Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Chapter 9
De goede geestelijke huiverde opnieuw.
"Staat ons koren nog te velde?" vroeg hij aan den zanger.
Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.
"Ons koren," antwoordde de zanger, "ligt in eenige streken reeds op den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, mijn vader!"
"Dat God u verhoore, mijn zoon!" antwoordde de eerwaardige priester met kalmte; "ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt."
"Onze hetman! Onze hetman!" riep men eensklaps van alle kanten.
Vader Mikaïl trad de kerk binnen.
"Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit," merkte iemand onder de menigte op.
"Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet," vond een ander.
"Ik heb hem eergisteren ontmoet," vertelde een oude vrouw. "Zijn voorhoofd was toen diep gerimpeld."
De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet voortging.
"De schoonzuster van den hetman," fluisterde men van alle kanten.
"Mefodijewna," zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem aanstiet.
Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen van haar geteekend hadden.
Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad vast te grijpen.
"Mevrouw," zei ze zacht tegen haar, "u hebt dezen zakdoek laten vallen," en zij bood haar een rooden zakdoek aan.
De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:
"Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem verloren had."
De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden zanger. "Je bent hier niet uit deze streken," zei zij tegen het kind, "ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?"
"Van heel ver," antwoordde Maroessia.
"Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte van de Ukraine kom je dan?"
"Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, die zij bezocht heeft," zei de oude zanger. "Wij hebben vele dingen en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig toch regelrecht naar de markt."
"Zoo," antwoordde Mefodijewna, "hebben jullie veel gereisd! Welnu, als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar den hetman toe, en vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw reis vertellen."
Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.
Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.
XVII.
SPEEL NIET MET DOLKEN!
De dienst was geëindigd. De groote hetman was in zijn paleis teruggekomen. De warmte was drukkend, de zon verblindde door haar licht.
Eenige zwarte wolken die van het westen kwamen, vertoonden zich aan den gezichteinder.
"Wij zullen vanavond een hevig onweder krijgen," merkte de hetman op terwijl hij naar de lucht keek.
Hij stond op een terras, dat zich voor zijn woning bevond en sprak deze woorden met zoo'n ongerustheid uit, dat een Russisch heer, zijn laatste gast, iemand op rijpen leeftijd en met een blonden baard, zich niet kon weerhouden, er hem zijn verwondering over te kennen te geven.
"Ieder Christen moet sidderen," antwoordde de hetman, terwijl hij een kruis sloeg, "als God zijn stem door middel van den donder doet hooren."
"God," antwoordde de Russische heer, "zal ons goed en wel aan dit onweer en aan alle andere doen ontkomen. Ik erken intusschen, dat de zwarte wolken een dreigend aanzien hebben."
"Zeer dreigend inderdaad," vond de hetman.
De wolken dreven met de snelheid van schepen, die door den storm voortgestuwd worden.
De groote hetman drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl er een pijnlijke trek om z'n mond kwam.
De tegenwoordigheid van zijn gast hinderde hem. Als die zijn gedachten eens kon lezen... Wat zou hij dan zien? Verwarring, besluiteloosheid, bitter berouw.
Wat te doen? Wat te besluiten? Waarom had God hem in zulke moeilijke omstandigheden het opperhoofd van zijn volk gemaakt? Hoe zou hij zich uit de klauwen van den Russischen adelaar losrukken? De Russische afgezant las zijn gedachten als in een boek op het gelaat van den forsch gebouwden hetman. De vos speelde met den olifant.
Maar plotseling klaarde het gezicht van den hetman op; als die van een pruilend kind, dat een nieuw stuk speelgoed ziet liggen. Hij had, terwijl hij de laan insloeg, die op het terras uitkwam, een soort van bedelaar gezien, die door een klein meisje vergezeld was. Deze bedelaar had een luit bij zich. Het was een muzikant. Deze afleiding kwam hem op dit oogenblik juist van pas.
"Die menschen kennen liedjes," zei hij, zich tot zijn spion, zijn gast, wendende, "waaraan ik de voorkeur geef boven al onze concerten."
Hij gaf aan een kozak een wenk en beval hem, den ouden zanger en zijn kleine metgezellin bij zich te laten komen.
"Zal de groote hetman zich verwaardigen, mij aan te hooren?" zei de grijsaard, terwijl hij deze woorden deed vergezeld gaan van een eerbiedigen blik, die met den nederigsten groet gelijkstond.
De goedheid van den grooten hetman ging zoover, dat hij met zijn blanke hand naar een plek in den hoek van het terras wees, waar de muzikant kon gaan zitten.
"Daar," zei hij tegen hem, "zal de zon je niet hinderen."
De Russische heer, die van nature een opmerker was, zag wel, dat de schouders van den ouden zanger zeer breed en forsch waren, en verwonderde er zich over, dat het grove hemd, dat ze bedekte, wit als sneeuw was. Hij zou zijn gezicht wel eens goed hebben willen zien, maar de groote hetman was in een goedhartige stemming en had tegen den grijsaard gezegd:
"Je kunt je muts wel ophouden, oudje."
De muzikant begon, na eenige tonen aan zijn luit ontlokt te hebben, te zingen.
Wat een krachtige en toch zachte stem had hij, en wat bespeelde hij z'n instrument mooi!
De hetman, die op zijn tijd een kunstminnaar was, voelde er zich door opgewekt. Het gezang was prachtig en door deze zuivere muziek aangetrokken, vertoonden de vrouw van den grooten hetman en zijn schoonzuster zich aan het uiteinde van het terras, vlak bij den ouden zanger.
Mefodijewna herkende het kleine meisje, dat haar den rooden zakdoek had ter hand gesteld, en dat zij had uitgenoodigd, op het kasteel te komen.
Met den elleboog op een grooten bloempot leunende, waarin een zeldzame plant groeide, gaf zij aan Maroessia een wenk om bij haar te komen. De bloempot was zoo hoog en het kind zoo klein, dat zij haar geheel voor den hetman en zelfs voor den Russischen heer verborg.
Het kind haalde uit haar mouw een dolk te voorschijn en stopte dien heimelijk in den zak der schoonzuster.
Zag Mefodijewna die beweging? Haar gelaat verried niets. Haar groote oogen staarden in de ruimte, en zij was geheel in de muziek verdiept.
Maroessia had haar plaats naast haar grooten vriend hernomen, zonder dat iemand bemerkt had, dat zij die een oogenblik had verlaten.
De zanger zong op dit oogenblik:
"Het Paradijs is voor de rechtvaardigen bestemd... voor hen alleen."
"Voor hen alleen," mompelde de groote hetman.
"De onderdrukkers, de overwinnaars zullen er hun slaven zien binnentreden, maar de engel met het vlammend zwaard zal hun den toegang daartoe ontzeggen."
De Russische heer had genoeg van dit gezang. Hij scheen een geeuw te onderdrukken.
"Dat zijn dingen," zei de groote hetman, "die men nooit moest vergeten."
"Ken je het lied van den bandiet?" vroeg de Russische heer aan den zanger. "Zing het eens voor ons:"
"Tot mijn diep leedwezen, Excellentie, ken ik het niet," antwoordde de grijsaard.
"Dat is jammer!" zei de vriendelijke heer. "Het zou deze dame zeker vermaakt hebben. De dames hebben een zekere voorliefde voor beruchte schurken."
Mefodijewna vestigde, hoe verre zij ook verwijderd mocht zijn, zoo'n fellen blik op den hoveling, dat deze de oogen neersloeg, terwijl een vluchtige blos zich op zijn gelaat vertoonde.
"Je luit is een zonderling iets," zei de Russische heer tegen den zanger, om het gesprek op iets anders te brengen. "Het is geen gewoon instrument. Weet je dat wel? Welnu, tracht het lied van den bandiet te leeren: het is echte poëzie! Je hebt daar waarlijk een zeer mooie luit! Ik zou haar wel eens meer van nabij willen bezien. Geef haar mij eens, oudje."
"Daar hebt ge haar, Excellentie," antwoordde de oude zanger, terwijl hij hem het bewuste instrument aanbood. "Bekijk het goed, onderzoek het, en u zult zien, dat het een ware schat is."
De Russische heer haalde, terwijl hij hartelijk lachte, eenige onwelluidende tonen uit het instrument, zette zich op een trede van het terras neer en herhaalde nogmaals:
"Het is beslist een erge mooie luit!"
Terwijl de Russische heer zijn bewondering over de luit te kennen gaf, keek hij er eigenlijk niet naar; daarentegen vestigde hij, zonder het te laten blijken, een doordringenden blik op den bezitter van het genoemde instrument. Maar de eigenaar der luit, ofschoon hij, naar den schijn te oordeelen, een uiterst eenvoudig man was, werd door die onbescheidene blikken niet in 't minst in verwarring gebracht.
Met al den eerbied aan een hooggeplaatst persoon verschuldigd, maar zonder eenige verlegenheid, verklaarde hij aan Zijne Excellentie de samenstelling der luit. Men zou zelfs gezegd hebben, dat deze verklaringen, in plaats van hem verward of verlegen te maken, hem zeer vermaakten.
"Weet je wel, dat dit instrument, als je het verkocht, je genoeg zou opbrengen om een geruimen tijd te kunnen uitrusten?"
"Dat weet ik," antwoordde de zanger, "maar de echte muzikant wil evenmin van zijn luit scheiden, wanneer hij die liefheeft, als de ruiter van zijn paard. Al is men ook arm, daarom is het toch niet verboden, smaak in schoone dingen te vinden. Mijn kleeding is wel is waar armzalig, Mijnheer, maar men heeft mij voor deze luit meer dan eens genoeg aangeboden om mij even prachtige kleederen aan te schaffen als de uwe, en ik heb geweigerd."
"Hij heeft er den slag van," zei de Russische heer bij zich zelf, "zijn koopwaar aan te prijzen; om haar des te duurder te verkoopen geeft hij zich den schijn, dat hij er den prijs van kent."
De bedelaar was naderbij gekomen.
"Daar ge een kenner zijt," zei hij, "moet ge dit instrument eens op uw gemak bekijken, Mijnheer. Het zou zeker meer op zijn plaats zijn in de schoone handen van deze rijke dames dan in de mijne; maar toch zal het in de mijne blijven."
"Ik heb je in de gaten," dacht de Russische heer; "je bent een slimme kwant, je hoopt mij af te zetten, en je denkt, dat ik je zoo maar een aanzienlijke som zal aanbieden om je luit aan de voeten van de schoone Mefodijewna te kunnen neerleggen. Zie maar, dat je anderen zoo beetneemt, oude slimmerd!... Dus," zei hij, "is dat je schat, je fortuin?"
"Deze luit, en ook dit, Mijnheer."
Bij deze woorden haalde hij een dolk te voorschijn, in alle opzichten gelijk aan dien, waarin wij hem bij den anderen hetman zijn kostbare tijding hebben zien wegsluiten, precies eender ook als dien, welken Maroessia een oogenblik te voren in den zak van de schoonzuster van den hetman gestoken had.
"Waarlijk!" zei de Russische heer, die een liefhebber van mooie wapenen was, "dat is inderdaad een kostbaar voorwerp;" en terwijl hij de hand aan den grijsaard toestak, zeiden zijn oogen, die van begeerlijkheid fonkelden, hem duidelijk: "Ik wil dien verwonderlijken dolk wel eens van naderbij bekijken."
Zonder twijfel om den hartstocht van den Russischen heer op te wekken, draaide de slimme grijsaard zijn wapen heen en weer, trok het uit de schede en deed het er weder in, maar zonder het hem ter hand te stellen.
"Deze dolk is mijn vriend," zei hij; "hij is mijn verdediger, hij is mijn leger; als wij bij elkander zijn, vreezen wij niets; bovendien is hij mij heilig, want ik heb hem van mijn vader."
"Laat mij hem dan eens even in handen nemen," zei de heer; "ik zal hem niet opeten."
Na eenig nadenken reikte de zanger den dolk aan hem over.
De groote hetman, wien dit kleine tooneel voor een oogenblik afgeleid had, was weer in gedachten verzonken geraakt. Hij schrikte eensklaps op. Een groote droppel water, die een hevigen stortregen aankondigde, was op zijn hand gevallen. Het gerommel van den donder, in het eerst dof, was naderbij gekomen; het onweer kwam snel opzetten. De hemel was in een oogenblik donker als de nacht geworden.
"Geef dien man zijn dolk terug," zei hij tegen zijn gast, "en laat ons in huis gaan!"
"Wat een dolk!" zei de groote heer met bewondering; en terwijl hij dien heen en weer bewoog, liet hij hem in het licht der bliksemstralen glinsteren.
"Ik wil dien dolk hebben," zei hij eindelijk op een gebiedenden toon tegen den grijsaard. "Noem mij den prijs, verkoop hem aan mij!"
Zijn toon was niet die van iemand, die iets wenscht te koopen, maar van iemand, die kan nemen en ook zal nemen, wat hij wel zoo goed wil zijn om te koopen. Het was een bevel, en daar de grijsaard toch het stilzwijgen bleef bewaren, voegde de Russische heer er bij:
"Verkoop hem aan mij; het geld maakt alles goed."
"Alles?" antwoordde de oude Ukrainiër, terwijl hij zijn kalmte trachtte te bewaren. "Wat? Zelfs de eer? Zelfs de vrijheid?"
"Nu ja!" riep de adellijke heer uit, "zelfs wat jij eer noemt en wat lieden van jou slag vrijheid noemen!"
Terwijl hij den grijsaard vlak in het gezicht keek, antwoordde hij op de gedachte, die de vraag van den gewaanden zanger aan hem ontsluierd had, met deze woorden:
"Als de Ukraine onder het bestuur der Russen rijk wordt, zal zij zich niet lang meer herinneren, dat zij fier en vrij is geweest."
Op het oogenblik, waarop hij deze woorden uitsprak, werd de lucht als in vuur gezet door zulk een hevigen donderslag, dat al degenen, die op het terras waren, en Mefodijewna zelf, zich verwonderden, dat zij waren blijven staan.
De hetman was naar zijn kamer gesneld; zijn vrouw volgde hem daarheen zichtbaar verward. Mefodijewna aarzelde en wilde, ofschoon blijkbaar tegen haar zin, het terras eveneens verlaten.
Maar waarom scheen Maroessia, die naast haar grooten vriend was blijven staan, in een standbeeld veranderd te zijn? Waarom die plotselinge bleekheid op het gelaat van Tsjetsjewiek zelf?
"Mefodijewna!" riep hij, terwijl hij de hand naar de schoonzuster van den hetman uitstrekte.
Er lag als een bezwering in het gebaar en als een bevel in de plotseling verjeugdigde stem van den ouden zanger.
De jonge vrouw keerde zich plotseling om.
"Zie," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "zie! Er is voor de rechtvaardigheid van God slechts een seconde noodig geweest om dengene ter aarde te werpen, die zoo aanstonds onze Ukraine zoo uit de hoogte beschouwde."
De jonge vrouw had met de oogen de aanwijzing gevolgd, die de uitgestrekte arm van Tsjetsjewiek haar gaf. Op haar beurt verwonderd over hetgeen zij zag, was Mefodijewna een stap teruggedeinsd.
Maar, eensklaps terugkeerende, zei zij met een bewogen stem: "God heeft de Ukraine van haar bittersten vijand verlost."
De edele heer lag, door den bliksem getroffen, op den grond.
Tsjetsjewiek boog zich voorover; hij haalde zijn dolk uit de verstijfde hand van den adellijken heer. Het wapen, door den onvoorzichtige te midden van het onweder heen en weer gezwaaid, had den bliksem zonder twijfel tot geleider gediend.
Den liefhebber van den dolk vervolgens op zijn forsche armen nemende, bracht Tsjetsjewiek, door Mefodijewna en Maroessia gevolgd, hem met haastige schreden naar de vertrekken van den grooten hetman.
XVIII.
HET GELUKKIGE JAAR.
Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, de leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd der beweging gesteld.
Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d'Arc in een land, waar de naam van Jeanne d'Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging der vrijheid niet onthouden.
O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de kleine of groote volkeren, die het recht hebben, hun _Gloria victis!_ [4] te zingen.
De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het meest vertoont,--al ware het ook slechts voor een oogenblik,--dat is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos doorgebrachte minuten.
* * *
Kerstmis.
Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom overstelpt, die haar van haar vrienden scheidt; zij is daar niet meer, haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.
Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.
Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.
"Zie je hem niet?" zei hij. "Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.
"Om u weer mee te nemen..." zei het kind diep bewogen.
"Om mij mee te nemen, ja," antwoordde haar groote vriend. "Maar er zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken."
"Zeker iemand?" zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd had; "zeker iemand?" En wat er meer in dien blik lag opgesloten, scheen te zeggen: "Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, als het noodig is... laat mij dan alleen!" Maar deze zwijgende klacht had zich zelfs niet in een zucht geuit.
"Er is van mij geen sprake," zei Mefodijewna glimlachende. "Neen. _Ik_ moet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te klein zijn voor een groot mensch zooals ik."
"Om goed te slagen," hernam haar groote vriend, "zou ik een kleine metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de hut met de kerseboomen gaat,--weet je, Maroessia, die zelfde hut, waarin wij kennis gemaakt hebben,--hoe het met een vader, met een moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan."
Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.