Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Chapter 10
"O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer en meer nadert!"
En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.
De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het sein tot vertrekken aan een sterk paard gaf, dat niets liever wilde dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den reiziger ontdekte Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.
Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen had,--Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker voor het dorstige kind.
* * *
En daarna...
Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na het schitterende begin het treurige einde te verhalen?
De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel Rusland toebehoorde. Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!
Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een Homerus [5] om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, de stervenden, hem hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,--dat zijn de gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.
Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,--daar zijn wij nu weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.
De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.
XIX.
LAATSTE KRANSEN.
Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!
"Hebben wij nog ver te loopen?" vroeg Maroessia.
"Je bent zeker erg vermoeid, liefste?" vroeg haar groote vriend aan haar.
"Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog een groot stuk af te leggen hebben."
"Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?"
"Neen, neen... Heusch niet."
"Je zegt, dat je niet vermoeid bent," hernam haar groote vriend glimlachende. "Ben je daar wel zeker van? Ach, m'n kind, ik zie het aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen."
En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.
"Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!" riep het kleine meisje uit. "U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet..."
En bij zich zelf zeide zij: "Als een soldaat, die den oorlog zoolang meegemaakt heeft," (die soldaat was zij), "die overwinnaar en zelfs overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens gekwetst is, dat is schandelijk!"
Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.
De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,--er waren dien kant uit nog eenige velden, die niet verwoest waren,--dan weer door kleine boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver van daar, een bloedbad hadden beschenen.
Zij gingen nu langs een korenveld. "Wat een hoop korenbloemen!" zei de groote vriend; "kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel en zulke mooie gezien."
"Hoor eens, Maroessia," ging hij voort, "ik geloof, dat wij hier eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van korenbloemen voor mij vlechten."
Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl hij zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, die er binnen zijn bereik waren.
"Pluk de stelen niet te kort af," zei Maroessia tegen hem, "dan zal het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten."
Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.
"Dat moet u niet doen," zei Maroessia tegen hem, "dat is jammer voor hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!"
De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.
"Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend," zei hij. "Ik ben als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat hij tegen de steenen aanstiet."
"Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!" riep Maroessia hem toe. "Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna onder bedolven, 't Is genoeg om honderd kransen te vlechten."
En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend te brengen.
"Zeg het mij maar ronduit," zei haar groote vriend. "Wil je er nog meer hebben?"
"Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga nu ook wat uitrusten."
Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was zij zooeven nog vroolijk, thans was zij plotseling ernstig geworden.
"Waar denkt mijn kind aan?" zei hij tegen Maroessia.
Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:
"Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, toen ik ook nog klein was."
"Dat was in den gelukkigen tijd," zei Tsjetsjewiek, "toen de kinderen zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen geluk voor je geweest, en evenmin voor hen."
Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.
"Zwijg!" zei ze zacht. "Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf mij heeft bevolen,--den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de vrije Ukraine?"
Tsjetsjewiek viel haar in de rede.
"Ja, waar is Mefodijewna?"
Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht meer aan spreken.
Het kind was opgestaan.
Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde er heen.
"Zie je dit dorp, Maroessia?" zei de groote vriend tegen haar.
"Ja, ik zie het," antwoordde zij.
"Het is een groot dorp, niet waar?"
"Ja, het schijnt mij groot toe."
"Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine is, des te meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden zich daarin; want langs dezen weg en langs andere zijn mannen, zonen, broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?"
"Of ik het begrijp!" riep zij uit.
Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.
Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere bladeren der berken.
"Wij zijn er in," zei haar groote vriend, terwijl hij de takken wegboog en in het kreupelhout doordrong. "Wij zullen zoo aanstonds aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden."
Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.
De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, dat hij wenschte te ontdekken.
Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.
"Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had gegeven, dat het goud de slechtste der afgoden is. Ga onder dezen eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren."
Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: "De bijl heeft nooit dien boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het waar, dat de dingen zich zelf opwekken."
Het kind luisterde verwonderd naar hem.
"Hij is somber," zei zij bij zich zelf, "en daar heeft hij wel reden voor."
Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.
De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien op den schoot van Maroessia.
"Die twee zijn juist een paar," zei hij. "Deze krans zegt ons, dat wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, en onze voorhoede is vooruitgegaan."
Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het althans aan Maroessia toescheen.
"Het is zonder twijfel een jongmensch," zei haar groote vriend. "Zijn stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan."
FIGURE ------ Man met snor draagt meisje.
En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar zijn lippen had gebracht, zoo'n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.
"Je moet je niet ongerust maken," zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. "Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet."
"Ik zal hier blijven," antwoordde Maroessia.
En zij dacht: "Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen."
Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.
"Vooral geen sombere gedachten!" zei hij tegen haar. "Laat niets je terneerslaan, noch vandaag, noch ooit."
"Neen, ik zal niet somber wezen," antwoordde Maroessia. "Ik zal standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, zelfs om te sterven."
Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in het dichte bosch.
XX.
DE DOORBOORDE ZAKDOEK.
Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, begon zij na te denken, ja, na te denken.
Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna verstrooid. "Ik geloof wel," zei ze bij zich zelf, "dat mijn vriend een laatste poging wil wagen. Het is misschien wel een wanhopige poging, maar toch zal hij haar doen!" Zij had gedurende dien langdurigen tocht wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen men liefheeft?
Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. "Zocht vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?"
Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een reusachtigen zwarten sluier over deze massa's groen. Dat deed haar denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, toen zij hem voor de eerste maal zag. "Zij was niet ongelukkiger dan ik," dacht zij, "maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan het hare."
De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.
"Hij heeft tegen mij gezegd: 'Ik zal je _spoedig_ komen halen,--ik zal je slechts _eenige oogenblikken_ alleen laten,--verlaat je post niet.' Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij gauw hier zal zijn."
De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar goeden wil, dat Maroessia bang werd.
Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.
Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.
"Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt," zei ze bij zichzelf. "Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol hinderlagen overrompeld zijn!"
En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, voegde zij er bij:
"Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot met gelatenheid afwachten!"
Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor alles, wat haar dierbaar was.
Op het oogenblik, waarop zij zei: "Heer! geef, dat ik hem nog eens terugzie!" meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.
"Maroessia," zei haar groote vriend tegen haar, "zie je dien rooden zakdoek?"
"Ja, ik zie hem."
"Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als hij tegen je zegt: 'Dat God je ter hulpe zij!' moet je hem antwoorden: 'God heeft mij geholpen!' En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?"
Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.
"U bent gewond!" zei Maroessia tegen hem. "Ze hebben u geraakt!"
"Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer van te zien zijn. Ga m'n kind... vlug!"
Hij nam haar bij de hand.
"Wat is uw hand koud!" riep het kind uit.
"Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: 'Dat God je ter hulpe zij!' Moed gehouden, Maroessia! Het is voor het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!"
De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, wat hij wilde zeggen.
Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij bedreigd dacht.
"Vrees niets, Maroessia," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "het is een vriend, een beproefde en getrouwe vriend."
Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.
"Het is mijn kameraad Peter," zei Tsjetsjewiek. "Kijk hem maar eens aan! Ook hij is een eik!"
"Hij is bijna nog langer dan gij," zei ze uiterst verwonderd.
Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich niet van Tsjetsjewiek af.
Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, zei tegen hem:
"Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte hinderlaag vallen."
Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.
"Je ziet den weg,--het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,--aan het einde van het voetpad is de kleine brug,--de beide kransen moeten op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!..."
FIGURE
Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194. ------
Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zij eenmaal aan de schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat zij zich afvroeg, of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd zou wezen.
Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar voorhoofd aan hem toestak:
"Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt."