Majoor Frans

Chapter 5

Chapter 53,844 wordsPublic domain

Ik behoef u niet te zeggen, dat het tante Sophie is, die alle deze bewijzen in handen heeft weten te krijgen, dat tante Sophie in het kritiek oogenblik, dat zij zelve in hare macht had te bepalen, als eenige schuldeischeresse en bezitster van alle verkochte goederen kon optreden. Waarom zij, na zoo behendig met zulk eene jarenlange volharding hare maatregelen te hebben genomen, niet reeds bij haar leven dit vonnis over haar vijand heeft voltrokken, om hare wraaklust die afschuwelijke voldoening te geven, dat is mij onbegrijpelijk. Zij had alles daartoe voorbereid en berekend, en toch heeft zij uitgesteld, tot ná haar dood. Mij dacht, haar triomf over hem zou het geweest zijn, voor zijne oogen in zijn onteigend kasteel te trekken, en van Beek zeide mij dat zij werkelijk dit plan moest gekoesterd hebben; maar er is iets tusschen gekomen, iets wat hem zelf onverklaarbaar is en waarover zij zich nooit heeft uitgelaten; zeker is het dat zij drie maanden vóór haar dood, op het tijdstip zelf dat van Beek hare orders wachtte tot den aanval, hem roepen liet, zich door hem een zijner collega's deed aanwijzen, om haar testament te veranderen, en de U bekende schikkingen te maken, waarbij van Beek als _executeur_ werd aangewezen en waarvan ik het slachtoffer ben, zou ik haast zeggen als het niet zoo paradoxaal klonk.

"De groote plaats in Gelderland, de Runenburg, is met ultimo October vrij en te uwer dispositie, jonker," viel van Beek in, den loop mijner gedachten storende; "maar wat het huis in de stad betreft, dat slechts tot Mei toe is verhuurd, de bewoners houden zich zeer gerecommandeerd te continueeren, zoo dat niet met uwe intentiën strijdt; het zijn respectabele lieden; hoe wilde de jonker dat ik daarin handelen zal?"

Ik schrikte op, en keek hem wat verbaasd en verbijsterd aan.

Het is eene zonderlinge gewaarwording, Willem, als men nooit een steen in eigendom heeft gehad en altijd blij was als de kamerhuur om de drie maanden klaar lag, te moeten beslissen wat er met huizen en buitenplaatsen zal geschieden. Ik vond dan ook maar beter geen besluit te nemen.

"Mij dunkt, mijnheer van Beek, alles moest blijven zooals het is, tot ik weet, of ik Francis zal kunnen huwen."

"De jonker vergeet, dat het geene absolute conditie is...."

"Niet volgens de letter van het testament, dat weet ik wel, maar toch, voor mij...."

"Verlangt de jonker, nu hij toch te Utrecht is, het huis niet eens te zien? 't Is een kapitaal perceel, gelegen aan 't St. Janskerkhof; wel de moeite waard dat verzeker ik u."

"Dank je, mijnheer. Alleen, zoo 't niet te veel omhaal is, zou ik gaarne het kleine buitentje zien, waar tante heeft geleefd en gestorven is. Iemands omgeving leert ons zoo licht iets naders omtrent zijn persoon...."

"'t Is geheel tot uw dienst, jonker! Alleen .... ik meen reeds het genoegen gehad te hebben u te zeggen," hernam van Beek met eenige verlegenheid, "dat de oude freule aan mij heeft gelegateerd, zooals reeds in 't voorgaande testament was beschreven, met dit servituut er bij, dat de kamenier er wonen blijft tot aan haar dood. Het is een kostbaar legaat, ik ontken het niet, maar considereer, dat ik haar dertig jaar met alle mogelijke zaken en niet altijd zonder groote bezwaren heb gediend, geraden en hare belangen voorgestaan, en dat er voor mijn executeurschap geen extra gelden zijn gestipuleerd, terwijl mij daarentegen is aanbevolen, den erfgenaam in alles bij te staan, voor te lichten en naar mijn beste vermogen met raad en hulp te dienen."

"Maar mijn goede heer!" viel ik in, "wie zou tante geweest zijn, zoo zij u niet in alle ruimte had bedacht? Het is mij volstrekt niet te doen om u in iets te beknibbelen, 't Is voor mij zooveel als een pelgrimaadje...."

"Die heel licht te volbrengen is, als gij mij het genoegen wilt doen hier te eten. Na den middag rijden wij er even heen; 't is geen half uur van de stad. De freule heeft beschreven, dat de gansche huishouding drie maanden na haar dood zou blijven gaan op denzelfden voet, dat hare kleederen onder hare bedienden moeten verdeeld worden, behalve de kleinoodiën, die aan u verblijven, en dat ik alles wat mij geschikt voorkomt van het huisraad tegen taxatie mag overnemen; het overige moet verkocht worden. Mogelijk vindt de jonker echter een of ander, dat hij behouden wil als souvenir."

"Wel zeker! de statuette van Voltaire," zeide ik lachende, en daarbij bleven voor 't oogenblik de mededeelingen. Wij gingen koffiedrinken met zijne vrouw en dochter en na den eten reden wij naar _Doornhove_.

Het interieur van tantes woning gaf mij niet veel meer licht over haar persoon en karakter, dan ik reeds ontvangen had. De oude kamenier verkondigde met ijskoude trekken en droge oogen haar lof in vrome termen. De jongere keukenmeid vond stroomen tranen om den "jonker" te begroeten, die zeker ook zoo bedroefd moest zijn. De huisknecht keek mij aan of hij meende dat ik in zijne rechten kwam treden, en de kamers waren gemeubeld zooals ik mij reeds had voorgesteld zoomin antiek als modern. Daar waren nog wat meubels _style empire_, maar het meeste was uit den goelijk karakterloozen tijd van Willem I, toen zij zich hier inrichtte, en sinds was er niet veel bijgekomen. Op comfort scheen ze niet bijzonder gesteld; er was maar één groote canapé in 't heele huis en een armstoel à la Voltaire, dien zij alleen 's middags een uurtje gebruikte. Het moet eene wakkere werkzame vrouw zijn geweest tot in hare laatste levensdagen. Zij beheerde zelf met behulp van van Beek al hare goederen, beschikte persoonlijk over interesten en geldbeleggingen en liet zich maandelijks rekenschap geven van alles. "Ze zat altijd te cijferen en te schrijven, als ze niet zat te lezen of te breien," zei de oude kamenier.

"En wat las ze?" vroeg ik.

"Meest in de ongeloovige boeken, daar uit die kleine boekenkast, een enkele maal wel eens in den Bijbel, maar niet gezet. In een leesgezelschap was zij niet; zij wilde niets weten van den grooten strijd dezer dagen en geen krant zien dan de Haarlemmer."

"Die ongeloovige boeken" waren Fransche, Duitsche en Engelsche klassieken. Ik beduidde van Beek, dat ik wel wat zwak zou hebben op die kleine, uitgezochte boekerij, alles keurig gebonden, maar blijkbaar niet als onnut sieraad aanwezig.

Onder de "ongeloovige boeken" had ik Fénélon, Bossuet en Pascal opgemerkt, in minzame ruste gerangschikt nevens Voltaire en de Encyclopedisten, terwijl Gellert, Lessing en Klopstock met Lavater hunne ruime plaats hadden gevonden nevens Goethe en Schiller en de tooneelspelen van Iffland en Kotzebue!

"De boeken kunnen niet geacht worden tot het huisraad te behooren," sprak van Beek met eene deftige buiging, "en, al ware dat zoo, het spreekt vanzelf, dat de jonker in alles de preferentie heeft."

Ge moogt me gelooven of niet, Willem, maar ik moet u bekennen, dat ik voor 't eerst eene onvermengde gewaarwording van blijdschap had, toen ik opnieuw den blik richtte op dat bibliotheekje en het aanzag met de oogen van den eigenaar. Al de ontzaggelijke geldsommen, die van Beek mij in zijne notarieele akten had voorgesteld, al de papieren, die vele duizenden vertegenwoordigden, hadden mij, ik zal niet zeggen koud, maar vreemd gelaten. Ik kon er mij nog niet in zetten als mijn eigendom, maar Shakespeare en Molière, la Fontaine en Pascal kon ik mij denken als de mijnen, en met eene onwillekeurige beweging greep ik een deeltje, als om er feitelijk bezit van te nemen.

Van Beek glimlachte, en knipoogde met zijne slimme kijkers. De kamenier, die er bij stond, keek mij aan of ik heiligschennis pleegde.

"Ik zou eer gedacht hebben, dat de jonker zwak had op den Bijbel van de freule," zei ze bij wijze van critiek.

"Het eene belet het andere niet, juffrouw Jones, althans zoo gij zelve daaraan niet hecht."

"Och neen, jonker. Zoo'n wereldsch, nieuwerwetsch boek daar hecht ik niemendal aan; dat acht ik Gods woord niet, en ik begreep het nooit, hoe mijne freule daarin hare stichting heeft kunnen vinden."

"Wat hapert er aan dien Bijbel?" vroeg ik van Beek.

"Niets, volstrekt niets. 't Is een gewone Staten-Bijbel, slechts niet met de verouderde Duitsche letter gedrukt."

Op mijn woord, tante moet in den besten zin liberaal zijn geweest, dat zij zoo'n dienares van de letter jarenlang om zich heeft kunnen dulden!

Den volgenden dag aanvaardde ik mijne reis naar het kleine stadje Z., van waar uit ik op de Werve zou losrukken. Doch er gaat van avond een mail, en het pakket is zóó groot genoeg voor eene eerste toezending. Gij zult er heel wat aan te lezen hebben. Moge U tijd en opgewektheid daartoe niet ontbreken bij uwe aankomst!

Wees gegroet tot nader.

Uw Leopold.

April.

_Kasteel de Werve_, _April 186 _.

Zie zoo, beste Willem! ik ben doorgedrongen tot het binnenste van de vesting, maar ik ben nog geen meester van 't garnizoen.... Verre van daar, hoewel ik reeds slaags geweest ben met den Majoor. Maar ik wil niet vooruitloopen; ik ga u eerst vertellen, hoe ik hier ben aangekomen, en onder welke indrukken.

Door van Beek voorzien van de noodige indicaties van een credietbrief voor zijn collega Overberg, procureur en notaris in het kleine stadje Z., trad ik diens woning binnen. Gij ziet, ik word gebousculeerd van den eenen man der wet op den anderen; maar dat kan nu eenmaal niet anders. Overberg was in de gelegenheid om mij de beste diensten te bewijzen bij mijn aanval op de Werve. Hij is een man van gewicht in zijne standplaats en de hoofdagent geweest van freule Roselaer, bij haar toeleg om zich in 't geheim meesteresse te maken van von Zwenkens bezittingen. Hij is (voor hare rekening) de altijd gewillige geldschieter geweest, die den generaal in zijne chronische kwaal van geldverlegenheid bijstond. Wel bezien is het nog zoo kwaad niet, dat zij zich zoo geheel van den toestand heeft meester gemaakt. Zonder dat zouden die kostbare goederen op allerlei wijze verbrokkeld en geruïneerd zijn, terwijl de ongelukkige, die ze moest afstaan of beleenen, in woekeraarshanden zou gevallen zijn, die hem reeds veel eer in 't verderf zouden gebracht hebben. Dit is nu niet het geval geweest. De mandataris van tante moest strikt het billijke vorderen, maar ook niets daar boven. Dit maakte dan ook, dat von Zwenken niet in gebreke bleef zich in allen nood tot hem te wenden, zoodat hij zijn volle vertrouwen bezit en zeer zeker op diens aanraden de transactie, die hem eens door van Beek werd voorgesteld, zou hebben aangegaan (het afstaan van zijn huis en de Heerlijkheid), zoo niet de voorslag van zijne schoonzuster ware gekomen. Ook ried Overberg mij, zoo ik toegang wilde verkrijgen tot het kasteel, niet als de erfgenaam van freule Roselaer op te treden, hetgeen terstond alles voor goed zou bederven.

Als jonker van Zonshoven, door mijn moeders moeder aan den generaal geparenteerd, zou ik vermoedelijk niet onwelkom zijn, hoewel von Zwenken zich geheel heeft teruggetrokken uit de conversatie en noch gasten noch bezoekers meer ontvangt.

Ik zou een voorwendsel bedenken dat mijn verblijf in het naburige stadje wettigt, en van daar uit was de aanleiding tot eene visite licht gevonden; het verdere zou dan van de ontvangst afhangen. Maar ik wilde niet zoo onvoorbereid aankloppen; ik moest zooveel doenlijk weten, wie en wat ik er vinden zou, allereerst wie eigenlijk Francis was, waar het mij voornamelijk op aankwam. Toen ik Overberg vroeg, of hij freule Mordaunt persoonlijk kende, haalde hij de schouders op.

"Ik heb slechts eenmaal de eer gehad haar te spreken. De generaal komt altijd zelf bij mij, de freule komt hier nooit meer. Eens slechts had zij in een zaak, haar persoonlijk betreffende, mijn raad noodig, en toen is zij bij mij geweest; maar dat is lang geleden. Toen woonde de generaal met zijne kleindochter nog in de stad en was hij commandant van de vesting."

Daar Overberg niets van tantes beschikkingen weet, dan dat ik haar erfgenaam zou zijn, was ik met van Beek afgesproken, hem van het huwelijksplan niet te spreken voor er kans scheen dat het zou doorgaan, en zoo wachtte ik een antwoord zonder menagement.

Mijne teleurstelling moet zich op mijn gelaat hebben geteekend, want de goedhartige man hernam met zekere meewarigheid en als verontschuldigde hij zich over zijne onkunde op dit punt:

"Weet gij, Jonker! de overste leefde destijds op een grooten voet en er bestond toen nog zekere afscheiding tusschen den militairen kring en den burgerlijken, die nu is weggevallen. Ik, bij mijne drukke bezigheden en weduwnaar, hield mij buiten de conversatie. Sinds ik hertrouwd ben doe ik zoo wat mee, en 't is hier met diners en partijen druk genoeg--en nu wij hiervan spreken, van avond is er een soiréetje bij mij aan huis; daar komen jonge dames, die met freule Mordaunt hebben geconverseerd. Wees heden mijn gast; gij kunt den tocht naar de Werve toch moeilijk in den middag ondernemen. Ik zal u voorstellen als iemand die hier naar een buitentje in den omtrek komt rondzien. Want gij begrijpt, in een stadje als het onze moet men de reden kennen van uw oponthoud, of men gaat er allerlei gissingen over maken van eigen vinding. Ik zal 't gesprek op de von Zwenkens brengen, en gij kunt toeluisteren; dat is het beste wat ik er op weet."

Ik vond het ook zoo kwaad niet. In het logement, waar ik verblijf had genomen (het eenige dragelijke), had men mij gezegd, was het niet vroolijk den avond door te brengen, en eene gezellige bijeenkomst had in eene kleine stad, nevens de eigenaardige bezwaren, toch ook hare voordeelen, in dezen althans voor mij.

Ik nam aan, dineerde geheel _en famille_ met den heer Overberg en zijne vrouw, gulle joviale lieden, wie men het niet zou aanzien dat zij behooren tot het gilde:

"De petits avocats. Qui se sont fait des sous En rognant des ducats."

En toch was mr. Overberg een geducht man op zijn terrein. Hij was er voor bekend, dat hij zijne schapen niet vilde, maar zachtkens schoor. Toch raakten zij hunne vacht kwijt als ze eens in zijne handen kwamen. Waarheid is, dat hij ze niet lokte noch valstrikken spreidde, dat hij integendeel waarschuwde voor processen waar men zijne hulp als procureur inriep. Hij hield niet van uitersten, niet van geweld; hij hield van middelen en schikken, en het goelijk glimlachje waarmee hij zijne cliënten ontving, het zachte lijntje dat hij hun steeds aanprees, of hij vreesde dat een ruwe aanval zijne blanke, gevulde handen niet passen zou, bewezen, dat hij de man van zijn tijd was, de beschaafde, wel opgevoede practizijn, die zijne partij zoetjes aan bracht waar hij haar hebben wilde, _sans avoir l'air d'y toucher_.

Tante Sophie schatte hem hoog om zijne discretie en voorzichtigheid, maar zij heeft zich wel gewacht hem _le fin fond_ van hare bedoelingen te laten doorzien, daar hij de man niet was voor snelle, gewelddadige maatregelen. Tot eene ontknooping, zooals zij die in 't eerst bedoeld heeft, zou zij zeker van Beek hebben ingeroepen, die met den _code_ in de eene en het zwaard zonder genade in de andere hand zou zijn opgetreden om rechtuit op zijne prooi af te gaan. Overberg daarentegen, meenende dat ik uit mij zelven en krachtens mijn recht als erfgenaam bezit wilde nemen van de mij ten deel gevallen goederen, geloofde mij te moeten vermanen tot geduld; temporiseeren en uitstel van betaling geven waar het mijne vorderingen gold; niet alle hypotheken tegelijk opzeggen, maar op verschillende en ver verwijderde termijnen, opdat alles langzaam maar zeker en zonder opzien te verwekken als _en famille_ kon worden afgedaan. De generaal moest er toe komen, dat was zeker, al wat nog het zijne heette en dat hij nimmermeer kon vrijmaken, bij wijze van minnelijke schikking over te doen. De goede naam van een militair, van een man die in een oud patricische familie gehuwd was, al was hij vreemdeling van afkomst, zou op die wijze gespaard blijven, en uit lankmoedigheid kon in geen geval schade volgen, terwijl het opeischen van alles tegelijk den man tot het uiterste zoude brengen, hem mogelijk in vertwijfeling zijn toevlucht zou doen nemen tot een anderen practizijn, die kwaden raad kon geven in deze wanhopige zaak; en als men doorzette en den onbarmhartigen schuldeischer speelde, was er kans dat men schade leed, daar 't verkoopen van onroerend goed zeer uit de hand kon vallen en 't geheel eigenlijk sinds lang bezwaard was boven de waarde.

De goede man wist niet, _qu'il prêchait un converti_, en dat mijn innigste wensch was, alle mogelijke verschooning te gebruiken; alleen de intentie der erflaatster was juist eene geheel andere: deze was het te doen om te verpletteren, niet om opgericht te houden; op de schade die er uit volgen kon, mocht niet worden gezien; de verdrijving van den generaal uit al het zijne was het hoofddoel, tenzij de reddende hand werd aangegrepen die ik mocht toesteken; maar ik beken u gulweg, Willem, dat 't geen ik op die soirée hooren moest, mij gansch niet gunstig stemde voor die aanbieding. Het verleden van dat jonge meisje moet toch al heel duister en zonderling zijn, als maar iets waar is van de praatjes die hier over haar worden gehouden. Ik weet wel, men moet veel op rekening stellen van de kwaadsprekendheid en de bekrompen uitleggingen eener kleine stad, maar toch .... oordeel zelf: Onder de dames aan wie ik werd voorgesteld, was er eene, een alleraardigst jong weeuwtje met gitzwarte oogen en levendige gelaatstrekken, die mij werd aangeduid als een verre nicht van de Roselaers, en waarvan het mij in 't eerst speet, dat zij niet Francis Mordaunt heette en de uitverkoren nicht was van tante Sophie. Maar toen zij door vriend Overberg, zooals ter loops, op het _chapitre_ der von Zwenkens werd gebracht, was ik heel blij, dat ik mij volkomen vreemd aan haar mocht houden. Ik kreeg zelfs eene opwelling van haat en bitterheid tegen haar, zoo onbarmhartig als zij op de arme Francis lostrok.

"Ja, zij waren goede kennissen geweest in den tijd toen haar grootvader de commandant was van 't garnizoen, en zij had het huis van den overste gefrequenteerd, maar vriendschap, neen, vriendschap had er nooit bestaan tusschen haar en dat jonge meisje: daarvoor was zij al te bizar en te ongemanierd. Verbeeld u, jonker! ze kwam eens op een avond bij ons op een jongelui's partijtje, waar men wist dat muziek gemaakt en gedanst zou worden, invallen zoo cavalièrement als 't maar mogelijk was, met een donkeren merinoschen japon aan, hoog aan den hals, met een omgeslagen boordje en een zijden dasje, als een aankomende jongen, en haar schoeisel! _bottines de roulier!_ Op mijn woord, ik geloof, dat zij er spijkers in had; geen onderofficier zou de onbeschoftheid hebben gehad met zulke laarzen in een salon te komen...."

"Onbekendheid met de omstandigheden wellicht...." verontschuldigde ik.

"Wel neen! Ze was acht dagen vooruit gevraagd. In dien tijd kan men wel een toilet prepareeren, zou ik meenen! Daarbij, zij was niet _au dépourvu_, dat bleek heel duidelijk, daar zij twee dagen daarna, bij een simpel damespartijtje, waar we tegen tien ure, door onze bedienden geëscorteerd, weer naar huis gingen, _en grande toilette_ verscheen, gedecolleteerd of ze had moeten dansen, ébloissant door hare parure en met kostbare diamanten spelden in haar kapsel! Nu vraag ik u eens, was dat niet om ons allen te railleeren en bloedig te krenken?"

"Het komt mij voor, dat zij hare vriendinnen meer eer wilde aandoen dan hare cavaliers."

"Waarheid is, dat zij al heel weinig complimenten maakt met de heeren," viel eene schrale ouderwetsch gekleede oude juffer in, die zeker de laatste had moeten zijn om partij te trekken voor een geslacht, dat haar blijkbaar verwaarloosd had.

"En dezen hebben haar wis die nonchalance gereciproceerd?" vroeg ik. "Zij heeft denkelijk den ganschen avond tapisserie gemaakt nevens de dames van leeftijd."

"Omdat zij zelve het dus wilde," viel het weeuwtje weer in. "Hoe zij er ook uitzag, zij was zeker dat zij dansers kon krijgen. Alle jonge officieren zijn als vanzelf verplicht de dochter, nicht of kleindochter van hun kolonel zoo wat het hof te maken. Daarenboven verstond Francis Mordaunt heel goed de kunst om aan te trekken door af te stooten. Ondanks al hare bizarrerie en al hare caprices was zij nooit om een cavalier verlegen. Nauwelijks trad zij ergens binnen of zij wist de opmerkzaamheid tot zich te trekken. De heeren omringden haar, zij werd gevleid, gecourtiseerd...."

"Ja! gecourtiseerd, dat kan wel zijn, maar niet _geconsidereerd_, dat is zeker!" viel de oude vrijster in. "Het was meest om haar gerisqueerde aardigheden te ontlokken, of zulke uitvallen, waardoor ze befaamd is geworden."

"Waarheid is, dat iedereen zich amuseerde met hare bijtende reparties."

"Die de dames vreesden," sprak een der heeren half schertsend, half verwijtend, "omdat ze in den regel even juist waren als scherp."

"In den regel koos zij de heeren tot _point de mire_ van hare raillerie."

"Hoe vreemd dan toch, dat de dames zoo weinig hare partij trekken," kon ik niet nalaten aan te merken.

"Dat is _niet_ vreemd, jonker! De eigenaardigheden waardoor zij opgang wist te maken zijn juist die, welke wij in onze sexe niet kunnen uitstaan. In al hare overwinningen zagen wij nederlagen; de goede toon ging er bij onder."

"En hoe liep de partij voor freule Mordaunt af in dat curieuse danstoilet?" viel ik in, want ik had minder belang bij een _combat d'esprit_ met het précieuse weeuwtje, dan bij eene meer voltooide karakterschets van Francis, al was die ook door een tintje kwaadsprekendheid gekleurd.

"Juist zooals zij het hebben wilde, denk ik. Zij werd dien avond wel wat gedelaisseerd, en blijkbaar was dat haar oogmerk, want zij deed niets om er in te voorzien; integendeel, zij heeft haar besluit om niet te dansen zoo luid en zoo forsch te kennen gegeven aan de gastvrouw zelve, dat er geen kwestie meer kon zijn van haar te vragen."

"Zoo slim was ze wel," viel nu de oude juffer in. "Zij nam het initiatief om niet beschaamd te blijven zitten als er geen danser kwam opdagen."

"Waarheid is, dat er meer zedelijke moed toe behoorde dan onze heeren in den regel bezitten, om eene dame op te leiden, die zich zoo heeft toegetakeld," hervatte de weduwe.

"De gewoonte om ons niet te sparen schijnt hier aanstekelijk," fluisterde mij een officier in, die mij als kapitein Sanders was voorgesteld. Ik knikte zwijgend, want ik wilde luisteren toen mevrouw X vervolgde:

"Ten laatste, toen de cotillon werd afgeroepen, moest ze toch meedoen, en de ongelukkige leider van den dans moest zich opofferen. Luitenant Wilibald, de adjudant van haar grootvader, was gedwongen haar op te slepen; hij nam _son courage à deux mains_, en, na eenigen weerstand, die wel serieus scheen gemeend te zijn, liet zij zich meevoeren, maar deed niets om hem de corvée te verlichten; integendeel, zij was zoo recalcitrant, zoo onopmerkzaam en zoo links, dat er telkens eenige verwarring ontstond en haar cavalier de grootste moeite had om hare méprises en distracties goed te maken. Ook werd de hoffelijke jonkman door iedereen beklaagd, te eer omdat men wist, dat hij zich eigenlijk uit dienstplicht opofferde, daar hij geëngageerd was met een allerliefst meisje, dat om een rouw in hare familie thuis moest blijven."