Chapter 8
"Het is waar," zei ze glimlachend, "voor iemand die mij niet kent, moet ik er nu wel wat vreemd uitzien.... Maar zeg op, waar gij mij eigenlijk voor aanzaagt? Ik houd van oprechtheid: dat is ten minste wat mij van 'de dames' onderscheidt."
"Welaan, ik zal oprecht zijn. (Het woord van Gremio: '_He will kill her in her own humour_' stond mij gestadig voor den geest). Ik hield u bij den eersten aanblik voor...." De courtoisie begon mij een part te spelen; het harde woord wilde er niet uit.
"Voor eene verschijning van den zwarten jager?" vroeg zij lachend.
"Eene verschijning? Zeker neen! Dat is te etherisch. Ik hield u voor eene treurige realiteit.... Voor een boschwachter die kiespijn had."
Zij scheen een oogenblik getroffen en beet zich op de lippen; hare wangen gloeiden.
"Dat's grof," sprak zij eindelijk, en zag mij aan met een blik of er een pijl uit haar oogen zou schieten.
"Gij hebt oprechtheid gewild en zegt die te kunnen verdragen," gaf ik ten antwoord.
"Gij hebt gelijk, en gij zult ondervinden dat ik de waarheid sprak. Sla toe, neef! daar is mijne hand; ik geloof dat wij vrienden zullen worden."
"Zoo hoop ik, nicht! Maar wees nu niet ten halve edelmoedig. Laat mij u werkelijk de hand drukken; niet die grove rijhandschoen."
"Gij zijt een fat," zei ze, het hoofd schuddend; "maar gij zult uw zin hebben; ziedaar!" En eene fijne, blanke hand lag in de mijne, die ik een minuut langer vasthield dan volstrekt noodig was; zij scheen het niet op te merken.
"Maar noem mij Francis, ik zal Leo tegen u zeggen. Dat 'neven en nichten' tegen elkaar is zoo vervelend," sprak zij op gullen toon.
"Volgaarne!" en ik drukte opnieuw de hand, die zich nu eerst vrij maakte, terwijl zij voortging met een mengeling van schalkschheid en ernst, die haar goed afging; "maar de koetsier moet u toch gezegd hebben dat hij Majoor Frans had herkend."
"Dat is maar al te waar; en gij, Francis, vindt gij het niet uiterst krenkend, dat men zich verstout u zóó te noemen?"
"Och neen, dat trek ik mij volstrekt niet aan; ik weet nu eenmaal dat ze mij dien bijnaam gegeven hebben. Ik ben er niet beter en niet slechter om. Ik weet heel goed, dat ze mij hier in den omtrek nawijzen als een kozak of een cavalerie-officier, omdat ik met meer gemak paard rijd dan de steedsche nufjes, en dat ze mij overal aangapen als een kermiswonder, omdat ik de vrijheid neem mij te kleeden naar mijne conveniëntie, en niet naar hun smaak."
"Maar eene vrouw behoort zich toch wel eenigszins te bekommeren om het effect dat zij maakt op anderen."
"Ik zie niet waarom, als anderen haar niet kunnen schelen."
"De eerste plicht eener vrouw jegens zich zelve is, dunkt mij, zich behagelijk voor te doen."
"Dat maken 'de dames' hare mannen wijs, voor wie zij niets willen zijn dan _objets de luxe_, opdat deze haar alles zullen inwilligen wat de buitensporigheid der mode en der weelde eischt."
"Ik vrees wel dat er zoodanigen zijn, en te veel; maar zijn daarmede allen veroordeeld, die trachten zich goed voor te doen? Gebiedt niet het zelf-respect, men zij man of vrouw, dat men eenige zorg drage voor zijn uiterlijk, en kan men niet goeden smaak toonen ook in het eenvoudigste, als _men smaak heeft?_"
Zij kleurde een weinig.
"Gij gelooft dus, dat ik gansch geen smaak heb, omdat ik mij tegen den guren lentedag heb gewapend met eene vareuse?" vroeg zij, eenigszins gekrenkt.
"Ik zal mij wel wachten u te beoordeelen naar een enkel kleedingstuk; ik sprak alleen van het _ensemble_, en daar eene vrouw, die volstrekt onverschillig is voor haar uiterlijk, eene abnormaliteit is, moet men wel eene slechte opinie krijgen van den smaak eener jonkvrouw, die goedvindt haar gezicht in een leelijken rooden doek te wikkelen."
"Welke haar het voorkomen geeft van een boschwachter die kiespijn heeft," herhaalde zij ras en stout. "Welnu, is dat de ergernis, dan kan men die wegruimen; als nu maar de wind niet al te veel vrijheid gaat nemen met mijn _flambard_."
Al sprekende had zij den doek losgeknoopt en nam tegelijk den speld weg, die haar amazonenkleed trousseerde. De deftige sleep stond goed bij de fijne, slanke gestalte. Ik kon nu voor het eerst, niet meer gehinderd door die nijdige _foulard_, het _ensemble_ van haar gelaat opmerken.
Neen voorwaar! zij was niet leelijk, al had zij het mogelijke gedaan om er recht onbehagelijk uit te zien. Hare trekken waren onregelmatig en scherp, dat is waar, maar gansch niet ruw of grof; er lag eene uitdrukking van fierheid en vastheid op dit gezicht, die van zelfbewuste kracht en een onafhankelijk karakter getuigde, maar verre was van laagheid of zinnelijkheid. Slechts een flauw blosje kleurde de bleekheid dier wangen, die wat schraal en ingevallen waren. Het was haar aan te zien, dat zij door strijd en lijden was heengegaan, zonder dat hare levendigheid en opgewektheid van geest daarbij te veel hadden geleden. De groote blauwe oogen hadden iets opens, dat vertrouwen wekte; dat zij flikkeren konden van verontwaardiging of gloeien van geestdrift, had ik reeds opgemerkt.
Nu zij zoo naast mij voortging, bemerkte ik dat zij kleiner van gestalte was dan zij mij eerst was voorgekomen, van de hoogte af gezien; maar er zat pit in die vrouwelijke figuur, dat was niet te ontkennen, al was het niet juist de kloeke mannin die ik mij had voorgesteld te zullen aantreffen, afgaande op de mededeelingen van anderen en den heroïeken bijnaam, die haar volstrekt niet scheen te ergeren! Het was het oogenblik niet haar te vragen hoe zij daaraan gekomen was; ik was reeds voldaan dat ik eene overwinning op haar had behaald, die niet geheel zonder beteekenis scheen. Dat zij mij zekere concessies had gedaan, bewees dat zij niet zoo onverschillig was omtrent den indruk dien zij op anderen maakte, als zij mij wilde doen gelooven. Toch moest ik toestemmen, dat zij wèl en wijs had gedaan toen zij hare slepende amazone had getrousseerd, al was het op wat onbevallige manier, want nu hinderde die haar in het loopen door het mulle zand en bleef telkens haken aan een tak of een struik; eens zelfs struikelde zij er door en zou neergevallen zijn, zoo ik niet schielijk haar arm had gevat om haar opgericht te houden.
"Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt," zei ze lachend. "Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op." Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquette _japon_ voor den dag kwam, met keurige _plissés_ of geborduurde strooken, zooals onze dames niet ongaarne laten zien, maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.
Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.
"Dankje wel, neef!" zei ze wat bits. "Ik kan best alleen loopen, zooals ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen zooals gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden."
"Ik moet u doen opmerken, dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?"
"Gij zijt vast advocaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert."
"Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen: _une fois ne fait pas loi_; het is allermeest voor de gezelligheid."
"Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóó ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben, moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren."
"Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later."
"Ook goed," zei ze droogjes. "Ik ben niet nieuwsgierig; en ik mocht mij eens vergissen in het pad, als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide."
"Ik ben 't met u eens," antwoordde ik op denzelfden toon, "dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen."
"Dat wil ik wel gelooven; de tocht is juist niet erg meegevallen," merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.
"Integendeel; want ik had niet kunnen verwachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt."
"De kennis maken, de kennis maken," herhaalde zij bijna grommend; "men kent mij zoo maar niet uit een eerste samenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dat eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde oprechtheid is gebleven."
"Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken, al is zij verre van aangenaam; en ik wil gaarne bekennen, als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte."
"Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval."
Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.
Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle levendigheid: "Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelachen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar.... wàt zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoo'n pleizier in als ik een van de zich genoemde heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen."
"Het spreekt immers wel vanzelf, dat ik u daarover geene rancune houd, Francis!" sprak ik ernstig. "Maar 't geen mij leed doet om uwentwil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen, en waarvan die _Schadenfreude_ over mijn misavontuur slechts de uiting was."
"Kan ik het helpen, dat ik dat mannenvolkje zie zooals het is? Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het den meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstochten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kan winden, als men maar de moeite neemt hun zwak uit te vinden en dat te vleien. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken."
"Dat's een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het recht hebt om het met zooveel beslistheid te vellen."
"Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is die heeren _in_ de kaart te maken."
"Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen; dat bij later scherp toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde; met die uitkomst, dat nu civiel en militair beiden in dezelfde schaal worden gewogen en.... te licht bevonden?"
"Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zich _niet_ aan fraaie uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood grootgebracht en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan, om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze; dat de discipline nog wel het beste middel is om wat er goeds in een man is tot zijn recht te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief, dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt: integendeel, zij houdt opgericht wat niet op zich zelf kan staan, terwijl de serviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware."
"Het tafereel is voor beide categoriën niet vleiend. Het schijnt Majoor Frans moeielijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen."
"Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan, om suprematie te erkennen."
"Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen."
"Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt."
"Geen gunstig vooruitzicht voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!"
"Mijn aanstaande echtgenoot!" Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. "Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... ik zal niet trouwen."
"Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen samenloopen, dat...."
"Dat ik een echtgenoot nam om ze te bezweren," viel zij in met sprekende verontwaardiging. "Luister, Leo! gij weet niets van mij; en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóó spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiëele belangen, van wien ook. Dat zou er nog aan mankeeren! een _mariage de raison_, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan! En toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vast staan, en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijne vrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven."
"Vrijvrouwe van de Werve!" Arme Francis! ik had maar één woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij die hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigszins op het doel afging.
"Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij, Francis," sprak ik, "en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard: juist op de zich roemende 'vrije vrouw' wetten laster en logen hunne pijlen..."
"En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!" riep zij met heftigheid. "Neen, Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen; daarbij heb ik ze dikwijls genoeg rondom mij hooren snorren, om te weten van welke kracht zij zijn; en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken: het zou maar een dubbel wit aanwijzen, en liever dan een tweede, een onvoorzichtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze alle alleen op mijne borst opvangen: mij doen ze toch niets meer," eindigde zij met een minachtend schouderophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren; dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan uit den vasten, zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken; reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was: "maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden: het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde Tafel is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om Majoor Frans ten huwelijk te vragen; en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt 'geëtablisseerd' zien vóór zijn dood; de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden, om er mij toe over te halen; en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst; want mijn besluit staat vast."
Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn tocht, en zij was geen nufje van negentien jaar dat "neen" zegt, als ze "ja" meent; maar zij gaf mij toch, zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken. _Un homme averti en vaut deux_; ik begreep dat ik met de meeste voorzichtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit dat _vaste besluit_ los te wrikken, maar het kon toch geen kwaad om eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar pas vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: "En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?"
"Wat meent gij daarmee?" vroeg zij met gefronste wenkbrauw; "een voorstel! welk een voorstel?"
"Nu, datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hield, dat het iemand zou invallen u te doen."
"Een huwelijksvoorstel, en door u?" vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, "dat is niet waar! Zeg dat het niet waar is," riep zij met heftigheid.
"Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?"
"Ik wil die onderstelling niet eens maken; gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advocaat in zulk een kwade zaak, liet ik u doodeenvoudig in de hei staan; dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen; ziedaar mijn antwoord." En als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weer bij haar.
"Een antwoord meer oprecht dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan," hernam ik; "maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen met welk voorstel ook, ondanks mijne weerbare nicht, dat ik mij dan aan dit _détail_ niet zou storen. Ik val óók wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou 't niet opgeven, al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleier, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woord even gebruik) te kwetsen in hare teerste en hoogste rechten; bijgevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk een bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen."
"Welnu, zoo 't geval zich mocht voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen, dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid waar noch geest noch vinding aan is."
Dat was meer dan een _coup d'éventail_: dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was dien niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlachend: "wat recht ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?"
"Gij zijt lastig," hernam zij, "met dat uitvragen," half verlegen, half met onwil en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weer moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had: de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte dien in eene woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neerviel. Prachtige goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen, en in den hoed weggestopt, en die nu als een golvende sluier van gloeiend goud rondom haar hals en schouders neervielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzichtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen, en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dit Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zooveel en met zoo weinig achting gesproken werd? Het was bijkans onmogelijk: dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel, bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur, met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene Madonna zou laten poseeren dan voor eene Xantippe; moest ik daar die ruwe weerbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide; en werkelijk, ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.
Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lachend, half knorrend: "Gij zijt galant, dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is;" en vlug als de wind zelf ving zij aan, haar _flambard_ na te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.
Ik liet mij niet voor de tweede maal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij; ik had zelfs het geluk haar vóór te zijn en het leelijke hoofddeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.
Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust. Wat was het? In hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te houden, die aan den scherpen dorren doornstruik was blijven hangen en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken, in de takken verward, tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan; zij sloeg het af, en toch, toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijn dienst wel aannemen. "Mag ik?" vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. "Ik moet het wel toestaan!" antwoordde zij met een knorrig gezicht, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zij _mijne_ hulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neer en trachtte zoo voorzichtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit den doornstruik, zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werden, en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft: met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan, en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken; dus bedierf ze in ééne seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd. Intusschen praatte en knorde zij voort.
"Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mij gebracht heeft, ziet gij wel hoe practisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk, dat erken ik, maar hij beveiligde tegen een ongeval als dit hier; dàt komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste. Daar lig ik nu als een hopeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo'n kostelijken dienst bewijst."