Chapter 7
Het beste was maar "_voir venir_" en handelen naar omstandigheid. Het _veni, vidi, vici_, zou hier toch niet te pas komen. Menig ander ware wellicht niet eens op de conquête uitgegaan na een soireetje zooals ik had moeten bijwonen; maar nu de nevelen van den nacht wat opgeklaard waren, voelde ik mij, ondanks alles, geprikkeld door iets dat sterker was dan alle vooroordeel. Het spreekt wel vanzelf, dat ik mijne eer hoog genoeg houde om met Cesar te zeggen, dat mijne vrouw onverdacht moet zijn;--onbesproken is de arme Majoor Frans zeker niet,--maar als de verdenking eens bleek niet op deugdelijke gronden te berusten, als men die logenstraffen kon, door de feiten tot hunne rechte proporties terug te brengen, dan, ik vroeg het mij zelven af in die _verhängnissvolle_ ure, is het dan niet de plicht van een edelman om de publieke opinie te braveeren waar zij dwaalt, en met der daad haar den rechten weg te toonen? Is zulk een triomf niet een meer waardige dan het schuchter terugwijken voor de meening van wie weet wien? die zich door wie weet wàt heeft gevormd? Is het niet een wat al te plompe heerschappij, die het vormlooze schepsel _mee_ voert over de gemoederen? Wordt het geen tijd in onze dagen, waarin men alle gezag in kwestie stelt en niets onaangevochten laat, ook dit aanmatigend veemgericht te controleeren en er zich niet voor te buigen? Ik althans zal den moed hebben het te doen en alle lastertongen te laten klappen. Ik zeg niet: als Francis mij bevalt, want de kwestie van hare meerdere of mindere beminnelijkheid kan ik in deze niet meetellen, daar het een plicht geldt; maar als ik voor mij zelven in mijne consciëntie overtuigd ben, dat zij geen misstap heeft begaan, geene betrekkingen heeft aangeknoopt die vlekken hebben geworpen op haar leven en waardoor werkelijk de eer van een echtgenoot kan worden gekwetst. Dit voornemen schijnt roekeloos, en gij glimlacht als gij dit leest, bij de gedachte dat ik wel van besluit veranderen zal eer het er toe komt; maar 'k moet u herinneren aan de eerste dagen onzer kennismaking te Leiden, toen gij, reeds oud student en Mr. op het tipje, mij als armen groen onder uwe hoede naamt en welhaast de hand der vriendschap reiktet, toen die niet meer noodig was ter bescherming. Weet gij nog wel, als onder ons jongelui het gesprek op de vrouwen viel, dat ik mij er dan niet of alleen terloops in mengde, en alleen dan als men mij verweet reeds verliefd te zijn en te zitten droomen terwijl de anderen schertsten. Ik redde mij dan voor het oogenblik door eens ferm mee door te slaan en te snoeven van allerliefste meisjes- en vrouwengunst, of ik er diep in doorgedrongen was. Ik deed zoo om de waarheid te verbergen, dat dit alles voor mij woorden zonder beteekenis moest blijven. De bekrompen omstandigheden mijner familie, die mij deze aanvankelijke studiën nauwelijks vergunden, waren mij maar al te goed bekend; de tijd dat ik er aan zou kunnen denken eene vrouw te onderhouden uit mijne eigene ressources was zoo eindeloos verre,--en de gedachte met mijn jonkheerstitel te speculeeren op eene rijke vrouw was mij nog meer verre en vreemd dan deze. Ik had mij zóó vast gezet in het denkbeeld dat ik leven moest als een Benedictijn die de drie geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid aan den onverbiddelijken plicht der werkzaamheid heeft afgelegd, dat het niet eens in mij opkwam luchtkasteelen te bouwen en zekere illusies te kweeken. Zoo is het mij gelukt, aan de beroeringen van den hartstocht te ontkomen, zoodat ik met waarheid van mij zelven mag getuigen, dat ik dat ledig tot hiertoe niet heb gevoeld; ik had er geen tijd toe in mijn werkzaam en met zorgen vervuld leven. Toch weten mijne vrienden, dat dit hart noch koud, noch zelfzuchtig is: alleen het onverbiddelijk "terug!" hield er alles buiten wat daar binnen stoornis had kunnen brengen. Maar zelfs hij die zich illusies verbiedt, kan nog wel eens idealen scheppen, en zoo heb ik in die korte en zeldzame oogenblikken waarin mij het mijmeren geoorloofd was, wel eens gefantaseerd over de vrouw die voor mij zou passen, als de omstandigheden veranderden en ik naar eene levensgezellin zou mogen omzien. Ik ben er nooit toe gekomen mij dit ideaal in eene bepaalde gestalte voor te stellen; of zij bruin dan wel blond zou moeten zijn, fijn van tint of sprekend van kleur en trekken, daarover liet ik den sluier der onbestemdheid rusten, die dit nevelachtige mijner fantasie het ruimste spel liet; allerminst kwam ik er toe om dit ideaal in freule B. of juffrouw A. belichaamd te wanen, maar de eigenschappen van geest en hart, van humeur en karakter, die het wezen zou moeten bezitten, waarmee ik voor het leven zou willen verbonden zijn, die de verbintenis iets meer zijn dan een uiterlijken band, heb ik wel eens bij mij zelven bediscussieerd, en ik was het gansch niet met van Lennep eens, dat de grootste verdienste eener vrouw juist daarin bestaat, dat er niets van haar te zeggen valt, dan dat zij met volharding kousen maast en de teerste zorg koestert voor de groote wasch. Als mevrouw de Witt zekeren zachten invloed had weten te oefenen op haar gemaal, zou de gerechtelijke moord van Buat vermoedelijk zijn voorkomen, en deze vlek niet hebben gerust op het karakter van den eminenten leider der oligarchische republiek, ik wil daarmee niet gezegd hebben, dat iedere vrouw, of zij er aanleg voor heeft of niet, zich zou moeten mengen in de zaken van staat; ik meen alleen, dat die absolute onbeduidendheid mij voor mij zelven als _vis-à-vis_ voor het leven iets vreeselijks vervelends en ledigs zou toeschijnen, en dat ik het oordeel van Jean Paul over de blijdschap der mannen, als de kortstondige dichteres, die hunne bruid was, spoedig na het huwelijk in eene spinnende huispoes veranderd, niet deelen kan. Als er geest en hart is, kan dat uitkomen in alle détails van het leven, om dat te sieren en te verheffen. De vrouw die dat wist te vatten, wie zij dan ook overigens ware, musicienne of kousenstopster, bezield met liefde voor de kunst en litteratuur, of simpellijk haar lust vindend in 't volbrengen harer huiselijke plichten, zou zeker kunnen zijn van mijne duurzame genegenheid. Alleen heb ik mij nooit verveeld, maar de verveling _à deux_ moet, dunkt mij, de afschuwelijkste kwelling zijn, die tot uitspattingen zou voeren.
En nu, ik moet het u eerlijk opbiechten, Willem! al hadt gij het misschien niet uit ons vroeger gesprek geraden,--in al de zonderlingheden die mij van Francis ter oore komen zie ik iets van dat ideaal. Zij heeft karakter, zij schijnt geest te bezitten, al wordt haar hart ontzegd. Zij durft zich zelve zijn, en juist dit faalt onze meeste jonge dames, die allen op iets anders willen gelijken, dat zij eigenlijk niet zijn; die geene eigene opinie hebben, maar als zekere insecten de kleur aannemen van het blad waarop zij rusten. Dit geeft iets onwaars, iets onbestemds aan geheel haar bestaan, dat ik niet betrouwbaar acht. In die allerliefste modepoppetjes, op alles afgericht, behalve steun te zoeken in eigen vaste beginselen, schuilen soms kuren en grillen, die niet te voorschijn komen dan te laat om er nog wat tegen te doen. Ze zijn niets, maar als hare pluimen en linten worden zij door iederen wind meegevoerd. Vandaag willen ze dit, morgen weer wat anders; in den regel weten zij zelven niet wat ze eigenlijk willen, en men zou zich in duizend bochten kunnen wringen zonder haar eigenlijk nog te voldoen, als men zich daartoe wilde zetten.
"Wat mij betreft, dàt nooit!" placht ik wel eens overluid uit te roepen bij zulke mijmeringen, en ik ben er nu niet meer toe gedisponeerd dan voorheen; Francis _n'a qu'à bien se tenir_. Ik wil haar ridderlijk ter zijde staan en ik zal haar beschermen _envers et contre tous_, als zij het waard is, maar kniebuigingen voor zotte exigenties zal zij mij nooit zien maken. Terwijl ik mij in dergelijke voornemens en gedachten verdiepte, had de koetsier zijn werk gedaan, zooals dat meer gaat bij dergelijke lieden, zonder er veel bij na te denken, en had den "weg die zich zelf wees" ingeslagen, zonder op te letten in welke richting die liep en of er ook op verderen afstand een andere ware te volgen, die meer zeker tot het doel leidde; hoe dat zij, wij waren een tamelijk breed boschpad ingeraakt, dat tot niets voerde dan een _rond-point_ met eene vervallen _rustique_ bank; wij moesten wenden en zien langs een andere zijde een uitweg te vinden. Wij meenden dien gevonden te hebben, toen wij aan den uitersten zoom van het bosch genaderd, daar een smal zandpad opmerkten langs een watertje, waarover in de verte een ruwe brug, die met één paard en 't lichte wagentje wel zou zijn over te rijden, naar mijne gissing; maar toen wij er bij gekomen waren bleek het, dat ik mij bedrogen had. De brug was breed genoeg, maar slechts door twee of drie waggelende verrotte planken gedekt; een voetganger, die zich aan de leuning kon vasthouden, had er zich mogelijk over kunnen werken, maar met paard en wagen was dit ondoenlijk.
"Wij zijn aan den verkeerden kant het bosch ingereden," zei de voerman, "dat bemerk ik nu! die laan over de brug voert naar het dorp, en dan is het maar een stijf kwartiertje tot de Werve; dit dennenbosch hoort al tot de plaats." Terwijl hij nog sprak, hoorden wij den hoefslag van een paard dat in vollen galop achter ons aankwam en snel als de gedachte voorbijschoot, eer het ons mogelijk was door een woord of eene vraag onze verlegenheid uit te drukken; de cavalier--of de cavalière--voor mij was dit niet uit te maken, daar hij juist voorbij draafde aan de zijde waar het zeildoek neerhing,--was in een oogwenk uit het gezicht; maar de koetsier had kunnen opmerken, welke richting hij nam.
"Dat is Majoor Frans," sprak hij, zich naar mij toe keerend.
"Majoor Frans!" herhaalde ik met eene mengeling van verrassing en wrevel, "wien bedoel je daarmee?"
"Wel, de Freule van 't kasteel, zoo noemen ze der allemaal in mijn dorp, als ze der jongen komt zien."
"Wat malle historie wilt gij mij daar wijs maken?" sprak ik op een toon die forsch en onverschillig moest klinken; maar dat ging mij slecht af, de stem stokte mij bijkans in de keel.
"Lang niet mal! maar heel akelig! Zij zou geen kostgeld betalen voor den jongen, als zij geen schuld had."
"En is dat kind in den kost in het dorp, zoo dicht bij de Werve?" vroeg ik verlicht.
"Wel neen, heerschap! te Oldeberkoop, wel twee uren wijd van stad, daar hoor ik thuis en daar komt ze om een haverklap, op d'r mooie paardje. Maar nou zij deur het bosch rijdt, moet er een uitweg zijn, en die zullen wij zien te vinden."
Hij wendde in de richting dien hij de Freule had zien nemen; ik liet hem begaan, het was mij bijkans onverschillig geworden of wij aankwamen àl dan niet. Eenige minuten lang liep het smalle boschpad nog door, dat de stoute rijdster gevolgd was; toen liep het te niet in een dicht kreupelbosch, dat wel nog geen ander groen toonde aan boom en struik dan wat knoppen en aankomende blaadjes, maar evenmin een pad om door te komen; de grond was week en drassig en met dicht mos begroeid; het was onbegrijpelijk hoe het paard met zijne berijdster daar over heen waren geraakt; alleen de grootste rapheid en behendigheid, tegelijk met volmaakte eenswillendheid van het dier met zijne meesteres, had dat mirakel kunnen bewerken!
Mijn suffer van een koetsier, wiens verstand er bij stilstond, trok een verbaasd en verdrietig gezicht; dat was door ons niet na te volgen. Hij verzocht mij uit te stappen, en verliet zelf den bok; hij bond zijn rossinant aan een boom; wij moesten trachten het spoor te vinden, dat ons betere kansen bood, en werkelijk, na eene wijle speurens en ronddolens, ontdekte ik eindelijk wat meer achterwaarts een smal zandpad, dat nog de indruksels droeg van paardehoeven en waar wij mogelijk nog doorkomen konden, mits de voerman het paard bij den toom leidde; ik vooruit, om den weg te verkennen. Helaas! toen we het pad op die wijze ten einde gebracht hadden, bevonden wij ons aan den uitersten zoom van het bosch, tegenover omgeploegd bouwland, dat vrij uitgestrekt was, en waarvan wij gescheiden waren door een half uitgedroogde sloot, waarin afgevallen bladeren lagen te rotten en waar allerlei moerasplanten welig opschoten. Geene mogelijkheid voor ons om daarover te komen, en, waar waren wij dan nog? Rechts heidegronden, de hoogten en laagten met spar- en dennenboomen bezet, links ook weer door akkerslooten en greppels vaneengescheiden--aardappelenland, waarvan het zacht groene loof even bovenkwam, achter ons het bosch dat wij reeds hadden doorkruist zonder een uitgang te vinden. Ik keek op mijn horloge; het was ongeveer twaalf uur; de schofttijd van de boerenarbeiders, die vermoedelijk nog op het land hadden te werken. Geene terechtwijzing was er te krijgen; ons restte niets dan terugkeeren langs denzelfden weg dien wij gekomen waren, tot aan den tol, en daar weer den tocht van nieuws aan te beginnen, zooals de koetsier voornemens was eer de dwaze raadgeving van den tolbaas hem op een dwaalweg had gevoerd. Behalve het onaangename van die teleurstelling en zooveel tijdverlies, was het voor het arme paard nauwelijks te doen zonder rust en verkwikking; de voerman onbarmhartig als de lieden van zijn gild, hield staande dat het niemendal was; ik aarzelde om dat besluit te nemen en zag toch nergens eene betere uitkomst. Op eens hoorden we dicht in onze nabijheid een schaterend gelach dat mij tergend in de ooren klonk; het geluid kwam eenigszins van uit de hoogte. Ik zag op en naar de heuvelachtige heide heen; op den top van eene begroeide zandhoogte stond de persoon die zich zoo vroolijk maakte over onze misrekening.
"Majoor Frans!" riep de koetsier met zijne schetterende stem, zonder zich te geneeren in zijne verbazing en ergernis.
Zij zelve! Francis Mordaunt was het, die zoo onbarmhartig den spot dreef met onze verlegenheid. Op zulke ontvangst van hare zijde had ik wel niet verdacht kunnen zijn.
Zooals zij daar stond, eenige voeten boven mij, maar toch vrij dicht in de nabijheid, kon ik haar goed opnemen, en ik kan niet zeggen, dat die aanblik mij verzoende met hare persoonlijkheid, die mij toch al zooveel ergernis, zooveel onaangename gewaarwordingen had veroorzaakt.
Dàt was mogelijk hare schuld niet, maar wel dat zij zich zoo dwaas had toegetakeld, dat men bij 't eerste aanzien twijfelde of men een man, dan wel eene vrouw voor zich had. Zij had hare Amazone-rok getrousseerd op eene wijze, die aan een Zouavenbroek deed denken, en daarbij had zij over het engsluitend jakje van haar rijkleed een wijde _vareuse_ geworpen met lang ruig haar, zeker heel doeltreffend tegen de scherpe voorjaarslucht, maar die, tot den hals toe dichtgeknoopt, zeer weinig geschikt was eene gracelijke gestalte te doen uitkomen, voor 't geval dat ze die werkelijk bezat. Het hoofd was gedekt door een grijzen flambard met slap neerhangende randen, de blauwe of groene voile, die in den regel aan zulk een mannelijk hoofddeksel, als de dames goedvinden bij haar rijkostuum te dragen, nog eenige vrouwelijke distinctie geeft, ontbrak; alleen een bosje haneveeren, dat er losjes op gehecht was door een groen zijden lint, gaf er een _air_ aan of de draagster den wilden jager uit de oude tooversprookjes had willen nadoen, en om het al te kronen, had zij een roodzijden doek over den bol heengeslagen en onder de kin toegeknoopt. Zoover dit onbehagelijk fantasie-kostuum mij de mogelijkheid liet over haar voorkomen te oordeelen, moest zij eer fijn en slank van gestalte zijn dan ruw en forsch, en haar uiterlijk was bepaald in contrast met de voorstelling die ik er mij van gedroomd had. Ik had mij vastgezet in het denkbeeld, dat zij gelijken zou op Ristori in het karakter van Medea, met gitzwarte kroeze haren en sterksprekende trekken. Van het haar was door den neervallenden rand van den flambard niets te zien, maar zoover ik oordeelen kon uit dat gedeelte van haar gelaat dat niet door de ongracelijke bedekking overschaduwd werd, was zij eene blondine, met fijne trekken en een romeinschen neus; er behoorde meer goeden wil toe, dan in dat oogenblik de mijne was, om een aangenamen indruk te ontvangen van dit gezicht onder haar schaterend gelach en den akeligen roodzijden kiespijndoek die het omgaf. Ik voelde mij er door getergd, en, zeer weinig gestemd om égards te toonen voor eene vrouw die zoo blijkbaar het zelfrespect vergat, riep ik haar toe: "Luister eens! gij daar! die u zoo vroolijk maakt over uws naasten ongeval. Gij zoudt beter doen ons den weg te wijzen om verder te komen."
"Daar is hier geen verder komen, dat is, dunkt me, wel te zien. Wie in 't bosch komt anders dan om rond te rijden heeft een domme streek begaan. Ziedaar alles."
"En gij dan?"
"Ik!" Zij lachte weer, "ik ben met mijn paard over de droge sloot gesprongen daar tusschen de struiken door, en zoo ben ik op de heide gekomen. Doe het mij na als gij lust hebt, maar met paard en wagen zal het niet best gaan! Waar wilt gij eigenlijk heen?"
"Naar het Huis de Werve!"
"Naar de Werve!" herhaalde zij, en verledigde zich nu eerst van hare hoogte af te dalen en tot op den zoom van de sloot te naderen, van waar ik haar stond toe te spreken.
"Wat hebt gij op het kasteel te doen, mijnheer?" vroeg zij nu op geheel anderen toon, niet meer de luchtige, ongegeneerde van _somebody_, die zich tegen _nobody_ niet behoeft te ontzien.
"Een bezoek brengen aan den generaal von Zwenken en aan de Freule Mordaunt, zijne kleindochter."
"De generaal wacht geene bezoeken meer af, en wat gij aan zijne kleindochter te zeggen hebt, kunt gij aan mij richten. Ik ben de freule Mordaunt."
"Ik kan het nauwelijks gelooven, maar indien het waar is, verzoek ik de freule mij eene minder ongeschikte plaats aan te wijzen voor een onderhoud, dan deze hier; dat wat ik te zeggen heb kan niet uitgeschreeuwd worden over eene droge sloot en ten aanhoore van een koetsier."
"Zoo rijd met het wagentje terug tot aan den tol, dáár vindt men den weg naar het dorp en naar 't kasteel, als dat bezoek zoo noodig is."
"Opdat gij mij mogelijk aan de poort zoudt laten afwijzen, Majoor!" zeide ik in mijzelven; "neen, de gelegenheid is er nu, en ik zal die niet laten glippen." Ik gaf den koetsier order om terug te rijden, die zich dit geen tweemaal liet zeggen, zette den stevigen wandelstok, waarvan ik mij voorzien had, zoo goed mogelijk in den weeken mosgrond, en kwam op de andere zijde, zonder dat ik zelf recht wist hoe; het was mij een oogenblik groen en geel voor de oogen; zoo ik het ongeluk had gehad mijn sprong te missen en in 't moerassige slijk terecht te komen, zou ik opnieuw een gek figuur gemaakt hebben tegenover Francis, die zeker zonder eenige verschooning met mijn ongeval zou hebben gespot. Ik waagde veel, dat voelde ik, maar het moest gewaagd worden. Het devies van mijne voorzaten bleek profetie: de stoutheid was mij gelukt.
"Bravo! ferm gedaan!" riep Francis mij toe met hare volle altstem, die mij voor 't eerst niet hard en tergend in de ooren klonk, en zij klapte in de handen met eene joligheid en schalkschheid, die haar goed afging.
Nu op het bouwland geraakt, had ik maar weinig schreden meer te doen, en nog eene smalle droge greppel over te springen, en ik was bij haar!
Ik nam mijn hoed af, en zij salueerde met haar rijzweep.
"Dat's een kluchtig avontuur, mijnheer," sprak zij weer lachend. "Als gij er nu nog aan hecht op de Werve aan te landen, moet gij de hei over wandelen."
"Is het eene verre wandeling?"
"Neen; 't is veel korter dan de rijtoer; maar sinds gij over de hei den weg niet kent, loopt gij gevaar weer te verdwalen!"
"Gij vergeet dat ik een recht heb, op uw gezelschap te rekenen, bij die wandeling."
"Een recht! een recht! gij zijt wel als de anderen, om een recht te nemen uit een los woord dat mij ontvallen is."
"De freule Mordaunt had mij een onderhoud toegezegd; is het vreemd dat ik haar bij het woord houd, en de eerste gelegenheid de beste aangrijp?"
"Nu goed, maar ik ken zelve op zijn best het rechte pad over deze gronden. Ik had terug willen rijden, maar mijn paard heeft een ijzer verloren, en ik heb het gestald bij den boschbaas daar ginds;" zij wees naar een boerenhuis, dat wat in de laagte lag, en als verscholen tusschen dennen- en sparrenhout; "die zal het naar den hoefsmid brengen in het dorp, en zoo doolde ik hier maar wat rond; bij 't kasteel komen wij binnen 't half uur als wij maar oplettend zijn en altijd door links houden, maar ik zou vooraf willen weten of gij daar werkelijk noodig hebt; de generaal is volstrekt niet gesteld op gasten, dat kan ik u verzekeren."
"Ik kom geene gastvrijheid vragen. Ik wilde hem alleen een bezoek brengen om zijne en uwe kennis te maken, daar ik mij eenigen tijd in de nabuurschap moet ophouden, en mij herinner dat ik door mijne moeder aan de familie von Zwenken geparenteerd ben."
"Zooveel te erger; op de Werve lijdt men niet bijzonder aan familiezwak."
"Daar heb ik wel van gehoord; maar ik ben geen Roselaer, ik ben een van Zonshoven, freule! Leopold van Zonshoven."
"Ik heb nooit gehoord, dat mijn grootvader relatiën heeft gehouden met heeren van dien naam. Maar als gij _geen Roselaer_ zijt, is er reeds minder kwaad bij, en om de vreemdigheid dat een lid der familie zich aan ons gelegen laat liggen, zult gij misschien succes hebben bij den generaal. 't Is immers wel zeker, dat gij niet voor zaken komt?"
"In dat geval zou ik een procureur of notaris hebben gezonden en zorg dragen, dat men er freule Mordaunt niet mee ging bemoeien."
"Dat zou toch verkeerd zijn," hernam zij ernstig. "De generaal is diep in de zeventig en heeft veel verdriet gehad in zijn leven. Ik wil het u niet verhelen dat hij in velerlei zorgen en bezwaren zit en dat ik, zoo vaak ik kan, tracht te voorkomen, dat men hem daarmee lastig valt."
"Met het afwenden van hetgeen lastig is, heeft men het echter nog niet uit den weg geruimd, zou ik meenen," antwoordde ik, terwijl ik haar met zekere opzettelijkheid aanzag. Het waren diepe, donkerblauwe oogen, dien toen mijn blik troffen.
"Aan wie zegt gij het?" hernam zij met een zucht, terwijl zij die sprekende oogen neersloeg en zich een trek van lijden op haar gelaat teekende. "Maar toch, ik doe daarin àl wat ik kan, al is 't niet alles wat ik zou willen; daarom, ik herhaal het, als er iets onaangenaams schuilt voor hem achter uw bezoek, zeg het dan liever ronduit aan mij; mogelijk kan ik er nog iets op vinden."
"Ik kan u alleen zeggen, dat ik uwe pogingen om den generaal leed en last te besparen, uit al mijne macht zou willen steunen."
"Dat doet uw hart eer aan; maar als gij er zoo over denkt, aarzel ik u als een lid der familie te erkennen, want dat strijdt geheel tegen onze traditiën."
"Dat is wel mogelijk, maar noem mij gerust neef, want er zijn excepties, en ik hoop te bewijzen dat ik er toe behoor."
"Als dàt waar is, zult gij welkom zijn op de Werve, ook bij exceptie, want in den regel laten wij er geen nieuwe gezichten meer toe."
"Dat is toch jammer. Mij dunkt, het kan toch _uwe_ begeerte niet zijn, om in zoo volstrekte afzondering te leven."
"Juist de mijne!" viel zij in met zekere hoogheid. "Ik heb al genoeg ondervinding van de menschen, om heel weinig op hun omgang gesteld te zijn."
"Zoo jong nog en reeds zulk eene misanthropische opvatting van de wereld!" merkte ik aan.
"Ik ben zoo jong niet meer: ik ben zes en twintig jaar, neef, en daaronder zijn campagnejaren, zooals mijn grootvader zeggen zou, die voor het dubbele gelden. Gij kunt gerust met mij praten of ik eene vrouw van veertig ware.--Ik heb er de levenservaring van."
"Ik zal mij wel wachten, u hier bij 't woord te vatten; zoo iets zeggen de dames maar om tegengesproken te worden."
"De dames!" riep zij met onuitsprekelijke minachting. "Ik verzoek u zeer ernstig, neef, om mij niet te begrijpen onder dat soort van wezens, die in den regel door de heeren als 'de dames' worden aangeduid."
"Onder welke rubriek moet ik u dan stellen, nicht? Waarheid is, dat ik op het eerste gezicht niet recht wist waar ik u voor houden moest."