Malta en de Maltezer Orde De Aarde en haar Volken, 1906
Part 5
Die oude hoofdstad van Malta, welker stichting nog tot vroegeren tijd moet opklimmen dan de stichting van Rome, was in den aanvang van betrekkelijk weinig belang; er wordt zelfs gezegd, dat het slechts een gewoon versterkt kamp was. Er werden vele grieksche en romeinsche oudheden gevonden, ook overblijfselen van tempels, gewijd aan Juno en Proserpina. Op den top van den heuvel, waar de oude stad ligt, heeft men de sporen van een prachtig romeinsch paleis ontdekt. Twee-en-twintig eeuwen gingen over deze ruïnen heen, gedurende welke de Arabieren, meesters van Malta, er de graven van gebruikten, want men vindt er tegenwoordig nog de beenderen van hun dooden in. Men zou gezegd hebben, dat de stad voortaan niet anders dan een doodenstad moest zijn. Men heeft de fondamenten van de zuilengang van dit paleis blootgelegd, verder prachtige mozaïeken, vazen en tal van merkwaardigheden, die den oudheidkundige belang inboezemen. De overblijfselen leggen getuigenis af van een vergevorderde beschaving in den tijd dat barbaarschheid nog heerschte in een groot deel van Europa.
Vóór de kathedraal van Città Vecchia ligt een steenen trap met twee oude kanonnen, die door ik weet niet welken souverein aan de Ridders werden aangeboden. Alleen om deze reden hechtten de Maltezers er aan. De kathedraal verrijst op een pleintje en wel op dezelfde plaats, waar het paleis van Publius lag, den prefect van Malta, die Paulus opnam, toen deze apostel op reis van Palestina naar Rome, schipbreuk leed op de kust. Publius, tot het Christendom bekeerd, werd tot bisschop benoemd door Paulus en werd later als martelaar gedood te Athene. De kathedraal dagteekent van 1702 en werd gebouwd volgens de plannen van den maltezer architekt Lorenzo Gaffa. Aan elke zijde van het altaar zijn twee tronen opgericht, die van den bisschop en die van de koningin. Het gewelf van de kerk werd versierd met schilderwerk van Vincent Manno. Het schilderwerk van het inwendige der kerk is afkomstig van den Calabrees, wiens leerlingen de wanden der kapellen versierden. Er zijn ook enkele moderne kunstwerken te bewonderen in de kerk, o.a. de inlegwerken van het koor en twee mozaïekmedaillons, voorstellend de apostelen Petrus en Paulus.
Niet ver van de oude kathedraal herinnert een onderaardsche galerij, die nog slechts voor een klein deel onderzocht is, aan de tijden van vervolging, toen de Christenen zich moesten verbergen. Er zijn nergens zulke uitgestrekte catacomben, en men weet nog volstrekt niet, hoe groot ze wel zijn. De gedeelten, waar de mysteriën gehouden werden, zijn nog aan te wijzen, en men vindt er eveneens een aantal kleine holen, waar de eerste Christenen hun dooden begroeven.
Het is interessant, de grot van den H. Paulus te bezoeken, in de rots uitgehouwen, waar de apostel een schuilplaaats vond en waar hij gevangen werd gehouden gedurende zijn verblijf op het eiland, dat drie maanden duurde.
Die crypt is in de zachte rots gemaakt. Enorme hoeveelheden van het gesteente werden er langen tijd uitgehaald en naar alle deelen der wereld verzonden, waar Christenen woonden. Er werd een koortswerende kracht aan toegeschreven, en het werd genaamd pietra della grazia, steen der genade.
Monseigneur Lavigerie had te Carthago een pelgrimstocht in het leven geroepen, die de in zoo grooten getale in Tunis wonende Maltezers moest herinneren aan de Madonna van Melleha, welk beeld het hoogst vereerde heiligdom in hun geboorteland versiert, de Paulusgrot. Het was een der redenen waarom de kardinaal bij de Maltezers zoo bemind was. Die Madonna zou door den apostel Lucas zelven op de wanden der grot geschilderd zijn, toen hij er met den apostel Paulus een toevlucht had gezocht na hun schipbreuk. De kardinaal had het schilderij te Carthago laten reproduceeren.
De Paulusgrot is een heilige plaats gebleven. Op een altaar staat een beeld van den heilige van wit marmer. Het is het werk van den maltezer beeldhouwer Melchiore Gaffa. Aan den voet van het beeld brandt altijd een lamp.
Volgens de Handelingen der Apostelen maakte Paulus na zijn schipbreuk een vuur van takken aan, om zich te verwarmen. Een adder, die zich in het hout bevond, beet hem in de hand en bleef eraan hangen. De bewoners, die om hem heen stonden, zeiden onder elkaar: "Stellig heeft die man een moord begaan, want pas is hij aan de woede der golven ontkomen, of nog vervolgt hem de goddelijke wraak." Maar Paulus schudde zijn hand en liet er het reptiel afglijden, dat hij in het vuur wierp. De omstanders waren overtuigd, dat het venijn van de adder zijn uitwerking niet zou missen, dat de hand zwellen, en dat de zwelling zich weldra aan het geheele lichaam zou meedeelen, zooals gewoonlijk gebeurt.
Maar Paulus scheen in het geheel geen pijn te hebben, en de beet had geen enkel nadeelig gevolg. Toen waren de Maltezers door het wonder getroffen en vereerden Paulus voortaan als een god.
Publius, gouverneur van het eiland, die hem bij zich ontving en zijn goede zorgen aan hem wijdde, bracht hem aan het bed van zijn vader, die door een hevige koorts was aangetast. Paulus legde hem de handen op, begon te bidden en genas hem. Dat bericht verspreidde zich snel over het eiland, en dadelijk stroomden de zieken in massa toe. De apostel genas ze en bracht drie maanden op Malta door, voor hij naar Rome ging.
Dichtbij de grot, op de plek waar een standbeeld Paulus voorstelt de menigte toesprekend, is een holte in den grond, waar veel beroemde personen der Christenheid begraven wilden worden als op gewijden grond. De dooden zouden er rusten in volkomen vrede onder de hoede van den apostel, die schipbreuk had geleden op de noordkust van het eiland.
Van de hoogten van Città Vecchia had ik een groot deel van Malta aan mijn voeten zien liggen in doodsche eentonigheid. Men zag er slechts kale, boomlooze golvingen van den bodem, zonder groen, en overal steenen en nog eens weer steenen met enkele dorpen, kloosters en woonhuizen. Steden en dorpjes waren trouwens op deze plek dichtbij, en de vrije natuur was eigenlijk ver te zoeken, zoodat het den indruk maakte, dat een enkele stad de geheele oppervlakte van het eiland overdekte.
Hoezeer bewonderde ik toen de groote werkzaamheid der Maltezers, die met geduld en volharding erin geslaagd zijn, hun rots prachtige oogsten te doen voortbrengen. Want die droge en steenachtige terreinen, waar bijna overal de rots aan de oppervlakte komt, geven een opbrengst van veertig ten honderd. En de aarde, waar krijgen ze die vandaan? Er is mij verteld, dat ze dikwijls de rotsen afgeschraapt hebben, om grond te maken, en het is zeker, dat zeer vaak aarde op menschenruggen naar de tuinen wordt gevoerd. Geen duimbreed rotsgrond wordt ongebruikt gelaten; de bewoners hechten hun groenten vast aan elk uitstekend punt van de rotsen; zij maken overal terrasjes en profiteeren zelfs van natuurlijke spleten en holten.
Men ziet geheele gezinnen van Maltezers volijverig boerenwerk verrichten, wieden en spitten en onvermoeid gieten.... Maar het gaat vaak lastig, want er is niet zelden gebrek aan water.
Uit het oogpunt van schilderachtigheid zijn er weinig plekken te roemen; maar al is het natuurschoon schaarsch, toch moet men niet verzuimen een bezoek te brengen aan de Makluba in het Zuiden van het eiland, aan de grens van het gebied van Krendi. Het is een zeer diepe inzinking van den grond, een donkere kuil tusschen steile rotswanden, waartusschen men in de diepte een tuin ziet liggen.
Op korten afstand van dien afgrond, te Gebel-Kim, vindt men de reusachtige ruïnen van een phoenicischen tempel, tegenwoordig aangeduid met den naam Pietra della Venerazione. Opgravingen, die men vroeger in die ruïnen heeft gedaan, hebben beenderen van dieren aan het licht gebracht en een menschelijken schedel van ongewonen vorm. Een geleerde bibliothecaris van La Valette heeft bewezen, dat de tempel aan den phoenicischen Hercules was gewijd. Niet ver van dit heiligdom was er een andere tempel, aan Esculapius gewijd. Er zijn daar steenen van reusachtige afmetingen, die in hun behouwen toestand uitstekend zijn bewaard gebleven.
Op Malta bestaan nog andere ruïnen van deze soort, vooral in het oostelijk deel van het eiland. Malta was inderdaad in de Middellandsche Zee een punt van al te groot belang, dan dat het de aandacht niet zou hebben getrokken van de Phoeniciërs en de andere zeevaarders der Oudheid. Vooral de Phoeniciërs waren gewoon, alle kusten met hun handelskantoren te overdekken.
Het grootste aantal monumenten, dat ze er hebben nagelaten, bevindt zich op de zuid- en de oostkust. Ik heb ze gezien aan zee te Marsa Scirocco, te Krendi en op het eiland Gozzo.
Al die resten van bouwwerken hebben in hun reusachtige afmetingen geheel het karakter van de monumenten, die aan de Cyclopen worden toegeschreven.
Om kort te gaan, dit eiland Malta, geteisterd door den wind, verbrand door de zon, treft nu nog de verbeelding van den reiziger, nadat het een glorieuse rol in de geschiedenis heeft gespeeld. Niet enkel getuigen de ruïnen van verleden grootheid, maar er zweeft om het eiland een aureool door de dapperheid en offervaardigheid van de edele Ridders, die de barre rots, verloren te midden der golven, tot een wal hebben gemaakt voor de veiligheid van de christelijke volken.
De tegenwoordige heerschers blijven er altijd vreemdelingen; hun invloed is gering, omdat zij de ziel der Maltezers niet kunnen winnen, die ziel, die trouw blijft aan het oude geloof en aan haar vrome herinneringen. Nog onlangs heeft men daar een bewijs van gekregen. De heer Chamberlain kondigde in een trotsche rede, die hij tijdens een reis over Malta hield, aan, dat er maatregelen zouden worden genomen, om het eiland sneller te verengelschen en de engelsche taal als officiëele taal verplicht te stellen als gelijke van de landstaal en met uitsluiting van het Italiaansch.
Dat gaf groote ontroering op het eiland, en de hevigste protesten werden vernomen. Toch werden de maatregelen genomen. De Wetgevende Raad van de kolonie ging toen tot obstructie over, terwijl de bevolking al duidelijker hare verontwaardiging toonde. Deze was van dien aard, dat Engeland de besluiten omtrent de talen gedeeltelijk moest herroepen.
End of Project Gutenberg's Malta en de Maltezer Orde, by Gaston Vuillier