Part 8
Aldus peinzende stapte hij voort door de eikenbosschen waarmede de uitloopers van den Pentelikos, die zich in het zuidelijk gedeelte der vlakte glooiend tot aan de zee uitstrekten, bedekt waren; lichtgewapend, slechts met helm en zwaard. De eerste was niet meer zoo fraai als toen Demetria dien op zijn hoofd had geplaatst, prachtig gepoetst en gepolijst. Maar hij paste uitstekend en was niet zwaar, van het gewone soort, met beugel en beweegbare wangstukken, heel wat anders dan de helm van Pheidippides, die weer wat bijzonders had moeten hebben en zich een Korinthisch model aangeschaft had, het geheele gelaat bedekkend, het bovenste gedeelte zelf een aangezicht verbeeldend, met een vuurrood geverfden paardestaart op den kam en allerlei mythologische voorstellingen in verhooging op de vlakken, erg mooi, maar zeer lastig in het gebruik. Zoo was Pheidippides altijd; hij kocht telkens dure zaken, die hem al heel spoedig verveelden. En hij herdacht hoe hij Pheidippides het eerst had aanschouwd, hardloopend op het feest der godin, terwijl hij op het oogenblik eveneens aan het hardloopen was in dienst van het vaderland, op zijn terugtocht, in Megaris waarschijnlijk of even in Attika. Hij herdacht verder, met een tintje van weemoed, hoe Demetria zich voor eenigen tijd op eens was gaan blanketten, in de vaste overtuiging, daar al hare vriendinnen het deden, dat het heel mooi stond en erg in zijn smaak zou vallen. Doch hij had er niets van willen weten. «Mijn liefste Demetria,» had hij gezegd, «wanneer ge me vroegt hoedanig de toestand van ons vermogen is en ik legde u een volkomen leugenachtigen staat daarvan over, zoudt ge dan tevreden zijn?» «Voorzeker niet.» «En gelooft ge dan dat ik tevreden ben, nu ik eene Demetria aanschouw, geheel anders dan zij in werkelijkheid is? Toon ik niet genoegzaam dat ook de omhelzingen eener ongeverfde Demetria mij voldoende behagen? En mocht u dat anders toeschijnen, meent ge dat ge uwen echtgenoot met dien valschen schijn zoudt kunnen bedriegen?» Sedert had hij de blanketdoos niet meer gezien. Toen was, kort geleden, het scheidensuur gekomen, nadat ze hem zelf zijne uitrusting en wapenen had aangelegd: helm en lederen kolder met beweegbare schouderstukken, eng sluitend en beneden den gordel, waaraan het zwaard hing, in eene dubbele rij strooken uitloopend; de armen halverwege ontbloot; de beenen bedekt door metalen platen, van boven de knie tot den enkel reikend; over den rechter schouder een tweede gordel, waaraan het ronde schild, met een gedreven uil prijkend, was opgehangen. Zoo had hij voor haar gestaan, met de veertien voet lange lans in de hand en ze had den moed gevonden hem toe te lachen door haar tranen heen. En met fierheid herdacht hij het woord dat zij gesproken had bij het afscheid, het woord, een Helleensche vrouw waardig, doch dat weinig Helleensche vrouwen zouden gevonden hebben. Hij had op zijn zwaard wijzend gezegd: «Het is wat kort, vergeleken bij de Perzische kromme sabels.» En zij had geantwoord: «Dan hebt ge slechts een stap meer voorwaarts te doen.» Ja! hij had goed gezien op het feest der Panathenaien; dat zestienjarige meisje met die rosbruine krulletjes was een goede, moedige vrouw geworden.
Sedert eenigen tijd ving zijn oor een steeds aanzettend en verward gegons op. Het was de samensmelting der tallooze geluiden, die uit het vijandelijke kamp opstegen: commando's van bevelhebbers, soldatenliederen, paardengehinnik, wapengekletter en honderd andere. Hij had, al peinzend, zijn doel niet uit het oog verloren en nam zijne richting langzamerhand zuidwaarts, wel zorg dragend zich binnen den boschrand te houden en behoedzamer loopend naarmate hij zijne bestemming naderde. De boomen werden trouwens kleiner en schaarscher; de eiken hadden plaats gemaakt voor struikgewas en hij voelde hoe de rotsgrond der heuvels langzamerhand door een drassiger bodem werd vervangen. Het bevreemdde hem; hij meende dat alleen de noordoosthoek moerassig was. «Hoe komt,» dacht hij, «Hippias, die Attika en de vlakte van Marathon zoo goed kent, er toe de Perzen hier positie te doen nemen? Het terrein moge geschikt zijn voor de ruiterij, maar bij eene nederlaag, met de zee van achteren en moerassen terzijde, komt er van het leger niet veel terecht.» Hij was thans dicht bij den vijand en als er geen struiken tusschen hen hadden gestaan, zou hij het kamp bespeurd hebben; uit de ineenvloeiing van klanken, die tot hem opsteeg, begonnen zich reeds enkele in zijn nabijheid af te scheiden: schetterende tonen eener barbaarsche muziek, van den een of anderen half wilden volksstam, uitdagend voor een oogenblik de lucht in sprankelend en plotseling verstommend; daarna een getrappel van paarden, die voortgeleid werden, met het geschreeuw der geleiders er tusschen, in onbekende neusgeluiden. Hij liet zich neder op handen en voeten, omzichtig verder kruipend, toen hem bliksemsnel iets voorbij de oogen vloog en hij schier in hetzelfde oogenblik half geworgd ter aarde lag. Simon, de zoon van Panaitios, was door eenige onbereden Sagartische ruiters, die uit fourageeren waren en wier nadering hij door de weekheid van het terrein niet bespeurd had, met hun nationaal werptuig, den lazzo, gestrikt.
XI.
Simon was gebracht naar het hoofdkwartier, de tent van Datis, een Meder, die met den jongeren Artaphernes, zoon van den stadhouder te Sardes, het opperbevel voerde. Hij had heel wat bekijks gehad op zijn tocht door het kamp en zelf een uitstekend gedeeltelijk overzicht van het Perzische leger ontvangen, al was het dan ook juist niet op de door hem gewenschte wijze. Woeste horden was hij voorbijgegaan, in schier primitieven natuurstaat, alleen met een lijfdoek om de heupen of wel de eene helft van het lichaam met vermiljoen, het andere met krijt geverfd, gewapend met vuursteenpuntige of slechts in het vuur geharde lansen, het hoofd bedekt met een ongelooide paardehuid, de ooren steil omhoog, de manen langs den rug fladderend. Perzische keurtroepen met tulband, schubbenpantser, wapenrok met halve mouwen, wijde, lange broek, korte werpspiets van kornoeljehout, dolk, boog en koker benevens het omvangrijk, puntig uitloopend teenen schild dat tijdens het gevecht rechtop in de aarde werd geplaatst ten einde den schutter de gelegenheid te geven gedekt zijn pijlen af te schieten. En daarnaast de tallooze meer of min beschaafde volksstammen van het onmetelijke rijk, dat zich seder Kambyses over twee werelddeelen uitstrekte: Egyptenaren met wit linnen kolders, draagbanden over de schouders, armen en beenen half ontbloot, met houten knuppels, van ijzeren knoppen voorzien, gewapend; Sarangers met wapenrokken in schreeuwende kleuren en laarzen tot aan de knie; Ethiopiërs in leeuwen- en panterhuiden gedost, gewapend met bogen van twee meter lengte; Arabieren in wijde, tot op de voeten afhangende en om de heupen gegorde japonnen, in deftige waardigheid naast hunne dromedarissen gezeten. Hier en daar wapperde een banier met de Perzische kleuren, blauw, rood en goud. En het trof Simon dat zich behalve de eigenlijke krijgslieden zoo verbazend veel personen in het kamp bevonden, die naar zijne opvatting van den oorlog beter tehuis gebleven waren: leger- en trosknechten, veel meer dan noodig scheen; vrouwen en kinderen en lichtekooien, van allerlei aard en slag. Het was een ontzettend gewriemel van menschen, zonder tucht en eenheid, met geweldig veel drukte en weinig orde; de bevelhebbers schreeuwend en vloekend, de minderen onwillig en slecht gedrild; een reusachtige lappendeken van honderden kleuren en tinten, door onbekwame hand in elkander gezet en bij de minste krachtige aanraking vaneen scheurend. Maar wat het meest Simons aandacht trok, was het groot aantal paarden dat hij op zijn weg ontmoette. Hij zag er overal, bij troepjes van twintig, vijftig, honderd, glanzig en rond door het rustige leven in de vette Marathonsche weiden. En alle bewogen zich in dezelfde richting, strandwaarts, waarom begreep hij niet.
Simon brak zich trouwens met de oplossing dezer vraag niet bijzonder het hoofd, want hij was vast overtuigd dat zijn laatste uur geslagen was en hij zijn avondmaal bij Hades zou nuttigen. De noodelooze wreedheid der Perzen was bekend; de gruwelen, vroeger te Miletos, thans te Naxos, Karystos en Eretria gepleegd, lieten daaromtrent geen twijfel over. Hij betreurde het, dat zijn dood niet, zooals hij gehoopt had, aan het vaderland ten zegen zou strekken en bereidde zich voor te sterven gelijk het den Helleen tegenover den barbaar betaamde.
Zoo stond hij, nog steeds met het werpkoord om den hals, te midden der Sagartiërs, bij wie zich een Perzisch hoofdman had gevoegd, die hunne taal machtig was en als tolk bij Datis zou optreden. Daar trad de opperbevelhebber binnen in gezelschap van een tweetal mindere krijgshoofden, in een purperen onderkleed, bedekt door een oppergewaad van scharlakenrood en wit, waarop met goud- en zilverdraad arenden en valken waren gestikt. Zijn linkerhand rustte op de met turkooizen en opalen versierde greep van het kromme zwaard. Beide mannen zagen elkander strak in het gelaat en Simon kon niet ontkennen, dat de Perzische krijger met zijn aristocratische, matte gelaatskleur en blauwzwarten, goed onderhouden baard, in zijn schitterend kostuum dat hij met waardigheid droeg, een hoogst gunstigen indruk maakte. Datis hoorde het verslag der gevangenneming oplettend aan, waarop de Sagartiërs, na Simon van den lazzo bevrijd te hebben, met hun geleider verdwenen.
«Hoe is uw naam?» vroeg Datis na hun vertrek in tamelijk zuiver Helleensch.
«Simon, zoon van Panaitios.»
«Gij komt uit het kamp der Atheners?»
«Ja.»
«En met welk doel?»
«Om het Perzische kamp te verkennen.»
«Ge waart niet bevreesd den dood te vinden op dien tocht?»
«De Hellenen vreezen den dood niet, die voor eene goede zaak wordt ondergaan. Zulk een dood is geen onheil en slechts voor onheil behoort men bevreesd te zijn.»
Het antwoord scheen Datis te bevallen; hij knikte goedkeurend en vervolgde:
«De dood is derhalve naar het u toeschijnt niet steeds een onheil?»
«Hij kan integendeel de hoogste zaligheid wezen.»
«En hoe?»
Simon bedacht zich een oogenblik. Hij kwam tot het besluit, dat een aanschouwelijk voorbeeld beter binnen den geestelijken gezichtskring van een barbaar zou vallen, dan een omstandig betoog. En hij verhaalde het gebeurde met Kleobis en Biton, de beide jonge mannen uit Argos, die, toen hunne moeder als priesteres van Hera een godsdienstig feest in het heiligdom der godin wenschte bij te wonen en de ossen, die haar wagen zouden trekken, niet verschenen, zichzelf daarvoor spanden en de oude vrouw naar den anderhalf uur ver gelegen tempel voerden. Het verzamelde volk had in luide bewoordingen de opofferende liefde der zonen, het onovertrefbaar geluk der moeder geprezen. Toen had deze in dankbare verrukking zich tot Hera gewend en gesmeekt dat deze haren zonen de schoonste belooning, de grootste weldaad mocht doen deelachtig worden, die den mensch kan te beurt vallen. En ziet! de beide jongelingen hadden zich, na het godsdienstig feest te hebben bijgewoond, in den tempel ter ruste gelegd en waren niet ontwaakt. Aldus had Hera de bede der moeder verhoord.
Datis peinsde een oogenblik en sprak: «Ik dank u, Simon, zoon van Panaitios, voor uw schoon verhaal. Ge zeidet terecht dat de dood niet steeds een onheil is te noemen en zalig acht ik dan ook hen, die vallen zullen in den naderenden strijd, want voorzeker is het den mensch vaak beter te sterven dan te leven.»
Verbaasd zag Simon het legerhoofd in het gelaat. Was dat een barbaar, de Pers met het fraaie, mannelijke gelaat waarover een droefgeestige tint lag; de man, die zoo wijze en ernstige woorden uitte? Hij en alle Atheners met hem, hadden zich blijkbaar vergist in hunne beoordeeling van de geestelijke ontwikkeling des vijands.
«Is het waar,» vroeg de bevelhebber wederom, «dat in Hellas de overwinnaar bij de Olympische spelen slechts een krans als zegeprijs ontvangt?»
«Geen andere prijs valt hem ten deel.»
«Een dergelijke prijs heeft dan voorzeker luttel waarde voor den man, die hem ontving.»
«Integendeel; als een kostelijk en onwaardeerbaar goed wordt hij door den overwinnaar bewaard; geen heerlijker gave zou hem kunnen worden geschonken.»
«Gij zijt wonderlijke lieden, gij Hellenen,» ging Datis voort. «Hoe nu? Het bezit van een bladerkrans maakt u gelukkig en ge verlangt als loon van de zege goud, zilver noch edelgesteenten! Ik wensch nog meer van u te vernemen; deel mijnen maaltijd, Simon; ge zijt heden mijn gast.»
Datis met zijne beide onderbevelhebbers en Simon plaatsten zich aan den disch, die op des meesters bevel werd voorgediend. Simon verbaasde zich niet langer. De innemende vormen van het legerhoofd hadden hunne werking niet gemist en zonder de minste terughouding wisselden Pers en Helleen van gedachten, behagen scheppend in elkanders opvattingen, verschil van inzicht waardeerend ook bij vasthouden van eigen meening. En naarmate zij spraken, herinnerde Simon zich andere bijzonderheden, den indruk bevestigend dat men de Perzen ten onrechte barbaren noemde. Zoo was, toen Miltiades uit den Chersonosos naar Athene vluchtte, zijn oudste zoon Metiochos door den vijand gevangen genomen en voor Dareios gevoerd. Algemeen had men gevreesd dat de jonge man ter dood zou worden gebracht, doch in plaats daarvan was hij door den koning in vriendschap opgenomen en met weldaden overladen. Neen! ook deze was geen barbaar; hij zou hem, keerde hij ongerept terug, bevechten met al de kracht, die in hem was, doch de Perzen waren ontegenzeggelijk gansch andere menschen dan algemeen in Hellas werd aangenomen.
De twee andere bevelhebbers, de Helleensche taal niet machtig, hadden intusschen veelal met elkander gesproken en geweldig veel wijn gedronken. Ook Datis had zich hierin niet onbetuigd gelaten en groote bekers geledigd, zonder merkbaren invloed evenwel dan alleen dat zijn gesprek levendiger werd en hij zich in de vreemde taal vrijmoediger begon te uiten dan tot nogtoe. Simon achtte het verstandig de meest mogelijke matigheid te betrachten en met beminnelijke hoffelijkheid liet de gastheer hem geheel vrij zijn beker te vullen naarmate hem dit al of niet behaagde.
«Ik begrijp niet, Simon,» zeide de Pers, «hoe ge aan de democratie boven de monarchie de voorkeur geeft. Wordt ge niet liever door een edelen leeuw dan door een morsigen ever geregeerd?»
Simon wilde antwoorden. Plotseling werd de zware draperie, welke den voorhang der tent vormde, ter zijde geschoven en een schildwacht vroeg gehoor. Een man was door een patrouille betrapt, op zijn post slapend, en hij wachtte buiten. Moest men hem voor den veldheer brengen?
«Ja!» antwoordde Datis. Hij was op eens zeer stil geworden en stond op, zwaar van den wijn. Tusschen de mannen der patrouille werd de nalatige binnengebracht. Het was een Milyer, onaanzienlijk van gestalte, op het hoofd een helm met vederbos en ijzeren ossenhoorns, een korte wapenrok aan het lijf, de beenen met purperen lappen omwonden, een speer in de hand. Hij beefde over al zijn leden en was eerst niet in staat te antwoorden toen Datis hem in zijn eigen taal de oorzaak zijner overtreding vroeg. De veldheer hield zich blijkbaar met moeite in, op het punt los te barsten, alleen zich bedwingend omdat hij er anders blijkbaar geen woord uit zou krijgen. Eindelijk kwam het: de schuldige had drie uren achtereen in de brandende zon gestaan tot hij het niet meer uit kon houden; toen had hij zich naar een boschje begeven vlak naast zijn post, met het voornemen daarop weder terug te keeren tegen den tijd dat hij zou worden afgelost. Maar in het boschje, in de schaduw, was het hem te sterk geworden bij die hitte en was hij ingeslapen. Hij wierp zich tot slot van zijn verhaal op de knieën, jammerend en huilend, sidderend de handen omhoog heffend tot zijn geduchten meester, over den grond kruipend in akelige onzekerheid omtrent zijn lot.
Maar Datis was onder het verhaal van den man allengs in eene geweldige verbolgenheid ontstoken. De aderen op zijn voorhoofd zwollen; de oogen liepen rood op en een diep, dof gebrom als van een wild dier rees in zijn keel. De groote massa wijn, die tot nogtoe onder gunstige omstandigheden slechts zijne beminnelijke eigenschappen sterker had doen uitkomen, wekte thans het onbedwongen dierlijke van zijn karakter tot heftigen storm. En toen de ander geeindigd had, barstte hij los, in godslasterlijke taal, vloekend en brullend, zonder eenige zelfbeheersching of poging daartoe, zichzelf opwindend tot woedende razernij. De lijdelijke houding des mans, die ineenkromp voor zijne voeten, in sprakelooze ontzetting over den bodem rollend, bedolven onder dien stortvloed van vreeselijkheden, prikkelde hem nog te meer, tot hij heesch en schor moest ophouden, rondziende overal om een nieuwen uitweg te vinden voor zijn toorn, waar woorden ontbraken. Toen, met een sprong ter zijde, gretig bukkend, nam hij een boog en koker, op een divan liggend en, met het schuim op den mond, in rauwe kreten, riep hij tot de krijgslieden, die in stomme onderworpenheid toehoorden:
«Neemt hem op! Dáár! dáár! tegen den wand!»
En zij gehoorzaamden en grepen den ellendige, reeds meer dood dan levend, en richtten hem omhoog, achteruit stappend, tegen den wand. Daar bleef hij staan, wezenloos, starend voor zich uit in doffe berusting.
Datis, den boog in de hand, keerde om en begaf zich met groote schreden naar de tegenovergestelde zijde der tent. Allen weken eerbiedig, den meester in zijn toorn kennend, wetend dat een ieder, die het wagen mocht zich op zijn weg te plaatsen, vermorzeld zou worden. De Milyer, die des veldheers bewegingen met het oog gevolgd had, begreep wat hem wachtte en tevens dat verder smeeken nutteloos zou wezen; hij liet het hoofd op de borst hangen en wachtte zijn lot af. Ter bestemder plaatse aangekomen nam Datis een pijl en legde dien op den boog. Hij had voor het uiterlijk althans zijne bedaardheid terug erlangd en, zich tot Simon richtend, sprak hij:
«Op welke wijze handelt gij, Atheners, met krijgslieden, die hun plicht vergeten?»
«Wij onderzoeken hunne schuld wanneer onze geest zijne volle helderheid bezit en handelen naar dat onderzoek ons voorschrijft,» luidde het antwoord.
«Zoo doen ook de Perzen en zij zijn van meening, dat de geest nooit helderder is dan wanneer de beker is rondgegaan. Het plan van den veldtocht, die u de vrijheid zal kosten, werd vastgesteld na een feestgelag van Dareios.»
Simon herinnerde zich hoe ook Kynaigeiros hem verhaald had dat de Perzen gewoon waren het ontwerp van een krijgstocht in dronkenschap te beramen om het den volgenden dag, ontnuchterd, nogmaals te bespreken. Doch tot verdere beschouwingen werd hem geen tijd gelaten. Met forsche hand den vingerdikken leeuwendarm spannend, legde Datis op den Milyer aan en deed den pijl van den boog snorren. Het was een meesterlijk schot en in het hart getroffen viel zijn slachtoffer met een lichte trilling dood neder. Het lijk werd weggebracht; niemand sprak een woord; men beschouwde de willekeur van des konings plaatsvervanger als eene geheel natuurlijke zaak. Wederom richtte Datis zich tot den Athener en sprak:
«Simon, zoon van Panaitios, gij kunt gaan. Zeg aan de uwen bij uwe terugkomst wat ge gezien hebt: dat de Pers moed weet te eeren en schuld weet te straffen. Ik dank u voor uw bezoek en als over weinige dagen Athene aan mijne voeten ligt, zal ik er trotsch op wezen gezegepraald te hebben over mannen als gij.--Geleid den Athener buiten het kamp,» ging hij voort, zich tot den hoofdman der patrouille wendend, «en met uw leven staat ge er voor in dat hem geen leed geschiede.»
Simon aarzelde. Een waardig antwoord op de snorkende taal des veldheers lag hem op de lippen, doch hij begreep het gevaarlijke en nuttelooze van een woordenstrijd met den beschonken en geprikkelden Pers en zweeg. Het leven van één Athener woog tegenover de tiendubbele macht des vijands te zwaar om het zonder noodzakelijkheid in de weegschaal te stellen.
«Vaarwel, Datis,» sprak hij alleen en ging, door de patrouille begeleid. Hij zag, buiten gekomen, vreemd op; gedurende zijn verblijf in Datis' tent was de avond gevallen en de maan, die den vorigen dag vol was geweest, verlichtte het uitgestrekte Perzische kamp en de heuvelrijen terzijde. Thans werd hij door een ander gedeelte der legerplaats geleid dan in den voorafgeganen middag en hij aanschouwde met verbazing wederom nieuwe, onbekende volksstammen, die hun beken hadden uitgestort in den geweldigen stroom, tot Hellas' verderf ontketend: Assyriërs met metalen stormhoed, waaronder de regelmatig naast elkander aangebrachte lokken in stijve krullen naar beneden hingen; Kaspiërs met pelsrokken en korte, kromme sabels; Thrakiërs met een vossekop als hoofddeksel, hooge laarzen van muilezelvel, werpspiets, schild en dolk; Saken, de beste schutters van het leger, met spitse mutsen, wijde, lange broeken, boog en strijdbijl. Er kwam geen eind aan de bonte tentoonstelling van volken en kleederdrachten. En wederom werd Simon getroffen door het groot aantal paarden dat voorbijkwam, zonder uitzondering in de richting van het strand; telkens moest hij met zijne geleiders stilstaan of uitwijken. Eens waren het er wel tweehonderd tegelijk, alle sneeuwwit; dat waren Nisaiïsche paarden der Onsterfelijken, de tienduizend man sterke, adellijke, steeds op hetzelfde aantal gehouden lijfwacht des konings. Hij ontmoette er eene afdeeling van met hun veldteeken, een gouden adelaar met uitgespreide vleugels; zij droegen gouden harnassen en gouden granaatappels aan de schachten der lansen; zoo stapten zij voort, schitterend en blinkend in het maanlicht.
Op eenigen afstand van het kamp werd Simon door de patrouille verlaten en hij nam den terugtocht aan, langs denzelfden weg dien hij des morgens had afgelegd. De belangrijke zaken, welke hij gedurende de laatste uren gezien had, hielden zijn geest onafgebroken bezig. Eerst het ontzaggelijke Perzische leger, een logge, lompe massa zonder samenhang en eenheid, juist zooals Kynaigeiros van zijn vader Euphorion vernomen had, halve wilden naast weeke poppen met meer bedienden en deernen dan hun eigen aantal bedroeg. En ook de beroemde lijfwacht had weinig indruk op hem gemaakt; prachtige gestalten voor een godsdienstige parade, maar weinig te vreezen met hun gouden harnassen en kostbare hoofdwrongen met diamanten aigrettes. Alleen de sterke ruiterij boezemde hem bezorgdheid in; het Atheensche leger telde uitsluitend voetknechten en met schrik stelde hij zich voor al die paarden, welke hij ontmoet had, en nog duizenden bovendien met krijgslieden op den rug in een wilden aanval. En wederom vroeg hij zich af waarom ze toch alle weggeleid werden, in dezelfde richting, naar het strand.
Toen herdacht hij zijne ontmoeting met Datis, die eerst zulk een gunstigen indruk op hem gemaakt had maar weldra, onder den invloed van wijn en drift, een geheel ander man gebleken was te zijn. Hij kwam terug op zijn oordeel van straks; ja! hij was een barbaar, de Perzische veldheer, niet in den zin van een altijd ruw en ongevoelig man, maar van iemand, die alle zelfbeheersching mist; van wien telkens te vreezen valt dat hij een volgend oogenblik de tegenvoeter van zichzelf zal wezen; die heden weent bij een aandoenlijk schouwspel en morgen met de grootste onaandoenlijkheid eigenhandig bloed vergiet; door de improvisatie van het leven schokkend voortgejaagd, niet zelf dat leven na strenge voorbereiding en lange oefening ordenend en besturend. Hij was een barbaar, de veldheer, die zijn tienduizenden opvoerde tegen dat Athene, tot welks zonen Simon het zich thans meer dan ooit eene eer rekende te behooren, nu hij den afstand kon meten, welke hem ook van den meest ontwikkelden Aziaat scheidde. Neen, nimmer zou de godin toestaan dat hare stad en burcht aan de voeten zouden liggen der horden, welke hij zoo even had gadegeslagen.