Marathon

Part 3

Chapter 33,814 wordsPublic domain

Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig, tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne, doorschijnende, Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen, evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden: «Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het u eindelijk behagen deze vrucht met mij te deelen?»--daarbij doelend op de Atheensche gewoonte dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend, weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde, als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden, gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.

Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Athener en buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan, Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat 's jongelings vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?» zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoorde ik mij te wenden tot uw buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn.....» «Geen thonijn, bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gedierte zelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid met schijfjes biet. Dan een schotel wild.....» «Lijsters of haas?» vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.» Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar weldra werd hij weder afgeleid door een aardig tooneeltje tusschen een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht, ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer; zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippides kon dit alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert, terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe; die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.

V.

Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij, dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria's beide broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder had zijn eigen haan vooraf met knoflook gevoederd, ten einde hem des te strijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen, had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.

De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij was de eenige van Helena's zwagers, die nooit een hard woord tegen haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking, toen hij eene breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg, waaraan die te wijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.» «Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos, in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen, een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in staat geoordeeld. Het was dus niet te verwonderen, dat de knapen bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen, hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken niet te verklappen.

Dienzelfden middag had de maaltijd van Pheidippides plaats waarop Simon, Kynaigeiros en Straton genoodigd waren. Zij verschenen ter bestemder ure, de vijfentwintigjarige Kynaigeiros, een jongere broeder van Aischylos, van athletische gestalte en verbazende spierkracht, een trouw bezoeker van het gymnasion; en Straton, vijf jaren jonger, tenger en fijn besneden als Pheidippides, diens trouwe gezel bij allerlei soort van vermaak. Men ontdeed zich van de sandalen en besteeg de divans waarop men twee aan twee aanlag en die, even hoog als de tafel, met behulp eener voetbank beklommen werden. De slaven goten water over de handen der gasten en nadat men den Paian ter eere van Apollon gezongen had, nam het feest een aanvang. In den beginne ging alles rustig toe; onder den eigenlijken maaltijd werd geen wijn gedronken, zoodat de gesprekken zich vooralsnog door geen bijzondere luidruchtigheid onderscheidden. Men redeneerde druk over den te verwachten oorlog met Perzië, thans boven allen twijfel verheven; Hippias, de verjaagde Atheensche tiran, de zoon van Peisistratos, die nu reeds negentien jaren lang de Perzische gastvrijheid genoot, zou in persoon het invasieleger vergezellen ten einde de vernedering zijns vaderlands te kunnen aanschouwen en de verloren heerschappij weder te aanvaarden. De groote man was hier Kynaigeiros, die zich had opgehouden in den Thrakischen Chersonesos; de Athener Miltiades had daar als tiran geheerscht en Kynaigeiros' vader, Euphorion, was een zijner legerhoofden geweest. Hij had toen als achtjarige knaap den inval van Dareios in Thrakië bijgewoond, die een onvergetelijken indruk op hem gemaakt had. «Ik herinner mij alles nog levendig,» verhaalde hij; «dagen achtereen liepen wij jongens naar den heirweg om het Perzische leger te zien voorbij trekken; er kwam geen eind aan. Het was een prachtig gezicht, al die schitterende oostersche kleederdrachten; zeven- of achthonderdduizend man waren het wel. Maar de ouderen vonden het minder mooi; er bleef niets heel op hun weg en wat ze niet noodig hadden voor onderhoud werd uit brooddronkenheid vernield en verbrand door de half wilde stammen, die met hen mee trokken.» «En zagen ze er zoo verschrikkelijk uit als men zegt?» vroeg Simon. «Ze maakten indruk genoeg,» was het antwoord. «Doch mijn vader heb ik wel eens hooren zeggen, dat hij meer uit zou voeren met duizend Hellenen dan met tienduizend Perzen. Zulk een leger, zeide hij, is wel een groote massa maar geen eenheid en de Perzische krijgslieden vechten alleen werktuigelijk, zonder hooger beginsel en kennen alleen hun koning, geen vaderland, zoodat ze dan ook vaak met zweepslagen in het gevecht moeten gebracht worden.» «Men behoorde,» meende Pheidippides, «Miltiades tot strateeg te kiezen; hij kent de vechtwijze der Perzen beter dan iemand anders.» «Miltiades strateeg!» viel Straton in. «Daarvoor mogen ons de goden behoeden. Een man die twintig jaar lang als tiran in den Chersonesos heeft geheerscht en als vreemdeling in Athene terug is gekeerd, omdat de Chersonesos te dicht bij Perzië lag! Herinnert ge u hoe hij terugkwam, met zijn eigen oorlogsschepen, zijn eigen lijfwacht en zijn eigen schatten en hoe hij aan wal stapte, trotsch als een koning, met zijn vrouw, een Thrakische prinses, even fier als hijzelf? En wat heeft hij sedert gedaan om de toegenegenheid der Atheners te verwerven? Hij leeft teruggetrokken en ongenaakbaar en ziet uit de hoogte op de burgers neder.» «Het is waar,» zeide Kynaigeiros, «en toch zullen wij, als de ure daar is, Miltiades niet kunnen ontberen. Bij zulk een man behoort men sommige uiterlijkheden over het hoofd te zien en alleen te letten op zijn groote verdiensten en buitengewone talenten. Zijt ge vergeten op hoe schitterende wijze hij zich kort na zijn terugkeer tegen de aanklacht van tyrannis verdedigde, door er op te wijzen hoe hij het vruchtbare en volkrijke schiereiland aan den Hellespont, waar zijn oom en broeder zelfstandig geheerscht hadden, van een familiebezit tot een eigendom van het Atheensche volk gemaakt heeft; hoe hij het was, die tijdens den Ionischen opstand het omvangrijke en gewichtige Lemnos voor Athene veroverde; hoe hij alleen van alle Hellenen tegen Dareios is opgetreden en reeds aan den Istros den belager van Hellas aan den rand des verderfs heeft gebracht? Bovendien zou ik gaarne Miltiades tot strateeg gekozen zien omdat hij zulk een schoon man is en het aanschouwen der schoonheid de menschen ongetwijfeld in alle opzichten voortreffelijker en dus ook onversaagder maakt.» «Althans wanneer schoonheid met jeugd gepaard gaat,» meende Straton, «hetgeen bij Miltiades niet het geval is.» «Waartoe dat?» vroeg Kynaigeiros. «Iedere leeftijd bezit zijn eigenaardige schoonheid, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat men voor twijgdragers bij de Panathenaien de schoonste grijsaards pleegt te kiezen, als om te kennen te geven dat de schoonheid door geene jaren gebonden is.» «En toch,» zeide Straton, «doet het mij leed dat Miltiades van de aanklacht van tyrannis vrijgesproken is en hoop ik dat hij althans niet tot strateeg zal gekozen worden. Ik acht het gevaarlijk, nu Athene eerst zoo kort geleden zijn eigen tirannen gedood of verjaagd heeft, een voormalig tiran van den Chersonesos dusdanige macht in handen te geven en vrees dat de met zooveel moeite bevochten vrijheid daardoor wel eens groot gevaar zou kunnen loopen.» «Ik deel uwe vrees niet,» merkte Simon op. «Op zichzelf toch is iedere regeeringsvorm rechtvaardig, hetzij democratie of oligarchie of tyrannis; het is alleen de vraag op welke wijze de algemeene belangen het best bevorderd worden. Athene nu is, naar onze voorvaderen terecht gemeend hebben, het best gediend door de democratie en die democratie werd door Kleisthenes, den goden zij dank! op zóó hechte grondslagen gevestigd, dat men zich omtrent de vastheid van haar bestaan niet bevreesd behoeft te maken.» Pheidippides was het met hem eens en voegde er nog een aardig verhaal bij om te bewijzen, hoe de overdreven vrees voor de tyrannis den Atheners nog in merg en been zat. «Onlangs op de vischmarkt zijnde, drentelde ik voorbij een tweetal kraampjes; in het eene werd de goedkoope en onaanzienlijke sprot, in het tweede de dure en voorname thonijn verkocht. Een goedgekleed Athener was bezig zich in het eerste kraampje te voorzien, hetgeen den argwaan opwekte van twee waterdragers, die elkander aanstootend opmerkten: «Die rijkaard dáár koopt armeluisvisch om zich populair te maken; die staat zeker naar de tyrannis.» Een oogenblik later zag ik een anderen goedgekleeden Athener, die in het tweede kraampje thonijn en veel thonijn kocht. «Kijk eens!» mompelde een tweetal ezeldrijvers in zijne nabijheid, «al die thonijn is zeker bestemd voor een tirannenmaal, waar men zal beramen op welke wijze het Atheensche volk weder tot slavernij zal kunnen worden gebracht.»»

Men lachte hartelijk om het verhaal en behalve Straton waren allen het eens, dat Miltiades ondanks zijn eigenaardigheden de man was, die bij den aanstaanden oorlog de hoofdrol behoorde te spelen, om zijn veldheerstalenten, zijn kennis van Perzische militaire toestanden en zijn ontzag inboezemend optreden, te onmisbaarder waar zich in Athene, als in de meeste Helleensche steden, eene niet te verachten Perzischgezinde partij bevond, die slechts een gunstig oogenblik wachtte om het masker af te werpen. Allen lieten zich onderwijl de verschillende gerechten goed smaken, nu en dan de handen afdrogend aan groote sneden brood, die vervolgens aan des gastheers grooten hond werden toegeworpen en gretig verzwolgen. De Kopaïsche paling vooral wekte de algemeene bewondering op en bracht zelfs door zijne schoonheid Straton in een tragische geestvervoering; hij verhief zich halverwege van zijn zetel, zette den krans op het hoofd recht en declameerde met parodieering van eenige verzen uit een treurspel tot den gebakken visch:

Eêlste der vijftig dochtren, der Kopaïsche, Gij, zoo langdurig en zoo vuriglijk begeerd, Kom aan mijn boezem!

Maar de maaltijd liep ten einde; men waschte op nieuw de handen, het nagerecht werd opgedragen en het drinkgelag ving aan. Vooraf behoorde een symposiarch, die de leiding daarvan op zich nam, gekozen te worden en het lot wees den zoon van Panaitios daartoe aan. «Een dronk op den goeden geest,» aldus begon hij en allen ledigden een beker ongemengden wijn op Dionysos, den schenker des wijnstoks, waarop drie plengingen plaats hadden ter eere van de Olympische goden, de heroën en den reddenden Zeus. Daarna werd met drie deelen water vermengde wijn door de slaven rondgediend en luid geprezen. «Hij houdt zijn drie deelen goed,» zeide Straton, «en het honigdeeg dat hem zijn geur verleent, is op het juiste oogenblik onder het gisten met den wijn vermengd.» «Deze wijn,» liet Pheidippides volgen, «dank ik aan mijn vader, die mij steeds op voldoende wijze van dit vocht voorziet. Maar overigens is hij lang zoo vrijgevig niet meer als vroeger en het kost mij in den laatsten tijd genoeg moeite mijzelf nu en dan eene gepaste ontspanning te verschaffen.» Hij achtte het onkiesch den gasten mede te deelen dat zij zooeven zijn laatsten harddraver in hunne maag hadden doen verdwijnen, doch maakte er geen geheim van dat hij zijn voorlaatsten van de hand had gedaan, teneinde de gunsten der bevallige Antheia deelachtig te worden. En Straton gaf hem daarin ten volle gelijk; deze schoone toch, een lieveling der Chariten, was de grootste opofferingen waard, want niemand verstond het beter dan zij den rozenkrans der vreugde om het voorhoofd harer aanbidders te strengelen. Simon echter kwam met kracht tegen deze beschouwing op; hij was nog ten volle den goeden, strengen, ouden begrippen toegedaan en ergerde zich voortdurend over het steeds toenemend aantal hetairen. «Ouden van dagen,» zeide hij, «kunnen zich nog herinneren hoe er vijftig jaar geleden geen enkele in Athene te zien was. Toen zijn zij langzamerhand gekomen, in het gevolg van Peisistratos, steeds meer en meer en tegenwoordig ontmoet men ze overal.» Simon had geen woorden genoeg om zijne verachting voor haar uit te drukken. Hij wees op haar domheid, hebzucht, valschheid en trouweloosheid en prees de dagen van voorheen, waarin elk jonkman zich reeds vroegtijdig eene gade koos en zich met wezens als Antheia en hare zusteren niet bemoeide. «Zij zijn Echidna's,» eindigde hij, «Skylla's, Chimaira's, Sphinxen, Hydra's...» «Een lam! brengt dadelijk een zwart lam!» riep Straton in comische vertwijfeling den slaven toe, als gold het bij Simons heftigen uitval met dit gebruikelijk offer een opkomenden orkaan te bezweren. En hij betoogde dat de Atheensche vrouwen wat geestesontwikkeling betrof toch voorzeker niet boven de hetairen te stellen waren. «Ik noem haar,» zeide hij, «onbekwaam tot deelneming aan hoogere belangen en alleen geschikt om als opgepronkte poppen tentoongesteld te worden of wel zich met huishoudelijke zaken bezig te houden, wanneer de man althans niet gedwongen is wegens haar snoep- en drankzucht den sleutel der provisiekast in eigen beheer te nemen. Wat hare trouw betreft, ken ik voorbeelden van mannen, die verplicht waren hun vrouwen het haar af te scheren ten einde ze te beletten zich op straat te begeven en haar minnaars te bezoeken.» En toen Simon hiertegen opmerkte dat al die rampen gewoonlijk de schuld der mannen zelf waren, die, met een zeer jong meisje huwend, verzuimden als leidsman en leeraar op te treden, antwoordde Pheidippides dat hij wat zijne zuster betrof geen ander leeraar en leidsman zou wenschen dan Simon, doch zelf voor dergelijke bemoeiingen al zeer weinig geneigdheid bezat, weshalve hij de voorkeur gaf aan het gezelschap van vrouwen, die geen leidsman of leeraar meer noodig hadden en op eigen beenen konden staan. «In den aanvang,» voegde hij er bij, «heeft Zeus alleen menschen geschapen zonder geslacht, met vier armen en beenen, die zich als een rad voortbewogen. Zeus was echter bevreesd dat zij in die gedaante te groot en te machtig zouden worden en heeft ze daarom doorgesneden. Sedert dien dag zoekt ieder menschelijk wezen het deel dat oorspronkelijk zijne wederhelft uitmaakte en men behoort een ieder vrijheid te geven het te zoeken, waar hij meent het te kunnen vinden. Huis niet in mijnen geest; ge hebt immers zelf een huis?» eindigde hij, met eene vaak gebezigde spreekwijze.

De bekers werden op Simons bevel wederom gevuld en het gezelschap ging op voorstel van zijn symposiarch over tot eene zeer geliefkoosde uitspanning: het opgeven van raadsels. Kynaigeiros ving aan door het stellen der vragen: wat is het oudste, het wijste, het sterkste, het schoonste, het minste? Pheidippides, tot wien hij deze vragen richtte, loste ze op de volgende wijze op: het oudste, de tijd; het wijste, de waarheid; het sterkste, het geluk; het schoonste, het licht; het minste, de dood. Maar Simon, hoezeer de twee andere gasten deze oplossing ten zeerste toejuichten, kon zich met haar in geenen deele vereenigen. «Hoe nu?» zeide hij, «de tijd, die deels verleden, deels tegenwoordig, deels toekomstig is, zou het oudste zijn? En de waarheid noemt men het wijste? Dat is alsof iemand zeide: oogen en licht zijn hetzelfde. Ware voorts het geluk het sterkste, dan zou het niet zoo broos en wisselvallig zijn, als wij dagelijks kunnen waarnemen. Wanneer ge het licht het schoonste noemt, waarom dan niet, mag ik vragen, de zon als zoodanig geprezen? Ten slotte kan ik niet toegeven dat de dood het minste zou wezen; immers hij heeft met de menschelijke zaken niets gemeen.» «Op welke wijze zoudt ge dan zelf,» vroeg Pheidippides eenigszins teleurgesteld, «de gedane vragen beantwoorden?» «Aldus: het oudste is de godheid, want zij heeft geen begin. Het wijste, de tijd, want hij heeft reeds veel dingen bedacht en zal er nog meer bedenken. Het sterkste, de noodzakelijkheid, want zij overwint alles. Het schoonste, de wereld, want alles wat schoon heet, is daarvan een deel. En het minste is ongetwijfeld de hoop, want wie niets het zijne mag noemen, bezit haar nog.» De overigen moesten de meerdere juistheid van deze oplossingen toegeven en men ging over tot minder diepzinnige vraagstukken, tot raadsels in verzen, bv. aldus:

'k Weet eene zaak en ze heeft noch op aard noch op zee haars gelijke; Groot is ze bij haar geboort; dan klein; aan het eind weer een reus.