Marathon

Part 5

Chapter 53,619 wordsPublic domain

Zijne vrouw zag hem verbaasd in de oogen. Dat de werkkring van man en vrouw in waarde gelijk zou zijn, daarvan had zij noch in den huiselijken kring, noch door hare vriendinnen en bekenden ooit hooren gewagen. Doch zij voelde dat Simons woorden weldoordacht en welgemeend waren en een wijde horizon van geluk opende zich voor haar; dankbaar zag ze hem aan, terwijl ze zeide: «Ik dacht niet dat mijne huiselijke bezigheden u zoo belangrijk zouden voorkomen.» «Niet belangrijk? Dan zouden ook de bezigheden van de bijenkoningin niet belangrijk moeten genoemd worden.» «De bijenkoningin?» «Voorzeker. Ge hebt vooral in vroeger jaren, toen uw vader op het land woonde, vaak den arbeid der bijen gadegeslagen. Welnu! deel zelve mede waarin de taak der bijenkoningin bestaat.» «Zij bewaakt den korf en staat niet toe dat een enkele bij ledig blijve; zij zendt naar buiten die bestemd zijn in het veld te arbeiden; zij proeft en neemt in ontvangst al wat in den korf wordt aangebracht; zij bewaart en verdeelt naar gelang der behoefte den aanwezigen voorraad; zij zorgt dat de cellen ordelijk en regelmatig aangelegd worden; zij ziet toe dat de jonge bijen met beleid en verstand worden opgevoed en vormt ze, als ze volwassen zijn, tot volkplantingen, die elders worden heengezonden en nieuwe korven bevolken.» Naarmate Demetria deze verschillende bezigheden opsomde, bemerkte zij zelve hoe juist het door haren echtgenoot gekozen beeld was en vroolijk sloeg zij de handen ineen toen ze geëindigd had. «Bij Artemis!» ging zij voort, «dat is volkomen hetzelfde wat mij te wachten staat. Maar zulk eene bijenkoningin is een heel gewichtig personage; zonder haar zou de korf al zeer spoedig tot een droevigen staat vervallen.» «En hoe zoudt ge dan meenen dat de toestand van onzen korf zou wezen, wanneer gij dien mocht verlaten? Ik wil u nog ééne bezigheid opnoemen, welke niet tot de taak der bijenkoningin behoort en u wellicht de onaangenaamste zal toeschijnen: het verzorgen van diegenen onzer dienaren, die krank mochten worden.» «O neen! dat zal juist mijne aangenaamste bezigheid wezen. Want, erkentelijk voor mijne goede zorgen, zullen zij zich hoe langer zoo meer aan mij gaan hechten.»

Simon, op zijne beurt, zag haar dankbaar in de oogen en gevoelde, evenals zij daar straks, welk een schat hij in zijne wederhelft had gevonden; hij streek met de hand over haar rosbruin hoofdje waarop de krulletjes al heel aardig begonnen aan te groeien en vervolgde: «Hebt ge wel opgemerkt dat zoo vaak de bijenkoningin den korf verlaat, geen enkele bij tehuis blijft doch alle haar volgen? Welnu, Demetria, eene gelijke toegenegenheid, eene even groote liefde zal allen in deze woning aan u verbinden.» «Maar, wanneer ik in ontvangst te nemen, te bewaren en te verdeelen heb, dan moet gij ook zorg dragen dat er veel in den korf wordt gebracht; anders zou de taak der bijenkoningin weinig beteekenen.» «En waartoe zou mijn arbeid buiten den korf strekken, wanneer ik niet de wetenschap bezat, dat zich daarbinnen iemand bevond, die de vruchten daarvan wist te bewaken en te beheeren? Zou die arbeid niet te vergelijken zijn met dien der dochteren van Danaos, veroordeeld ten eeuwigen dage water in een bodemloos vat te gieten?» «Welk een vreeselijke arbeid zal dat wezen! Dus waarlijk, mijne taak is niet minder dan de uwe?» «De goden, die noch den man noch der vrouw de volmaaktheid schonken, hebben gewild dat beiden in wederzijdsche afhankelijkheid zouden leven en hunne vereeniging is des te inniger naarmate de een beter kan aanvullen wat den ander ontbreekt. Indien ge, waaraan ik niet twijfel, Demetria, den korf als eene goede koningin bewaakt en beheert, dan zult ge in mij steeds een liefhebbenden en zorgzamen echtgenoot vinden, die u zelfs hooger zal schatten dan zichzelven. En ge behoeft niet te vreezen dat met het klimmen der jaren mijne toegenegenheid voor u minder zal worden; neen! want juist naarmate ge mij eene trouwer gezellin en onzen kinderen eene beminnelijker verpleegster zult wezen, zullen de achting en de liefde, die ge allen inboezemt, grooter en inniger worden.»

Aldus spraken Simon en Demetria, en toen het gesprek geëindigd was, gevoelden beiden, dat er iets goeds en liefs zijne intrede in hun leven had gedaan.

VII.

De groote Dionysosfeesten, die in het voorjaar, de maand Elaphebolion, gevierd werden, naderden allengs en verschaften aan Simon heel wat drukte. Hij was volgens zijn wensch tot Aischylos' choreeg benoemd en behoorde derhalve zorg te dragen voor betaling, kostumeering, huisvesting en onderhoud van de koristen voor de trilogie Prometheus, die overeenkomstig des dichters voornemen in de afgeloopen maanden was voltooid en welker drie deelen de namen droegen van Prometheus vuurbrenger, Prometheus geboeid en Prometheus verlost. Twee andere treurspeldichters, Phrynichos en Choirilos, zouden met Aischylos in het strijdperk treden. Simon spaarde naar zijne belofte moeite noch kosten voor de waardige uitrusting van het stuk; hij voorzag dat de uitgaven voor het koor wel drie duizend drachmen zouden beloopen doch betreurde die som niet; immers de opvoering van een treurspel was eene religieuse handeling en de Helleen, die gedurende de Dionysosfeesten eene tooneelvoorstelling bijwoonde, gevoelde zich met de godheid door een nauwen band vereenigd.

Terwijl de schilder Agatharchos zich met de vervaardiging der benoodigde decoratiën onledig hield, hadden de repetitiën van den Prometheus plaats in een groot, daartoe gehuurd lokaal. Men zou juist aanvangen met het tweede stuk der trilogie, den Prometheus geboeid, waarin de dichter zelf de rollen van Hephaistos en Prometheus vervulde, terwijl in die van Kracht, Okeanos, Io en Hermes, de tweede tooneelspeler Kleandros optrad. Aischylos was het vertrek binnengetreden waar Simon verdiept was in de beschouwing van een groot aantal op proef gezonden maskers; Kleandros, op den rug liggend, deed zijne stem ter oefening beurtelings tusschen de laagste en de hoogste tonen opklimmen en afdalen. De dichter trad op Simon toe en bezag met hem de maskers: grijsaardskoppen met glad geschoren gelaat en wit, sluik haar; andere grijsaardstypen met golvend haar en vollen baard; blonde, zwaar behaarde en gebaarde koppen, voor heldenrollen; baardelooze met dik, zwart haar, de grandes utilités der verzameling. «Ziehier het juiste masker voor Prometheus,» zeide Aischylos, er een te voorschijn halend dat een donkeren man, in de kracht van het leven, met vollen, korten baard en kroeshaar, voorstelde. Hij bond het zich om het hoofd en declameerde:

Die vroeger, schoon ze zagen, zagen slechts het niet; En, hoorend, niets vernamen, maar, het droomenheir Gelijk ....

Geweldig, met bovenaardsch geluid, klonk de stem door de zware, gewelfde lippen van des maskers geopenden mond. «Ik deel in uw gevoelen, Aischylos,» zeide Simon; «dit voegt het best bij Prometheus' persoonlijkheid, beter dan het donkerbruine dat wij gisteren kozen. Daarop was wel is waar de ernstige en weemoedige, maar niet de fiere trek aangebracht, die den lijdenden Titan behoort te kenmerken.» Het masker werd ter zijde gelegd en de beide mannen gingen voort met het onderzoeken van andere, toen plotseling de nog steeds op den rug liggende Kleandros eene chromatische gamma deed hooren, die in een niet geheel zuiveren toon eindigde en Aischylos dan ook onthutst deed omzien. «Neem u in acht, Kleandros,» merkte hij op; «het schijnt dat ge uwe stem in den laatsten tijd verwaarloosd hebt; ook bij de vorige repetitiën scheen zij mij minder zeker dan voorheen.» «Ik mijne stem verwaarloosd!» gaf Kleandros verbolgen ten antwoord, terwijl hij zich halverwege oprichtte, «sedert weken doe ik niets anders dan dieet houden, wandelen, mij volgens de regelen der kunst zalven en, wat het ergste is, standvastig spenen van het genot der liefde, ten einde mijn kostbaar orgaan geheel tot mijn dienst te hebben. Doch waartoe zouden de repetitiën strekken indien het niet ware om fouten te kunnen begaan, die bij de opvoering zelve vermeden behooren te worden? Gij beiden hebt het voorbeeld gegeven door gisteren, zooals ge zelf zeidet, voor den Prometheus geboeid een niet passend masker te kiezen.» Aischylos en Simon konden zich niet weerhouden om deze juiste opmerking te glimlachen, terwijl Kleandros, voldaan over zijn antwoord, zich wederom op den rug neervlijde en zijne zangoefeningen voortzette.

Simon had een bezwaar dat hij, alvorens de repetitie een aanvang nam, aan Aischylos wenschte mede te deelen. Hij had de trilogie met aandacht gelezen en herlezen van de papyrosbladen, waarop zij naar de wastafeltjes uit des dichters hand was overgebracht. En hoezeer hij, naarmate hij verder las, steeds meer onder den indruk was geraakt van den grootschen eenvoud en de ontzagwekkende majesteit der trilogie, van de prachtige verzen, waarin zij vervat was, en de verheven gedachten, die zij inhield, zoo was het hem toch voorgekomen dat althans het tweede harer deelen, de Prometheus geboeid, uit het oogpunt der handeling te wenschen zou overlaten. «De tragedie, Aischylos,» merkte hij op, «beoogt, naar ge mij zelf meermalen hebt medegedeeld, de nabootsing eener beteekenisvolle, geheel voleindigde, binnen bepaalde grenzen besloten handeling. Beantwoordt nu, zoo vroeg ik mij zelf gedurende de lezing meermalen af, de Prometheus geboeid aan deze vereischten? Kan men van handeling spreken waar de hoofdpersoon reeds terstond aan eene rots wordt geklonken en in den aanvang zelfs geheel sprakeloos blijft, om ten slotte met die rots te verzinken? Gaarne zag ik deze vraag, die mij gedurende de laatste dagen voortdurend heeft bezig gehouden, door u opgelost.»

Aischylos antwoordde: «Wanneer men onder handeling verstaat een onophoudelijk en rusteloos bezig zijn met de organen des lichaams, dan zou voorzeker, Simon, gezegd kunnen worden dat Prometheus in het tweede deel der trilogie niet handelend optreedt. En van dat standpunt uitgaande zou de dichter, die een aantal als mieren door elkander krioelende menschen op het tooneel bracht, het voortreffelijkst aan dezen eisch der tragedie voldoen. Doch naast die des lichaams bestaat er eene handeling des geestes, een in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; eene handeling, voorzeker niet minder des dichters aandacht waardig dan de andere. Heeft uw eigen geest niet vaak gehandeld terwijl het lichaam bewegingloos ter neer zat? En handelt Prometheus' geest niet, verricht die geest gedurende den loop van het stuk geen reuzenarbeid, zwaarder dan die der Titanen, aan wier zijde hij niet heeft willen strijden? De vraag is dus uitsluitend of de dichter, die aan een treurspel Prometheus' naam schonk, er al dan niet in geslaagd is die handeling zijns geestes aanschouwelijk voor te stellen. En daarover zult ge kunnen oordeelen wanneer ge, wat u tot nog toe de papyrosrol deed kennen, uit den mond der spelers in verband met de tooneelschikking zult hebben gehoord.»

Simon zweeg, niet overtuigd, doch erkennend dat de proefsteen van een dramatisch werk in de opvoering gelegen is. Hij wist bovendien dat het langdurige en hardnekkige zwijgen van Aischylos' helden en heldinnen reeds meer tegen hun schepper was aangevoerd; al zijne stukken, zoo zeiden sommigen, vangen daarmede aan, dat de hoofdpersoon sprakeloos op eene tombe of urn zit te staren, een heelen tijd achtereen; de toeschouwers zitten in afwachting of zij iets zullen hooren en het stuk is intusschen een goed eind opgeschoten. Hij herinnerde zich tevens, dat hij zelf die methode des dichters steeds verdedigd had, er bijvoegend, dat de sprakeloosheid van Aischylos' personen hem meer boeide dan de woordenrijkheid van vele andere tooneelhelden. Maar nu er nog een volslagen bewegingloosheid bij kwam, het gansche stuk door, vreesde hij toch dat ditmaal de grens overschreden was.

Een andere twijfel van Simon was daarentegen door de kennisneming der trilogie opgeheven. In zijn gesprek, met Aischylos op den voorlaatsten dag der Panathenaien ten vorigen jare gehouden, had hij het vermoeden uitgesproken, dat de wijze, waarop in den Prometheus Zeus' wereldbestuur was voorgesteld, wellicht niet zou strooken met den eerbied voor de goden waarop de Atheners zich steeds hadden laten voorstaan. Dit evenwel was hem gebleken niet het geval te zijn, althans wanneer men van de trilogie in haar geheel kennis nam. De Prometheus vuurbrenger loste het vraagstuk niet op. De Prometheus geboeid scheen Simons eerste opvatting te bevestigen, waar dat stuk den oppergod schilderde, uitsluitend heerschend krachtens het recht van den sterkste en alle verzet tegen zijne regeering, ook waar het strekt tot heil der door hem misdeelde stervelingen, met grimmig geweld ten onder brengend. Doch zijn religieus gemoed was gerustgesteld toen hij de lezing van den Prometheus verlost had voltooid; hij bespeurde met voldoening dat de woorden: «Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten,» bij diezelfde gelegenheid door den dichter gesproken, in laatstgenoemd stuk volkomen tot hun recht kwamen. Niet Prometheus maar Zeus overwon ten slotte en toonde daarbij, een oneindig hooger en edeler wezen te bezitten dan de onbuigzame Titan; hij was het, die alles ten goede schikt, die Io's lijden verzacht door haar aan te wijzen tot stammoeder van Herakles, wiens moeitevolle aardsche werkzaamheid op hare beurt zal vergoed worden door zijne opneming in der zaligen woning aan de zijde van Hebe. «Mijn vrees was ijdel,» moest de choreeg bekennen. «Neen, Aischylos, gij zijt niet afgeweken van het geloof der vaderen. Ook bij u is Zeus gebleven de geweldige, de eenige, doch tevens de rechtvaardige heerscher. Prometheus is hier de godsvijand, de zelfgenoegzame, die de wereldorde verstoort, den menschen ten gevalle, der godheid ten trots. Het was kortzichtigheid toen de Titan den stervelingen een dienst bewees en daardoor in den weg trad aan de plannen van Zeus, die de menschen wilde verdelgen niet uit haat, maar wegens hun eigen onvolmaaktheid, en een slechte dienst werd hun bewezen toen Zeus' voornemen, een voortreffelijker geslacht voor hen in de plaats te stellen, met roekelooze, zij het ook welmeenende hand werd verijdeld. En Prometheus, die in het tweede stuk den raad van Okeanos, om zich voor de godheid te verootmoedigen, hooghartig versmaadt, hij is ten slotte verplicht den trotschen nek te buigen en aan Zeus' voeten de boete neder te leggen, die hij eens hoopte den god te ontwringen.»

Zóó was Titan Prometheus door den dichter opgevat en Simon kon niet genoeg bewonderen de geheel eenige zelfstandigheid waarmede de figuur in de drie verschillende stukken was voorgesteld. In het eerste de welwillende menschenvriend, tevens vriend van Zeus, onbewust van de verschrikkelijke gevolgen zijner ondoordachte daad en vreugdevol zijn bruiloft vierend met de Okeanide Hesione; in het tweede de fiere godsbekamper, onwrikbaar het hoofd verheffend te midden van duldelooze smart, van smeekbeden en bedreigingen; in het derde de eindelijk gebroken strijder, maar gebroken tot eigen bestwil, want op het oogenblik waarop hij zich neder buigt voor Zeus' majesteit, doodt Herakles' pijl den gier, die hem met wreeden snavel de telkens weder aangroeiende lever, den zetel der hartstochten, afknaagt, en vallen hem de boeien van het lichaam. Aldus vermocht het slechts de dichter door gods genade, wien, toen hij als knaap den wijngaard zijns vaders bewaakte, Dionysos zelf verschenen was om hem den weg te wijzen dien hij volgen moest en steeds volgen zou, vol heiligen eerbied vervuld voor de oude sagen, toch deze niet slaafs overnemend maar ze adelend door de wijze waarop hij ze opvatte en weergaf.

Intusschen was het koor binnengetreden, twaalf personen, goede zangers en meest alle van flinke gestalte. Een paar minder bedeelden zouden in het midden geplaatst worden wanneer het koor, in drie rijen van vier man, van ter zijde optrad; overigens kon het gebrekkige der gestalte door masker, kostuum en kothurnen grootendeels verholpen worden. Zij waren vergezeld van een fluitspeler, die met een dubbele fluit de koorzangen te begeleiden en met een bijzonder daarvoor vervaardigd schoeisel de maat aan te geven had, terwijl het recitatief werd gesteund door akkoorden der lyra. Men repeteerde voorloopig alleen met het masker, doch ongekostumeerd en zonder decoratief; een der wanden van het vertrek werd verondersteld de rotsige streek, met de zee ter zijde, voor te stellen, waar Prometheus zou worden vastgeklonken. Aischylos, als Hephaistos gemaskerd, trad op, begeleid door Kleandros als de verpersoonlijking der kracht, terwijl de stomme rol van zijn tweeden metgezel, Geweld, door een figurant werd vertolkt. Zij heetten, als bij de opvoering zou plaats hebben, met zich te voeren een ledepop, Prometheus voorstellend, die door hen tegen de rots zou geklonken worden en door wier gapenden mond, met eene opening in de decoratie verband houdend, Aischylos, na als Hephaistos afgetreden te zijn, zou spreken. Kracht en Geweld plaatsten zich voor den wand met eene nagel in de eene, een moker in de andere hand en de eerste hief aan:

Het onverbidlijk scherp van harde nagelpunt Laat ik hem dringen door de borst met volle macht.

«Laat vallen uw mokers!» riep Aischylos den beiden toe en twee hamerslagen, onmiddellijk op elkander volgend, weerklonken. En, in zijn Hephaistosrol terugkeerend, galmde de dichter met klagende stem:

Wee mij, Prometheus! Ach! ik zucht om 't geen ge lijdt.

Zoo ging het geruimen tijd voort, telkens een tweetal verzen waarin het leedvermaak der willige beulen sprak, gevolgd door eene smartelijke verzuchting van Hephaistos, schier bezwijkend onder de onwelkome taak, hem door de godheid opgelegd. Daartusschen bonsden telkenmale met gelijke tusschenruimten de hamerslagen van het ijzingwekkend gemaskerde tweetal. En Simon bespeurde hoe hij zich wederom vergist had toen hij veronderstelde, dat het in dit gedeelte der trilogie, in den aanvang althans, aan handeling zou ontbreken. Hij liet zijne verbeelding werken ten einde bij het ontbreken der decoratie de tooneelspelers in eene passende omgeving te plaatsen en die verbeelding schiep hem denzelfden achtergrond, in Aischylos' gezelschap ten vorigen jare van de akropolis aanschouwd, den rotsigen Lykabettos, door de ondergaande zon rozig gekleurd. Dáár had de marteling plaats; dáár werd hij vastgeklonken, hulpeloos en verlaten, in angstverwekkende eenzaamheid. En nauwelijks waren de eerste verzen gesproken of Simon gevoelde dat tusschen dien sprakeloozen lijder en hemzelf een keten gespannen werd, onverbreekbaar, zoolang het den dichter niet zou behagen haar los te maken. Elke mokerslag, die Prometheus trof, drong ook in Simons ziel en hij gevoelde wat die god in dat oogenblik moest gevoeld hebben, inniger en dieper, dan wanneer deze het in stroomende verzen had uitgestort. Ja! dat was de handeling waarvan Aischylos gesproken had, de handeling niet van de organen des lichaams maar van den geest; het in zich opnemen, verwerken en weergeven van indrukken; een arbeid niet minder geweldig dan die der godenbestrijdende Titanen. Hij gevoelde dat er een bewegingloos zwijgen kan zijn, welsprekender en dramatischer dan de meest welbespraakte bewegelijkheid, wanneer slechts de dichter er in slaagt ons te doen mede lijden wat de zwijgende lijdt.

Prometheus had zijn eersten monoloog gehouden; wat straks zijn zwijgen vertolkte, had thans zijn mond geuit:

Dewijl 'k den menschen heil Te brengen dorst, dáárom lijd ik dit vreeslijk lot.

Daar verneemt hij geruisch in de lucht als van vogelen der wildernis. Hij meent, het zijn nieuwsgierigen, die zijne marteling komen aangapen. Maar hij vergist zich; het zijn de dochters van Okeanos, de zusters zijner gemalin Hesione, die op het gebeuk der felle mokerslagen tot hem zijn geijld. Op een gevleugelden wagen, die echter evenals de decoratie bij deze repetitie nog ontbrak, naderen zij. De koristen met hun leider, den koryphaios, in de middelste rij, zetten zich door den fluitspeler voorafgegaan in beweging, traden naar Aischylos, die in de rol van Prometheus zich tegen den wand geplaatst had en werden geacht zich rondom de thymele, het altaar in het midden der orchestra, te scharen. Doch hierin voldeden ze den dichter geenszins.

«Ge treedt veel te langzaam en te zwaarwichtig op,» riep hij ontevreden uit. «Het maakt den indruk als zag men eene afdeeling Spartaansche hopliten marcheeren. Bedenkt dat ge zeenimfen voorstelt die, een vreemd geluid hoorend, zich reppen naar de plaats vanwaar het komt. Herhaalt uwen parodos.»

Het koor gehoorzaamde, ditmaal vlugger, volgens door Aischylos zelf aangegeven dansbewegingen en hief aan:

Des hamers wijdklinkende slag drong door op den rotsgrond der zee.

Doch het duurde nog geruimen tijd eer koryphaios, koor en fluitspeler het Aischylos naar den zin gemaakt hadden. Telkens moest òf eene beweging gewijzigd, òf een stand veranderd, òf eene muziekwijs herhaald worden en Simon, wiens eer als choreeg bij het welslagen van het koor ten zeerste betrokken was, gevoelde zich niets op zijn gemak toen Aischylos hem ter zijde nam en zich ernstig over den koryphaios beklaagde. «De man gesticuleert bijna uitsluitend met het hoofd,» merkte de dichter op, «en vergeet, dat de bewegingen met de handen bijna even uitdrukkingsvol behooren te zijn als de woorden. Ik had gehoopt dat de archon mij Marpsias als koryphaios zou toebedeeld hebben, bij wien de handen niet minder dan de mond spreken, terwijl ze bij dezen houterig neerhangen, als ware hij gelijk Philemon in een lindeboom herschapen.» «Ook ik,» antwoordde Simon, «ben met dezen koryphaios niet bijster ingenomen. Maar hij is sedert den aanvang der repetitiën toch reeds vooruit gegaan en met herhaalde oefeningen geloof ik, dat wij tevreden over hem zullen zijn. Wat Marpsias betreft, deze is als koryphaios aan Phrynichos toebedeeld en ik meen, dat wij geene reden hebben om hem te betreuren. Immers hij gaat zich naar ik hoor in den laatsten tijd aan den wijn te buiten, zoodat hij dan ook telkens stoornis teweeg brengt in de voorbereiding der treurspelen, waaraan hij is toebedeeld. Ik geloof dus, dat wij ons over het gemis van den vroeger zoo voortreffelijken Marpsias niet hebben te beklagen.»

Deze mededeeling verzoende Aischylos eenigszins met zijn koryphaios en de repetitie werd voortgezet. Kleandros trad op in de rol van Okeanos, den vader der nimfen en trachtte, doch even vergeefs als zijne dochters, Prometheus' stuggen zin te buigen. Ook hier had de dichter het een en ander aan te merken. «Gij vergeet, Kleandros,» zeide hij, «dat het niet geoorloofd is de hand boven de oogen te heffen of beneden de borst te laten zinken. Ook spreekt ge alle regels met evenveel nadruk uit, hetgeen ongewenscht is; men behoort sommige slechts even te doen hooren ten einde de volgende des te meer indruk te doen maken. Straks zag ik u, zij het slechts even, op den rechtervoet steunen, hetgeen een komisch, geen tragisch gebaar is.»