Chapter 34
"Bah! hij is op zijn ergst een klein weinigje onoprecht geweest; dat is eene _peccadille_, die gij hem licht kunt vergeven; een leugentje om bestwil zondigt niet, en ik sta er voor in, dat hij u om bestwil zoo wat om den tuin geleid heeft. Hij zal u ook wel eens wat te vergeven hebben; gij hebt hem immers naar uwe eigene getuigenis grof behandeld; gij hebt u zelf bij mij aangeklaagd, dat gij hem onrecht hebt gedaan! welnu! zeg hem dat, val voor hem in de schuld, en alles zal goed zijn."
"Dat is onmogelijk, ik heb het immers al gezegd," hernam zij met ongeduld; "dat is nu te laat."
"Waarom te laat, Francis?" sprak ik, nu snel vooruittredende, "als _ik_ u verzeker dat het nog tijd is!"
"Leo!" riep zij doodsbleek, en als ineenkrimpend onder hare smartelijke aandoeningen, viel zij op een stoel neer en bedekte zich het gelaat met beide handen.
"Francis!" hervatte ik zacht, terwijl mijne ontroering in de stem trilde, "er is nog niets tusschen ons veranderd ik zie nog altijd in u mijne verloofde." Al sprekende had ik even mijne hand op de hare gelegd. Het was of die aanraking haar pijn deed. Als met een schok sprong zij weer op, nu met hooggekleurde wangen en onnatuurlijk fonkelende oogen.
"Uwe verloofde! ik heb dat begrepen uit de wijze waarop uwe handlangers met mij geleefd hebben."
"Het grieft mij meer dan ik zeggen kan, Francis, dat men u lastig is gevallen, maar wijt dat niet aan mij; ik was ziek, ik was afwezend, en zoo men u verdriet heeft aangedaan, is dat wel zeer tegen mijne bedoeling geweest."
"Zooals het tegen uwe bedoeling geweest is, mijn grootvader den schok toe te brengen, die hem den dood heeft aangedaan!"
"Zeer zeker is dat tegen mijne bedoeling geweest, en ik heb tot het uiterste volhard om dat te voorkomen, maar gij, gij zelve hebt niet gewild, en daarna heb ik niets meer kunnen verhinderen. Het was de toepassing van een uitersten wil, dien ik niet bij machte was te wijzigen. Zoo de vervolging, waarmee hij bedreigd werd, werkelijk den dood van uw grootvader, heeft verhaast beschuldig mij dan niet het eerst, Francis! maar tast in uw eigen boezem, en mij dunkt, gij zult bevinden, dat ik het met hem en met u beter gemeend heb dan gij zelve, die om een misverstand, dat bij eenig kalm nadenken zoo licht uit den weg ware geruimd, u zelve en hem in 't verderf hebt gestort en mij zoo groote smart aangedaan. Gij hebt willen volharden bij uwe miskenning! gij hebt onverzoenlijk willen zijn; gij zijt het nóg; zoo wijt de gevolgen van het onheil dat gij hebt aangericht niet aan anderen, niet aan mij, die u nòg toeroept: het is _niet_ onherstelbaar."
"Niet onherstelbaar! o, Leo! Leo! hoe ver staan wij reeds van elkander, dat gij dit zeggen kunt," sprak zij diep neerslachtig. "Gij hebt mij met dwang gedreigd en gij hebt mij werkelijk dwang aangedaan; gij hebt het in uwe macht gehad mij tot zulk een uiterste te brengen, dat de bestgezinde van uwe praktizijns telkens zijne omslachtige vertoogen besloot met denzelfden raad: een huwelijk met den erfgenaam van freule Roselaer; ik heb dien zoo dikwijls gehoord dat ik er van walg, en ik weet dat ze gelijk hebben uit hun oppervlakkig, materieel oogpunt gezien, maar, gij Leo; gij die weet hoe ik denk, hoe ik in onze verbintenis _die_ vereeniging zag, waar liefde, waar hoogachting de vrije aan den vrije bond uit volle overgave van het hart, hoe kunt gij zeggen, dat er niets onherstelbaar is, waar het noodigste verloren is gegaan; waar gij het met uwe zaakgelastigden zóó ver hebt gebracht dat het huwelijk met u mij door den nood zou worden opgelegd. Als ik dàt huwelijk kon aangaan, Leo! meent gij dan, dat ik niet aan de keten zou schudden tot die ons beiden te zwaar werd, tot zij brak?"
"Gij hebt gelijk, Francis! als gij het zoo beschouwt; als gij mij niet met andere oogen kunt zien dan die van uw vooroordeel, dan is het uit, dan geef ik u dat woord terug, dat gij niet meer kunt houden, dan zijt gij vrij!"
"Mooi zoo, Francis! daar hebt gij wat gij gewild hebt; nu zijt gij losgelaten en vogelvrij, zooals ik, en dat's voor eene vrouw als gij zeker wel het ergste waarmee God haar straffen, en Leo zich wreken kon."
"Gij vergist u, Rudolf! Daar is geen sprake van wraakneming. Ik heb mijne verloofde haar woord teruggegeven, maar mijne nicht Francis Mordaunt blijft onder mijne bescherming."
"Ik waardeer de bedoeling," sprak Francis, zonder mij aan te zien met trillende stem, "maar ik heb een stap gedaan, die mij voorgoed van mijn verleden scheidt. Ik wanhoopte aan uwe edelmoedigheid, die mij de vrijheid zou geven; daarom heb ik het onmogelijke willen stellen tusschen u en mij. Ik heb eene overeenkomst gesloten met master Stonehorse, die reeds hier moest zijn, en master Smithson is gekomen om mij aan hem voor te stellen."
"Uw oom Rudolf is hier om het uit alle macht af te raden, _my dear!_ en als gij op master Stonehorse rekent, kunt gij lang wachten," viel Rudolf uit.
"Alweer geen woord gehouden!" riep Francis hem toe met verontwaardiging. "Maar ik heb die teleurstelling verdiend, met nog eens op u te rekenen."
"Ziet gij mij aan voor zoo dom of zoo slecht Francis! dat ik de hand zou leenen om u zulk een _coup de tête_ te helpen volvoeren?"
"Zoo hebt gij mijn briefje niet aan uw directeur overhandigd?"
"Waarachtig niet! ik heb wat beters gedaan; ik heb Leo gewaarschuwd dat gij op het punt stond eene dwaasheid te begaan, die u onredbaar in 't verderf zou storten."
"Een komplot! dat is het wèl wat van lieden van uwe soort is te wachten. 't Is genoeg! ik zie wel, dat ik op niets of op niemand meer rekenen kan dan op mij zelve, zoo weet ik wat mij te doen staat."
"_Stupid!_ Zij hecht er nog aan!" riep Rudolf met ergernis.
"Zoo doe ik, en sinds gij mij uwe bemiddeling weigert zal ik alleen naar L. rijden, waar master Stonehorse nog wel te vinden zal zijn."
"Zij verdiende voor den duivel dat men haar haar gang liet gaan. Probeer het maar, doordrijfster! Als gij eens in zijne handen zijt, zult gij het levenslang met bloedige tranen beschreien; en het ergste is, dat je niet eens schreien moogt! Je moet lachen, lachen onder het snerpendste wee."
"Welnu, ik zal lijden wat er te lijden valt; zoo zal ik boete doen voor 't geen ik mij te verwijten heb."
"Juist, eigenwillige boete! dat is in uw geest. U zelve niet sparen en eindelijk bezwijken van smart over het leed dat gij u zelve en anderen hebt aangedaan," voegde ik haar toe.
"Niemand heeft zich meer om mij te bekommeren; ik ben immers vrij!"
"Maar niet om uw naam en afkomst schande aan te doen en u zelve dus weg te werpen."
"Ik ben de laatste van mijn naam, en wat mijne afkomst betreft: ik ben de nicht van master Smithson."
"Zijne waardige nicht, dat moet ik zeggen!" sprak deze met ironie, "maar die nu voorgoed het recht verloren heeft met zooveel minachting op mij neer te zien, sinds zij, en niet door den nood gedrongen, even groote dwaasheden begaat als ik."
"Niet door den nood gedrongen!" sprak zij, en haalde met onwil de schouders op.
"Neen, Francis! niets verplichtte u de Werve te verlaten."
"Ik zie niet hoe ik er had kunnen blijven, jonker! Gij zijt er meester _par droit de créancier_. Moest ik wachten tot uwe procureurs en deurwaarders mij kwamen verdrijven?"
"Dat zou niet geschied zijn, dat zal niet geschieden, juist omdat _ik_ er meester ben. Gij zijt een verkeerden weg ingeslagen, Francis! geloof mij, toen gij die veilige schuilplaats verliet. Maar niets verhindert u er terug te keeren."
"Niets meent gij?" riep zij hartstochtelijk: "alles, alles! De muren grimmen mij aan in die eenzaamheid. Voelt gij dat niet? Maar neen, hoe zoudt gij dat voor mij voelen! Er is niets dan misverstand tusschen ons, niets meer!"
Daar lag een weeklacht in dien toon van verwijt, maar die terstond werd overstemd door de vastheid waarmee zij voortging:
"Daarom wil ik mijn eigen weg gaan; ik wil het, verkeerd of niet: ik hoor niemand toe; ik zal over mijn eigen lot beschikken." Reeds wendde zij zich om.
"Dat zult gij niet!" sprak ik met gezag, haar in den weg tredende. "Nu de generaal dood is en Rudolf zich onmogelijk heeft gemaakt, ben ik uw naaste bloedverwant, en ik zal niet toestaan dat gij u zelve in den vollen bloei des levens in een afgrond werpt, waaruit niets u meer zou kunnen redden. Ik stel ééne voorwaarde op de vrijheid die ik u teruggaf, deze: dat gij haar niet misbruikt tot uw bederf."
"Maar zeg dan wat ik doen moet!" sprak zij gejaagd en toch onderworpen.
"Naar de Werve terugkeeren, waar de eenzaamheid u niet zal aangrimmen, want gij zult er een vriend vinden die alles in orde heeft gebracht om u te ontvangen."
"Een vriend!" herhaalde zij, met een strakken, verwonderden blik.
"Ja! Rolf, die er tot nadere order blijft; en gij kunt er ook blijven. Gij hebt niet noodig onberaden stappen te doen om mij te ontvluchten, want ik ga reizen."
Ik sprak dit laatste koel en met vastheid, want ik zag dat het haar verraste en trof, en ik wilde geen zwakheid toonen.
"Naar de Werve terugkeeren!" herhaalde zij langzaam als in zich zelve, deed daarop haastig eenige stappen met gebogen hoofd, keerde zich toen om, zag mij aan met een veelbeteekenende blik en sprak, terwijl er iets anders in de stem trilde dan toorn en trots:
"Gaat gij reizen, Leo? ik.... zal.... blijven.... Vaarwel!"
En de deur viel achter haar toe.
"Zou ik haar niet volgen tot zij de Werve bereikt heeft?" vroeg Rudolf, toen wij den hoefslag van haar paard hoorden. "Als zij nu toch eens haar eigen zin deed?"
"Neen! ik vertrouw op haar woord; wantrouwen zou haar beleedigen."
"Zij is in eene ongewone stemming en zoo roekeloos in het rijden; zij heeft laatst ook nog een ongeluk gehad."
"In 's Hemelsnaam, rijd haar dan achterna! Maar als gij zelf herkend wordt?"
"Dat heeft nu geen nood meer, ik zie er immers uit als de eerste burgerheer de beste."
Dat was zoo. Zijne kleeding was eenvoudig en passend; zijn haar en baard waren donker zwart geverfd.
"Zooals gij mij nu aanziet," ging hij voort, "ben ik herhaaldelijk naar de Werve gekomen in de laatste ziekte van mijn vader. Ik heb hem nog de hand gedrukt, en hij schonk mij zijn zegelring. Zie toch! ik draag hem niet aan den vinger, uit voorzichtigheid, maar hier, aan een zijden koord op de borst; en Francis! Francis!" sprak hij met zegevierenden glimlach, "is er toch toe gekomen; zij heeft in die bange dagen mijne hulp aangenomen. Ik heb mijn satisfactie, al ziet zij mij nog zoo boos aan."
"Maar ga dan toch!" drong ik, want ik begon mij zelf ongerust te maken dat Francis hem te ver vooruit zou zijn. En.... wij namen afscheid voor het leven.
"Als de L--sche kermis afgeloopen is, verlaten wij de provincie en het land en ik kom er nimmer weer," sprak hij met weemoed, terwijl hij mij voor het laatst de hand drukte.
Te Z. aangekomen, vond ik Overberg reeds in mijn logement. Hij had een pakket ontvangen aan het adres van Francis, dat uit Engeland scheen te komen, veel port kostte, en dat de oude Frits in hare absentie niet had willen aannemen; men had zich tot den procureur gewend, die met de zaken van den generaal was belast. Ik verzekerde hem dat de freule Mordaunt voorgoed naar de Werve was teruggekeerd, en hij zond onverwijld zijn klerk naar het kasteel, om het pakket aan haar zelve te overhandigen. Zij moest er _reçu_ voor teekenen; zoo zou ik tegelijk in den kortst mogelijken tijd vernemen of zij goed en wel op de Werve was aangekomen. Ik liet hem in mijn wagentje derwaarts rijden en beloofde den voerman een dubbele fooi, om zijn paard wat aan te zetten.
De klerk kwam in het kortst mogelijke tijdsverloop terug en bij mij. Zij had het _reçu_ geteekend, Goddank! Alles was in orde. Maar dat pakket, haar waarschijnlijk toegezonden door vrienden of verwanten uit Engeland, lag mij zwaar op het hart. Wat bracht het haar? Mogelijk volstrekte onafhankelijkheid en onze scheiding. Maar ik kende haar nog niet geheel.
Des anderen daags in den voormiddag hield het bekende wagentje van de Pauwelsen voor mijne deur stil. De oude Frits stapte er uit en bracht mij een biljet van zijne meesteres. Zij had hem bevolen het aan niemand dan aan mij zelf over te geven en op antwoord te wachten.
Ik zond hem naar de groote zaal om zich te verfrisschen, terwijl ik mijn antwoord schreef.
Ik kon een biljet van haar (het eerste!) niet lezen in iemands bijzijn. Ziehier wat ik las toen ik met bevende vingers de enveloppe had verscheurd.
_Neef Leopold!_
Ik moet u nog eenmaal zien en spreken vóór gij reizen gaat. Zoo er geen Rudolf tusschen ons gestaan had, zou ik u veel gezegd hebben dat ik nù moest terughouden. Gij hebt mij eens verzekerd, dat gij altijd bereid waart tot dienstvaardigheid voor eene vrouw, die het privilege harer sexe liet gelden. Zoo doe ik thans. Mag ik hopen dat gij mij niet zult weigeren naar de Werve te komen om nog een laatste onderhoud te hebben?
In plaats van te schrijven ware ik liefst onverwacht bij u komen oploopen, maar ik heb de eerste ingeving, al was het mogelijk eene goede, niet gevolgd, uit vrees u ergernis te geven. Laat mij door Frits weten welken dag en op welk uur ik u wachten moet.
F. M.
Er was voor mij maar één antwoord mogelijk op dit briefje: instappen en met Frits naar de Werve rijden. Onder welke wisseling van hoop en van vrees, kan ik u niet beschrijven. Alles draaide mij voor de oogen toen ik de oude brug over, de poort weer doorreed. Op het perron vond ik Rolf staan, die met zijne muts zwaaide, ten teeken van blijdschap over mijne komst. De dubbele deur stond wijd open; hij wees mij zwijgend naar het groote salon, dat ik schielijk binnentrad.
Francis zat op de oude bekende sofa als in elkaar gedoken, de handen gevouwen in den schoot. Zij droeg nu niet die amazone, die mij hatelijk geworden was, maar een eenvoudig rouwgewaad, dat hare bleekheid sterk deed uitkomen.
"Francis, daar ben ik! Wat hebt gij mij nu te zeggen?" riep ik haar toe.
Zij rees haastig op en kwam naar mij toe.
"Wees gedankt, Leo! dat ge zoo schielijk gekomen zijt; maar ik wist dat gij komen zoudt; ik rekende op uwe edelmoedigheid."
"Ik ben dan niet meer zoo verachtelijk in uwe oogen? Gij hebt dus mijn pakket ontvangen, den brief van tante Sophie gelezen!"
"Ik heb alles ontvangen, alles gelezen; maar ik had zooveel niet meer noodig om mij schuldig te voelen, om mijne schuld te bekennen; en nu ik dit doe, nu ik erkennen wil voor heel de wereld dat ik u onrecht heb gedaan, zult gij mij nu alles vergeven? alles, zonder bittere bijgedachte?"
Zij legde beide handen op mijne schouders, als om uit mijne oogen te lezen wat zij weten wilde.
"Dat weet gij wel, Francis! Maar gij moet niet weer aan mij twijfelen, nooit meer!" sprak ik zacht maar ernstig, en mij wat afkeerend, om mij aan haar onderzoek te onttrekken, want ik voelde mijne oogen vochtig worden. Zij liet de armen zinken, bleef een oogenblik zwijgend voor mij staan, en sprak toen: "Nooit, nooit meer!"
Zij drukte met innigheid mijne hand, die ik haar reikte ten teeken van verzoening. Maar toch, er was iets in hare houding, dat mij terughield haar in mijne armen te drukken; er was nog iets tusschen ons, dat voelde ik met innerlijke onrust.
"Leo! wees zoo goed te gaan zitten!" sprak zij, een armstoel aanschuivende. "Nu wij verzoend zijn, nu ik in mijn eenigen bloedverwant weer mijn trouwsten vriend mag zien, heb ik uw raad te vragen."
De patiënt ging zitten. De preliminairen bevielen hem gansch niet. Zij legde het pakket met de Engelsche postmerken geopend voor mij neer.
"Lord William is overleden," sprak zij. "Zie hier een schrijven aan mij, dat hij bij zijn testament heeft gevoegd. Wees zoo goed het te lezen."
Ik had daartoe nauwelijks de noodige kalmte; maar toch voldeed ik aan haar verlangen.
Het was een kort maar ernstig woord, dat van eene vaderlijke teederheid getuigde; maar ik las tusschen de regels door, dat het hem strijd had gekost, nà hare bekentenissen het tot deze kalme genegenheid te brengen. Hij was van haar weggegaan met de pijl in het hart. Hij eindigde met eene roerende bede voor haar geluk en den wensch, dat zij nog eenmaal een echtgenoot vinden mocht harer waardig, en het verzoek om de dotatie aan te nemen, die hij haar in zijn testament had toegedacht, opdat zij door geene materiëele overwegingen zou gedwongen worden tot eene andere keuze dan die van haar hart. De familienaam waarmee hij zijn brief had onderteekend was een in de geschiedenis der wetenschap en in de staatkundige wereld zeer bekende en hooggeëerde.
Nu volgde een brief van den neef en erfgenaam, die haar de afschriften toezond en haar de verzekering gaf van zijne bereidwilligheid om aan de opgelegde verplichting te voldoen.
Er werd haar levenslang een jaarlijksch inkomen van drieduizend pond sterling toegekend.
Zwijgend legde ik de geschriften neer, na er kennis van genomen te hebben.
"Moet ik aannemen, Leo?" vroeg zij, mij aanziende met een onzekeren, onderzoekenden blik.
"Mij dunkt, gij kunt niet weigeren, Francis!" antwoordde ik met al de kalmte die ik bemachtigen kon. "Volkomen onafhankelijkheid naar het materieele is altijd uw vurigst verlangen geweest: die is u noodig zelfs en die wordt u bij dezen door eene vriendenhand gewaarborgd."
"Gij hebt gelijk, Leo! ik zal uw raad volgen, ik zal aannemen. Nu behoeft mijne fierheid niet langer te strijden tegen mijn hart. Nu behoef ik geen huwelijk aan te gaan door den nood opgelegd, en zoo ik mij een echtgenoot kies, zal niemand mij verdenken dat ik mij uit belangzucht gewonnen gaf! En zou ik nu rijk genoeg zijn om de Werve los te koopen?" viel zij op eens in op geheel anderen toon, eene mengeling van schalkheid en ernst, die geruststelde dat hare vroegere opgeruimdheid nog niet verloren was gegaan onder het lijden.
"Neen, Francis! En al ware dat, de Werve is in handen, die haar tot geen prijs zullen overgeven. Om vrijvrouwe van de Werve te worden moet gij wat anders bedenken."
Toen rees zij op en ging voor mij staan. "Leo! gij zegt dat onafhankelijk te zijn altijd mijn vurigste wensch is geweest, dat placht zoo te wezen; maar ik heb nu begrepen, dat het mijn hoogste geluk zoude zijn afhankelijk te worden van den man dien ik liefheb. Leo! tante Roselaer heeft mij een jaargeld toegekend, dat ik niet aanneem, zooals vanzelf spreekt; maar zij heeft het goed met mij gemeend, dat erken ik; en haar raad neem ik wèl aan. Zij heeft mij voorgeschreven, geen huwelijk aan te gaan dan met uwe toestemming, Leo!" en zij zonk onder eene gemoedsbeweging die haar geheel overmeesterde, op de beide knieën voor mij neer. "Leo! ik wensch mijn neef van Zonshoven tot echtgenoot; hebt gij daartegen?"
Ik antwoordde alleen door haar op te heffen en in mijne armen te sluiten.
Zij schreide aan mijne borst. Ik schaamde mij niet dat ook mijne oogen vochtig waren. Wij hadden elkander zóó lief, en toch, wij hadden zooveel door elkander geleden!
Wat zal ik u verder zeggen! Ik bracht dien dag door op de Werve. Wij zochten onze lievelingsplekjes, wij leefden in herinneringen, wij maakten onze plannen voor de toekomst. Wij moesten van Beek c. s. bericht geven dat wij het eens geworden waren en wij stelden onder prettig gekibbel een deftig vormelijk epistel aan de wetgeleerden op, die verder niets meer te doen hadden dan hunne rekeningen in te leveren en het onder hen berustende te verantwoorden. Van Beek, die geroepen werd ons huwelijkscontract op te maken, was niet weinig verwonderd te vernemen, dat de bruid een jaarlijksch inkomen van drieduizend pond sterling had, waarover zij de volle vrije dispositie behield. Onder ons gezegd, lord William heeft mij een onschatbaren dienst bewezen, dat hij Francis op die wijze over hare aarzelingen heeft heengeholpen.
De rouw over den generaal was ons voorwendsel om in alle stilte te trouwen, zooals wij beiden wenschten. Een van mijne vrienden, die in een naburig stadje als predikant stond, zegende ons huwelijk kerkelijk in. Ds. N. voelt zich over die preferentie wat gekrenkt en wil zijn emeritaat nemen. Ik zal zorgen dat hij er geldelijk niet onder lijdt. De gemeente smachtte reeds lang naar verandering. "Ze waren dominé wel niet zat, maar toch...."
Wij zijn op reis gegaan! Francis moest zich na haar lang isolement weer aan de wereld en de menschen gewennen. De Werve wordt intusschen gerestaureerd, en Rolf heeft op zich genomen de vesting te commandeeren in onze afwezendheid.
De kleine Harry Blount is uit de handen zijner grootmoeder in die van de Pauwelsen overgegaan. Francis heeft tot hare onuitsprekelijke verlichting de zekerheid gekregen, dat Gijsje Jool hersteld is en met haar kind bij de Pauwelsen inwonen gaat. Wij voorzien, dat ze eenmaal als dochter in dat gezin zal worden opgenomen.
Wat mij betreft, ik heb heel wat doorgestaan sinds de zware last van die erfenis mij op de schouders is gelegd, maar ik heb veel geleerd in mijne worsteling om het levensgeluk, en beiden, Francis en ik, zijn vast besloten de zuur veroverde schat met vereende krachten vast te houden en er alle schadelijke elementen buiten te sluiten.
Wij hebben ons voorgenomen goede rentmeesters te zijn van ons groot fortuin, en Francis is het geheel met mij eens, dat een leven voor ons zelven alleen geen leven zou zijn, dat er eene groote verantwoordelijkheid op ons rust, maar dat het zielevreugde moet wezen die te vervullen. Van mijne reisontmoetingen hoort gij wel eens later.
Genève, 186--,
L. v. Z.
Francis wil u zelve met een woordje groeten.
Dat het Leo mooi staat om de _hauts faits_ van Majoor Frans zoo maar in al hunne kleuren en geuren aan een vriend te schetsen, zal ik nooit toegeven, maar ik voel toch dat hij in zijne _position délicate_ behoefte had om zijn hart uit te storten, en dan ging dat nog het beste aan een overzeeschen vriend. Daarom heb ik hem dan ook volle absolutie gegeven. Als gij nu maar zijne brieven niet in 't een of ander Indisch dagblad laat drukken! Dat zou te erg zijn! Niet dat Francis van Zonshoven dat ongedisciplineerde personage onder hare bescherming neemt; och neen! 't Is voor haar zoo goed of het nooit had bestaan. Maar ziet ge, er zijn zooveel familiegeheimen bij in 't spel, dat ik u in vollen ernst discretie aanbeveel.
Wacht maar niet tot uwe Indische dienstjaren voltallig zijn om ons op de Werve te komen bezoeken. Alle ruiten worden er gemaakt, en er is ruimte genoeg voor een vriend, al kwam die met een heel gezin!