Mandalay, de jongste hoofdstad van Birma De Aarde en haar Volken, 1904
Part 2
Op een estrade ter halver hoogte voegde ik mij bij prins Ginavaravansa en degenen, die hem omringden. De stellage, geschud door den wind en bezwaard met ons aller gewicht, begon meer en meer te schommelen. Een honderdtal voeten onder ons rumoerde de menigte luider, en 't bonte aanzien van die bewogen groepen; de vlaggen, wapperend in den wind; een helsch lawaai van muzikanten, die op het platform boven ons hoofd op horens bliezen, op trommels sloegen en in de handen klapten; de afgrond, gapend onder mijn voeten; de afstand van de eene trede tot de andere, die mij al grooter en grooter scheen te worden, dat alles werkte samen, om mij een gevaarlijk gevoel van duizeligheid te geven.
Prins Ginavaravansa was op het punt onwel te worden en nam het besluit, weer naar beneden te gaan. Ik had grooten lust, dat voorbeeld te volgen; maar de vrees, aan mijn waardigheid afbreuk te doen, weerhield mij. Toen deed ik een uiterste poging, begon stoutmoedig het laatste eind van den klim, en eindelijk goed en wel boven op de hoogste étage, waar de muzikanten zaten, zwaaide ik zegevierend met den zwarten doek van mijn photografietoestel, terwijl horens en trommels een woedend leven maakten boven het geschreeuw en de toejuichingen van de scharen beneden.
Het kostte heel wat moeite, om op den wankelen bodem de drie pooten van mijn toestel vast te zetten. Ik moest gebruik maken van oogenblikjes, waarin de wind mij even rust gunde, tusschen de geweldige stooten van den Thi, die met schokken werd omhoog geheschen, en de bevingen, door het geweld der musici veroorzaakt, wier heilige ijver toenam, naarmate het zware gevaarte dichterbij kwam.
Toen de Thi ter bestemder plaatse was aangekomen, overtroffen de luide bijvalsbetuigingen der menigte en de donder van de muziek alles, wat men zich kan voorstellen van oorverdoovend geraas. Het waren eenige oogenblikken van helsch rumoer, hoogste crisis van gegil, horengetoeter en tromgeroffel, waarna het doofmakend orkest eindelijk zweeg, terwijl beneden bij vermoeide kelen langzamerhand de opgewonden godsdienstijver wat bekoelde.
Terwijl de birmaansche werklieden, op en over den steiger klauterend als acrobaten van professie, den Thi bevestigden op den reuzenlangen paal, geplant in de fondamenten der dagoba en oprijzend tot haar top, vermaakte ik mij met het bestudeeren van de blauwe tatoeëeringen op hun bronzen beenen. Ze stelden duidelijk een nauwsluitende kous voor, en het speet mij, dat mijn photografische platen niet bij machte waren, de vreemde teekening weer te geven. De Birmaan stelt er een soort van glorie in, om zonder een klacht de pijn te verdragen, die het aanbrengen van de tatoeëeringen meebrengt; maar er wordt beweerd, dat een goede dosis opium hem tot pijnstillend middel dient en dat hij op goedkoope manier zich voordoet als stoïcijn.
Ik zou wel uren lang op mijn belvédère hebben willen blijven. Ik vergat er de wederwaardigheden der bestijging en den angst voor de aanstaande nederdaling bij dat wonderschoonste van alle panorama's. De geheele stad lag aan mijn voeten te schitteren; de zon bestraalde 't goud van de pagoden, spiegelde zich in de gewijde vijvers, bescheen de onrustige golven van de bochtige Irawaddi. De koninklijke stad vertoonde duidelijk haar donker, somber vierkant van vervallen grootheid midden in de feestvierende stad.
Meer naar het Noorden achter de met bosschen bedekte bergen, die den geheimzinnigen stroom omgeven, staken tegen 't blauw van den hemel de eerste versterkingen van Katschin en van Yunnan af. Langzamerhand zweeg alles om mij heen; ik hoorde nog enkele hamerslagen van een timmerman, die minder vlug of voorzichtiger was dan zijn broeders, en weldra werden mijn droomen enkel afgebroken door de vage geluiden, die van beneden tot mij opstegen.
Eindelijk begaf ik mij naar beneden en rukte mij los uit de schaar van die beminnelijke pelgrims, voor wie het feest van den Thi een episode slechts is in hun vagabondeerend bestaan, omdat ze in hun heele leven niets anders doen dan rondloopen door de landen, waar men tot Boeddha bidt. Daar brengen ze nu naar dezen, dan naar genen tempel vruchten, bloemen en waskaarsen en kondigen de vervulling van hun godsdienstplichten aan door zware slagen op een reuzenklok. Ik ging daarna de monumenten bezoeken, die getuigen van de groote beteekenis, die het Boeddhisme heeft in 't interessante Mandalay.
Als kostbaarste herinnering aan den tijd toen de koningen van Birma Mandalay tot hoofdstad hadden, is ongetwijfeld het Gouden Klooster van de koningin aan te wijzen. Het verdient dien naam ten volle; 't is een tempel van teakhout, geheel met goud bedekt. Hij is bij uitstek goed bewaard gebleven.
Men krijgt toegang langs enkele treden, overwelfd door een zuilengalerij met vergulde pilaren. De gebeeldhouwde en opengewerkte deuren zijn met goud overtogen. Binnen vindt men geheel vergulde Boeddhabeelden, en allerlei meubeltjes, waarin of waarop vroeger andere beelden werden bewaard. Aan den tempel grenst een klooster van vijf verdiepingen, waar de Punghi's wonen, aan den dienst der godheid verbonden. Ook vindt men er een herberg naast voor vreemde monniken.
Aan den voet van den heuvel, waarop Mandalay ligt, omsluit een wijde ruimte, waarin zich een hooge pagode verheft, zevenhonderd kleine tempels van sierlijken bouwtrant, elk voorzien van een marmeren plaat, waarop een gedeelte van het boeddhistisch Evangelie is gegrift, het Pittagat. Dit is de gewijde bibliotheek van Mandalay.
De pagode boven op den heuvel bevat twee beelden; het eene wijst met den vinger naar de plek, waar koning Mindon Min van den hemel het bevel ontving, om de nieuwe hoofdstad te bouwen; het andere, gekeerd naar de Sjanbergen, wijst volgens de legende naar het land, waar de koningen van Birma een schuilplaats moesten vinden, als zij door den engelschen overweldiger verjaagd zouden zijn.
In 1859 was Mandalay door Mindon Min gesticht, die voor deze residentie Amarapoera aan de Irawaddi verliet, omdat het gefluit der stoombooten op de rivier hem al te zeer herinnerde aan de aanwezigheid der Engelschen, den gehaten veroveraar van Beneden-Birma. De stad ging snel vooruit, en in 1862 reeds plaatste Engeland er een consul. In 1878 wijdde Thibô, de elfde opvolger van den beroemden Alomprâ, soldatenkoning, die de dynastie in 1757 grondvestte, een liberalen regeeringsvorm in, die het land ten zegen zou hebben kunnen zijn, maar die door hofintriges niet tot zijn recht kwam en tot moordtooneelen aanleiding gaf.
Intusschen hadden de gebeurtenissen in Annam en Tonkin aan Frankrijk in Indo-China een overwegenden invloed verzekerd. Thibô, die hoopte bij die mogendheid op steun te kunnen rekenen tegen Engeland, vroeg en verkreeg in 1884, dat er een fransche consul zich te Mandalay zou vestigen. In 1885 sloot hij met Frankrijk een handels- en vriendschapsverbond.
John Buil kon dat bondgenootschap niet onverschillig aanzien, omdat het zijn plannen contrariëerde en hem den zoo begeerden weg dreigde af te snijden over Bhamô naar China. Dus vond hij, gebruik makend van de moeilijkheden, waarmee Frankrijk in Tonkin had te worstelen, een voorwendsel in een geschil, dat tusschen Thibô en een engelsche maatschappij bestond, en maakte zich van Boven-Birma meester in 1885. Wat er ook over moge gezegd zijn, of liever wat de engelsche politiek er ook over gezwegen moge hebben, de tegenstand was verschrikkelijk. De birmaansche patriotten, die zich heldhaftig en hardnekkig verdedigden, werden tot rebellen verklaard, als schuldigen en misdadigers behandeld en systematisch uitgeroeid. De birmaansche vorsten antwoordden met gelijke munt, en in de weinige gevallen, waarin 't geluk hen diende, gingen ze met groote wreedheid te werk. Thibô moest zich ten slotte overgeven; de overwinnaar verbande hem naar Indië, en generaal Prendergast bezette Mandalay.
Hoe schoon en hoe belangrijk ook de monumenten mogen zijn, die het Boeddhisme in Mandalay bezit, men vindt er toch niet de allermooiste pagoden. Pegoe, de oude hoofdstad van Boven-Birma, veel ouder dan Mandalay, want haar bloeitijd, waarvan nog de kolossale ruïnen harer vestingmuren getuigen, bereikte haar grootsten luister in de zesde eeuw van onze jaartelling, bezit een prachtige pagode, die van Schwemodo, een der heiligste van het land. Men zegt, dat er in het heiligdom twee haren van den Goddelijken Meester worden bewaard.
Dit gebouw, in den vorm van een klokketoren, is geheel verguld. Op een hoogte gelegen, overstraalt het al het omringende land, als 't licht der ondergaande zon het beschijnt. Het rijst tot meer dan 100 M. hoogte op en rust op een achthoekig voetstuk, waarlangs aan de elk 50 M. lange zijden 128 kleine dagoba's staan. Verscheiden goudsmeden zijn aanhoudend bezig, op de wanden nieuwe blaadjes goud te hechten, door geloovigen geschonken. Fabelachtige sommen moeten voor den tempel gebruikt zijn.
Te Rangoen heeft het vergulden van de pagoden Sche Dagon aan koning Mindon Min 1200,000 francs gekost, en de beide pagoden lijken genoeg op elkander, dat een gewoon reiziger ze kan verwarren. De pagode van Rangoen geniet in geheel Indo-China nog grooter vereering, want zij bezit, behalve acht haren van den Goddelijken Meester, nog verscheiden kostbare relieken. Op feestdagen gaan dan ook ware stroomen van menschen door de schilderachtige poort, die toegang tot den tempel geeft. Naast dien ingang staan twee reuzenleeuwen, fabeldieren, die er op wacht schijnen te staan en de herinnering levendig houden aan een plaatselijke legende, volgens welke een leeuwin een birmaanschen prins gevoed zou hebben en van verdriet zou zijn gestorven, toen men den voedsterling haar had ontnomen.
Ik had een brief van aanbeveling voor een mijner landgenooten, hoofd van een groot handelshuis. De zaken zijn in Mandalay bijna geheel in handen van vreemdelingen; de Birmanen, die over 't algemeen lui en onverschillig zijn, hebben eerst alles overgelaten aan Armeniërs en Chineezen en daarna aan de Europeanen, Italianen, Grieken, Franschen, Duitschers, die allen, saâmgevat onder den naam Kala of Koela, aan de Kaladan of Koeladan wonen. Dat is de hoofdstraat aan den zuidkant van de stad, doorloopend tot dichtbij Amarapoera; zij heeft door de verscheidenheid van de gebouwen een veel levendiger aanzien dan de ommuurde stad.
Er zijn talrijke bazars. De engelsche invoer heeft de inlandsche weefnijverheid zoo goed als onmogelijk gemaakt, de stichting van een groote ijzerfabriek met alle moderne machines in de buurt van Mandalay op den linker oever van de Irawaddi heeft de birmaansche ijzerwerkers zeer benadeeld. Maar de fabriek van inlandsche zijde, de stof, die zeer algemeen is, omdat bijna alle klassen der birmaansche maatschappij nooit iets anders dragen, behoudt ondanks de concurrentie, die zich van de patronen meester maakt, den voorrang door de soliditeit der stof en den glans der kleuren.
Ik liep door de straten der stad en amuseerde mij met de bamboehuizen op palen, waar de diluviale regens zich een weg onder door banen, en kwam op het gezochte kantoor. Even bleef ik bij den ingang staan, toen ik er mijn vriend in gesprek vond met een jeugdige Birmaansche. Bescheiden wilde ik mij terugtrekken, toen de chef zei: "Kom binnen, ik heb hier een mijner correspondenten bij mij." Ik verzocht hem, zich niet te laten storen en ging heen, en even daarna had de jonge dame rustig en kalm een zaak, die rijst betrof, afgesloten, waarmee groote belangen gemoeid waren.
Birmaansche echtgenooten dragen de zorg voor den handel graag aan hun vrouwen over, en deze verliezen er hun bekoorlijkheid niet bij, noch hun vrouwelijke gratie. Ik nam de gastvrijheid van mijn landgenoot aan, en toen ik Mandalay verliet, behield ik nog den lichtglans in mijn oogen van de groote gouden kronen boven de tempels en in mijn hart de herinnering aan de moedige, lieve, werkzame birmaansche vrouwen.