Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Chapter 8
Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.
"Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het graf van Nadneprowka zijn," zei Tsjetsjewiek tegen het kind.
Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.
De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.
De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de struiken en het hooge gras, die "het graf" bedekten, waren als in een vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.
Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit mooie natuurtafreel.
Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen aan den oever der rivier in het riet te zitten.
De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.
Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, dat 't al dichterbij gekomen was.
Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw van de meeuw zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf van Nadneprowka bevond.
Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht vervaardigd was.
Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.
Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind meegevoerd wordt.
"Het is tijd om naar den oever te gaan," Maroessia, zei de groote vriend.
Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,--men zou in deze woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,--liepen zij met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk aan den oever, dicht bij de rivier.
"Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!" zei een welbekende stem.
De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, de oude Kniesj.
"Gezondheid en goed geluk!" antwoordde hem de groote vriend.
"Hoe gaat het, beste meid?" vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen op Maroessia gevestigd hield.
"Heel goed!" gaf Maroessia ten antwoord. "En Taras?"
"Taras heeft Maroessia niet vergeten."
Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar vermoeienissen vergeten waren.
Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg met een blik haar grooten vriend.
"Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed," zei hij. "U kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij hebben toevertrouwd."
"Maar komaan," ging hij voort, "het is kalm op het water. Er is geen enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan."
Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, die den baard van den goeden landbouwer vormden.
Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.
"Hoor je wel, Maroessia?" zei Tsjetsjewiek, "het mannetje antwoordt daarop."
"Ik begrijp het, ik begrijp het," zei het meisje. "De meeuwen aan den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels hebben."
Kniesj had zijn boot in het water geduwd.
"Ga jij hier maar zitten, beste meid," zei hij, terwijl hij z'n hand aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide oevers van den Dnjéper voort.
XV.
OP HET WATER.
Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:
"Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?"
"Alles zal beter afloopen dan je denkt," antwoordde de landbouwer. "De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand..."
"Dat zou gekker zijn," viel de groote vriend hem in de rede. "Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe."
"Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?" liet Kniesj hierop volgen.
"Die," hernam Tsjetsjewiek, "die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,--hij is niet volmaakt,--maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie."
"Nu," zei Kniesj, "dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben."
"Hij moest het wel doen," zei Tsjetsjewiek.
"Dan," hernam Kniesj, "kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien."
"Wij zullen het wel met hem klaar spelen," merkte Tsjetsjewiek op.
Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.
"Ik vergat, mijn kind te laten slapen," zei hij.
"Ik wil niet slapen," zei het meisje.
"Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen," zei de groote vriend op vastberaden toon. "Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen."
In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.
"Daarginds, aan dien kant," zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, "zien jullie daar niets?"
"Het kind heeft gelijk," zei Kniesj, "daar zijn ze."
"Stil!" beval de groote vriend.
De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.
De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:
"Goed geluk en gezondheid!"
"Goed geluk en gezondheid!" antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.
"Maroessia," zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, "dat moest ik je geven van je moeder."
Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:
"Gaat het met allen goed?"
"Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten."
"En," zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, "hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?"
"Wat een huishoudster!" zei Andry. "Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als 't een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden."
"Welke tijdingen brengen jullie," vroeg Tsjetsjewiek, "in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?"
"Velen zijn tevreden," antwoordde Vorosjilo. "Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen..."
"Anderen," zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, "anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z'n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben."
En zich tot Maroessia wendend zei hij:
"Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen... Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga."
En hij begon zijn sprookje aldus:
De geschiedenis van den kreeft.
"Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.
Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?
De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.
Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo'n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.
"Ik zal zelf maar gaan," zei hij eindelijk bij zichzelf.
Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.
"Wat een kreeft!" riep men van alle kanten. "Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn." De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.
Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.
Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.
"Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?" zei hij bij zich zelf. "Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen."
Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.
Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.
Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.
"Het werd hoog tijd, dat ik kwam," zei hij bij zich zelf. "Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo'n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!"
Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.
"Duid het hun niet ten kwade," zei zij tegen hem, "dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is... Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben."
"De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood."
"Begrijp je 't, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?"
Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.
Vorosjilo klopte hem op den schouder.
"Word wakker," zei hij tegen hem, "en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!"
Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:
"Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is."
De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.
De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.
Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.
"Neem Maroessia achter u," zei hij tegen Tsjetsjewiek, "en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden."
De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.
XVI.
TE GADIATSJ.
Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.
De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, schenen in een donker waas gehuld te zijn.
Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te zien, dat de meesten hunner tot den militairen stand behoorden.
Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.
De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.
Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden toon over allerlei onderwerpen.
De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.
Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch verblijf te bereiken. "Het is op de aarde, dat men door aanhoudende inspanning den hemel moet verdienen," zei hij ten slotte.
Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.
De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk lange snorren, door hun welgevormde gestalte en door een deftigheid, eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.
"Goeden dag, goeden dag!" zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden dan met groeten.
"Zou onze hetman ook komen?" vroegen verscheidene stemmen te gelijk.
"Hij zal komen," antwoordden de kozakken.
Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen de menigte zou bezighouden.
"Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!" zei hij.
"Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?" vroeg een jonge vrouw.
"Die zal ook meekomen," antwoordden de kozakken.
"En zijn schoonzuster?"
"Het is waarschijnlijk, dat die ook zal komen."
"Welke schoonzuster?" vroeg de oude zanger.
"Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna," antwoordden verscheidene stemmen hem.
"Mefodijewna!" herhaalde de oude zanger. "Bij ons hoort men nooit over haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?"
"Dat zou ik denken!" antwoordde iemand. "Zij hoeft maar een vinger te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!"
"Zoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot geluk voor haar."
"Gunst!" riep met toornige oogen een grijsaard uit. "Gunst! Is dat een woord gemaakt om op zoo'n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, moet u weten, bekommert zich volstrekt niet over de gunsten van iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft."
"Zij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?" vroeg de oude zanger.
En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:
"De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om uiteen te spatten."
"Maar wat zegt u daar, oude man?" vroeg een bejaarde vrouw met een achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. "Wat zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in onze duisternis.
"Om zoo schitterend te zijn," hernam de stijfhoofdige zanger, "moet zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!"
"Je hebt het glad mis," riep er een uit de menigte uit. "Zij gaat zoo eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden."
"Zij kleedt zich als een eenvoudige burgeres," zei een jonge kozak; "zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan weldoen, zonder opgemerkt te worden."
"Vergeef het mij!" zei de zanger. "Ik heb, zooals ik zie, uw heilige gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen... Zoudt u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?"
"Heiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk opgetrokken neuzen? Het zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel wat van hen vertrokken."
"Vertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?"
"Vraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af."
"Om de waarheid te zeggen," verzekerde een nieuwe spreker, "vermaakt men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra geen enkele meer in het land zal overblijven."
Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun teenen staan.
Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, maar dat deze uit zijn hart kwam.
De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia bij de hand hield.
"Zegen ons, vader," zei hij, "zegen dit kind! Wij komen van verre om God in uw kerk te aanbidden."
De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en op het kind.
"Vader," zei de zanger, "ik heb ingezien, dat het grootste vuur te midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden."
Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den ouden pelgrim.
Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard en zei tegen hem:
"Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De wegen zijn niet veilig..."
"Hij, die naakt is," antwoordde de zanger, "behoeft niet te vreezen, dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan."