Chapter 6
"Pardon, mevrouw! Vergun mij te zeggen dat uwe voorstelling wat onjuist is uitgevallen," viel nu kapitein Sanders in, met wien ik terstond was ingenomen om zijn ernstig en schrander voorkomen. "Permitteer mij een en ander te rectificeeren, want ik ben een vriend van luitenant Wilibald, en ik weet dat het hem hinderen zou, als zulke scherts voor de ware werd uitgegeven. Het was voor hem volstrekt geen corvée freule Mordaunt op te leiden, in welk toilet zij ook goedvond zich te vertoonen, want hij hield genoeg van haar om niet wat bizarrerie over 't hoofd te zien.... Ja, ik durf zeggen, had het aan hem gestaan, zijne allerliefste _future_, een piepjong stijfburgerlijk opgevoed poppetje zou nooit zijne vrouw geworden zijn; maar de omstandigheden dwongen hem, en freule Mordaunt schijnt er het hare toe gedaan te hebben, om hem eene _fortuin_ te doen trouwen."
Ik dankte den kapitein in mijn hart, dat hij zoo ridderlijk de handschoen opvatte voor de waarheid tegen dat valsche tongetje, en ik had hem graag openlijk bedankt en de hand gedrukt, maar ik moest voorzichtig zijn en mijne belangstelling verbergen, wilde ik meer hooren.
"En is freule Mordaunt later nog getrouwd?" vroeg ik en trachtte de vraag zoo onverschillig mogelijk van de lippen te laten vallen.
"Wel neen!" riep de schrale oude juffer met een triomfeerenden glimlach. "Zij heeft hier, zoover men weet (en men weet hier nogal alles in dezen kring), nooit een serieusen pretendent gehad."
"Hé! dat is toch vreemd; eene jonge dame die zooveel attracties scheen te hebben," merkte ik aan.
"Dat is in 't geheel niet vreemd," viel het weeuwtje in, op een coquet sentimenteelen toon. "Aanbidders en vleiers van 't oogenblik om zich heen te lokken, viel haar niet moeielijk; maar door 't hart alleen wint eene vrouw ernstige genegenheid en achting en niemand heeft ooit Francis Mordaunt _au sérieux_ kunnen nemen, _n'en déplaise_ den kapitein, want zij had geen hart; zij heeft nooit van iets gehouden dan van paarden en honden."
"Gij vergeet haar grootvader," pleitte weer de kapitein.
"Nu ja! daar was ze idolaat van; maar tot haar ongeluk vergold hij het haar op eene vreemde wijze."
"Wat bedoelt ge, mevrouw?" vroeg Overberg, wiens joviaal gelaat wat betrokken was.
"Dat hij het jonge meisje veel te veel aan haar eigen wil en luimen overliet."
"Wat zal men zeggen, _chère amie!_ Hij was bang voor haar." (Het was de oude juffrouw die toebeet.) "Hij bulderde tegen zijne officieren, maar eene _scène_ met Francis durfde hij niet afwachten."
"Nogmaals verschooning voor tegenspraak, freule! De overste von Zwenken bulderde _niet_ tegen zijne officieren, ik weet het bij ondervinding; maar waarheid is het, dat hij schitterde door zijne afwezigheid als Francis Mordaunt in de wereld ging. Hij liet haar uitgaan zóó en met wien zij wilde, en zat, helaas, aan de speeltafel, en de dusgenaamde adellijke societeit, als Francis zich door onbezonnenheid en zekere eigenaardigheden van haar karakter ter prooi gaf aan laster en verkeerde uitleggingen."
"Bravo, kapitein! Dat's loyaal de afwezende te verdedigen."
"Het spijt mij maar, dat het niet kon zonder een anderen afwezende aan te klagen; maar hetgeen ik zeg is bekend, óver bekend in dezen kring."
"Even bekend als de excentrieke _allures_ van _Majoor_ Frans. Wat kapitein Sanders ook zeggen moge, wij vonden niets uit op dit punt, wij geven het zooals wij het hebben beschouwd."
Ik begreep maar al te goed wie er door majoor Frans bedoeld werd, om opnieuw eene vraag te durven doen.
"Dat moet men toestemmen," sprak eene oude dame, die tot hiertoe gezwegen, maar met schitterende oogen toegeluisterd had. "Denk maar wat een opzien het gaf, toen zij zich zoo compromitteerde voor dien vreemdeling die in de 'Gulden Zalm' logeerde, wien het huis van den kolonel was ontzegd en dien zij _rendez-vous_ gaf buiten diens weten. Heeft zij niet ons aller blaam getrotseerd door op klaarlichten dag met den onbekende in de plantage te wandelen? Ten laatste, 't is mij voor vast verzekerd door iemand die het weten kon, heeft zij hare diamanten spelden beleend om de kosten van zijn verblijf te betalen. Ze heeft ze zelfs willen verkoopen, want ze zijn iemand van mijne kennis gepresenteerd."
De vroolijke blos op het frissche, volle gelaat van Overberg verschoot tot een vaal bleek; maar hij zeide niets; de kapitein daarentegen viel in:
"Het is maar al te waar dat zij alles risqueerde als zij zich iets in 't hoofd had gezet."
"En dat om een persoon, die in 't geringste logement herberg nam, niet eens zijn waren naam opgaf, zooals later verteld werd, en die stellig een oplichter of valsche munter is geweest."
"Indien dat gebleken ware, zou de politie er zich mee hebben bemoeid," bracht Overberg in 't midden.
"Zoo komt het mij ook voor," sprak de kapitein, "en ik houd voor waar, wat Wilibald Smeekens er van geloofde: dat het iemand was, die zich vroeger in den dienst niet goed had gedragen en dien zij uit medelijden naar het buitenland wilde voorthelpen."
"Hm! uit medelijden!" sprak de oude mevrouw. "Eene jonge dame behoorde zich toch waarlijk in acht te nemen voor zulk soort van medelijden. Zich met intriganten in te laten! Ik verzeker u, dat er destijds algemeen sprake van was, haar uit onze conversatie te verbannen."
"Maar men waagde het niet, dat banvonnis uit te voeren om den wille van den kolonel, die 't in zijne macht had het casino onmogelijk te maken en de militaire muziek te weigeren aan de buiten-sociëteit, en die 't zeker zou gedaan hebben als hij maar iets had geraden van 't geen er tegen zijne kleindochter broeide," sprak de kapitein. "Maar de dames legden het voorzichtiger aan; zij executeerden de arme Francis achter haar rug en.... _en détail_...."
"Met dat gevolg," voegde de oude juffer er bij, "dat zij zich weldra uit haar zelve terug trok."
"Neen, dàt had eene andere oorzaak," zei nu het weeuwtje met een veelbeteekenend hoofdschudden; "dat kwam niet door onze bejegening, maar omdat hare eigene consciëntie tegen haar getuigde na dat geval met haar koetsier."
"Ja, dat's waar; dat was eene fatale historie," stemde de kapitein toe, tot mijne smartelijke verbazing.
De loyale man, die blijkbaar tegen lasterzucht en verkeerde uitleggingen kampte, moest hier zwijgen.
Wat was er dan toch gebeurd? vroeg ik bij mij zelven; maar de stem stokte mij in de keel, toen ik de vraag luide wilde herhalen. Zij werd mij gespaard.
"Maar wat is er dan toch gebeurd met die dame en haar koetsier?" vroeg een gebrild heertje, dat, nieuwelings aangekomen, met het ambt van postdirecteur was belast.
De tongen der dames trilden van ongeduld om te antwoorden.
"Ongelukkig weet men er het rechte niet van," hief de oude juffer aan, wier schrille, scherpe stem haar de gelegenheid gaf het woord te bemachtigen, "maar algemeen wordt geloofd, dat zij zich door haar koetsier wilde doen schaken. Mogelijk zou dat gelukt zijn, doch.... de man had eene bruid, en toen dat uitkwam...."
"Heeft zij hem op een woesten rijtoer van den bok geworpen," viel de oude dame in met een glimlach van demonisch genot.
"Anderen, die 't meenen te weten, zeggen, dat zij hem met de karwats heeft doodgeslagen," voegde het weeuwtje er bij, dat er toch ook het hare van hebben moest. "_Horrible, most horrible!_" kwam er met een gemaakt sentimenteel oogverdraaien achter.
Ja, wel _horrible!_ dacht ik, dat jonge en oude vrouwen al te zamen wedijveren in boozen lust om eene van haar die gevallen is, of mogelijk slechts gestruikeld, met de tong den genadeslag toe te brengen.
Ik kan u wel zeggen, Willem, dat ik in dien oogenblik overmeesterd werd door afschuw en walging tegen heel het vrouwelijk geslacht, en dat het mij nauwelijks de moeite waard was verder te luisteren, toen nog weer eene andere in zijde en kant gedoste harpij uitviel:
"Ik heb hooren zeggen, dat zij met hem gevochten heeft en dat de paarden toen zijn doorgegaan, waarbij het slachtoffer onder de voeten zou zijn geraakt."
"Hoe dat ook zij, de waarheid zal wel nimmer uitkomen, de man ligt op het kerkhof."
"Ja, dat is hier zonder beeldspraak de waarheid," schertste de weduwe, "en daarmee is de misdaad voor goed bedekt."
"Met uw verlof, dames! Als er van zoo iets kwestie ware geweest, zou immers de justitie er zich mee bemoeid hebben," merkte Overberg aan; "en ik weet voor _zeker_, dat er van zoo iets geen sprake is geweest."
"Dat wil ik wel gelooven," repliceerde de weduwe. "De officier van justitie was een goed vriend van den kolonel, die dagelijks met hem aan de ombretafel zat, en hij heeft, om de zaak te bemantelen en tegelijk aan het publieke wraakgeschrei iets toe te geven, eene officieuse visite afgelegd bij den commandant. Francis Mordaunt moet toen in 't verhoor zijn genomen, en, zooals vooruit te berekenen was, is zij er zwaanwit uitgekomen; naar 't getuigenis van den rechterlijken ambtenaar althans," eindigde zij met een satyriek schouderophalen.
"Maar, mevrouw!" viel Overberg in met zichtbare ergernis, "als men nu zelfs de onpartijdigheid van de justitie gaat verdenken!"
"Och, ik verdenk niet, ik vertel slechts hoe 't afgeloopen is, namelijk dat de zaak gesmoord is en aan de familie van den ongelukkige het stilzwijgen werd opgelegd. Lieden van dat slag laten zich licht bang maken. Enfin, hoe het daar ook mee zij, Majoor Frans heeft zich na dat avontuur niet weer in onze côterie durven vertoonen, en haar grootvader schijnt er aanleiding uit genomen te hebben om zijn ontslag uit den dienst te vragen."
"Hij had den leeftijd," voegde de kapitein er bij; "en zoo hij zijn ontslag kreeg, was het met eervolle onderscheiding: bevordering tot generaal, vergunning tot het blijven dragen van de uniform."
"Waarvan wel niet druk gebruik zal gemaakt worden; want de generaal retireerde zich naar het huis de Werve," merkte de oude dame aan.
"Waar nu Majoor Frans het commando heeft," liet de oude dame er op volgen.
"En zich den tijd verdrijft met paardrijden en jagen," voegde het weeuwtje er bij, met een opgetrokken neusje.
"Wat het laatste betreft, dat kan ik, als onjuist, tegenspreken," hernam Overberg; "want de generaal heeft geene jachtakte genomen, dat weet ik zeker, en het jachtrecht over zijne velden en bosschen is sinds lang overgedragen op.... een van mijn cliënten, die echter hazen en patrijzen in vollen vrede laat."
Hierdoor kwam het praatje tusschen de heeren op de jacht en visscherij; terwijl de dames hare tong scherpten tegen andere slachtoffers.
Ondanks mijne poging om het te ontveinzen, moet Overberg het mij hebben aangezien dat de harde oordeel-velling over Francis dieper indruk op mij maakte dan salonpraatjes behoorden te doen; hij nam mij ter zijde en fluisterde mij in: "Morgenochtend vóór uw vertrek kom ik nog een paar woorden spreken over dit gehoorde; hecht er intusschen niet te veel aan; dit alles weegt zoo zwaar niet als het luid klinkt."
Hij had goed praten; hij kende de oorzaak mijner belangstelling niet, en al tilde ik het nòg zoo licht, het was toch te veel voor de betrekking, waarin ik tot de freule moest komen. Ik begon te twijfelen of ik wel naar de Werve zou gaan, en of ik niet beter deed mij ter zijde te houden en van Beek met Overberg te laten handelen. Het oordeel over den generaal en zijne kleindochter zou dan voltrokken worden; maar het scheen toch gansch niet onverdiend.
Onder overleggingen van den onaangenaamsten aard begaf ik mij ter ruste, die ik niet vond. Ik had een ellendigen nacht en was op het punt na mijn ontbijt het rijtuig, dat mij naar de Werve moest brengen, te gebruiken om naar een der dichtst gelegen stations van den spoorweg te rijden, daar het stadje nog buiten het net der rails ligt, en naar den Haag terug te keeren, waar mijne kamer nog niet is opgezegd en waar ik mijn eigen rustig en werkzaam leven kon hervatten, om mij voor goed af te wenden van tante Roselaers fortuin en hare beschikkingen; maar Overberg kwam tusschenbeide met consideratie en advies.
"Ik meen uwe nobele intentie geraden te hebben," ving hij aan. "Gij wilt freule Mordaunt leeren kennen, en als zij u aanstaat een voorslag doen, die allerlei moeielijkheden door eene enkele overeenkomst bij minnelijke schikking uit den weg ruimt. Ik kan u niet zeggen, hoe prijselijk, hoe verstandig ik dit voornemen vind, en het verwondert mij zelfs, dat de erflaatster u in dezen niet een wenk heeft gegeven, want zij was iemand, die de zaken zeer helder inzag."
"Dien wenk heeft ze gegeven; ik wil het u niet langer verhelen; en 't was wel mijn voornemen dien op te volgen, maar na het gehoorde van gisterenavond moet ik er van afzien."
"Gekheid! Hecht toch niet zooveel gewicht aan die praatjes. Denk aan de lasterzucht en de kleingeestigheid van de lieden eener kleine stad, die alles op het bekrompenste uitleggen."
"Heel goed; maar in een kleine stad, waar men elkander, om het zoo eens te zeggen, oog in oog ziet en alles van elkander kan weten, durft men toch zoo grof niet liegen en lasteren als er niets van aan is."
"Dàt wil ik ook niet beweren; maar zekere ongewone voorvallen, zekere excentrieke handelingen zijn meestal voor tweeërlei uitlegging vatbaar; en wie zegt ons, dat de slechtste, door naijver en ergdenkendheid gegeven, juist de ware is? Ik voor mij, dit beken ik, ik ben niet in de gelegenheid geweest om de gedragingen van freule Mordaunt te controleeren. Ik had genoeg aan de zaken met haar grootvader, die altijd met hooge ingenomenheid van haar sprak. Daarom wilde ik ook geene getuigenis voor of tegen haar geven op uwe vraag. Had ik echter kunnen denken dat onze dames het zóó bont gemaakt zouden hebben, dan had ik het niet op hare praatjes laten aankomen en zou ernstige navraag hebben gedaan bij personen, die billijk en betrouwbaar waren."
"Kent gij dezulken hier?"
"Ze moeten hier te vinden zijn. En ik verzeker u, in mijne praktijk is het mij zoo dikwijls voorgekomen dat men de boosaardigste beschuldigingen, tot de grootste proportiën opgeblazen, als een zeepbel zag uiteenspatten bij ferme, mannelijke aanraking, dat ik niets meer geloof, wanneer ik niet met eigen oogen gezien, niet met eigen handen getast heb, of waarvoor ik althans waarborgen heb, die met eigen aanschouwen gelijk staan."
"Op het punt der verkochte of beleende juweelen hebt gij dan toch zeker eenig duchtig bewijs in handen," viel ik in, mij zijn verbleeken herinnerend.
"Gij hebt gelijk; juist in die zaak ben ik betrokken geweest. De freule had meer geld noodig dan die woekeraar van een goudsmid hier bij ons er haar op wilde voorschieten. Verkoopen wilde zij ze niet dan op het uiterste, en hoewel het mogelijk is dat de juwelier, die ze een paar uur onder zijne berusting heeft gehad, er zaken mee heeft willen doen, met hare toestemming en voorkennis zijn ze niemand te koop aangeboden. In hare verlegenheid nam zij hare toevlucht tot mij, van wien ze wist dat haar grootvader altijd met raad en hulp werd gediend. Nu behoort het wel niet tot mijn vak, geld te leenen op edelgesteenten, maar zij bekende mij, dat zij in de uiterste verlegenheid verkeerde, hoe ze een paar duizend gulden zou bijeenkrijgen buiten haar grootvader om. Zij was pas meerderjarig en hare voogden hadden haar nog geene rekening en verantwoording gedaan van hun beheer over haar vaderlijk erfdeel; zelve wist ze nog niet, wàt ze bezat, en geloofde dat haar vermogen geheel op het Grootboek was geplaatst om bepaalde redenen, die ik licht doorzag; men had den generaal de gelegenheid willen benemen om zijne kleindochter, wier fortuin bij het overlijden van haar vader toch al zeer gereduceerd zal zijn, totaal te ruïneeren. _Wat_ daarvan zij, eene parure in paarlen en de prachtige diamanten spelden was alles wat zij kon missen op dit oogenblik, maar zij had er die dan ook voor over. Mejonkvrouw Roselaer had mij eens voor al opgedragen de von Zwenkens in allen nood bij te staan, moyennant degelijk onderpand. Ik meende dit geval in dat voorschrift te moeten begrijpen en ik schoot het geld voor tegen billijke rente, op mijn eigen risico, zoo de oude freule de zaak niet mocht goedkeuren; maar het tegendeel bleek, en de sieraden zijn nog onder mijne berusting, daar ze tot hiertoe nog niet zijn opgevorderd."
"En de rente?"
"De freule schijnt daar niet aan te denken," hernam Overberg met een goelijk glimlachje; "die laten we maar stilletjes oploopen tot tijd en wijle.... Als het met uwe intentiën strookt, kunnen wij dat aparte zaakje onder ons afdoen."
"Wij zullen zien, mijnheer Overberg. In elk geval kan het mij te pas komen dit te weten. En hebt gij niet vernomen welk gebruik de jonge dame dacht te maken van dat geld?"
"Zij moest er iemand mee helpen, die zich niet tot den kolonel kon wenden (onder ons gezegd, zou het dezen ook niet licht zijn gevallen die hulp te verleenen). In welke betrekking zij zelve stond tot den persoon in kwestie, kwam ik niet te weten. Hij is maar een dag of vier hier gebleven; zelf heb ik hem niet ontmoet, maar zooals gij gehoord hebt, was er geen gebrek aan sprookjes over zijne _faits et gestes_. Sommigen beweerden hem gezien te hebben in de kleeding en de manieren van een gentleman; anderen wisten voor zeker, dat hij er als een schooier uitzag, zich in een gemeene herberg bedronk en niets beters was dan een brutale avonturier, 't geen wel zou kunnen zijn, want het mededoogen der vrouwen is wel eens zeer slecht geplaatst."
"En 't voorval met den koetsier? Blinkt daarin ook hare vrouwelijke meewarigheid uit?" vroeg ik, niet zonder wat bitterheid.
"Dat zal ik niet zeggen; maar er kon toch wel eens minder kwaad achter schuilen dan de beminnelijke dames er in willen zien. In uw geval zou ik den tocht naar de Werve niet uitstellen tot ik daar het rechte van wist. Ik heb freule Mordaunt wel hooren beschuldigen van bruske manieren en onvoorzichtige gedragingen, maar zij is bekend om hare oprechtheid, die door hare dusgenoemde vriendinnen als impudentie wordt beschouwd, want zij heeft niet als onze nufjes den tact om met zoete woordekens impertinenties te zeggen. Mogelijk komt gij achter de waarheid, als gij haar die zelve ronduit vraagt. Een enkel bezoek verbindt daarbij tot niets, en gij zult toch in elk geval een onderhoud met den generaal moeten hebben over de zaken."
Overberg had gelijk. Ik moest niet veroordeelen zonder eigen onderzoek, en ik stapte in het wagentje met een paard, dat in deze streken het traditioneele voertuig is voor buitentoertjes. Ik had in 't logement gewaarschuwd dat ik dien dag uit zou blijven, maar wij wel gewacht te zeggen waar ik heenging, om alle gissingen en willekeurige uitleggingen af te snijden.
Ik deed of ik mij aan den koetsier overgaf voor een toertje in de omstreken; alleen bij de eerste halt aan het tolhek gaf ik mijn verlangen te kennen om naar 't kasteel de Werve te rijden.
"Dan zijn we de verkeerde poort uitgereden!" knorde de boersche voerman, "en dan doen we beter den tol niet door, maar links af langs het bosch te rijden;" 't geen echter den tolbaas niet aanstond, die verzekerde dat men de Werve evengoed kon bereiken als men een kwartier later links af draaide, "een makkelijk schulppad, zoo hard als een steenweg, zouden we vinden, met hooge populieren tot aan het dennenbosch, en dan wees de weg zich vanzelf." De voerman onderwierp zich en wij reden door; maar "de weg die zich zelf wijst" is wel eens een zeer onbetrouwbare indicatie; wij zouden het tot onze teleurstelling ondervinden. Inmiddels gleden wij werkelijk over het schulppad of het eene railroute was. Het was een droge koude lentedag, zonder zon; de lucht had iets zwaars, dat bijna een sneeuw- of hagelbui liet verwachten. Het hoog, nog slechts knoppend geboomte schonk weinig afwisseling, en de huif van het wagentje, dat ter eener zijde dicht moet blijven om den schralen noordenwind, liet mij niet veel anders zien dan den breeden rug van den voerman. Ik had dus alle mogelijke gelegenheid om tot mij zelven in te keeren en mijn _plan de campagne_ te maken, dat ik toch weer varen liet zoodra het geëmbaucheerd was; want het terrein was mij nog altijd onbekend, en ik begreep dat ik met een vijand zou te doen krijgen, die weerbaar genoeg was om partij te trekken van een onhandigen aanval; het was dus beter, vooruit geene manoeuvres te bepalen, die door de eerste caprice de beste van "den Majoor" onuitvoerbaar konden worden gemaakt.