Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc

Chapter 2

Chapter 24,154 wordsPublic domain

Dat alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, als een verandering van tooneel, waarvoor de toebereidselen vooraf gemaakt zijn. De beide mannen lagen even gerust op de banken te slapen, als de beide knaapjes. De vrouw des huizes en haar dochter naaiden. Danilo en de afgezant waren verdwenen.

"Stijgt af en klopt op de deur!" schreeuwde een ruwe stem van buiten.

"Slaat die deur maar in!" riep een andere stem, gebiedender dan de eerste.

De vrouw des huizes ging, zonder haar naaiwerk neer te leggen, naar het raam toe.

"Wie is daar? Wat wilt u?" zei ze met een stem, waarin geen enkele trilling te hooren was.

Maar in plaats van een antwoord, vlogen er een paar ruiten van het raam in stukken, en onmiddellijk daarop kwam er een ruw gezicht, rood van toorn, met een zwaren snorbaard, door de gebroken ruiten kijken en wierp naar alle hoeken van de kamer norsche en wantrouwende blikken.

"Wat heb je mij zoo aan te kijken?" vroeg deze kerel norsch. "Waarom doe je de deur niet open? Of heb je liever, dat we ze in mekaar timmeren?"

"De kinderen slapen," zeide zij een pas terugdeinzende, "en de beide mannen slapen ook. Maak niet zooveel leven!"

"Zal je opendoen, schepsel?" schreeuwde de man met het roode gezicht.

De vrouw van Danilo, als verlamd door den schrik, verroerde zich niet.

De deur schudde onder de zware slagen der aanvallers, maar bezweek nog niet.

Het gelukte den man met het roode gezicht, de helft van zijn lichaam door de gebroken ruit te wringen. Hij richtte den loop van een pistool op de borst van de vrouw des huizes en schreeuwde:

"Als je deur binnen een seconde niet wijd openstaat, dan schiet ik je als een kraai dood!"

De vrouw van Danilo deed een stap naar de deur; men zou haar voor een steenen beeld gehouden hebben, dat trachtte te gehoorzamen aan een bevel, dat zij niet begreep.

"Vervloekt wijf!" riep de officier woedend. Maar iemand, die buiten stond, trok hem uit de ruit terug. Nu vertoonde zich het gezicht van een anderen officier.

"Vrouw!" zei deze, "je heele huis zal in brand gestoken worden, en geen van zijn bewoners zal er levend uitkomen, als deze deur niet onmiddellijk toegang aan deze manschappen verleent."

De vrouw des huizes, als verstijfd van schrik, snelde toen naar de deur; maar hetzij dat onhandigheid, hetzij schrik er de oorzaak van was, sleutels noch grendels schenen haar te willen gehoorzamen. "Ik doe al open," riep zij, "ik doe al open, Mijnheeren! Ziet u het niet? Maar dit slot wil niet open; ik zal het morgen dadelijk laten maken."

Eindelijk ging de deur open.

Dat alles had vrij lang geduurd. Soldaten en officieren snelden nu de woning binnen en begonnen haar heelemaal te onderzoeken. Men zou gezegd hebben, dat het wolven waren, die hun prooi opspoorden, welke plotseling verdwenen was.

De kleinste der jongens, die wakker geworden was, begon luidkeels te huilen. De oudste keek alles aan, zonder zich te verroeren.

"Schreeuwleelijk! wil je je mond wel eens houden?" zei een der officieren tegen het huilende kind.

De officier met het roode gezicht zei niets tegen hem, maar gaf hem een schop, waardoor hij onder de bank rolde, waarop hij geslapen had.

"Lafaard!" zeide het oudste kind. "Lafaard! Als ik groot ben..."

De leelijke kerel met het roode gezicht had wel wat anders te doen dan naar hem te luisteren. Met een tweeden schop had hij Kroek overeind doen komen, die als slaapdronken scheen en zijn verwonderde oogen beurtelings opendeed en weer sloot.

Het scheen, dat Vorosjilo, die op dezelfde wijze wakker gemaakt was, niet wist, wat hij van de zaak moest denken, zoo keek hij zijn aanvallers aan. Hij noemde den langen officier zijn kameraad Generasime en den ander zijn kameraad Stephane; hij glimlachte tegen den een en knikte den ander vriendelijk toe, waarna hij weder op zijne bank neerviel, zeggende:

"Laten we gaan slapen: het is tijd."

De soldaten keken hem beurtelings aan.

"Hij is het," zeiden enkelen. "Hij is het niet," beweerden anderen. "Wat een schurkenvolk! Er is er geen een onder, die geen verrader is."

"Stil!" riep de man met het roode gezicht.

Hij had zich aan de tafel gezet, en terwijl hij een onbeschoften wenk aan de vrouw gaf, zei hij tot haar:

"Kom eens wat dichterbij!"

Zij voldeed aan dit bevel.

"Wie ben je?" vroeg hij.

"Ik ben de vrouw van Danilo Tsjabane."

"Waar is je man?"

"Hij is een vriend gaan bezoeken."

"Wacht! Ik zal je eens leeren, wat een vriend is!" En hij nam een knoet, dien een van zijn soldaten droeg.

"En die twee daar, die twee dronkaards, die twee honden, wie zijn dat?"

En om de personen beter aan te duiden, raakte hij met zijn knoet de schouders van Kroek aan en vervolgens die van Vorosjilo.

"Kan je je mond niet opendoen?" riep hij, terwijl hij met een dreigenden blik naar haar toe kwam.

De vrouw deinsde terug, zooals zij zou gedaan hebben, als zij plotseling tegenover een wild dier gestaan had. Maar na een poging aangewend te hebben om haar schrik te overmeesteren: antwoordde zij:

"Het zijn mijn buren, Mijnheer! Zij zijn hier gekomen om ossen te koopen en waren in slaap gevallen, terwijl zij op mijn man wachtten."

"Ja, mijnheer! wij zijn hier gekomen om drie ossen van Danilo te koopen," zeide Andry Kroek, die eindelijk wakker werd. "Ja, om die ossen, die wij hadden beloofd morgen te zullen leveren, en nu vinden wij Danilo niet thuis. Nou kan je begrijpen, wat een teleurstelling dat voor ons was.--'Nou,' zei ik tegen mijn kameraad (hierbij wees hij naar Vorosjilo, die ook ontwaakt was, maar zijn oogen nog niet scheen te kunnen openhouden), 'nou,' zei ik tegen mijn kameraad, 'de baas is er niet, dat is een gekke zaak.'--'Ja,' antwoordde mijn kameraad, 'dat is een gekke zaak; maar er is niets aan te doen.'--'Wij treffen het slecht!' zeide ik, 'maar het is niet anders, hij is er niet.'--'Ja,' antwoordde mijn kameraad, 'Danilo is er niet.'--'Dat is een dag verloren.'--'Ja, verloren,' antwoordde hij, 'maar wat is er aan te doen?'--'Je kan niet alles vooruit weten.'--'Nee,' antwoordde mijn kameraad, 'je kan niet alles vooruit weten.'--'Maar hoe moet het nu met de markt van morgen?'"

"Zal je nu ook eens ophouden, kanalje?" riep de man met het roode gezicht. "Verraders! Ik ken die voorgewende onnoozelheid wel. Soldaten! bindt die schurken, en stevig ook."

Dit was gauw gebeurd: Andry Kroek en Semene Vorosjilo waren in een oogwenk gebonden en gekneveld.

Op dit oogenblik trad de heer des huizes binnen.

"Wie ben je?" brulde de man met het roode gezicht, die blijkbaar het opperhoofd van den troep was. "Hoe heeft men je hier binnengelaten?"

"Ik ben de eigenaar van deze hut, Mijnheer!" antwoordde Danilo, terwijl hij groette. "Ik kom zooeven thuis."

"Heidaar, mannen! Zet schildwachten voor de deur, en laat niemand er uit of in. Hoor je?" zei de officier tegen zijn manschappen. Vervolgens wendde hij zich tot Danilo met de woorden:

"Als je je leven op prijs stelt, antwoord mij dan. Waar is de bandiet, dien wij zoeken? Laat je antwoord duidelijk zijn, Judas! Als je maar wat om de zaak heenpraat, dan schiet ik je neer. Weet dus, wat je doet. Waar is de Zaporoger?"

"De Zaporoger?" antwoordde Danilo verwonderd. "Het is voor de eerste maal, dat ik dien naam hoor. Ik ken geen Zaporoger."

"Maak dat aan anderen wijs!" schreeuwde de officier. "Wil je mij wijs maken, dat je de bandieten niet kent, die je opstoken? Die Zaporoger is in het land, hij is hier binnengegaan; waar is hij? Beken het dadelijk, of ik steek je nest in brand en laat er jou met je vrouw en je kinderen in braden."

"Mijnheer!" antwoordde Danilo, "ik verzeker u, dat ik nooit heb hooren spreken over dengene, dien u daar genoemd hebt."

"Wil je niet spreken? ook goed! Je zaak is duidelijk!" En zich tot Vorosjilo en Andry Kroek wendende, zei hij tot hen: "Schurken, jullie kennen dien Zaporoger, dien de duivel hale, zeker ook niet?"

"Ik vraag u wel excuus, Mijnheer!" antwoordde Semene Vorosjilo, die meer dood dan levend scheen, "en ik..."

"Stotter niet zoo, ezel!"

"Ik heb hem gezien."

"Heb je hem gezien en heb je het niet dadelijk gezegd, verrader?"

"Ik durfde het niet doen, Mijnheer! en verder..."

"En verder, kerel?"

"En verder was hij al weg."

"Waar had je hem gezien?"

"Op de ossenmarkt te Frosny, Mijnheer!"

"Wien had hij bij zich?"

"Een grooten hond, Mijnheer! een grooten, zwarten, mooien hond, van echt ras, die tegen iedereen blafte en die..."

"Domkop! je bent zelf een hond! Er is geen sprake van den hond, maar van den baas en van de schurken van jou soort. Die Zaporoger was zeker niet alleen, een troep deugnieten volgde hem, is 't niet?"

"Een troep deugnieten, Mijnheer! Welke troep?"

"Liep er niet een troep mannen en vrouwen achter hem?"

"Ja, Mijnheer! een heele troep. Men duwde elkaar, men schreeuwde."

"De namen?..."

"Welke namen, Mijnheer?"

"De namen van hen, die achter hem liepen."

"Maar het was een troep, Mijnheer! niets dan een troep."

"Domme ezel!"

"Zie je niet," zei de andere officier, "dat deze kerel idioot is? Je verliest je tijd met hem."

"Ik verwonder mij over jou," zeide een derde officier, die gedurende dit geheele tooneel was blijven zitten. "Waar is die overhaasting goed voor? Hebben wij den tijd niet om dien ezel in hechtenis te nemen? Is er bij niets meer haast dan bij het fusileeren van hem? Als hij ons ontsnapt is, dan zal het toch niet voor lang zijn. Vergeet je, dat wij sedert vanmorgen als gekken rondloopen zonder te eten en te drinken, en dat het niet gezond is, een leege maag te hebben? Het ziet er in dit huisje prettig uit; zou je er wat op tegen hebben, hier eens lekker te eten? Na een maaltijd zullen wij des te beter geschikt zijn om de jacht op de bandieten te hervatten. Hemelsche goedheid! je ziet zoo rood als een kalkoensche haan! Heb je de aanbevelingen van den dokter vergeten: 'Geen aandoeningen, geen toorn, eene gematigde beweging, geregelde maaltijden!' En je arme vrouw, die mij zoo plechtig heeft laten beloven, dat ik over je zou waken en dat ik voor je zou zorgen als een broeder, zij zou er alles behalve mee ingenomen zijn, als zij had kunnen zien, aan welk eene onzinnige woede je je overgeeft..."

"Zwijg!" hernam de man met het roode gezicht. "Zwijg,--en laat ons een avondmaal gebruiken."

En, zich tot Danilo wendende, vervolgde hij:

"Heb je het gehoord? Al het eten, dat er in je provisiekast is, moet binnen twee minuten op deze tafel staan... binnen twee minuten, hoor!" En hij gaf op de tafel een slag met de vuist, die het huis op zijne grondvesten deed trillen.

"Odarka," zeide Danilo tegen zijn vrouw, "haast je wat!"

Odarka ging heen en nam haar beide jongens op haar armen met zich mee; de oudste stribbelde tegen, hij wilde zijn vader niet verlaten.

Zij kwam spoedig, beladen met levensmiddelen, terug. Zij was kalm en zeide niets. Intusschen dwaalden haar oogen met een zekere onrust door de hut heen.

Semene Vorosjilo en Andry Kroek stonden met de handen op den rug en met de beenen door middel van stevige touwen aan elkander vastgebonden, in een hoek der kamer. Danilo stond, met de armen op de borst gekruist, in een anderen. Met uitzondering van een schildwacht, die de deur versperde, waren de soldaten verdwenen. De officieren hadden zich aan den disch neergezet, met hun sabels naast zich en hun pistolen op de tafel, en aten en dronken, lachten en praatten vroolijk.

Maar waar was de kleine Maroessia toch?

Maroessia was, zwijgend als een schim, even na de terugkomst van haar vader verdwenen. Had de blik van dezen, onbegrijpelijk voor ieder ander, haar gezegd, wat zij moest trachten te doen, of had zij zoo uit eigen beweging gehandeld? Zeker is 't, dat zij zonder door iemand opgemerkt te worden, het vertrek had verlaten, en dat zij, na tusschen de soldaten en de paarden, die het huis omsingelden, doorgeslopen te zijn, den tuin bereikt had.

Zoodra het meisje daar gekomen was, bleef zij onder een grooten kerseboom staan en drukte met de hand op haar hart, als wilde zij het beletten te kloppen. Haar hoofd was gloeiend warm. Heete tranen stonden in haar oogen. De wind verkoelde haar voorhoofd en deed haar bedaren. Zij luisterde. Zou men haar vlucht bemerkt hebben? Het verwarde, maar eentonige gebrom van de stemmen der soldaten drong tot haar door en stelde haar gerust. Ook hoorde zij het geschreeuw en het gelach der officieren, door wie geen enkel bevel tot vervolging gegeven werd. Haar blik rustte nog even op het huis, dat nog alles bevatte, wat zij ooit liefgehad en geëerd had, toen deed ze een paar stappen voorwaarts. Behoedzaam drong zij in het kreupelhout aan den rechterkant door. Maar ze zag of hoorde niets. Vervolgens ging zij naar den linkerkant, aldoor luisterend, ternauwernood ademhalend. Haar oog bespiedde alle schaduwen; zij doorzocht tot zelfs de meest onwaarschijnlijke hoeken.

Eindelijk stond zij stil onder de groote appelboomen en voorzichtig keek zij rond.

Plotseling schrok ze hevig: een vogel vloog op uit zijn nest. Eene huivering ging over haar leden. Was zij dan zoo zwak?

Zij bleef een tijd lang tegen een boom aanleunen, waarvan de schaduw haar verborg. De wind strooide de witte bloesems van de appelboomen op het groene gras. "Het is, alsof het sneeuwt!" dacht ze in zichzelf. Zij vreesde, dat het ritselen van de bladeren een ander geluid zou overstemmen, het zwakke geluid, dat haar voorovergebogen hoofd en haar luisterend oor schenen af te wachten, aldoor af te wachten.

Maar ... wat is dat? Enkele meters van daar, tusschen twee boomen, vertoont zich... Zij vergist zich toch niet? Nee, het is de flinke en krachtige gestalte van den nieuwen vriend, voor wien haar vader en moeder nu moeten lijden,--voor wien ook zij alles zal trotseeren.--De gestalte beweegt zich, zij sluipt als een slang tusschen de boomen door. Zij zoekt zeker een verborgen doorgang, die naar de rivier leidt.

Met een haastigen stap loopt Maroessia haar achterna. Al gauw is de rivier bereikt. Alleen maar een heg is er tusschen. Over deze heg buigt hij zich heen en kijkt in 't rond. Aan den voet van een geweldigen boom, waarvan de takken in de rivier hangen, heeft hij een schuitje ontdekt. Een schuitje! Precies, wat hij noodig heeft; de rivier, dat is de weg, die hem niet verraden kan. Juist wil hij de heg, die er hem van scheidt, overklimmen, als twee kleine handen zijn arm omvatten en een stem hem toefluistert: "Nee, nee, dat niet,--het schuitje niet! De rivier is een spiegel, waarop men zelfs van verre alles ziet."

Geen wonder, dat hij hevig ontsteld was, nog meer ontsteld, dan wanneer hij zich plotseling door tien soldaten, van top tot teen gewapend, omringd had gezien; maar hij liet er niets van blijken. Men zag, dat hij iemand was, die al lang aan allerlei soort van verrassingen gewoon was.

Hij keek op en herkende het meisje.

"Wat doe je daar, beste meid?" vroeg hij, terwijl hij even glimlachte, net alsof hij haar op de wandeling had ontmoet, en nu een gesprek wilde aanknoopen. Maar er verliepen eenige oogenblikken, voordat Maroessia, vermoeid en ontroerd als zij was, iets aan haar woorden kon toevoegen.

De man legde toen zijn hand op het hoofd van het meisje en streelde haar langs de wangen, als wilde hij tegen haar zeggen: "Bedaar wat, mijn kind!" Hij zelf was een toonbeeld van kracht, van behendigheid, van onverschrokkenheid, van moed; maar op dit oogenblik, terwijl hij tegenover dat kleine hijgende meisje stond, kwam er een glans van goedheid op zijn gezicht. Zijn krachtige hand, gewoon om wapens te hanteeren, legde zich zachter dan die van een moeder op Maroessia's schouder.

"Wel m'n kind, wat wou je me nu zeggen?"

"Als u de rivier overgestoken was, zoudt u niet in Tsjigirine gekomen zijn. En daar moet u toch naar toe. Ik heb aan een middel gedacht om er heen te gaan."

"Ik luister naar je, mijn kind!" antwoordde de vluchteling.

"Laat ons dan eerst naar dien ouden muur gaan, daarachter kunnen wij ons verschuilen."

Zoodra zij daar gekomen waren, zei zij:

"Daarginds, ver in de steppe, heeft vader een kleine hut, een stal, waar men in den zomer de groote ossen laat blijven, als men aan het hooien is, om ze niet alle avonden naar huis te moeten terugbrengen. Voor de deur staat een groote wagen, met hooi beladen, die morgen door vader naar huis had moeten worden gebracht. De ossen blijven tot het aanbreken van den dag in den stal. Wij kunnen daar beiden binnen een uur zijn. Dan zal ik, dan zullen wij, de groote ossen voor den wagen spannen; dan moet u zich in het hooi verschuilen, en dan zal ik u naar het huis van baas Kniesj brengen. Baas Kniesj is een vriend van vader. Hij komt dikwijls bij ons, en als hij komt, praat hij met de anderen. Ik kan hem alles vertellen, of als u dat liever niet hebt, zal ik niets tegen baas Kniesj zeggen, maar trachten te doen...te doen..."

Zij zweeg plotseling, want zij wist niet precies, wat het meest gewenscht zou zijn. Toch hernam zij:

"Ik zal doen, wat u mij zegt."

Terwijl hij naar haar luisterde, werden zijn oogen vochtig en zacht zei hij tegen haar:

"Wie heeft je op dat idee gebracht, Maroessia?"

III.

EEN ROOVERGESCHIEDENIS.

"Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken," antwoordde het meisje. "Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen."

"Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is 't niet Maroessia?"

"Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?"

"Heel graag," antwoordde hij. "Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?"

"Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken, en ik heb hem begrepen," zei het kind. "Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons."

"Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen."

Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:

"Ik luister al, maar ik hoor niets."

"O!" antwoordde zij, "ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen."

"En waarom niet, beste meid?"

"Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij... Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen."

"Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!"

Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.

"Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen."

Maroessia begon:

"Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf."

"Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was," viel de vreemdeling in de rede.

Maroessia schudde 't hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:

"Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.

"Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.

"Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo'n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: 'Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!' en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg."

"Dat was heel leelijk van hem," zei de afgezant.

"Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z'n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.

"Zij zei bij zich zelve: 'Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan...'

"Maar het spreekwoord zegt terecht: 'Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.' Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:

"'Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.'

"En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. 'Sterven,' dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, 'dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven...'

"Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: 'Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!'

"Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:

"'Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.'

"Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.

"'Nee,' dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, 'deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.'"

Op dat oogenblik hield de afgezant z'n hand voor Maroessia's mond.

"Wacht even!" zei hij zachtjes.

"Hebt u iets gehoord?" vroeg het kind.

De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.

Toen hij weder opstond, zei hij:

"Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is."

"Goddank!"

Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.

De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.

"De jonge vrouw," zei hij, "liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: 'Laat ons nog eens zoeken!'"

"Juist zoo," hernam Maroessia, "dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.

"Wacht!" zei zij bij zich zelf, "de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van."

"Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan."

"Juist," viel de vreemdeling in de rede, "daarin herken ik de vrouwen."

"Wat wilt u daarmee zeggen?" vroeg Maroessia verwonderd.

"Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?"

"Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In 't eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. 'Deze kamer kan het einddoel niet zijn,' dacht zij; 'zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.'"

"Dat was eene stijfhoofdige vrouw," zei de afgezant.