Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc

Chapter 11

Chapter 111,802 wordsPublic domain

Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast te houden, zou hij gevallen zijn... Maroessia bemerkte toen, dat er bloed op haar mouw zat.

"Dat is uw bloed!" zei zij tegen hem. "Waar bent u gekwetst? Aan uw arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt."

"Wees verstandig, Maroessia," zei haar groote vriend. "Ik heb tot nu toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan."

"Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch wantrouwen... Zal ik er u terugvinden?"

Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den rooden zakdoek om haar hoofd.

"Ik zal hier blijven," gaf haar vriend haar ten antwoord, "en als ik er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets ons kunnen scheiden?"

Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk deed het geweervuur zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.

"Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen," zei Peter. "Over vijf minuten kunnen zij hier zijn."

De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.

"Komaan!" zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. "Ga! loop! vlieg, als je kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken..."

Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was het weer doodstil geworden.

Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek, evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in zijn vlucht gestuit wordt.

De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.

De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem vertoond had.

Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.

Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.

Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam op en trekt het een weinig op den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: "Dat God je ter hulpe zij!" waarop het kind niet meer kan antwoorden: "God heeft mij geholpen," staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief had. Hij neemt dien mede. De roode zakdoek en de kransen zijn ter bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!

XXI.

GLORIA VICTIS!

Dat alles is al lang, heel lang geleden. Na verloop van honderd, misschien wel van tweehonderd jaren, blijft er slechts een legende van over. Nog heden ten dage kan men op een heuvel, door menschenhanden gemaakt, den hoogsten van alle van dezelfde soort, die men in dit land aantreft, een groot kruis van graniet zien staan. Op dit kruis is met de punt van een dolk een naam gegrift: _Maroessia_.

De geheele heuvel heet de Koergane, dat is het graf van het meisje. Het is bedekt met een prachtig tapijt van groen, steeds bezaaid met prachtige en geurige bloemen, die slechts daar groeien, die men nooit elders heeft gezien en die men nimmer elders zien zal. Die bloemen zijn prachtig. Als men ze verplant, weigeren zij te groeien: zij sterven terstond. Men heeft getracht, ze op andere plaatsen te zaaien: zij komen er zelfs niet op. Men heeft ze een naam gegeven, den eenigen, die er voor past: men noemt ze Maroessia's.

Men vertelt, dat een kozak, beroemd door zijn moed, zijn verstand, zijn schoonheid en zijn goedheid, en meer nog door zijn liefde voor zijn vaderland, dezen grooten heuvel alleen heeft opgeworpen.

Hij had slechts één arm, daar hij den anderen verloren had in het laatste gevecht, dat er voor de onafhankelijkheid van de Ukraine geleverd werd; en met de eenige hand, die hem overbleef, de aarde hand voor hand aandragende, heeft hij dezen heuvel opgeworpen. Hij had er vele jaren aan besteed. Nog op jeugdigen leeftijd was hij er mee begonnen, zijn baard en zijn haar waren grijs geworden, toen hij het voltooide. Intusschen zeggen sommigen, dat een kleine jongen, Taras genaamd, hem zoolang, zoolang had gebeden en gesmeekt, totdat hij zijn hulp had aangenomen, en dat op den langen duur ook deze jongen bij dit werk oud geworden was. De legende zegt verder, dat, toen de Koergane hoog genoeg was, en toen het kruis er op was geplaatst, de kozak zich aan den voet daarvan neerzette en er tot aan zijn dood weende. Vóór dien dag had niemand een leeuw tranen zien storten. Het zijn de tranen, die er aan zijn oogen ontvloeiden, welke deze zoo mooie en geurige bloemen deden ontluiken, die vroeger nooit in eenig deel van de wereld hadden gebloeid. Zij, die de taal der bloemen weten te verstaan, verzekeren, dat men ze op avonden, als het volle maan is, kan hooren fluisteren: "Wij kunnen nergens anders bloeien dan op het graf van hen, die hun leven voor het vaderland hebben gegeven." De kinderen, jongens en meisjes, vergezeld van hun ouders, komen alle jaren uit alle deelen van het land, om een bedevaart te doen naar het graf van het kleine meisje. Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Zij brengen er portretten heen, medailles, ter eere van Maroessia geslagen.

En er is er geen, die niet Maroessia had willen zijn...

EINDE.

INHOUD.

I. Een onbekend reiziger 1 II. De kleine Maroessia 12 III. Een roovergeschiedenis 30 IV. De vlucht 50 V. Een ontmoeting 56 VI. Bij den ouden Kniesj 68 VII. Op dezelfde plaats 77 VIII. Het ontwaken van Iwan 84 IX. De ware Kniesj 92 X. Men ziet elkaar terug 98 XI. Woorden en muziek 107 XII. Men nadert 117 XIII. De hetman zwicht 124 XIV. Ontmoetingen 131 XV. Op het water 135 XVI. Te Gadiatsj 143 XVII. Speel niet met dolken! 154 XVIII. Het gelukkige jaar 164 XIX. Laatste kransen 173 XX. De doorboorde zakdoek 182 XXI. Gloria victis! 192

AANTEEKENINGEN

[1] De Setsj is een eiland in den Dnjepr, waar de Zaporoger kozakken hun legerkamp hadden opgeslagen.

[2] _Pane_, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.

[3] _Barien_, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.

[4] Eere zij den overwonnenen!

[5] Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.