Chapter 9
"Trotsch wezen zal hij niet; maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan," sprak ik in blijden triomf, en stak haar zooals ik mijn recht achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn; maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan: zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed opnieuw vastzetten. Het was hard maar billijk, ik mocht geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.
Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam, opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteeren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen toon:
"Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt."
"Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?"
"Gij hebt mij _niet_ uitgelachen om dat zotte ongeval, zooals ik het u heb gedaan om het uwe."
"U uitlachen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoozeer verschrikt."
"Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belachelijk te zijn en bespot te worden. 't Is waar," ging zij voort met een minachtend schouderophalen, "daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zou het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt."
"Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden."
"O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd," hervatte zij met zekere luchthartigheid, "want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkander nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten haar cirkeltje, waarbinnen men veilig is tegen de schampschoten der _raillerie_, en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan."
"Verschoon de oprechtheid: een weinig door eigen schuld, naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik, en de publieke opinie te braveeren."
"Als de publieke opinie een dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen, Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van 't heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen."
"Zwakheid en beginselloosheid in een man is verachtelijk, ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel lichter vergeven dan bizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft; maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch, het heeft zijne goede zijde.... de wereld is nu eenmaal niet anders, en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet...."
"Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen?" riep zij opstuivend. "Daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigentie, ziedaar alles."
"Heel goed! maar wat brengt u dat verzet, dat op geen beginsel rust en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?"
"Dat heb ik u al gezegd: vogelvrijverklaring, uitbanning; een vonnis dat ik nooit rechtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard. _À vrai dire_, niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zich zelve kiest," eindigde zij, terwijl de toon van overmoed, dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neerslachtigheid daalde.
"Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil, blijft en staat voor zijne zaak; wie heengaat, verlaat haar en geeft haar op."
"Aan hervormen heb ik in 't geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het recht mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis; maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten."
"Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen. _Bataille de dames_ is een allerliefst blijspel."
"Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen."
"Dat bedoel ik ook niet; alleen die wordt behaald door echt vrouwelijke middelen: niet met alles te braveeren met een _air de matamore_ aan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminlijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd, en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van rechten en de eisch der gelijkstelling die door sommigen uwer zoo onvoorzichtiglijk wordt gedaan, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!"
"Advocaat!" sprak zij hoofdschuddend, "en nog wel voor eene zaak die niet aan de orde is!"
"Hoe meent gij dit?"
"Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen; maar 't is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want daar ginds ligt de Werve; als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten."
Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden stompen toren zonder spits; de ruïne van het middeleeuwsch kasteel, dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen, vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. "Luister, Leo! ik heb nog een en ander met u te spreken eer ik u binnenleid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke rede is van uw bezoek aan den generaal!"
"Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder."
"En als die kennismaking niet meevalt?"
"Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot.... verzoening...."
"Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u," hernam zij met zekere goelijkheid, "als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen...."
"Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken."
"Nu, kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officier _en retraite_, is bij ons ingekwartierd op de Werve; mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft, dan in de kazerne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem."
"En gij dan?"
"Och, mij hindert dat niet: ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende, die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensionneerd zijn, ware hij niet, met de Willemsorde begiftigd, uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensionneerd. Onze wijze van met elkaar om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar.... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nóg, zooveel zijn stijf been en zijn rheumatisme het toelaten, in één woord: hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstocht sinds hij de jacht er aan heeft moeten geven; ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nummer. Sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk: 'wat zullen wij eten?' na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas bij mijn grootvader niet minder."
"En er is dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?"
"Wie anders zou er zijn? Wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor; de dominé komt eenmaal 's jaars, en de burgemeester, al zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion! Hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; 't is al erg genoeg als zij mij 's Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neerkomt voor mij. Ik leef tusschen de beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed," eindigde zij met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.
"Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin waarmee gij sympathiseert?"
"Dat zou er nog aan mankeeren--dames! logées hier binnen te halen!" sprak zij met bitterheid; "en wat vriendinnen aangaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben; ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is."
"Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?"
"Op zulke wijze, dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet. Ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nogal scherp zie, en 't geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de heeren der schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt, dat de engelen schreien om de jammerlijke trekken die de menschen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die evengoed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven, Leo! dat er nobele mannen, en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties; en ik behoor tot de misdeelden, die deze onschatbare uitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die lichtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft...."
"Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis," sprak ik zacht maar met nadruk; "gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de rechte wijze met uw onderzoek aangevangen."
"Hoe meent gij dat?" vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.
"Is het wel zeker, dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?"
Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte; daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijne innigste gedachten wilde peilen: "Gij schijnt een ernstig man te zijn; gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg; het is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden, waar men het vindt; nu dan, ik zal u vertellen, hoe ik begonnen ben, maar.... nu niet, want daar ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat één uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. 't Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd. Nú, dat doet er niet toe; volg mij, deze brug over, die poort door; gij ziet, de brug is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden." Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo'n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzaam haar na, eene feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort; de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroestte hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen. Waartoe ook? De dikke, bijkans in puin vallende ringmuur, was al niet meer aan de poort verbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opengesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende, viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moet vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemanireerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan; maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achttiende-eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg, was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte dat _en rotonde_ gebouwd was en eenigszins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs; de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moeten geweest zijn, waren nu met een dun geel verfje overtogen, en de glanzige kleine ruiten van purper spiegelglas waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing, die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verveloos was, en waar de ruiten, door tijd of toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt; voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!
Maar het spreekt wel vanzelve, dat ik alleen vluchtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóór ik het breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloés vegeteerden, kwam het "halve garnizoen," zooals Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als den oud-militair zou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon:--het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zooals zijne Willemsorde en zijn metalen kruis,--zijne rechte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte, en de politiemuts die hij wàt kranig op één oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkeren knevel, lang en puntig _à la Napoléon_ en stijf uitstaande _à force_ van cosmetiek. Zijne hoogroode kleur en bruine brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke, roode lippen en de zware korte kin, gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoodat hij werkelijk veel meer had van een sergeant-majoor, die na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de politie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust geniet. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.
Leunende op zijn stok, en eene lange duitsche pijp in den mond, waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bracht even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde:
"Wel weergaasch, Majoor! wat is dàt? Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of krijgen we inkwartiering?"
"Een bezoek aan den Generaal, kapitein," hernam Francis, voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen.
"Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eieren te hard, de biefstuk als leer, Zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet thuis te komen en den held van dat mooie avontuur in triomf mee te brengen in de vesting," bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:
"En dat alles, omdat _uw Majoor_," zij drukte zonderling op den titel, "het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef; laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, brengt het dan maar op het rapport."
Wij stapten de vestibule binnen, waar wij den huisknecht vonden, die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaire wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn livreirok droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal als oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al vrij dicht genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij, hem op mijn gemak gade te slaan, om niet haar voorbeeld te volgen; maar de luidruchtige stap van den kapitein, die goed vond ons achterna te loopen, wekte hem uit zijne _siësta_.
Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbaren _pourfendeur_, die oud-tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange rechte neus, dunne bleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen, die iets dofs en slaperigs hadden, dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn van afmatting en gedruktheid; zilvergrijze haren hingen in lange eenigszins krullende vlokken om zijne slapen; hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen en dien hij met zekere zenuwachtige beweging heen en weer schoof onder het spreken.
Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen eene zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.
Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neergebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.
"Grootvader, ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is eene curiositeit in de familie!"
"Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp," antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was; maar toch, hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.
"Neem toch plaats, Jonker," sprak hij, naar een stoel wijzende, waartegen de kapitein stond te leunen met een air of hij plan had mij dien te betwisten.
"Excuseer, grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af en rammelen van den honger; wij komen bij u praten als wij eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van het _déjeuner_ heeft overgelaten.... Is er nog gedekt, Frits?" vroeg zij, zich tot den bediende richtend, die tot hare orders wachtend was blijven staan.
"'t Is bij half twee, freule!" antwoordde deze, met zekere verlegenheid de schouders ophalend.
"Gij hebt gelijk, Frits, 't is de regel van het huis: wie niet op het appèl is wordt niet meegeteld; breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch...."
"En een glas port voor de heeren," voegde de kapitein er bij.
Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan, terwijl hij sprak:
"Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen; een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt moet al heel wat bijzonders zijn."
Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne impertinentie te beantwoorden; dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:
"Kapitein!" er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte stem van den grijsaard, "er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nu _niet_ onder ons zijn, en dat gij Freule Mordaunt mankeert...."
"Omdat ik haar Majoor noem, nu zij ons op eens met iemand van de familie in de flank valt; excuseer mij, Excellentie, maar dan had men mij vooruit de consigne moeten geven, nu.... zal de memorie mij parten spelen."
"Het komt er niet op aan, grootpa!" viel Francis in, "op zijn leeftijd zal hij toch wel bij al zijne kwade gewoonten blijven, al zou men kunnen eischen dat hij het respect voor de kleindochter van generaal von Zwenken niet vergat, omdat hij haar als kind de exercities heeft geleerd. Maar als gij naar 't consigne van den dag vraagt, kapitein! let er op, het is dit: beleefdheid jegens mijn gast, die, naar ik meen, nooit een degen heeft gedragen, maar toch, daar geef ik u mijn woord op, niet van 't humeur is om met zich te laten spotten."
Ik boog tegen Francis, 't geen mij de gelegenheid gaf, den kapitein den rug toe te keeren zonder kennelijk opzet, daar het mij duidelijk werd, dat de gemeenzame voet waarop hij met Francis stond van hare kindsheid af, en de zonderlinge manier waarop zij met hem omsprong, zijne ongepaste aardigheden bijkans wettigden; dat men zijne uitvallen zoomin als de hare in vollen ernst moest opvatten, en dat zijne bedoeling beter was dan zijne wijze van die uit te drukken.
Toen Frits met den portwijn was gekomen, schonk de kapitein drie glazen boordevol, presenteerde het eerste aan mij en den generaal, en het zijne opheffende sprak hij ruw goedhartig: "de gezondheid van onzen waardigen commandant en uw welkomst, Jonker! 't Is van harte gemeend; geloof dat wij hier snakken naar een nieuw gezicht, maar.... de Majoor heeft niet alle dagen zulk eene luim van gastvrijheid, daar kan je staat op maken."
Ik trachtte Francis aan te zien, om den indruk waar te nemen dien deze opmerking bij haar zou teweegbrengen--maar zij had zich van mij afgekeerd om wat brood en koud vleesch voor mij klaar te maken en wipte daarop de kamer uit, zonder meer notitie te nemen van 't geen Rolf zeide dan van 't gebrom eener vlieg.