Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Chapter 6
Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid voor zaken.
Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de geldbuidel leeg.
Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn uiterlijk aan Kniesj nog woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel toeriep. Hij bekommerde zich over 't geheel weinig om de beleefdheden van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.
"Goede reis!" mompelde de oude Kniesj, "ik hoop dat ik je nooit meer terugzie."
IX.
DE WARE KNIESJ.
Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van Maroessia zich naar den ouden boer.
Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen de brandende stralen der zon te beschutten.
Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep heel zachtjes, zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis mocht gekomen zijn, wil herstellen.
"Grootvader!" zei Taras, die achter hem liep, "zeg eens, waar de vijand gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar..."
"Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?" zei de oude boer vriendelijk, terwijl hij bleef staan en goedaardig met z'n hoofd schudde:
"Heb je veel pleizier in den tuin gehad?" vervolgde hij. "Zijn jullie moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee."
En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.
Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!
Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van den ouden kozak afwenden.
"Grootvader! luister eens naar mij!" zei Taras, toen hij zijn honger gestild had. "Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd is. Niet waar, grootvader?"
"Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook," antwoordde de vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals een stuk pastei gaf. "Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?"
"Ik heb die netten heelemaal vergeten!" riep Taras uit, "geen oogenblik heb ik er aan gedacht!"
"Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!" zei Kniesj glimlachende.
"Ik ga er dadelijk naar toe!" besloot Taras plotseling; en nadat hij de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.
Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo'n zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.
In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.
Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.
"Maroessia!" zei hij tegen haar. "Je vriend wenscht je te zien. Hij is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?"
De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk gegeven om hem te volgen.
Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.
Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn schrandere oogen op den boer gevestigd hield.
"Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?" zei Kniesj tegen den trouwen bewaker van zijn huis.
Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk zeide: "Wees maar gerust!" En ten bewijze, dat alles in de omstreken inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, die den toegang tot een provisiekamer verleende.
Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.
De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in flesschen, appelen, peren, de stapels eieren, de flesschen, die voor de ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.
Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen onmogelijk om zich een doortocht te banen.
"Sla linksaf!" zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch gewelf scheen te voeren.
"Loop zachtjes, beste meid," zei Kniesj, "kijk goed waar je je voeten neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig."
X.
HET WEERZIEN.
Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.
Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen kelder doorgedrongen.
Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de onderste trede.
Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen door een gang, waarin het een tijdlang donker bleef. Bij een kromming drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam geworden, wachtte hij hen op.
"Maroessia, mijn kleine raadgeefster!" zei hij, terwijl hij zich naar het kind vooroverboog, "wat ben ik gelukkig, je weer te zien."
Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in zijn groote hand.
"Ach!" zei ze toen, "wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid van dezen kelder struikelde!"
"Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover," antwoordde de afgezant, "maar ik was bang voor mijn geleidster."
"Laat ons een beetje verder gaan," viel Kniesj hem in de rede, "wij zullen daar nog veiliger zijn."
Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er op het voorplein en in den tuin voorviel.
"Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd," zei Kniesj tegen dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.
"Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn," gaf deze hem ten antwoord.
"Kies dan maar!" zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van wapenen en van kleeren, dat de vrouw van den struikroover in het onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.
Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.
"Dat," zei hij opgeruimd, "is juist goed voor mij. Laat ons nu eens iets zoeken, dat het best voor Maroessia is."
"Zal Maroessia u dan vergezellen?" vroeg Kniesj, terwijl hij een ouden mantel in z'n handen nam.
Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin verontwaardiging en toorn te lezen stonden.
"Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel van zeggen" (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), "als ik mijn taak slechts half volbracht?"
"Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?" hernam Kniesj; "weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?"
"Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?"
"Je bent een dapper meisje!" riep Kniesj uit... "Laat mij je eens omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!"
"Als Taras van mijn leeftijd was," zei Maroessia, "dan zou hij precies hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?"
"Dat is waar," zei Kniesj. "Hij denkt nu al aan niets anders dan dat."
De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,--het was er om te doen, Maroessia te vermommen;--niets beviel hem echter, hij wierp alles weer op den grond.
"De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!... Dit is afschuwelijk," zei hij, "en dat is nog afschuwelijker."
Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden gepast hebben, en legde ze ter zijde.
"Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet," zei hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.
"Ik moet er wel als een bedelares uitzien," zei zij. "Het zal misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij."
Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares gekleed, terug.
Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.
"Wat een knappe grijsaard!" zei Kniesj. "Het is je grootvader, Maroessia."
"Het is de vriend van de Ukraine," zei het kind. "Kom, laat ons vertrekken!"
De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.
Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.
"De meeningen zijn nog al uiteenloopend," zei hij; "overal heerscht verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de menschen. De eigenliefde is er bij in 't spel. De vrouwen zijn eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden om goed te doen. 'De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,' dat zeggen onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze ontketende hartstochten weet te bedwingen!"
"Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?"
"Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, schoone kleuren."
"En de ander?"
"Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken."
"Is niemand der onzen bij hem?"
"Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, zoo'n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, die misschien een engel is... en die zeker op den een of anderen dag als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken."
"Dus," zei Tsjetsjewiek, "zou onze hetman ontmoedigd zijn?"
"Dat is zoo."
"Wie zijn z'n raadslieden?"
"Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend."
"Dat doet er niet toe," zei de oude muzikant, terwijl hij zich in zijn volle lengte oprichtte. "Ik moet dat alles van nabij zien. Ik zal er zelf naar toe gaan."
Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken blik op hem sloeg:
"Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen."
"Spreek op, beste meid."
Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders uitbrengen dan:
"Zult u aan mijn vader... zult u aan mijn lieve moeder zeggen..."
De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.
De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.
Eindelijk hernam zij met vaste stem:
"Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,--aan haar broertjes ook,--aan hen en aan de Ukraine."
"Beste meid," zei de oude boer, "ik hoop dat ik die droeve boodschap nooit hoef over te brengen. Houd moed m'n kind."
Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.
"Komaan, het is tijd om te vertrekken," zei hij. "Ik zal jullie een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis terugkeeren."
Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.
Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op zoo'n zware proef gesteld had.
Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, die elkaar niets meer te zeggen hebben.
Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen te letten dan op het stof van den weg.
Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen had. Hij zong met een zachte stem een eentonig lied, een soort van avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn gezang in slaap was gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.
Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit viertal woorden uit: "Alles voor het vaderland!"
Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.
XI.
WOORDEN EN MUZIEK.
Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen tot aan de rivier uitstrekten.
De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.
In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen langzaam de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.
Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten lach, een brokstuk uit een gesprek.
Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het "Werda?" dat men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het legerkamp toe.
Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en zelfs iets voor hen zong.
Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.
Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van het gewone leven af te leiden en deze ver van de werkelijkheid weg te voeren.
Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.
Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald om hem dit aan te bieden.
"Kom eens naderbij, kleine tooverheks!" riep een ruwe officier uit.
En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:
"Dat is voor je vader: kom het maar halen!"
Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij zoo goed kon zingen?
"Zal je ook komen?" riep een ander haar toe.
Eenigen begonnen boos te worden.
"Je moet die goede heeren bedanken, beste meid," zei de grijsaard. "Ga naar hen toe en strek je hand naar hen uit."
Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit geld van den vijand brandde haar in de hand.
"Dat meisje is niet leelijk," zei er een.
"Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden," voegde een ander er bij.
"Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!"
"Dat blijft afgesproken, niet waar?" zei een derde.
Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer te luisteren.
Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, uit zijn tent gekomen.
Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij had dit geheel vergeten.