Malta en de Maltezer Orde De Aarde en haar Volken, 1906

Part 4

Chapter 4 3,696 words Public domain Markdown

Achttien kapellen, die in elkander loopen en zoodoende een soort van galerij vormen, bevinden zich in elk der zijvleugels. Zeven ervan waren gewijd aan de zeven "Tongen", waaruit de Orde bestond. De wanden, versierd met houtsnijwerk, dat verguld en in houtreliëf is aangebracht, stellen symbolen en godsdienstige plechtigheden voor van de volken, waartoe leden der Orde behoorden, met de prachtige graven der Grootmeesters van elke afdeeling.

Al die graven, behalve die van de duitsche kapel, zijn met marmer bekleed, en erboven prijkt het borstbeeld of het beeld ten voeten uit van den overledene, terwijl er gebeeldhouwde medaillons en schilderwerk omheen zijn aangebracht. Verscheiden van die kunstwerken werden door Matthias Préti uitgevoerd. Die van de duitsche kapel zijn van een maltezer kunstenaar.

Als men de basiliek betreedt, die er van buiten zoo eenvoudig uitziet, wordt men allereerst getroffen door de rijke versiering. Men moet daarbij echter niet vergeten, dat meer dan drie eeuwen lang het heiligdom der Ridders voortdurend verfraaid kon worden door de groote mildheid der Orde, Boven het hoofdaltaar, dat druk bewerkt is, schittert op een breed voetstuk een groote marmeren groep, den doop van Christus door Johannes den Dooper voorstellend. Dat prachtige, witte kunstwerk is van den maltezer kunstenaar Melchior Gaffa, die het plan ontwierp en nog een begin maakte met de uitvoering. Na zijn dood werd het voltooid door den beroemden beeldhouwer Bernini.

Zilveren pilaren scheiden het koor van de rest der kerk. Het plaveisel der kerk bestaat geheel uit groote marmeren grafsteenen van verschillende kleur, waarin kostbare gesteenten mozaïeken vormen. Een reuzenbladzijde met necrologieën ontrolt zich voor onze voeten. Daar staan de groote heldenfeiten te lezen uit het leven der roemrijke strijders. De geheele hooge aristocratie van Europa kan er de eene of andere herinnering vinden van een voorvader of vriend.

Het graf van den Grootmeester Nicolaas Cottoner maakt vooral een diepen indruk. Op een voetstuk, door twee karyatiden gedragen, ziet men twee overwonnenen, een Muzelman en een neger in ketenen, verder het bronzen borstbeeld van den Grootmeester met den kraag der geestelijken en het harnas van den krijgsman, en dat alles op een hoop aan den vijand ontnomen vlaggen. Ook kan men er de halve maan der Mohammedanen op vinden met helmen, kanonnen en wapens van allerlei soort. Alles is in wit marmer uitgevoerd. Achter het borstbeeld verheft zich een pyramide met het wapenschild en de Faam, die op een bazuin blaast, terwijl een engel op de groep wijst. Die figuren, het schild en de pyramide zijn ook van marmer. Het geheel is van zeer decoratieve werking en maakt een rijken indruk.

De Orde had aan Nicolaas Cottoner den aanleg van verscheiden versterkingen te danken. Een ervan draagt nog zijn naam. Hij droeg veel bij tot de weerbaarmaking van Floriana en Marsa Muscet. Om de verdediging van den ingang tot de groote haven te voltooien, liet hij het fort Ricasoli of het Koningsfort aanleggen van de dertig duizend kronen, die een Ridder voor dat doel afstond. Paus Clemens de Tiende wenschte in een pauselijken brief den Grootmeester Nicolaas Cottoner geluk met zijn pogingen om Malta te versterken, Malta, dat het bolwerk was voor alle staten der christelijke wereld.

Het grafmonument, dat opgericht werd voor Raymond Perellos de Roccafoull van de "Tong" Aragon, baljuw van Negropont, vóór hij tot het grootmeesterschap werd verheven, is zeer rijk versierd en van groote uitwerking. Zijn bronzen buste komt naar voren uit een uitgehold marmeren medaillon. Erboven prijken zijn wapens, door vlaggen omgeven. Aan den voet staat een engel, leunend op de attributen der lictoren. Het Recht, voorgesteld door een vrouw, houdt de weegschaal; een vrouw zoogt een kind. Die beide vrouwenfiguren van wit marmer zijn gezeten aan weerszijden van het monument. Het voetstuk vertoont een bundel wapens en schilden, op het een waarvan men de halve maan ziet, terwijl op het andere een Gorgonenhoofd is afgebeeld.

De Grootmeester Raymond Perellos had een lange en aan feiten rijke regeering. Hij onderscheidde zich door zijne groote vrijgevigheid voor de gezinnen, wier leden in den dienst der Orde stierven; hij bracht veel nieuwe versterkingen aan en verwaarloosde niets van wat hij meende dat geschikt kon wezen om den glans en den roem der Orde te verhoogen. Tweemaal per jaar worden aan de muren van de kathedraal prachtige tapijten opgehangen, die het leven van den Verlosser voorstellen, en den Triomf van het Christendom. Ze zijn een legaat van den Grootmeester Perellos.

Het monument, dat gebouwd is voor den Grootmeester Marcus Antonius Zondodari, die uit Siena geboortig was, is ook zeer prachtig; het onderscheidt zich door een gelukkige vereeniging van marmer en brons. Als bij al die grafmonumenten in de Sint-Janskerk der Ridders van Malta, brengt een legende, in het voetstuk gebeeldhouwd, de deugden en weldaden van den Grootmeester in herinnering. Hier ziet men hem, liggend op zijn doodkist, die door naakte kinderen wordt gedragen. De Oorlog, voorgesteld door een vrouw, schijnt met behulp van een kind bezig, de plooien te leggen van de vlag, waarin hij zal begraven worden.

Antoine Manuel de Vilhena, Portugees van de afdeeling Castilië, werd tot Grootmeester gekozen bij den dood van Zondodari. Het voor hem opgerichte monument behoort tot de mooiste, die de prachtige Sint-Janskathedraal der Maltezer Ridders sieren. Altijd bewondert men de harmonieuse rangschikking der onderdeelen, die al die graven kenmerkt, den overvloed van motieven en symbolen, die er levendigheid aan geven, en den rijkdom en de verscheidenheid der gebruikte materialen.

Bij dit laatste wordt het borstbeeld, gevat in een medaillon, door een krans van laurierbladen gevormd, door engelen aangeboden. Op de voorzijde heeft de Faam naast de wapens met een kroon er boven de bazuin aan den mond gebracht. Op de sarcofaag, door bronzen leeuwen gedragen, houdt een kind het zwaard opgeheven, den enormen eeredegen van den Grootmeester. Andere kinderen storten tranen.

Antoine Manuel de Vilhena had alle rangen der Orde doorloopen. Hij was gewond geworden bij een aanval op twee tripolitaansche schepen, die generaal Antoine Corea de Souza in 1680 buit maakte. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot majoor, kolonel en commandant van een galei, tot commissaris der bewapening, groot-kanselier der Orde, baljuw van Acre en eindelijk tot schatmeester der Orde. In zijn qualiteit van Grootmeester liet hij het fort Manuel oprichten op het eilandje Marsa-Muscet.

Wij mogen bij deze beknopte opnoeming niet vergeten het graf van Jean de la Valette, die in 1586 stierf. Een lang opschrift telt zijn heldendaden op, zijn overwinningen op de Turken, de beroemde belegering, die hij van het leger van Soliman had te doorstaan, en vooral de stichting van de groote stad, die door zijn toedoen zoo gevreesd werd. Soliman de Tweede zag met de grootste bezorgdheid de toenemende macht, welke de Ridders in de Middellandsche Zee kregen, en waarvan hij de duidelijkste blijken kreeg door de vernieling van de meeste zijner vloten. Hij besloot Malta aan te vallen en er de Ridders uit te verdrijven, die hij te voren reeds van Rhodus had verjaagd. In den loop van het jaar 1565 drongen honderd-vijftig turksche schepen in de haven van Marsa Scirocco binnen, en zetten er zestig duizend gewapende mannen aan land, onder bevel van den pacha Mustapha, van Dragut, en van den dey van Algiers.

De gedenkwaardige belegering van La Valette deed de dapperheid der Ridders duidelijk uitkomen. De Grootmeester van Malta, Jean Parisot de la Valette, bewees in die moeilijke omstandigheden, dat hij waardig was de opvolger van L'Isle Adam te zijn. Zijn stoutmoedigheid en zijn militaire talenten gaven hem daar recht op.

De resultaten van de toen op de Turken behaalde overwinning waren niet gering. Malta was bevrijd; Italië was weer veilig en Europa kon gerust zijn. Twintig duizend Turken waren op het slagveld gebleven, en generaal Mustapha, hun aanvoerder, had met het overschot van zijn leger een toevlucht gezocht aan boord van zijn schepen en ging heen van Malta. Keizer Soliman kreeg een zeer diepen indruk van deze nederlaag. Hij dacht er over, een nieuwe expeditie te organiseeren, die hij zelf wilde leiden en waarover hij in persoon het bevel dacht te voeren, toen de dood hem overviel te midden van zijn plannen van wraak en vernieling.

Na die roemrijke zegepraal liet de Grootmeester La Valette, ondanks zijn hoogen leeftijd en zijn wonden altijd even onvermoeid, de versterkingen, die de Turken hadden verwoest, herstellen. Hij beloonde op edelmoedige wijze zijn bondgenooten en de bewoners van het eiland, die hem met zelfverloochening hadden bijgestaan, en die bij dit beleg meer dan zeven duizend van hun landgenooten hadden verloren.

Toen was het, dat met den materiëelen steun, dien Frankrijk, Spanje, Portugal en de italiaansche vorsten hem verleenden, hij in 1566 de fondamenten legde van de naar hem genoemde stad.

Wij hebben nog niet van de oneenigheid gesproken, die er ontstond tusschen hem en den paus en die de laatste jaren van het roemrijk bestaan van Jean Parisot de La Valette verbitterden. Om de droefgeestigheid te verjagen, die zich van hem had meester gemaakt ten gevolge van die moeilijkheden, steeg hij te paard, gevolgd door zijn jachtgezelschap, en begaf zich naar de vlakte aan de golf van Sint Paul, om er patrijzen te jagen. De zeer groote hitte van dien dag hinderde hem; hij kreeg een zonnesteek en kwam met koorts in de stad terug. Na den dood van de La Valette vermeerderden de Grootmeesters, zijn opvolgers, de versterkingen der door hem gebouwde stad.

Zij bouwden ook nieuwe forten in het binnenland van het eiland en stelden de kusten beter in staat van verdediging. Maar deze maatregelen bleken nog niet voldoende, om aan de sultans van Turkije alle hoop te ontnemen, zich eenmaal weer van dat eiland meester te maken, dat hun handel steeds maar weer afbreuk deed. Zij deden van tijd tot tijd landingen, maar ze werden telkens verslagen en met groot verlies teruggeslagen. Eindelijk maakten de Maltezers zich meester van een turksch schip, dat met aanzienlijke rijkdommen beladen was. Het had prins Osman en prinses Fatima aan boord, kinderen van keizer Ibrahim, die op weg waren naar Alexandrië met het plan naar Mekka te reizen.

Op Malta werden de doorluchtige reizigers met de grootste onderscheiding behandeld en men bewees hun alle eer, die men aan hun rang verschuldigd was. En wat als bewijs kan dienen voor de groote edelmoedigheid der Ridders, prinses Fatima werd, met geschenken overladen, op haar eigen schip teruggezonden naar Konstantinopel. Prins Osman, die getroffen was door zooveel edelmoedigheid, wilde Malta niet weer verlaten. Hij ging tot het Christendom over en werd monnik op Sint-Dominicus, waarvoor hij afstand deed van de kroon van een groot rijk, zonder zelfs de waardigheid te willen aannemen van kardinaal, welke de paus hem aanbood. Ibrahim, die ten diepste gegriefd was in zijn hart en in zijn politiek, besloot zich te wreken door de verwoesting van Malta. Hij maakte reeds verbazende toebereidselen voor dat doel, toen de dood hem verraste, zooals hij het Soliman had gedaan, vóór de wraakplannen tot uitvoering waren gekomen.

In de kapel, aan de "tong" van Frankrijk gewijd, herinnert het graf van graaf du Beaujolais aan het lijden van een ongelukkigen prins uit het huis Bourbon, die in 1808 op Malta stierf, waar hij om gezondheidsredenen was heengegaan. Men vindt er ook het graf van den Grootmeester Emmanuel de Rohan, welke graftombe een schoon kunstwerk te zien geeft, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend, van de hand van Michel Angelo van Caravaggio.

In de krypt bevinden zich de graven van verscheiden andere Grootmeesters, o.a. dat van Villiers de l'Isle Adam. De onderaardsche kapel van het Heilige Kruis bevat ook de graven van Pierre du Pont, gestorven in 1535, dat van Jean d'Omèdes, die de Sint-Elmus- en Sint-Michielforten liet bouwen en vele bastions liet aanleggen. Hij overleed in 1533. Dan is er het graf van Claude de La Sangle, aan wien de verdedigingswerken van de naar hem genoemde voorstad veel te danken hebben; verder de graven van Guidalotti de Monte en van Jean Lévèque de le Cassière, in 1581 overleden. Aan dien Grootmeester heeft men ook den bouw van de Sint-Janskathedraal te danken, en hij zorgde ervoor, dat de stoffelijke overblijfselen van zijn doorluchtige voorgangers daarheen werden overgebracht.

De schatkamer der Sint-Janskerk was in den tijd der Ridders door geheel Europa beroemd, zoo groot was het aantal zeer kostbare voorwerpen, dat ze bevatte.

Men kon er als reliek een hand van Johannes den Dooper zien, in goud gevat en ingelegd met diamanten, robijnen en andere kostbare steenen. Zij was door Bajazet geschonken aan Pierre d'Aubusson, Grootmeester van Rhodus. Er wordt ook melding gemaakt van een kruis van edelgesteenten, dat een stukje van het echte kruis zou bevatten, dan van een gouden lampetkan, gevuld met kostbare steenen, die Hendrik de Achtste van Engeland aan Villiers de l'Isle Adam had aangeboden na het verlies van Rhodus; dan van een prachtigen degen en van een dolk, door Filips den Tweeden, koning van Spanje ten geschenke gegeven aan den Grootmeester La Valette na zijn roemrijke verdediging tegen de Turken. In grooten getale waren er verder de voorwerpen van goud, zilver en diamanten, die de Grootmeesters en Groot-Priors van iedere "tong" der Orde verplicht waren elke vijf jaar, aan de kerk aan te bieden. Geen enkele basiliek bezat zooveel kostbare voorwerpen, zooveel lampen en kandelabers van zilver en van die hoogte en zwaarte, dat twee mannen ze slechts met moeite konden dragen. Van al die rijkdommen is er niets meer over. Men beschuldigt het Directoire ervan, ze te hebben geroofd.

De vlag der Orde, en de kostbare schatten van de Sint-Janskerk, welker waarde verscheiden millioenen bedroeg, werden meegevoerd op het fregat La Sensible. De commandant van het schip, die tusschen Malta en Toulon door de Engelschen werd aangevallen, liet, vóór hij zich overgaf, alles over boord werpen. Zoo werden de schatten van de Sint-Janskerk op Malta vernietigd; alleen de staatsiedegen, dien de Grootmeester der Orde bij plechtige gelegenheden droeg, ontkwam aan de algemeene ramp. Bij de capitulatie van het eiland werd het staatsiewapen ter hand gesteld aan Napoleon, die het toevertrouwde aan markies de Dolomieu, door wien het Directoire ervan in het bezit werd gesteld. En zoo dient die degen nu tot opluistering van een vitrine in de Nationale Bibliotheek, afdeeling medailles.

Midden in La Valette, op het plein Saint-Georges, staat het Regeeringspaleis, oude residentie der Grootmeesters, gebouwd door Hyacinthe del Monte. Dat is een groot en zwaar bouwwerk, meer op een vesting dan op een paleis gelijkend. Twee overdekte terrassen en balkons versieren den voorgevel; maar dat zijn toevoegsels van betrekkelijk nog jongen datum. Onder Grootmeester de Pinto werden beide poorten, die uitkomen op het plein Sint-Georges, verfraaid met enkele versieringen, waarvan de stijl slecht past bij het overige gebouw.

Er is een opschrift, dat mij, als ik den muur, waarop het is aangebracht, aanzie, aan het droomen brengt. Het luidt: "Magnae et invictae Britanniae-Melitensium amor et Europae vox--has insulas confirmant--A.D., 1814" d.w.z.: "Aan het groote en onoverwinnelijke Brittannië--de liefde van de Maltezers en de stem van Europa--wordt het bezit van deze eilanden gewaarborgd."

Maar daar de waarheid is, dat het Congres van Weenen in 1814 aan de Engelschen Malta liet behouden met de eilanden in de buurt, kan men moeilijk beweren, dat het de liefde der Maltezers is geweest, waardoor dat bezit werd gewettigd.

Het Regeeringspaleis, de oude verblijfplaats der Grootmeesters, wordt tegenwoordig bewoond door den gouverneur van Malta, en de administratie is er met haar kantoren gevestigd. Op een binnenplein staat een bronzen beeld van Neptunus, een werk van Jean de Boulogne, dat eertijds in het Marinegebouw stond.

Nadat men een breede, witmarmeren trap is opgegaan, komt men door galerijen, waarvan één versierd is met de portretten van de Grootmeesters der Orde, en de andere met schilderijen, voorstellende de wapenfeiten en de heldendaden der Ridders.

Die laatste galerij leidt naar de feestzaal, waar een vorstelijke troon staat met de wapens van Engeland, en in de tapisseriezaal, waar vroeger de Raad der Orde bijeenkwam voor zijn beraadslagingen.

De leunstoel van den Grootmeester is er nog. De gobelins, die de wanden bedekken, personifiëeren de vier werelddeelen. Enkele schilderijen van veldslagen dragen tot de versiering bij. Op de galerij komt ook uit de groote wapenzaal met de bijzonder mooie en rijke verzameling wapens uit de Middeleeuwen, maliënkolders, dijharnassen en armstukken, kurassen, helmen, schilden en hellebaarden, de eerste vuurwapenen, vuursteen- en andere geweren, in het geheel veertig duizend, en eindelijk het zwaard van den beruchten zeeroover Dragut. Tusschen al dat moordtuig hangt het portret van den Grootmeester Wignacourt, door Caravaggio geschilderd.

De bibliotheek van La Valette is ondergebracht in een sierlijk gebouw, dat onder den Grootmeester de Rohan tot stand is gekomen. Zij is gesticht in 1760 door den franschen baljuw Louis Guérin de Tencin en ze werd eerst overgebracht naar het gebouw, waar zij zich thans in bevindt, enkele jaren voor de verspreiding der Orde door Bonaparte.

De boekenschat werd samengesteld uit de particuliere boekenverzamelingen der Ridders, die gehouden waren hun boeken na te laten aan die openbare instelling. Het gebouw staat in een tuin, en is in ionischen stijl opgetrokken, sober van versieringen en toch bijzonder mooi.

Een breede laan leidt erheen. Een trap, die zich bovenaan in tweeën splitst, geeft aan de eene zijde toegang tot de administratiekamer en aan de andere tot de bibliotheek met haar 60.000 deelen. Er zijn daar kostbare manuscripten, oude drukwerken en zeer interessante archieven, die betrekking hebben op de oudste tijden der beschaving van het eiland Malta. Opmerkelijk is ook, in een klein museum naast de bibliotheek, een rijke collectie van voorwerpen der natuurlijke historie van het eiland en vooral van de mineralogie. Met belangstelling zal men er kennis nemen van oude dingen van phoenicische en grieksche afkomst, op Malta en Gozzo aangetroffen.

Onder de interessante gebouwen van La Valette moet het Justitiegebouw worden genoemd, dat oudtijds een geheel andere bestemming had, want het was de herberg van de "tong" Frankrijk. Genoemd moeten ook worden de beide schouwburgen, de eene, die reeds oud is, werd opgericht onder den Grootmeester Manuel de Vilhena. De andere, van jongen datum, is grooter en weeldiger ingericht. Het is het Massimo- of Koningstheater. In 1873 werd het door brand verwoest, waarbij alleen de muren bleven staan; het is sedert dien tijd weer opgebouwd, maar het heeft nooit de schoone versieringen teruggekregen, die de zaal vóór den brand opluisterden.

Het Marine-arsenaal, dat men niet zonder speciaal verlof mag bezoeken, is hoogst belangwekkend. Men kan er alle moderne verbeteringen aanschouwen ter zake van zeevaart en den oorlog ter zee, en het geeft te denken naar aanleiding van de macht der britsche marine. Alle machines ziet men er in beweging; alle instrumenten zijn gereed of kunnen dadelijk in werking worden gesteld, als er iets aan eenig schip moet worden gerepareerd. Voorraadmagazijnen grenzen aan het arsenaal en kunnen de vloot en het leger van het noodige voorzien, zoowel in tijd van oorlog als in dien van vrede. In de buurt zijn de dokken, die de grootste pantserschepen van de engelsche zeemacht kunnen bergen.

Er zijn te La Valette verscheiden hospitalen, waarvan één in het westelijk deel van de voorstad Floriana. Er zou niets bijzonders zijn te zeggen over die laatste inrichting, als zij niet de allervreemdste zaal bevatte, die men maar met mogelijkheid kan zien, en ik betwijfel het, of er wel ergens een dergelijke te vinden is. Het is werkelijk niet te begrijpen, hoe men op het zonderlinge en lugubere denkbeeld is gekomen, de wanden dier zaal geheel uit beenderen te doen bestaan. Bovendien is in een hooge nis een symbool van den tijd geplaatst, een skelet met een zeis in de hand, omgeven door de begrafenisattributen van den sombersten aard.

Van beenderen heeft men er allerwonderlijkste wapenrustingen gemaakt, voorts teekeningen, guirlanden en allerlei versieringsmotieven. Op enkele plaatsen zijn symmetrisch en op bepaalde afstanden hoopen schedels neergelegd; elders heup- en dijbeenderen, die als degens elkander kruisen. Het is griezelig en belachelijk tevens, en men kan zich geen voorstelling maken van het denkbeeld, dat bij die decoratie heeft voorgezeten.

Op korten afstand van La Valette zijn twee kerkhoven, de turksche begraafplaats met opengewerkte koepels en witte minarets, die het kerkhof in de verte op een kleine oostersche stad doen gelijken, en het stadskerkhof op een plateau, waar een gothische kerk staat met een slanken klokkentoren.

Op een dag verliet ik La Valette, om mij naar Città Vecchia te begeven of Città Notabile, de oude hoofdstad van het eiland. Bij het verlaten van de stad door de massieve poort aan de wallen, die den naam draagt van de Città-Vecchiapoort, lag er een in verblindend zonlicht badende weg voor mij. Ik zag de reusachtige waterleiding, die de Grootmeester Aloys de Wignacourt had laten aanleggen in 1616, en die nu nog La Valette van water voorziet. Altijd bleef het een verblindende zon, waarin ik slechts met moeite de voorwerpen herkende, een terugkaatsing van het licht, die pijnlijk was, zoodat ik met half gesloten oogen liep.

Nu en dan verrees er in de verte een witte massa en draaide in spiralen rond, werd grooter en steeg op naar de lucht, om dan met verwonderlijke snelheid ons te naderen en te omhullen. Het was een stofwolk, door den wind voortgedreven, en een tweede wolk volgde nog op de eerste.

Dan plotseling lag weer het land onder de schitterende zonnestralen te branden, dor en droog en als verkalkt door de hitte, neerdalend van den donkerblauwen hemel.

Alles was verblindend, de grond, de boomen, de verre gebouwen. Het leek op sneeuw of op ongrijpbaar wit poeder, dat alles overdekte. De lucht zelve was er door verduisterd.

Meer op een afstand teekende, op een hoogte, een stad zich af tegen den horizon, een mooie stad met een middeleeuwsch silhouet en palmen, uitstekend boven de muren; dat was Città Vecchia. Op de golvende vlakte links zag men dorpjes met alleenstaande klokkentorens.

Steenen muren, waarop enkele vijgeboomen met hun stoffige bladeren groeiden, omgaven de tuinen en sloten den weg in. Nu en dan ging mij een voetganger voorbij, gebogen onder den storm van zon en stof, of een arme vrouw, die een half naakt kind aan de hand had, en dan was de stilte weer daar.

Wij beklommen den heuvel, gingen over een ophaalbrug, en waren in een smalle straat, die bochtig was, maar ons toch naar de kathedraal zou brengen, het eenige bouwwerk, dat wij te Città Vecchia hebben te bezoeken.