezin van lijfeigenen, maar in goeien-doen; haar grootvader, die bizonder veel van haar hield, dreef handel in pelterijen. Het kind, vier jaar oud, speelde aan de oevers van een meer, vlak bij den straatweg, toen rijtuigen voorbijkwamen, de rijtuigen van een dame uit de groote wereld, de vrouw van den gouverneur van ..., die met haar kinderen en haar geheele personeel op reis was. Zij merkte de aanvalligheid van Katya op, en daar haar eigen kinderen zoowat van denzelfden leeftijd waren, kwam de begeerte bij haar op hun het meisje als speelpop te geven. Zonder eenigen omslag, zonder de familie te raadplegen, noch den meester, wien zij toebehoorde, nam ze haar op, als een kat, die men op zijn weg vindt; zij droeg haar in haar rijtuig en reed verder.

De ongeruste familie vernam ten slotte wat er gebeurd was. De dame had halt gehouden in een naburige stad. De troostelooze grootvader gaat erheen, biedt een losprijs aan; zijn geheele fortuin, als men dit eischt, als men hem het kind maar teruggeeft. Hij werd op ruwe wijs teruggestooten, misschien wel geslagen. De dame lachte hem in zijn gezicht uit en nam haar prooi meê.

Men kent het lot der kinderen van minderen stand, welke met die der grooten samen worden opgevoed. De laatste, bedorven en in hun zelfzuchtige grillen aangemoedigd, maken van het levend speelgoed arme zondebokken. Bijaldien de ouders, aan den anderen kant, eenig voorbeeld moeten stellen, een strenge les geven, geschiedt dit liefst op den rug van den kleinen vreemde. Men kent de geschiedenis van den jongen prins, die een page tot speelmakker had gekregen; het was regel dat, als de prins een fout beging, de page er zweepslagen voor opliep.

Naarmate Katya grooter werd, maakte haar meesteres van haar voor eigen dienst gebruik, als kameniertje. Het scheen wel of haar lot zich zou verbeteren. Het tegendeel was waar. De dames-eigenaressen van slavinnen zijn zelve niets meer dan groote kinderen, even nukkig als de kleine, maar heftiger en willekeuriger. Katya, al aardig opgewassen, een mooi meisje van ongeveer tien jaar, begon door de mannen opgemerkt te worden, die ongetwijfeld niet nalieten der meesteres een complimentje over haar te maken. Deze ging toen hoe langer zoo minder van haar houden. Ze liet geen gelegenheid ontsnappen om haar hard te behandelen. Als ze bijvoorbeeld een beetje langzaam was in het aandoen der laarsjes van mevrouw, schopte deze haar, zoodat ze met het gezicht tegen den grond viel.

Zij sliep, als een hond, op een vloermat, aan de deur. Wee haar, als men ze 's nachts hoorde snikken. Ofschoon zoo jong nog aan het ouderlijk huis ontvoerd, had ze er niettemin een levendigen indruk van bewaard; herinnerde ze zich haar dorp, de bosschen, het meer, haar kameraadjes nog zeer goed; bracht ze zich den zonnigen tijd van vriendelijke behandeling en vrij-zijn, de liefkoozingen van haar armen grootvader, op wiens schoot zij zoo dikwijls in slaap was gevallen, herhaaldelijk te binnen! Deze beelden zijn haar altijd bijgebleven, en thans nog, na verloop van veertig jaren, even levendig bij haar. Hoe ver-af dit verleden ook zij, het is haar steeds lief! Het is voor haar de eenige werkelijkheid in dit leven geweest, en al het overige slechts een benauwde droom.

Ze was nagenoeg twaalf jaar oud, toen haar meesteres een reis naar Frankrijk maakte en haar meenam, in 1815. De dame, mèt haar man meêgekomen, liet hem alleen, met het Russische leger, terugkeeren en bleef zelve in ons land. Weêrhouden door de een of andere gril uit passie of vroomheid voortgesproten, misschien onder den beheerschenden invloed van een boetprediker (waarvoor zoo menige Russische dame uit den tijd van keizer Alexander I zwichtte), zette zij zich in 't hoofd te Parijs te blijven, en wilde van Rusland niet meer hooren spreken. Haar man, die er ten slotte genoeg van had haar tevergeefs te schrijven, te verzoeken, te gelasten, eindigde met haar geen geld meer te sturen, overtuigd haar door den honger tot terugkeer te zullen dwingen. Maar zij hield vol, nam haar intrek in een klooster, waar ze voor weinig geld terecht kon, en zond al haar bedienden weg. De jonge Katya deelde in hun lot. Haar meesteres verjoeg haar even onmeedoogend, als ze haar had geroofd. Zij stootte haar letterlijk in haar verderf. Uit de omgeving van het Pantheon werd zij naar het Marais gevoerd, rue du Chaume, [17] bij vallende duisternis, en daar op de stoep van een huis achtergelaten.

Het was al donker, en het regende. Een voorbijgaande dame hoort een kind weenen en treedt naderbij. Verwonderd, daar dit meisje te vinden, zoo groot al, en mooi als een engel, spreekt ze haar toe, maar krijgt slechts tranen tot antwoord. Het kind verstond geen twee woorden Fransch. God had echter ontferming met haar gehad. De dame was mevrouw Leroy, zuster van den schilder Belloc. In haar medelijden neemt zij Katya meê met zich naar huis, tevens uit verontwaardiging over de wreedheid, waarmeê men een ongelukkige van dien leeftijd, door haar schoonheid natuurlijk nog meer gevaar loopende, in een groote stad bloot kan stellen aan de kwade kansen van den nacht. Zij houdt haar bij zich, geeft haar een opvoeding, leert haar onze taal en behandelt haar met een zachtheid, zooals zij na haar ouderlijk huis nooit meer ondervonden had.

Toen mevrouw Leroy later Parijs verliet, stelde zij haar in handen van twee vriendinnen, die zij meer dan andere liefhad en hoogachtte. Waarom zou ik ze niet noemen en hier niet een der aangenaamste herinneringen levendig houden, welke ik aan deze beminnelijke vrouwen heb bewaard? Het waren de energieke, verstandige mevrouw de Montgolfier, toen een tachtigjarige, de vrouw van den uitvinder der luchtballons, en haar waardige dochter, een groote schrijfster, die nooit iets uitgaf om de aandacht op zich te vestigen en haar werken bijna nooit met haar naam teekende. Men stelle zich voor, hoe goed deze laatste, met haar warm en teeder hart, voor Katya was. Het jonge meisje moest met groote behoedzaamheid verzorgd worden, had zèlve eerder behoefte aan bediening. Ze was heel wat grooter geworden en zeer zwak. De minste last, dien ze had te tillen, een trap, die ze op moest, bracht haar buiten adem. Men vermoedde, dat ze een hartaandoening had.

In zulke goede handen gevallen, en als een kind, een kleinood dezer dames behandeld, was het toch niet moeilijk op te merken, dat haar familieherinneringen haar altijd vervolgden, dat niets haar die kon ontnemen, dat ze met haar gedachten altijd in Rusland was, altijd aan de oevers van het vaderlandsche meer, vanwaar men haar gewelddadig had weggevoerd. In werkelijkheid had ze haar geboortegrond nauwelijks verlaten. Haar geest had zich maar middelmatig verruimd (ofschoon ze het Fransch met merkwaardige gemakkelijkheid kon spreken); haar hart evenwel was, misschien te sterk zelfs, ontwikkeld, maar alleen ten bate van de herinneringen aan haar kindsheid, die nooit bij haar konden opkomen, zonder dat zij tot tranen geroerd werd.

Beide dames, de goedheid zelve, besloten, in overleg met de haar bevriende mevrouw Belloc, alle mogelijke stappen te doen om haar familie op te sporen. Zij werden hierin door het Russisch gezantschap bereidvaardig gesteund, doch men kon niets uitvinden. De aanduidingen, welke Katya kon geven, waren te vaag en verward.

Het was ongeveer 1823. Ik zag haar toen eens bij deze dames. Het was de éénige maal, dat ik haar ontmoette. Ik herinner mij levendig den indruk, dien zij teweegbracht op de vreemdelingen, die in het salon waren, toen zij binnentrad. Eerst liet zich een algemeene uitroep van bewondering hooren, weldra bedwongen, maar vervangen door een soort van verteedering. Zij was vrij groot, zichtbaar zwak; in haar jonge, sierlijk gevormde armen, ofschoon eenigszins mager voor een meisje van twintig jaar, droeg ze, een weinig naar voren gebogen, een blad met kopjes thee beladen. Zij scheen onder den lichten last gebukt te gaan, zooals een populier doorbuigt voor het zachtste blazen zelfs van den wind. Zij glimlachte over haar zwakte en wekte het denkbeeld, dat zij er zich over verontschuldigde.

Men voelde de neiging bij zich opkomen er verschooning voor te vragen, dat men zich door haar liet bedienen. Haar bevalligheid, haar manier van spreken, haar schoonheid, merkwaardiger door de lijnen dan door frischheid, wekte de gedachte aan een Russische prinses, die zich verkleed had. Maar de reinheid van haar oogen, gepaard aan den blik van goedheid en teederheid, gaf een gansch àndere bekoring dan doorgaans uitgaat van aristocratische vrouwen.

Deze uitdrukking van goedheid, zachtheid, inschikkelijkheid, moedigde de onbeschaamde vermetelheden maar al te zeer aan, en dit was voor 't arme meisje een reden tot voortdurende verlegenheid. De lichtzinnige jonge mannen, de zoogenaamde "geluksvogels", bedroefden met hun onbescheiden achtervolgingen dit gebroken hart. Zij had een rein, liefdevol gemoed (zonder er zich zelve van bewust te zijn); sexuëelen hartstocht kende zij niet; in dit opzicht was ze koud als het ijs van de poolstreken. Het leek wel of zij was blijven staan op den leeftijd, toen men aanving haar een opvoeding te geven.

Zij hield er veel van zich af te zonderen. Uit eigen beweging, zonder priesterlijken aandrang, ging zij dikwijls naar de kerk. Haar mystieke aanleg zou zich zeker welig ontwikkeld hebben, als ze maar wat beschaafder was geweest. Zeer waarschijnlijk om meer alléén te kunnen zijn, zich vrij aan haar droomerijen en haar gebeden te kunnen wijden, verliet zij haar dienst, huurde een kamertje en werd naaister. Moeilijke broodwinning te Parijs, waarmeê de vrouwen slechts weinig verdienen. Af en toe, wanneer ze geen werk had, trad ze weêr in een of anderen dienst. Maar zoodra ze er toe in staat was, keerde ze tot haar eenzaamheid terug, die haar, met het uitzicht op de daken der Parijsche huizen, veroorloofde altijd te droomen van de woeste streken van haar geboortegrond en van haar verloren familie.

Haar beschermsters, die haar nooit uit het oog lieten gaan, hebben haar dikwijls aangeraden te trouwen. 't Ontbrak nooit aan pretendenten. Maar steeds verwierp zij 't huwelijk, 't zij omdat ze, evenals alle zwaartillende harten, vreesde daarin troost te zullen vinden, 't zij omdat de fatsoenlijke, maar misschien eenigszins grofgenatuurde, doch overigens goede mannen haar fijngevoeligheid afschrikten en weinig beantwoordden aan haar vage poëtische neigingen. Terecht of misplaatst, ze geeft altijd den indruk van een vrouw van beschaving, zelfs een dame uit de groote wereld te zijn, vol waren adel en zachtzinnigheid. Niets van trots, noch van onderdanigheid. Eén enkel iets herinnert aan haar verleden, namelijk dat ze, wanneer zij haar weldoensters bezoekt, van wie ze veel houdt, haar nederig de handen kust, op de wijs van Oosterlingen.

De jaren doen het hunne. De mooie Katya moet nu zoowat zeven-en-veertig jaar zijn. Laatstelijk heeft zij het gezelschap gezocht van een achtenswaardige vrouw, die, op tachtigjarigen leeftijd, nog van haar handenarbeid leeft. Deze, vrouw Paul genaamd, een arme werkster, mismaakt en een dwerg, deelt haar woning met haar. Ik weet niet, hoe zij 't aanleggen, maar bij al haar armoe, vinden zij nog gelegenheid om haar misdeelde buren bij te staan.