Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc

Chapter 7

Chapter 73,978 wordsPublic domain

Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij liet zich een weinig smeeken.

"Ik ben bang," zei hij, "dat het u niet zal bevallen, naar datgene te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber."

"Ga je gang maar," zei een lang en mager officier met een norsch en streng gezicht. "Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter rechter tijd gekomen."

"Wilt u het?" zei de grijsaard. "Welnu, luistert dan!"

En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:

"Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders hadden het vruchtbaar gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze naburen tegen elkander: 'Dat land is gelukkig, het is rijk, het is bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.' En het kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, geheele steden verdwenen.

"Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het was goed om ingepalmd te worden.

"Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?

"En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?"

Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was alles duidelijk.

Er ontstond een levendig gesprek.

"Drommels! drommels!" zei de officier, die er zich zooeven over beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. "Dit oude lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt."

"Hoor eens!" zei de jonge officier. "Die zanger heeft toch eigenlijk geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, wij moeten dus oprukken."

"Waarover hebben zij zich te beklagen?" zei een ander. "'De Ukraine aan de Ukrainiërs!' Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een gedeelte van een groot rijk uit te maken?"

"Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen," zei de jonge, blonde officier. "Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer aan zullen denken;--voor hen, die over honderd jaren zullen leven, is dit zeker waar;--maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk."

"Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot stand te brengen."

"Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet verwerpelijk geacht worden."

"De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor de kleine niet slecht zijn," zei een jonge kapitein.

"Je hebt des te meer gelijk," gaf de oude officier hierop ten antwoord, "omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms wel eens bang over al onze grootheid."

Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte baant zich overal een weg.

Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van den morgen terug.

"Die boeren vechten als helden," zei er een.

"Als duivels uit de hel," antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in een doek had hangen. "Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen."

"Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat," zei een ander. "Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat hij zoo aan zijn eind zou komen? 'Ach! zelfs geen lansstoot!' riep hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo'n oorlog! Wat een leelijke wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn wolven, echte, woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, maar 't mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen wij het veld moeten ruimen."

"Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!" zei een oude officier.

"Zij zouden zoo vechten," zei een gekwetste soldaat, "als zij hun vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden."

Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, hij was dood.

Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had laten hooren?

Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.

Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden met den zanger in. "Wat een prachtige zanger!" zei men. "Het is een prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?"

De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.

"Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal zijn de moeite wel waard, dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen."

Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.

"Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!" zei hij lachende.

En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.

"Luister eens!" zei Maroessia tegen hem, "ik heb drie officieren hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op Tsjigirine te doen."

XII.

MEN NADERT.

Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook wilde dragen.

"Ik ben niet moe," antwoordde zij dan.

De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing af van hetgeen Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.

Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren hemel af.

Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.

De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.

Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.

Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.

"Zeg, jongeman," zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij tegen het hek van een tuin zag aanleunen, "waar woont onze hetman?"

De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:

"Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman."

Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.

Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:

"Het schijnt dat onze hetman nog op is."

Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele maal bewoog.

"Het is een schildwacht!" dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.

De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, als was hij in diepe gedachten verzonken.

Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.

De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.

Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam zat, op en ging opendoen.

De voetstappen, die men hoorde, hielden op.

"De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten," zei Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.

Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag dergelijke bezoekers ontving,--rondreizende muzikanten, die tijdingen van verre vrienden brachten.

"Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?" vroeg Tsjetsjewiek.

Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op den drempel.

Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:

"Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?"

Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.

"Ik buig mij voor den grooten hetman neer," zei Tsjetsjewiek, terwijl hij een diepe buiging maakte.

Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette insgelijks.

"Je bent beiden welkom," antwoordde de groote hetman. "Welk lied zal je voor mij zingen?"

De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, zijn meening te zeggen of te verdedigen.

"Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren."

De groote hetman antwoordde eerst niet.

"Waar kom je vandaan?" vroeg hij eindelijk.

"Van Zaporogië," antwoordde Tsjetsjewiek. "De dapperen van Zaparogië bieden den grooten hetman hun groeten aan."

"In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te ontvangen," antwoordde de hetman. "Kom in mijn kamer!"

Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.

Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren waren gewit, en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning aantreft.

Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken schitterden aan de muren.

Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.

Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.

"Ik verzoek je, plaats te nemen," zei de groote hetman.

Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden zich beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.

"Waarom heb je dat kind bij je?" zei hij.

"Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap."

De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot de voeten instopte.

"Doofstom!" had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar een kus op het voorhoofd drukte.

Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.

Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.

Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap en werd nu inderdaad doof en stom.

XIII.

DE HETMAN ZWICHT.

Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, van soldaten, oorlog en haar vaderland.

Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig rond.

Zij sliepen niet!

Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid van een slag, die hem met de meeste juistheid toegebracht was, hem als versteend had.

Eindelijk sprak hij:

"Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan."

"Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig bestuur?" antwoordde Tsjetsjewiek kalm. "Men moet in eendracht macht zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding."

De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.

Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.

Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover Tsjetsjewiek neer.

"Als ik je wel begrijp," zei hij, "reken je er op, dat ik, omdat ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol heeft geleerd, vraag je van mij zoo'n daad van zelfverloochening."

"En dat is," zei Tsjetsjewiek, "om het hem onmogelijk te maken, zijn Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere reden, ieder voorwendsel te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; 'omdat wij weten, dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, u een tijdlang op den achtergrond te stellen.'"

"Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?"

"Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet kosten, er toe te besluiten."

"En als de ellendeling ons toch eens verkocht?..."

"Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had," zei Tsjetsjewiek bedaard. "Iemand houdt hem in het oog, die niet zou toelaten, dat hij zich geheel onteerde."

Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?

Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, dat zij gerust kon zijn.

De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.

Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.

"Ziedaar!" zei hij tegen hem, "ben je nu tevreden?"

Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:

"Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult meer dan een hunner hebben verricht, u zult afstand van uw macht gedaan hebben om haar te redden,--zonder er zelfs zeker van te zijn, te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons het spel kan doen winnen."

Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.

"Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?" vroeg de hetman. "Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij zelf niet in staat is te geven?"

"Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen. En als alles niet naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was."

Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.

De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar namen zij afscheid.

Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis achter en begaven zich naar de poort der stad.

De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel eener rivier.

Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.

Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden blik.

"Zou _hij_ Tsjigirine kunnen verdedigen?" vroeg zij aan haar vriend.

"Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel wat anders doen dan onze steden in te nemen."

"Maar _als_ men er eens een aanval op deed?"

"Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven."

Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.

Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles nauwkeurig kon gadeslaan.

Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen, versperde een reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen opgekomen te zijn, hun den weg.

"Welken weg wil je inslaan?" vroeg hij.

"Dien der eerlijke lieden," luidde het antwoord.

"Waar ga je naar toe?"

"Naar eerlijke lieden."

"Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet."

"Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven."

"Welnu," hernam de kozak--"als je er op staat dan kun je voor mijn part weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent."

Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden om voldaan op te merken: "Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des te beter."

XIV.

ONTMOETINGEN.

Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.

Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, hun voeten stukgeloopen.

Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.

Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, die hen tegenkwamen en die ternauwernood een woord en soms slechts een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.