Part 7
Simon had de vergadering niet bijgewoond. Sedert eenigen tijd had hij bespeurd, dat de goden hem niet, als vroeger, welgezind waren en ging hij om met het denkbeeld dat hem eene groote, onafwendbare ramp boven het hoofd hing. Het was begonnen op zijn huwelijksdag, toen de fakkels van den bruiloftsstoet door den wind gebluscht waren. Het was sedert altijd voortgegaan, telkens een schaduw werpend op zijn huwelijksleven, hem herinnerend aan hetgeen hij zoo gaarne vergeten wilde. Dan eens was het een vreemde, zwarte hond, die onverwachts zijne woning binnenliep; of een balk, die zonder merkbare aanleiding kraakte; of een met wijn gevulde beker, die plotseling werd omgeworpen. Het scheen als wilde de godheid hem zelf allen zweem van twijfel ontnemen en hem overstelpen met de zekerheid van hare ongenade. Simon verborg zooveel mogelijk de groote droefenis, welke zich bij het waarnemen van al die veege teekenen over hem uitstortte en beijverde zich Demetria te vrijwaren voor alle invloeden, die de aanstaande geboorte van hun kind zouden kunnen schaden, al was hij ook overtuigd dat hijzelf die geboorte niet zou beleven.
Het gesprek, kort na zijn huwelijk met zijne vrouw gehouden, had goede vruchten gedragen. Van dat oogenblik af, had het werktuigelijke hetwelk de meeste Atheensche vrouwen in de behartiging der huishoudelijke zaken kenmerkte, bij Demetria plaats gemaakt voor eene vreugdevolle toewijding. In den aanvang hokte er hier en daar wel eens iets; het koorn werd niet steeds dadelijk op de droogste, de wijn op de koelste plaats van het huis in bewaring gebracht; het gebeurde wel eens dat een slaaf en slavin vertrouwelijker omgang hadden dan in het belang eener welvoegelijke dienstvervulling wenschelijk was; het kwam voor dat Simon iets verlangde wat zich niet in huis bevond en er toch behoorde te wezen. En Demetria, juist omdat zij er op gesteld was alles goed te doen, voelde zich alsdan diep ongelukkig; zij bloosde van verlegenheid en vreesde telkens dat Simon haar geheel ongeschikt zou achten voor de eervolle taak, die hij haar had opgedragen. Simon had de grootste moeite haar bij zulke gelegenheden te troosten en te verzekeren, dat de wijsheid eerst met de ondervinding komt en ook de jongeling meermalen faalt alvorens hij de mannelijke plichten naar behooren weet te vervullen.
Demetria ontving vaak bezoeken van vriendinnen welke kwamen uitvisschen, of zij met goed gevolg vóór den eersten huwelijksnacht den door Solon voorgeschreven appel had genuttigd, die de zekerheid moest verschaffen dat het huwelijk niet onvruchtbaar zou blijven. Met verbazing vernamen deze de wijze waarop Simon het huwelijksleven opvatte. Inwendig waren ze verschrikkelijk jaloersch, doch tegenover elkander veinsden zij den man te beklagen, die op zoo onverantwoordelijke wijze van alle gezag in huis afstand deed. «Dat wordt een huishouden als van Alkinoös, den Phaiaken-koning. Ge weet wel, toen Odysseus op Scheria geland was, zeide Athene tot hem dat hij vooral zich eerst moest wenden tot de koningin Arete; Alkinoös kwam er minder op aan. Maar zoo iets behoort toch eigenlijk niet aldus te wezen.»
Simon en Demetria oordeelden het aldus uitstekend en te grooter was dan ook het gevoel van weemoed hetwelk eerstgenoemde vervulde nu hij voorzag, dat zijn geluk van zoo korten duur zou wezen. Hij had reeds gepoogd zich omtrent de gezindheid der goden zekerheid te verschaffen; in voorteekenen toch kon men zich vergissen en er waren zelfs lieden, die er minder aan hechtten, maar de ondervinding bij een offer opgedaan was betrouwbaarder. En zoo had hij voor eenige dagen zich opgemaakt om een offer te brengen aan den oppergod, hopende dat Zeus het in genade mocht aannemen, al had hij dan ook wellicht onwetend iets misdaan. Doch terwijl men naar het altaar schreed, was hij gestruikeld en de krans hem van het hoofd gevallen; van dat oogenblik af werd het offer nutteloos, daar het toch door de godheid niet aanvaard zou worden. Nog had hij eene laatste uitkomst gezocht en besloten zijne toevlucht te nemen tot de mantiek, berustend op het beginsel dat de goden bewustheid bezitten omtrent de toekomst en genegen zijn desgevraagd den twijfel der hulpelooze stervelingen op te lossen. En zoo was het geschied dat hij op den dag der volksvergadering zich buiten Athene had begeven, overtuigd van alsdan in zijne raadpleging niet gestoord te zullen worden. Hij had, in noordwestelijke richting gaande, den loop des Kephissos eenigen tijd gevolgd tot hij, het olijvenwoud aan den oever verlatend, eene kleine, licht glooiende vlakte had bereikt. Daar had hij zich nedergezet, met het gelaat naar het Noorden, zoodat hem het gunstige Oosten ter rechter-, het ongunstige Westen ter linkerzijde was gelegen. Hij had bij zichzelf uitgemaakt dat de vogelvlucht hem de gewenschte zekerheid zou verschaffen; de richting, door deze gevolgd, zou hem het begeerde uitsluitsel geven. En zoo zat hij daar, vóór zich starend in neerslachtige afwachting, vreezend wat komen zou, hopend, in den aanvang althans, dat zich geen vogel zou vertoonen; dat was wel niet een gunstige beschikking maar toch ook geen bepaald ongunstige en liet nog eene kleine plaats open voor de hoop, die, naar hijzelf op het feest van Pheidippides had betoogd, den stervelingen blijft schoon al het andere hun ontging. Doch, naarmate hij langer wachtte en toen geen vogel verscheen, ging hij anders denken. Neen! nog liever een ongunstig teeken dan in het geheel geen. In het laatste geval toch duurde de twijfel, die hem reeds zoo lang pijnigde, alweder voort; hij gaf de voorkeur aan eindelijke zekerheid, zij het dan ook....
Daar hoorde hij achter zich, in het olijvenwoud, geritsel. Hij zag om en bespeurde een lijster, die met kleine pasjes uit het bosch trippelde, hier en daar een insect van den grond pikkend. Beiden, de man en de vogel, bemerkten elkander in hetzelfde oogenblik en beiden schrikten van elkander, de man wellicht het meest. De lijster sloeg de vleugels uit en nam zijn vaart, snorrend vlak langs Simons gelaat, in ongunstige richting, van links naar rechts.
Terwijl Simon niet ver van den Kephissos gezeten was en in Athene het bloedige drama, zoo straks verhaald, werd afgespeeld, bevond Demetria zich alleen in het vrouwenvertrek harer woning. Zij had met een gebaar dat haar in den laatsten tijd eigen was geworden, de handen over den schoot gevouwen en was verzonken in gepeinzen over de toekomst. Maar die toekomst lag voor haar slechts weinige maanden verder en de ééne, groote gebeurtenis, die te wachten stond, hield al hare gedachten bezig. Zou dan ter deure worden uitgestoken een strook wol, het teeken, in verband met de huiselijke bemoeiing der vrouw, dat een meisje was geboren? Of wel zou het de olijftak wezen, symbool van het toekomstig optreden des mans in het burgerlijk leven? Zij hoopte bijna het eerste; zij voelde zich zóó zalig in haar rustig geluk als zij zich niet kon voorstellen dat een man, met al zijne bezigheden en beslommeringen, ooit zou kunnen wezen. Doch, aan den anderen kant, zou hare dochter immer een echtgenoot kunnen vinden gelijk Simon en niet hoogst waarschijnlijk een leven te gemoet gaan als de meeste Atheensche vrouwen? Dan moest het liever een jongen wezen; zij zou hem met Simon opvoeden tot een godvreezend en flink man; zij zouden hem steeds voorhouden wat Glaukos in de Ilias zegt, dat zijn vader hèm bij zijn vertrek naar Troje heeft ingescherpt:
Altijd de eerste te zijn, uitstekende boven de andren.
Simon had haar dat voorgelezen en toen had ze dadelijk het vers in haar geheugen geprent; dát was een mooie zinspreuk om een jongeling op zijn levensweg mede te geven. En zij moest glimlachen, bespeurende hoe de nog niet geboren knaap, die misschien een meisje zou wezen, in hare verbeelding reeds jongeling geworden was! Zij stelde zich toen weder het pasgeboren kind voor, hoe het kort na de geboorte om den met kransen en loof versierden haard werd rondgedragen en hoe het op den tienden dag een naam ontving, waarbij een groot feest gehouden en geofferd werd aan de godheden wien meer bijzonder der kinderen opvoeding en verpleging ter harte gingen. Op dat feest brachten de gasten allerlei geschenken voor den jonggeborene mede: gouden ringetjes, halve maantjes, zwaardjes, zilveren kettinkjes, klappertjes en kokertjes, met een bijzonder soort zaadkorrels gevuld tot afwering van toovermiddelen en bezweringen. Zij zelve had die kleine zaakjes altijd zorgvuldig bewaard en was er steeds erg aan gehecht geweest. En toen ze als jong meisje voor een paar jaar door die zware ziekte was bezocht en reeds den zwarten sluier had aanschouwd, dien de dood haar voorhield, had zij gevraagd dat al die dingetjes, met haar poppen, in een mandje, door een platten steen bedekt, op haar graf zouden geplaatst worden en dat men om dat mandje een akanthos zou leiden; die zou dan mandje en steen met zijn gebladerte omwelven en, naar ze stellig meende, zou dat geheel een bekoorlijken aanblik opleveren. Zij wist niet hoe het kwam, maar zij had in dat tijdvak, nacht op nacht slapeloos terneder liggend, altijd aan dat mandje en dien akanthos gedacht en zich langzamerhand eene volkomen duidelijke voorstelling van het geheel gemaakt: omgebogen bladeren van verschillende hoogte zouden het voor het oog verscholen mandje omgeven, terwijl een dier bladeren, krachtiger dan de overige zich verheffend, op het midden van den deksteen als bloem zou ontluiken. Aan den beeldhouwer Rhoikos had zij later die voorstelling medegedeeld; hij had met belangstellende verbazing hare beschrijving aangehoord en opgetogen uitgeroepen: «Maar kind! hoe komt ge daaraan? Dat is een uitstekend motief voor een nieuwen kapiteelvorm!» Dat alles herinnerde zij zich terwijl ze daar in haar kalme lichamelijke en geestelijke rust zat te peinzen en plotseling, naarmate al die beelden uit vervlogen dagen voor haren geest verrezen, herinnerde zij zich tevens iets dat zij meende reeds lang vergeten te zijn: het grafschrift, door haar vriendinnetje Erinna gedurende hare ziekte vervaardigd. Ja! zóó was het; en half overluid, langzaam, droomerig, herhaalde zij de verzen, één voor één weder opdoemend uit den nevel, die ze bedekte:
Zuilen die rijst op mijn graf en marmren Sirenen daarboven; Doodsurn, gij die bedekt wat van mijn assche nog rest, Brengt mijnen groet aan den wandlaar die hier aan deez' heuvel voorbijgaat, 't Zij hij Athener zich prijst, 't zij hij als vreemdeling naakt. Zegt hem ook dat deze tombe een doode maagd houdt omvangen, Die zoo ongaarne verliet 't stralende licht van de zon; Zegt hem dat men mij noemde Demetria; zegt dat Erinna Op haar speelnootjes graf jammrend deez' letteren schreef.
Een geruisch deed haar omzien. Simon trad binnen. In Athene teruggekeerd, had hij den moord der Perzische gezanten vernomen en de overtuiging ontvangen, dat de thans onvermijdelijk geworden oorlog zijn doodvonnis zou wezen. Doch, met ijzeren wil, was hij er in geslaagd zich boven de omstandigheden te verheffen. «Wanneer ik het leven laat,» had hij tot zichzelf gesproken, «zal dat leven hebben kunnen strekken tot verdediging des vaderlands. En het vaderland staat boven het huisgezin; het welzijn van den staat boven dat van den enkelen mensch. Wat zijn wij, rampzalige stervelingen? Als de bladeren, die afvallen en verdorren, zijn de kinderen der menschen; spraak- en gevoelloos dwalen de schimmen der afgestorvenen rond, tenzij er een Odysseus verschijne, die haar voor eene korte pooze het bewustzijn weet te schenken. Het ware den mensch beter, aan hetgeen voorbijgaat zijn hart niet te hechten.»
Doch toen hij Demetria aanschouwde, kwamen de laatste woorden hem toch minder juist voor, dan toen hij ze zoo even in de eenzaamheid had geuit.
X.
Het kamp der Atheners was opgeslagen ten zuidwesten van het vlek Marathon, tegen de hellingen van den Pentelikos. Miltiades, die, tot strateeg gekozen, van den aanvang af, hoezeer het commando tusschen hem en de negen andere strategen dagelijks afwisselde, door een ieder als de ziel der nationale verdediging beschouwd was, had besloten zich geenszins tot de verdediging van Athene te bepalen; hij vreesde de woelingen der Perzischgezinde partij, die elders reeds Eretria in handen des vijands gespeeld had. En zoo was men uitgerukt, zonder bepaald plan, vrij overhaast, want nauwelijks waren de strategen benoemd of Attische burgers, van Chalkis vluchtend, hadden vol ontzetting de nadering der Perzen aangekondigd. Eene bezetting was in Athene achtergelaten, zoodat het veldleger niet meer bedroeg dan negenduizend hopliten, zwaargewapende voetknechten, en duizend slaven, die als schilddragers en lichtgewapenden dienst konden doen. Op marsch had men vernomen, dat de Perzen voornemens waren te landen in de baai van Marathon, welks vlakte, met eene lengte van negentien op eene breedte van drie kilometer, een uitstekend terrein aanbood voor hunne ruiterij, alleen reeds even sterk als de Atheensche troepen, en vanwaar Hippias den vijand zonder bezwaar naar Athene meende te kunnen leiden. Van dat oogenblik lag het voor de hand eene positie in te nemen, die den heerweg naar de hoofdstad dekte en de Atheensche bevelhebbers in staat stelde de gansche vlakte met het oog te beheerschen en iedere beweging des vijands gade te slaan. De positie was trouwens uitstekend gekozen en door de rotsachtige gesteldheid van het terrein benevens de aangelegde schanswerken zeer gemakkelijk ook tegen eene groote overmacht te verdedigen.
Het was de zestiende der maand Metageitnion [5]. Reeds verscheidene dagen hadden beide legers tegenover elkander gestaan, de Atheners langzamerhand aan den aanblik der Perzen gewennend, deze laatsten, naar men meende, overleggend, hoe de geduchte positie en daarmede den weg naar Athene te forceeren. Een duizendtal Plataiërs hadden zich nog bij Miltiades gevoegd, zoodat de Helleensche strijdkrachten juist één tiende van die des vijands bedroegen. Maar voor een viertal dagen had Miltiades zich tot zijne troepen gewend en gevraagd, wie bereid was onmiddellijk naar Sparta te vertrekken ten einde aldaar, met uiteenzetting van den stand der zaken, nogmaals uitdrukkelijk op het zenden van spoedige en krachtige hulp aan te dringen. Tal van mannen hadden zich aangeboden, zoodat het lot moest beslissen en dit had Pheidippides, Simons zwager, aangewezen, die kort geleden zijn twintigsten verjaardag had gevierd en dus bij het veldleger ingedeeld was. Pheidippides gevoelde zich zeer gelukkig, al dadelijk het vaderland een gewichtigen dienst te kunnen bewijzen en had zich onmiddellijk op weg begeven, de beenen reppend met nog meer toewijding dan ten vorigen jare bij de Panathenaiën. De gesteldheid van het terrein maakte het gebruik van een paard onmogelijk; de weg moest te voet worden afgelegd.
Simon bevond zich des morgens in gezelschap van den reusachtigen Kynaigeiros vóór de van paalwerk opgetrokken en met loof bedekte hut, welke hij met Pheidippides deelde. Naast hen stond een boer uit Marathon, bezig te verhalen hoe hij in den omtrek van het Perzische kamp een dareikos gevonden had. En hij toonde, met een tevreden gelaat, den dareikos aan de beide mannen: een fraai goudstuk met het beeld van koning Dareios aan de eene, dat van een boogschutter, op ééne knie neergebogen, aan de andere zijde. De boer was opgetogen over de rijke kleeding der Perzen, over hun fraaie paarden en had veel te vertellen van de zonderlinge volksstammen, die met hen medetrokken en hij sprak zoo veel en zoo lang, dat Simon van verlangen begon te branden dat alles ook eens van nabij te aanschouwen en met eigen oogen te zien.
«Ik heb lust,» zeide hij tot Kynaigeiros, «aan Stesilaos»--den strateeg, dien dag met het commando belast--«vergunning te vragen het Perzische kamp te verspieden. De begroeide heuvels rondom maken het gemakkelijk den vijand tot op een kleinen afstand onbemerkt te naderen.»
Kynaigeiros raadde het af: «Bedenk dat ge een volk van barbaren over u hebt, onbetrouwbaar en wreed; een volk dat Eretria tot den grond afgebrand en alle inwoners, vriend en vijand, in slavernij weggevoerd heeft.»
«Kunnen wij Atheners, die hunne gezanten vermoordden, een rechtmatig verwijt tot hen richten? Athene heeft den naam vaak ondoordachte handelingen te verrichten, die echter door de goden telkenmale ten goede worden geleid. Moge dit wederom geschieden in het beslissend uur dat nadert.»
Op dat oogenblik vernam hij een ontevreden gebrom en omziende bespeurde hij Labes, den Molossischen hond van Pheidippides, die het leger gevolgd en gedurende zijns meesters afwezigheid aan Simons zorgen toevertrouwd was, uit de hut treden. Het kolossale dier was blijkbaar niet in zijn humeur; zonder op Simon te letten liep het door naar het schanswerk dat het kamp daar ter plaatse omgaf, zette er de voorpooten tegen zoodat het in de vlakte kon zien en liet een luid geblaf hooren. Simon volgde den blik des honds en bemerkte weldra de oorzaak van diens ontstemming. Sedert eenige dagen verscheen keer op keer voor de legerplaats een fraaie windhond uit het Perzische leger, van Egyptisch ras, met lange, rechtopstaande ooren, zooals men ze op de oude Egyptische monumenten en onder den naam van sloughi in onveranderde gedaante in het huidige Egypte aantreft. Dit dier nu, langzamerhand door het toewerpen van voedsel vertrouwelijk gemaakt, had zich ook heden in de nabijheid gewaagd en daarmede de groote ontevredenheid van Labes opgewekt, wiens zware stem in steeds dieper bastonen begon te weerklinken. En die houding des honds bracht Simon op een denkbeeld, dat hij ijlings uitvoerde.
«St! Labes!» zeide hij, het dier aanhitsend, en Labes, wiens booze luim weinig aansporing noodig had, vloog over de verschansing en op den vreemden hond aan. Deze was zoozeer verdiept in de kennismaking met het been, hem juist door een hopliet toegeworpen, dat hij ook in verband met het uit het kamp opstijgende geruisch de komst zijns natuurgenoots niet bemerkte vóór deze hem in den nek gevat en gevoelig geknauwd had. Met een verbaasd gejank liet hij zijn been in den steek en nam zijn onverwachten vijand met een toornigen blik op; doch diens geweldige gestalte ontwarend en zichzelf blijkbaar meer voor de lange jacht op gazellen dan voor een tweegevecht berekend achtend, maakte hij ijlings rechtsomkeert en verdween in de richting van het Perzische kamp, slechts korten tijd achtervolgd door Labes, die weldra zijn eigen minderheid op het gebied van den wedloop moest erkennen en tevreden met de behaalde overwinning kwispelstaartend terugkeerde.
Van den uitslag van dit gevecht had Simon het afhankelijk gemaakt of hij aan zijn voornemen gevolg zou geven, dan wel niet. Nu de victorie aan Helleensche zijde gebleven was, meende hij daarin een wenk te zien om in eerstgenoemden zin te handelen. Bevorens nam hij uit den nauwhalzigen korf, waarin de hopliet zijne levensmiddelen bewaarde, een stuk gezouten vleesch en een paar olijven, ten einde niet met ledige maag den tocht te ondernemen. Hij bood Kynaigeiros aan, den maaltijd te deelen, maar deze weigerde en reciteerde, op zijn zware lans leunend, de verzen van Kallinos:
In mijn lanspunt bevindt zich mijn gerstebrood; 'k heb in mijn lanspunt Ismaros' wijn en ik drink als ik mijn lans slechts bezit.
Simon at derhalve alleen en begaf zich na verlof van den bevelvoerenden strateeg op weg, ten einde zoo mogelijk iets naders omtrent het Perzische leger te weten te komen. Een groote mate van rustigen moed vervulde sinds eenige dagen hem en zijne medekrijgers; een machtig vertrouwen op den triomf der groote nationale zaak, op den bijstand der goden en niet het minst van Pallas Athene, die reeds zoo vaak had getoond hoezeer zij der onder hare hoede staande stad genegen was. De zenuwachtige spanning, die maanden achtereen in Athene geheerscht en een uitweg gezocht had in den moord der gezanten, was geheel verdwenen zoodra de oorlog vaststond en men zich in het veld bevond, buiten den invloed der partijen, overtuigd dat men geen enkelen verrader in zijne rijen telde. Wel is waar hadden de meeste Helleensche steden uit vrees of kwaadwilligheid de Perzische zijde gekozen, doch Sparta had hulp toegezegd. En Sparta alléén gold voor velen. Simon herinnerde zich hoe hij door een ooggetuige den aanval had hooren beschrijven der Spartaansche phalanx. Met afgemeten passen, op de maat van het fluitspel en onder het zingen van een marschlied, rukten de gelederen op den vijand los, de hopliten vooraan, daarachter de heloten, die over de eerste rijen steenen en speren te midden der vijanden slingerden en dezen bij het vooruitdringen met knotsslagen afmaakten. De krijgsman, in den purperen mantel gehuld en het hoofd bekranst, geheel achter het geweldige schild verborgen, stootte, de tanden op de lip, met zwaard of lans er op los en week nooit van de zijde des nevenmans. Zóó had Simon een aanval der Spartanen hooren schilderen en hij hoopte van harte er weldra zelf getuige van te kunnen zijn. Wanneer zij zich onmiddellijk na de aankomst van Pheidippides op weg hadden begeven, waaraan hij niet twijfelde, konden zij over een paar dagen het kamp bereiken.