Malta en de Maltezer Orde De Aarde en haar Volken, 1906

Part 3

Chapter 3 3,728 words Public domain Markdown

De eerste klasse bestond uit de Ridders van het recht, die dezen eeretitel droegen op grond van hun edele afkomst. Alleen zij konden het brengen tot de waardigheid van Baljuw, tot die van Prior, Grootkruis geheeten, en tot die van Grootmeester. Later werden ook de Ridders der Genade ertoe gerekend, die, van een adellijken vader en niet adellijke moeder afkomstig, dispensatie van den paus noodig hadden, om tot die waardigheden te worden toegelaten. Een bepaling van de statuten hield in, dat zij, wier vader of die zelf den een of anderen handel hadden gedreven, die bankiers of wisselagenten, boekhouders of boeren waren geweest, die een winkel of magazijn hadden gehad, ook al waren zij van edelen bloede, nooit tot broeders-ridder konden worden toegelaten.

De tweede klasse omvatte de dienstdoende geestelijken in de kerken van Sint Jan, die aalmoezeniers konden worden op de schepen of galeien.

Een derde klasse omvatte de broeders-zieleherders, leden der Orde, die, zonder broeders of ridders te zijn, onder de bevelen der ridders dienden in den oorlog of in de hospitalen.

Daarna kwamen, niet de minst belangrijke, de priesters en dienstdoende broeders in de lagere ambten van klooster en hospitaal. En eindelijk had men nog de dames religieuses van de Maltezer Orde, wier kloosters in Frankrijk, Italië en Spanje waren gevestigd. Er werden voor hare toelating dezelfde eischen van adeldom gesteld als voor de Ridders.

De orde van Sint Jan van Jeruzalem was gesticht in denzelfden geest en naar hetzelfde model als de oude ridderschap. In het begin nam men enkel leden aan te Jeruzalem of ten minste op gewijden grond. Altijd werd als hoofdeisch voor de toelating gesteld, dat men authentieke bewijzen moest kunnen bijbrengen voor adellijke afkomst. Allen moesten adellijke krijgers tot voorvaderen hebben gehad. Later had men behoefte aan aanvulling der gelederen, die gedund waren in de oorlogen tegen de ongeloovigen, en de Hooge Raden der Orde stonden toe, dat na het onderzoek van de titels van adeldom men als nieuwelingen leden mocht opnemen uit de groote priorkloosters van Europa.

In het jaar 1355, waarin de oudste registers beginnen van de fransche grootprioraten, nam men enkel edellieden aan, wier namen en geslachten in hun provincie bekend en beroemd waren. En die gestrengheid werd niet alleen volgehouden, maar werd nog verscherpt, toen soms lieden van ouden adel rijke niet-adellijken huwden. Van dien tijd af werd een proces-verbaal gevorderd, dat de legimitatie en de afkomst van den candidaat boven allen twijfel stelde. Buitendien moest dit proces-verbaal formeel bewijzen, dat zijn ouders, grootouders, overgrootouders, tot meer dan een eeuw in de geschiedenis terug, edellieden waren geweest.

Drie bewijzen werden gevorderd, door getuigen, door brieven, door plaatselijke en geheime inlichtingen.

Het eerste vereischte het getuigenis van vier adellijke getuigen. De commissarissen, die meestal oud-commandeurs waren, deden hen, vóór ze werden gehoord, een plechtigen eed zweren. Het tweede bewijs bestond in een nauwkeurig onderzoek van de titels en aanspraken, door den candidaat ingeleverd. Om het derde bewijs te erlangen, waren de commissarissen genoodzaakt, zich te begeven naar de geboorteplaats van den candidaat, daar een zeer bescheiden, maar niettemin zeer nauwkeurig onderzoek in te stellen, en wel niet alleen waar de candidaat zelf was geboren, maar ook op de plaats, van waar de familie afkomstig was.

Waren zij in het bezit van al die bewijzen, dan maakten de commissarissen een proces-verbaal op, dat naar den Grootmeester op Malta werd gezonden, die, na den Raad der Orde te hebben gehoord, het godsdienstig gewaad aan den aanvrager liet uitreiken.

Men ziet dus, met hoe groote zorg de nieuwelingen onder de Ridders werden opgenomen, ten einde toch maar in die godsdienstige militie een hoogen en volkomen authentieken adel te behouden.

Als er niets mankeerde aan de bewijzen ten gunste van een candidaat, kon hij worden aangenomen op drie tijden of op drie verschillende leeftijden. Hij trad als mondig lid tot de Orde toe op zestienjarigen leeftijd, ofschoon hij zich eerst op 21-jarigen leeftijd naar Malta behoefde te begeven; hij betaalde als intreêgeld ongeveer 260 gouden kronen. De aangenomen candidaat kon ook als page van den Grootmeester al op twaalfjarigen leeftijd toetreden en mocht dat blijven tot zijn vijftiende jaar. En eindelijk, in de laatste jaren van het bestaan der Orde maakte men ook minderjarigen tot lid, namelijk kinderen in de wieg.

De Ridders, die in het Kapittel waren opgenomen, nadat ze de bewijzen van ouden adel hadden geleverd, welke wij hebben opgenoemd, huwden niet en kregen eerst stem in het Kapittel, als ze hun "karavaantocht" hadden meegemaakt, dat is, als ze aan de gewapende expedities hadden deelgenomen.

De Orde, die bestond uit Ridders van wel acht verschillende volken, werd verdeeld in acht "Tongen", namelijk Provence, Auvergne, Frankrijk, Italië, Castilië, Aragon, Engeland en Duitschland.

De "tong" Italië was bijzonder streng in de toelating, want ze eischte van elk der candidaten tweehonderd jaren van erkenden adel voor elk der vier kwartieren, terwijl die vier kwartieren reeds een onmisbare voorwaarde waren voor de toelating. Overeenkomstige eischen werden in de afdeelingen Aragon en Castilië gesteld. Maar er was op Malta geen volk, waarvoor de bewijzen nauwkeuriger werden onderzocht dan voor Duitschland.

De Ridders waren bijzonder gevoelig op het punt van eer, en tweegevechten kwamen veelvuldig te La Valette voor. Die duels waren echter aan zekere beperkingen gebonden. Zoo moesten de tegenstanders, wilden zij niet de zwaarste straffen over zich zien gebracht, den degen in de schede steken, onmiddellijk als een vrouw, een priester of een ridder het hun beval. Men zou geneigd zijn te denken, dat de duels in zulke omstandigheden zelden bloedig zouden zijn. Dat is echter een dwaling. Wanneer een Ridder in een duel was gedood, werd er altijd een kruis geteekend op den muur tegenover de plaats, waar hij gevallen was. Er waren veel van die kruisen te zien in de straten van La Valette.

Twee Ridders kregen eens twist bij het biljartspel. Een van hen, die den ander reeds veel beleedigingen had toegeslingerd, vergat zich ten slotte zoozeer, dat hij tot handtastelijkheden overging en den tegenstander sloeg. Daarna weigerde hij zijn verontschuldigingen aan te bieden of den degen te kruisen. Dat was een schandaal voor het geheele eiland Malta, waar geen voorbeeld bekend was van een dergelijke lafheid. De op zoo grove wijze beleedigde officier riep herhaalde malen zijn tegenstander op en liet hem telkens den tijd, na te denken over de gevolgen van een weigering. Maar alles was vergeefsch; de beleediger bleef zich onttrekken aan de gevolgen zijner daad.

Hij werd veroordeeld, gedurende vijf-en-veertig achtereenvolgende dagen boete te doen in de kathedraal van Sint Jan, daarna vijf jaren in een gevangenis door te brengen en zijn leven in gevangenschap in een fort te besluiten. Naar men meent is door geen maatregel van genade dit strenge vonnis verzacht.

De Orde was, zooals wij boven hebben gezien, verdeeld in "Tongen", en aan elk van die was een paleis toegewezen voor haar vergaderingen. De Ridders gebruikten er hun maaltijden; vandaar dat die paleizen wel herbergen werden genoemd. Die acht "herbergen" bestaan nog onder dezelfde namen van vroeger, dus herbergen van Provence, van Auvergne, van Frankrijk, van Italië, van Aragon, van Duitschland, van Castilië en van Engeland.

Frankrijk had drie herbergen. Daaruit kwamen de meeste Grootmeesters der Orde voort; zij leverde de meeste ridders en droeg het meeste bij tot den roem en de grootheid der Orde. Door een zonderlingen loop van zaken, die onverklaarbaar moet heeten, was het voor Frankrijk weggelegd, de grootsche instelling op Malta te vernietigen, welke het eeuwenlang toch zoo krachtig had gesteund.

Toen het leger, dat Bonaparte naar Egypte bracht, in 1798 Malta voorbijging, bezat de Orde ondanks den achteruitgang in haar financiën er toch nog een voorraad van 1500 kanonnen, mortieren en houwitsers, 35.000 geweren, 12.000 vaten kruit, twee schepen van groote afmetingen, een fregat, drie galeien enz. Het personeel bestond uit een effectief van 17.000 man, onder wie 332 Ridders. Die hulpbronnen, die toch werkelijk niet te versmaden waren, werden ongebruikt gelaten door den Grootmeester; hij liet, zonder weerstand te bieden, Bonaparte zich van La Valette meester maken en ook van de oude stad. Den 13den Juni werd er een overeenkomst gesloten, waarbij de heerschappij over Malta en onderhoorigheden overging aan de Fransche Republiek. Die verovering van Malta door de Franschen maakte een einde aan het politiek bestaan der Ridders van St. Jan.

De ontruiming van het eiland door den Grootmeester en de Ridders berokkende den bewoners onberekenbare verliezen. Vooreerst was de Grootmeester hun schuldenaar voor ongeveer een millioen francs, en de op Malta wonende Ridders ten getale van meer dan 600, lieten aanmerkelijke schulden na. Aan den anderen kant waren vele familiën, waarvan de leden ambten op het eiland bekleedden, geruïneerd.

De verplichting, die hun werd opgelegd, om officieren te herbergen, werd als een zeer hinderlijke maatregel beschouwd. De zeden der Maltezers werden gekrenkt door het feit, dat de menschen vreemdelingen tot hun huiselijken kring moesten toelaten. Eindelijk werkte ook de belasting, die er moest worden opgebracht, om in de onkosten van de kazerneering der soldaten te voorzien, de ontevredenheid in de hand. Deze openbaarde zich in heviger mate te La Valette dan op het platteland.

Zoodra het eiland onder fransch bestuur was gekomen, werd het door Sicilië op den index geplaatst, en dat eiland weigerde den toegang tot zijn havens aan de verschillende maltezer schepen, die er zich van levensmiddelen kwamen voorzien. De verschijning van enkele engelsche fregatten in de wateren van Malta, kort na de bezetting door de Franschen, belette het uitgaan der koopvaardijschepen, geladen met katoen voor Spanje uit de haven van La Valette. Daar zoo de katoenhandel geknakt was, waren de vrouwen, die over het algemeen geen andere hulpmiddelen hadden dan het spinnen, tot den bedelstaf gebracht.

Alles scheen buitendien samen te werken, om de Maltezers ontevreden te stemmen. Men had het grootste gedeelte van het zilver, dat zich in de schatkist van de oude stad bevond, weggehaald, om er geld van te munten. De kloosters, behoorende tot dezelfde Orde, moesten tot een enkel worden vereenigd, en de acten van den Burgerlijken Stand moesten in orde worden gemaakt als in Frankrijk. Velen meenden daaruit te moeten opmaken, dat de doop was afgeschaft en dat voortaan het huwelijk als sacrament opgehouden had te bestaan, enz. enz.

Al die verschillende redenen van ontevredenheid, gevoegd bij de vooroordeelen, die men in den geest der Maltezers had doen ontstaan in zake de Fransche Revolutie, hadden het terrein uitstekend voorbereid voor den opstand, welke plotseling uitbrak tegen de fransche overheersching. De aanhangers van het hof van Napels en de Engelschen waren er mogelijk niet geheel vreemd aan....

Waarschijnlijk zal men met verbazing vernemen, dat de Orde der Maltezer Ridders nog bestaat. Evenals vroeger is zij in "Tongen" verdeeld, dat wil zeggen in verschillende nationaliteiten. Men heeft de italiaansche afdeeling, die tegenwoordig omvat het Groot-Prioraat van Rome, het lombardisch-venetiaansch Groot-Prioraat en dat der Beide Siciliën, dan de duitsche afdeeling, die het boheemsche Groot-Prioraat bezit en de spaansche afdeeling. Buiten die vier "Tongen" vormen takken der Orde geregelde genootschappen, dat der rijnsch-westfaalsche Ridders, dat der silezische Ridders, dat der engelsche Ridders en dat der fransche Ridders.

De Orde is vaak door de europeesche mogendheden erkend. Zij is diplomatiek vertegenwoordigd geweest op het Weener Congres in 1813 door twee gemachtigden, verder op het congres van Aken in 1818 en eindelijk op het congres van Verona in 1822.

In 1844 stelde de hertog de Broglie voor, de Orde af te vaardigen als gemachtigde van alle beschaafde volken naar een internationale conferentie tot afschaffing der slavernij in Afrika. Bij de nog niet lang geleden gehouden Conferentie van Genève werd de Orde van Malta officiëel opgeroepen, en zij nam door haar afgevaardigde aan de debatten deel, waaruit de beroemde Conventie van het Roode Kruis voortvloeide.

De heer L. de la Brière heeft een zeer belangrijk werk uitgegeven over de Orde der Maltezer Ridders. Ik heb er de gegevens aan ontleend, die ik hier heb gebruikt.

De Orde is erkend door den Pauselijken Stoel; ze heeft een officiëelen gezant op het Vaticaan, die er aan alle plechtigheden deelneemt. "De katholieke mogendheden", zegt de heer de la Brière, "houden de Orde in eere, al zijn ze nog niet tot een diplomatieke uitwisseling van vertegenwoordigers overgegaan. De uniform van Malta wordt altijd aan de hoven van Europa met onderscheiding behandeld, en alle vorsten dragen in persoon de eereteekenen der Orde."

De schrijver verhaalt een zeer belangwekkend feit, waarvan de graaf Chandon de Briailles de held was. Tijdens den fransch-duitschen oorlog onderhield de graaf te Epernay op zijn eigen kosten een ambulance van zeshonderd bedden. De Duitschers maakten zich van de stad en van de ambulance meester. De graaf de Briailles wordt verwijderd, bijna uit het bezit gestooten van zijn eigen ambulance. Daar komt hij op het denkbeeld, zijn costuum van Maltezer Ridder aan te trekken en zoo te midden van zijn zieken te verschijnen; dadelijk bewijzen de Duitschers hem alle eer, groeten hem beleefd, laten hem vrij, om zijn liefdadig werk te vervolgen, en toonen voor zijn persoon den grootsten eerbied. Dus is het Maltezer kruis het voorwerp van algemeene vereering.

De Orde bezit ondanks de beroovingen, waaraan zij dikwijls heeft blootgestaan, nog haar plaatselijke inkomsten, vooral in Boheme, Tyrol en Italië. Het zijn schenkingen, die voor hun geheele leven aan enkele leden der Orde zijn gedaan. De begiftigden deden echter afstand van hun eigendom, om zich aan werken van liefdadigheid te wijden. Te Rome heeft de Orde in de deftigste wijk, in de Condottistraat, een groot paleis, waar de Grootmeester en de kanselarij wonen; op den Aventijn bezit ze een kerk en een klooster van Maria met een villa en uitgestrekte tuinen.

In Italië, Oostenrijk en Boheme bezit de Orde een honderdtal Commandementen, o.a. te Pérouse, Ferentino, Osimo, Viterbo, Orvieto, Pontecorvo, Parma, Sorrento, Beneventum, Palermo, Reggio, Weenen en Brünn.

De Orde werkt op hospitaalgebied, dat haar oorspronkelijk terrein was. Ze heeft haar hospitalen in Europa en in het Heilige Land; ze houdt haar oorlogsambulances in goeden staat, dat ze dadelijk in functie kunnen treden, evenals de treinen voor de ambulances. Haar leden hebben vooral in Westfalen en Silezië de hulp aan de gewonden op het slagveld in hun handen gecentraliseerd, en bezitten er een machtige organisatie.

De tegenwoordige staat der Orde omvat twee soorten van leden, die scherp onderscheiden categorieën vormen.

De eersten, de Broeders, in de Orde Ridders van het Recht genoemd, zijn zij die, na hun bewijzen te hebben geleverd, dus na door authentieke stukken hun acht kwartieren van adeldom te hebben bewezen zonder een enkele mésalliance, toegelaten zijn met een noviciaat van tien jaren, en die de kloostergelofte in den traditioneelen vorm hebben afgelegd met het oude ceremoniëel. Zij blijven in de wereld leven, maar zijn streng gehouden aan het godsdienstig celibaat. Er zijn van die broeders tien in geheel Europa.

De leden van de tweede categorie, of leden van eer en devotie, zijn veel talrijker, hun aantal bedraagt meer dan duizend. Zij leggen geen enkele gelofte af en behouden den adellijken titel hunner geboorte.

Bij uitzondering kan de Grootmeester vanwege belangrijke diensten, aan de Orde bewezen, onder den naam van Ridders der Genade, enkele begunstigde leden toelaten, van wie geen bewijzen worden gevorderd. Zoo iemand was de beroemde kardinaal Berryer, was ook kardinaal Lavigerie en dan ook het Academielid Michaud, die de geschiedenis der kruistochten schreef.

In Frankrijk heeft men alleen Ridders van eer en devotie, en dat aantal is nog vrij gering. Op den uitdrukkelijken wensch van den Grootmeester en op initiatief van baron de Montaignac hebben die Ridders zich vereenigd tot een genootschap van liefdadigheid, zooals dat ook reeds hadden gedaan de Maltezer Ridders van sommige andere landen. Wijlen de hertog de Sabran en wijlen de hertog de Mortemart zijn successievelijk voorzitter geweest van de groep der fransche ridders, wier hoofd op dit oogenblik de graaf de Rohan-Chabot is. Twee fransche geestelijken behooren ook tot het genootschap, de abt Pascal, kapelaan, en de abt Gonon, pastoor van Sint Jan van Malta, te Aix in Provence.

Elk jaar houdt het Genootschap een vergadering, waar over de werkzaamheden beraadslaagd wordt en waarbij door den kapelaan een mis wordt voorgediend voor de overleden broeders in de kapel van de basiliek van Montmartre, die aan Johannes den Dooper is gewijd. Aan het slot van dien dienst vereenigen de Maltezer Ridders zich gewoonlijk aan een vriendschappelijken maaltijd.

Te Parijs hebben ze het Sint-Janshospitaal met consultatiekamer, een huis op de hellingen van Montmartre in de schaduw van de kerk van het Heilige Hart; er is niets schitterends aan, en men ziet er enkel een vriendelijke villa, die vroolijk en eenvoudig in het groen is gelegen. Bij de algemeene armenzorg van Montmartre is een deel van het werk aan de Ridders opgedragen, en verscheiden keeren roept op den heuvel van het Heilige Hart het hospitaal van Sint Jan onder de troepen hongerigen diegenen tot zich, die het meest te beklagen zijn, om ze te troosten, te helpen en hun wonden en kwalen te genezen.

Het witte kruis met de acht punten is op de poorten aangebracht en ook op de meubels in de consultatiekamer. Een der ridders, graaf Gaston Chandon de Briailles, houdt persoonlijk toezicht op het werk en geeft zijn krachten en zijn hart aan de zaak.

Een ander lid van de Orde, tevens medicus, doet het geneeskundig en chirurgisch werk, graaf Churchill. Nadat hij in de Orde van Malta was opgenomen, en nadat de gewone jaren der academische studiën voor hem voorbij waren, heeft deze met ambitie naar het goede strevende man zich met allen ernst op de studie toegelegd en heeft den graad van doctor in de medicijnen verworven, alleen met het doel, zich volgens de wet aan de zorg voor de armen te mogen wijden in den geest der Orde.

Er was op Malta zelf ook altijd voor de Ridders werk in overvloed, want in de aardige stad La Valette met haar interessante herinneringen kent men donkere en ellendig armoedige straatjes. Bij een wandeling met den secretaris van het fransche consulaat kwamen we toevallig onverwachts in de wijk Manderaggio, het treurigste hoekje op Malta.

Uit de zindelijke en lichte straten waren we plotseling zonder overgang in een wirwar van steegjes verzeild geraakt, smalle nauwe doorgangen tusschen hemelhooge huizen, alle oud en vervallen. Het was als een doolhof en telkens liepen we stomp en moesten omkeeren, om ons eindelijk weer bij het begin terug te vinden.

Bogen hangen hier en daar over de straatjes heen en geven, naar het schijnt, stevigheid aan de oude muren, die vol spleten zitten, afgeschilferd zijn en waar door vuile buizen onwelriekend vocht stroomt. De bodem wordt gevormd door groote, platte steenen, die glibberig zijn door vuil, kleverig vocht. Overal ligt afval te verrotten en vergiftigt de lucht, terwijl keukengeuren uit de donkere holen opstijgen en door hun scherpte den voorbijganger de keel als toeschroeven.

Wie echter veel houdt van schilderachtige dingen, niet al te hevig gehinderd wordt door onaangename geuren, kan met de levendigste belangstelling een wandeling doen door Manderaggio. De bevolking, die in die ongenoemde steegjes woont, in dien wirwar van zonderlinge huizen, biedt veel belangwekkends aan. Nu en dan valt er een vreemd en grillig licht op groepjes kinderen, die er, o wonder, frisch en gezond uitzien op dien mesthoop; zij zingen en spelen, en de huisvrouwen gaan heen en weer op onbezorgde en vroolijke manier, maken groenten klaar, bereiden visch, en onder het knetteren van het bakken mengt zich gelach en vroolijk geroep, maar ook het geklok van het vuile water, dat van de bovenverdiepingen haastig door de afvoerbuizen naar beneden loopt.

In Manderaggio ziet men in de donkere gangen van de zoo oude huizen en het weerzinwekkende vuil van eindelooze ellende het intense leven even goed of beter dan in de rijke wijken van La Valette.

Die armoedige bevolking is overigens vol eerbied en hulpvaardigheid voor den vreemdeling, die zich onder haar waagt. Het kwam mij zelfs voor, dat ik er oneindig veiliger was dan in de straten van Palermo en Grenada, of, om kort te gaan, in alle groote steden van Spanje en Italië, waar men ook die groote tegenstellingen aantreft van rijkdom en armoede.

Ik wil daarmee niet zeggen dat het onveilig zou zijn, in die steden bij dag door de volkswijken te gaan, maar men krijgt toch een gevoel, of men op zijn hoede moet wezen. Te Palermo bij voorbeeld zal men, als men met aandacht een of ander belangwekkend type bekijkt, al gauw aangezien worden op een manier, die u uw schreden doet verhaasten, zonder dat men lust krijgt zich er langer op te houden. Hier ondervond ik niets dergelijks. Men beweegt zich overal zonder eenig gevaar.

III.

De monumenten van La Valette.--De Sint Jans-kathedraal en haar achttien kapellen met de graven der Grootmeesters.--Geschiedenis der voornaamste Grootmeesters.--Het verlies van de schatten uit de Sint Janskerk.--Het paleis der Grootmeesters.--De bibliotheek.--Het Paleis van Justitie, de oude herberg van Frankrijk.--Het arsenaal.--Een met beenderen behangen zaal in een hospitaal.--De kerkhoven.--Bezoek aan Città Vecchia, de oude hoofdstad van Malta.--Aanzien van het land.--De Sint Paulsgrot.--De Maltezers en de engelsche overheersching.

De groote Sint Janskerk der Ridders, waar alle graven der Grootmeesters zijn te vinden, is het merkwaardigste bouwwerk van La Valette. Ik bedoel hier niet zoozeer uit het oogpunt van het uiterlijk, van de architectonische beteekenis, want het gebouw is zwaar, massief en streng, eerder een fort dan een kerk, maar uit historisch oogpunt. Twee kortdikke klokkentorens, een voorhal, een balcon of terras, waar de Grootmeester zich voor de eerste maal na zijn verkiezing aan het volk vertoonde, als het Conclave hem had aangewezen, dat is eigenlijk alles, wat het uitwendige van het heiligdom ornamenteels vertoont. Op den top van den gevel stond oudtijds een reusachtig borstbeeld van den Heiland, een bronzen beeld, dat de galeien der Orde bij het verlaten van de groote haven begroetten, wanneer ze uitgingen op een kruistocht tegen de Muzelmannen.

De Sint Janskathedraal is, afgezien van de rijke versieringen aan de wanden, in het inwendige van bijzonder eenvoudige conceptie. Het is een groot parallelogram, dat een gewelf met dubbele bogen draagt. Aan dat gewelf is in achttien afdeelingen of kaders de geschiedenis voorgesteld van den heilige, naar wien de kerk genoemd is. Het forsche, krachtige werk is men verschuldigd aan het penseel van den Ridder Matthias Préti, bijgenaamd de Calabrees, leerling van du Guerchin en vriend van Rubens. Maar ongelukkig zijn die schilderijen slecht gerestaureerd en hebben veel van hun oorspronkelijke bekoring verloren.