Chapter 33
Wat er verder met mij gebeurd is, weet ik niet; ik weet alleen, omdat mijne hospita, die mij trouw heeft opgepast, het mij heeft verteld, dat er nog weer veertien dagen verliepen, eer ik het tijdperk van convalescentie intrad. Ik hoorde van haar dat tal van vrienden naar mij waren komen vragen en kaartjes hadden afgegeven. Ik vond er zelf een van mijn oom den minister, die in persoon naar mij was komen informeeren, en die de juffrouw op het hart gedrukt had mij toch trouw te verzorgen en moeite noch kosten te sparen; hij stond voor alles in, de edelmoedige!--het gerucht dat ik millionair was geworden had zich heinde en ver verspreid. Toen ik weer lust had de brieven in te zien die er voor mij gekomen waren, vond ik allerlei berichten en bescheiden van Overberg en van Beek, die mij reeds wee maakten bij den eersten oogopslag en die ik met walging ter zijde schoof; maar ik schrikte toen ik een strikt beleefd, maar zeer officieel briefje vond van Willibald, die mij het overlijden meldde van mijn oud-oom von Zwenken, en uitnoodigde om den overledene de laatste eer te komen bewijzen. Uit de dagteekening berekende ik, dat het nu al ruim drie weken geleden was. Hoe was het intusschen Francis gegaan?
Zeker was zij nog altijd tegen mij ontstemd; zij scheen niets van mijne ziekte te weten, dat zij mij dit verzoek liet doen; en ik.... ik had haar geen woord van troost en bemoediging kunnen toespreken. Wat moest zij van mij denken? Wie weet hoe die mannen van de wet haar intusschen gekweld hadden en.... ik had niets kunnen verhinderen! Ik wachtte het bezoek van mijn dokter, ik wilde hem vrijheid vragen naar Z. terug te keeren. Daar hoorde ik gehaspel op de trap, de juffrouw die iemand wilde tegenhouden, die blijkbaar doorging, haars ondanks en de kamer binnenstormde zonder complimenten. Ik schrikte, ik vloog op, den komende te gemoet.
Rolf stond voor mij, zelf ontdaan en blijkbaar wat verlegen dat hij mij zoo overviel. Ik dacht aan niet anders dan aan de zekerheid dat hij tijding kwam brengen van Francis. Wij drukten elkander de hand, beiden met tranen in de oogen.
"Moeten wij elkander zoo weerzien, mijn goede kapitein?" begon ik, hem een stoel wijzende.
"Mijn generaal overleden," snikte hij, "in mijne armen; Francis was er niet eens bij."
"En uw Majoor?" vroeg ik, om hem weer op dreef te brengen.
"Och spreek er niet van...."
"Spreek Rolf, zij is toch wel?"
"O, ja! wat de gezondheid aangaat dat schikt nog al, zij is sterk, zij kan wat verdragen; overigens...."
"Wat dan! hoe gaat het tegenwoordig op de Werve, dat gij hier zijt?"
"Zoo slecht als het maar gaan kan. Ik ben hier omdat zij mij weggejaagd heeft!"
"Weggejaagd, Rolf! Ik dacht niet dat zij tot zoo iets in staat was."
"Zij heeft mij ook niet verjaagd uit boosheid, maar omdat zij zelve toch ook niet blijven kon."
"Niet blijven kon? Is zij dan niet meer op het Kasteel?"
"Neen, zij is zoolang bij de Pauwelsen...."
"Hoe lang? waar wil zij heen?"
"Dat weet ik niet, dat weet ze denkelijk zelve niet; mij althans heeft ze 't niet willen zeggen."
"Ze gaat zeker haar intrek nemen bij Willibald!"
"Neen, dat geloof ik niet; want dien heeft ze laten wegtrekken zonder hem iets te zeggen; daarbij, die is majoor geworden, en zijn garnizoen is in Noord-Brabant. Neen; die is er buiten."
"Maar ik bid u, vertel mij geregeld wat er gebeurd is."
"Och! de generaal heeft niet den moed gehad het tegen haar vol te houden en zoo decisief aan de heeren Overberg en van Beek te schrijven als gij dat hadt aangeraden. Daar alles dus zoo wat in 't ongewisse bleef, en er ook geen antwoord kwam op hunne brieven aan u, ik begrijp nu wel waarom, schenen die praktizijns niet langer geduld te willen nemen, en heeft Overberg, zeker daartoe door den Utrechtschen collega opgezet, zich rechtstreeks tot de freule gewend om te weten of zij zich al dan niet met u verloofd achtte? Gij begrijpt jonker, wat haar antwoord is geweest; ik heb het zelf voor haar overgeschreven, want zij had het zoo wild en ruw gekrabbeld, dat het onleesbaar was. Het was zeer droog en kortaf, maar er kwam geen woord in voor om u te blameeren, dat kan ik u verzekeren."
"Ben ik dan nu gerechtvaardigd in hare oogen?"
"Dat zou ik niet kunnen zeggen; ik weet alleen dat zij zich zelve bittere verwijten doet, en dat het uitgekomen is zooals ik zeide, reeds denzelfden dag."
"Reeds denzelfden dag nadat zij mijn pakket heeft ontvangen?"
"Zij heeft niets van u ontvangen, dat weet ik zeker."
"Dat is vreemd!"
"Neen! dat is niet vreemd, want alles is bij ons zóó in de war geraakt op dien noodlottigen Vrijdag! maar.... ik zie daar sherry staan, mag ik zoo vrij zijn?"
"Welzeker, kapitein! schenk u zelven maar in, en ga dan voort als ik u verzoeken mag."
"Nu dan, toen gij weg waart is zij flauw gevallen, en dat is haar leven lang nog nooit gebeurd! Ik schaamde mij haast over mijn cordaten majoor; maar zij had u zoo lief; ze heeft het mij later onder tranen bekend; en toen wij haar hadden bijgebracht en meenden dat zij wat uitrustte in hare kamer, is ze stillekens ontsnapt, naar de Pauwelsen geloopen, heeft haar Tancred laten voorkomen en is uitgereden! Uren ver, naar wij dachten; maar dat kwam toch anders uit."
"Zulke wijze van zich te hervatten lijkt op haar."
"Niet waar? zoo is ze; maar wij werden vreeselijk ongerust toen ze niet aan tafel verscheen; nu, wij hadden zelven ook geen eetlust, de generaal en ik; maar toen het begon te schemeren, en toen de jonge Pauwels kwam waarschuwen dat Tancred alleen thuis gekomen was, schuimbekkend en zonder zadel...."
"Een ongeluk!" viel ik in; "zeg eerst hoe zij er afgekomen is."
"Nogal zoo erg niet, Jonker! een verstuikte voet en schrikkelijk in de war toen wij haar vonden bij den grooten eik dicht bij 't kasteel, waar zij naar toe gekropen was om op het mos uit te rusten."
"O! ik ken dien boom!" riep ik smartelijk; "ik voel zoo hoe het dáár geweest moet zijn."
"Heel slecht, zooals ik zeide; zij riep ons toe dat wij haar dáár moesten laten sterven, en dat wij het u moesten zeggen."
"Zij heeft mij nóg lief!" juichte ik.
"Wat dat betreft, jonker, dat's maar al te waar, en dat is erg genoeg na alles wat er verder gebeurd is. Het bleek dat zij in een wilden galop voortgejaagd had tot dicht bij de stad; dat ze toen van richting was veranderd en door het bosch heen naar huis had willen rijden, maar dat ze Tancred wat te forsch heeft aangezet, of wel de teugels in hare mijmering heeft laten vallen, zij weet het zelve niet meer; genoeg, dat het brave beest, aan haar vaste en ferme hand gewoon, zijne meesteres niet meer herkend heeft in hare beurtelings woeste en achtelooze luim; 't is hem gaan vervelen, en hij heeft het naar zijn eigen zin op een loopen gezet; zij, uit den zadel gevallen, schijnt een tijdlang bewusteloos gelegen te hebben, gelukkig niet al te ver van huis. Pauwels en ik beurden haar op en brachten haar in 't salon op de canapé. De chirurgijn verklaarde het geval voor niet heel beduidend maar het hield haar toch verscheiden dagen aaneen op diezelfde plek geboeid."
"En waarom mij dat niet terstond bericht?"
"Hm! zóó als gij vertrokken waart.... eigenlijk ik wilde wel, en zij ook, ja; ik mag het niet zeggen, maar zij heeft u een briefje geschreven."
"Dat mij niet bezorgd is?"
"Neen, want de jonge Pauwels was belast het in uwe eigene handen te geven, en toen hij te Z-- aankwam, werd hem gezegd dat gij reeds vertrokken waart, en dat alle brieven en berichten voor u bij Overbeek moesten bezorgd worden, maar daartoe had Pauwels geen order; hij kwam met het briefje terug."
"Te laat!" sprak Francis met een bitteren lach. "Ik dacht wel dat het zoo zijn moest; ik heb niet beter verdiend; nu is het uit!" en zij verscheurde het biljet.
"O, had ik dat alles kunnen voorzien!" riep ik, de handen voor de oogen houdend; ik wilde nog mijne zwakheid verbergen.
"Ik had u geraden te blijven; waarom zijt gij ook zoo spoedig weggevlucht?"
"Ik voelde dat ik ziek zou worden, ik was al ziek; ik ook had haar een pakket gezonden en verbeeldde mij, dat zij terstond antwoorden zou op dat schrijven, of nooit. Het duurde tot den derden dag; ik kon het niet langer uithouden."
"En gij zegt dat het haar goed gedaan zou hebben als zij dien brief las?"
"Zij zou er ten minste uit geleerd hebben mij met andere oogen te zien."
"Die verwenschte verwarde boel bij ons, toen zij eens van de been was, is er oorzaak van dat zij 't niet gekregen heeft. Frits legt maar stompweg alles bij de papieren van den generaal."
"Die zou het haar zeker overhandigd hebben."
"Neen; want hij zelf zat als verlamd in zijn armstoel, en hij gromde als de post of de bode iets van brieven of pakketten aanbracht. Frits durfde hem met niets meer aankomen. Daarbij was hij vergramd op de freule en had bijkans geen deernis met haar ongeval. En toen zij nog maar even weer op de been was, begon dat lieve leventje met die verduivelde practizijns, die tegen den generaal begonnen te ageeren en met executie dreigden. Toen moest hij wel kennis nemen van deurwaardersexploiten en al dat gerei, en, helaas; de freule ook, want haar ongelukkige grootvader was al bij den eersten schok door eene herhaling van de vroegere attaque overvallen en lag er nu toe. Francis moest voor alles staan en had er volstrekt geen verstand van en ook geen geduld. Dit alles heeft mijn armen vriend den dood gedaan, en ik, ongelukkige brekebeen, ik kon niets verhinderen!"
De kapitein vergat te zeggen, wat ik later vernam, dat hij, door zijn vriend een glas ouden cognac toe te dienen om hem moed te geven, het zijne bijgedragen had tot den snellen afloop.
"Het weinigje dat ik bezit in den zinkput te werpen van al die schulden, zou eene stommiteit zijn geweest, en die beging ik ook niet. In 't kort, toen wij, Willibald en ik, met nog een paar oude krijgsmakkers den generaal de laatste eer hadden bewezen (wij hadden op u al niet meer gerekend, schoon gij voor den vorm waart uitgenoodigd), toen moest er nog weer een andere bureaurot worden ingehaald: de notaris uit Arnhem, die het testament van den generaal onder zijne berusting had en die in 't eerst aan Francis raadde, geene concessies te doen aan den erfgenaam van freule Roselaer, die als eerste en voornaamste crediteur opkwam; maar na ampele discussies tusschen hem en Overberg kwam hij weer met een ander advies voor den dag en raadde haar, de minnelijke schikking aan te gaan, die opnieuw werd voorgesteld; maar gij begrijpt wel hoe weinig zij daarin konde treden, te eer daar alles wat men tegen haar grootvader had gedaan geschiedde als uit uw naam, door uw last."
"Ik ongelukkige, die bewusteloos op mijn ziekbed neerlag."
"Dat wisten die farizeën ook wel, maar zij hadden zooals bleek, uwe volmacht, en Francis kon niet anders denken dan dat men haar vervolgde met uwe voorkennis, naar uwe bedoeling. Dat juist was haar onverdragelijk. "Dit is nu die dwang waarmee hij mij gedreigd heeft;" sprak zij met bitterheid; "en hij meent, dat hij mij daardoor zal overwinnen! Nooit! Hij kan mij alleen dwingen van mijn ouderlijk erfdeel afstand te doen en hem het veld ruim te laten."
Haar notaris sprak wel van den boedel te aanvaarden onder benefice van inventaris, maar zij had daar geen ooren naar; zij wilde goed en kort van alles af zijn en de praktizijns onder elkander laten haspelen en stukken opmaken zooveel zij wilden. Eén oogenblik heb ik haar zwak gezien. Dat kantoorvolk was gekomen om alles op te schrijven wat er in huis te vinden was. Ik schaamde mij innerlijk om het armelijk boeltje, maar de freule bleef kalm, waardig en laatdunkend, zooals zij zijn kan als zij hare koppige buien heeft, en alles ging goed totdat wij aan de groote logeerkamer naderden. Toen zag ik haar bleek worden (de kapitein werd zelf bleek en schonk zich weer een glas sherry in om zich op te frisschen) en zij wierp mij de sleutels toe, terwijl zij mij toefluisterde: "Ik kan daar niet meer binnen gaan!" en ze liep ijlings heen.
"Zooveel teerheid van gevoel!" verzuchtte ik, "en toch...."
"Zoo uitvallen als zij eene opvatting heeft, niet waar?" viel hij in. "En dat tegen u, die anders zoo goed met haar terecht kon! Jammer, eeuwig jammer dat het misverstand niet terstond weer is bijgelegd."
"Het zal nog bijgelegd worden, ik verzeker het u."
"Ik vrees dat het nu te laat zal zijn."
"Zeg dat niet! Dat kan ik niet hooren, dat wil ik niet gelooven."
"Ik wil 't ook liever niet gelooven, maar ik vrees toch dat wij het zullen zien; zij is zoo koppig als zij hare onverzettelijke buien heeft, en zoo slim daarbij. Wilt gij weten hoe zij 't aangelegd heeft om mij met een zacht lijntje te verwijderen?"
"Heel graag!"
"Rolfie!" zei ze, want ze weet je zoo te vangen als ze wat met je voorheeft; "Rolfie! biecht nu eens eerlijk op: heb je niet het grootste deel van je erfenis met mijn grootvader doorgebracht?"
"Wis en zeker niet, ma .... freule!" mocht ik zoo zeggen. "Wat we samen verteerd hebben was maar een sommetje, dat ik er zoo stilletjes voor apart hield en dat mij om zoo te spreken in den schoot was geworpen; want het kwam van een gelukkig lot in de loterij. Jammer dat het maar een achtste was en dat wij het nog met ons beiden hadden, de generaal en ik. De generaal beproefde of hij met zijn deel niet nog betere zaken kon doen, wat hem helaas nooit is gelukt. Ik koos de partij om van het mijne samen maar eens goed te leven."
"En de erfenis was dus maar een fabeltje?" vroeg zij streng.
"Wel neen, freule! Die bestaat in eene kleine boerderij in 't Noordbrabantsche, waar ik de rente van trek en waar ik mij dacht te retireeren als de freule eens.... ik durfde niet meer zeggen: kwam te trouwen; ik zei dus: als de freule mij niet meer gebruiken kan."
"En kunt ge daar dan goed leven kapitein?"
"Dat zal heel wel gaan; mijn pensioen er bij.... Mocht de freule nu maar besluiten kunnen daar met mij heen te gaan, dan zouden wij al een heel lief leventje kunnen hebben samen.
't Is in die streken nogal goedkoop, en al is het geen kasteel, daar zou nog wel een goede kamer zijn voor de freule."
"Dank je hartelijk, brave kapitein! maar zoo is 't niet gemeend. Als gij het er maar vinden kunt voor u zelf is het genoeg. Maak dan maar gauw dat ge er komt."
"Maar freule! van u scheiden! U hier alleen laten?"
"Ik blijf hier ook niet, en bij 't geen ik te doen heb zoudt gij mij maar in den weg zijn."
"Maar wat wilt gij dan doen?"
"Waar vraagt gij naar? Als ik het zeggen wilde wist gij het immers al! kreeg ik toen, en of ik hoog of laag sprong, zij wilde mij kwijt zijn en ik moest gaan." En de karaf met sherry werd nogmaals aangesproken om het verdriet te verzetten dat maar al te duidelijk op zijn vervallen gelaat te lezen stond. "En zóó ben ik heengegaan," ging hij voort; "maar ik dacht zoo bij me zelve: ik zal den weg nemen over den Haag, toen ik hoorde dat de jonker ziek was en mogelijk van niets wist."
"Een mooie omweg, beste kapitein!"
"Het doet er niets toe, ik heb zoo'n haast niet. Zij had haast om mij weg te zenden, en dat beduidt niets goeds."
"Dat vrees ik ook. Weet gij wat gij doet, Rolf?"
"Neen, jonker! Wat raadt ge mij?"
"Dat ge hier nog een uurtje uitrust en dan ijlings naar de Werve terugkeert."
"Maar zij is er denkelijk niet meer, en die verfoeielijke praktizijns zijn er nu zeker al de baas."
"Ja, maar ik ben er meester, en ik zal u een brief meegeven, om hen te doen berusten in 't geen ik verlang. Gij zijt commandant van de vesting tot nader orde, en Frits moet er ook blijven."
"Ja, die is er nog als huisbewaarder."
"Ik volg zelf morgen of overmorgen, als ik het met mijn dokter kan vinden. En gij maakt er intusschen werk van om dat pakket terug te krijgen."
"Het zal met al de papieren en brieven van den generaal bij Overberg zijn beland."
"Informeer u daarnaar en houdt Francis in 't oog; zie haar naar de Werve terug te lokken, maar zeg niet dat ik kom, dat mocht haar afschrikken. Ik ga daarbij weer te Z. logeeren."
Ik had nog niet uitgesproken of mijne hospita meldde zich aan met een telegram, waarvan ik het reçu had te teekenen. Het was van Overberg en van den volgenden inhoud:
"_Tegenwoordigheid onverwijld noodig: geene schikking te treffen. F. M. kasteel verlaten._"
"Daar heb je 't al," zei Rolf, terwijl hij zijn laatste glas sherry ter zijde zette.
"Weet gij wat, kapitein! ik zal mijn dokter vóór zijn; hij mocht mij eens de reis niet toestaan. Help mij maar wat pakken, en we gaan samen."
Onder die reisaanstalten werden wij toch overvallen door mijn Esculaap, die wel wat voorzichtigheid raadde, maar toch begreep, dat er toestanden zijn waarin de zwakheid des lichaams vergeten moet worden voor den aandrang des harten. Ik had hem wel iets van mijn hartsgeheim moeten opbiechten.
In het logement te Z. aangekomen, vond ik een briefje van Rudolf, die nog altijd in de provinciën Gelderland en Overijsel rondreisde met zijn gezelschap en nu te L., waar het kermis was, eenige representaties gaf. Hij scheen te onderstellen dat ik niet weg geweest was en dat alleen de _brouille_ met Francis mij van de Werve terughield in de laatste weken. Hij schreef mij het volgende:
"Zoo gij Francis terughouden wilt van de grootste dwaasheid, die zij nog heeft begaan, zorg dan morgenochtend omstreeks negen uur met mij samen te treffen in het logement te Halfweg tusschen L. en Z. Gij zult daar vernemen wat zich moeielijk laat schrijven.
R."
Ik had dien avond nog eene _entrevue_ met Overberg, die mij op de hoogte, ik zou eigenlijk moeten zeggen op de laagte, bracht van den gang dien de zaken hadden genomen. Daar was geene overeenkomst met Francis te treffen, die daarenboven de Werve verlaten had zonder een adres op te geven. Men moest volgens van Beek tot den publieken verkoop van dat kasteel overgaan, maar Overberg, die mijn tegenzin in dit geweldig middel kende, had de hand daartoe niet willen leenen vóór mijne herstelling en zonder mijne definitieve toestemming. Ik deed hem inzien, dat er nog geene haast bij was, en na wat over en weer sprekens deelde hij mijne zienswijze, Tante Roselaer had wraakzuchtige intentiën gevoed tegen den generaal, maar geenszins tegen Francis, en nu deze alleen overbleef was er geen reden om haar te verontrusten en te verdrijven. Aan de eischen der wet moest voldaan worden, aan het voorschrift der testatrice evenzeer; eene beslissing moest er genomen worden; dat is alles waar, maar ik zag niet in, waarom men haar geene maanden zou geven terwijl men haar nauwelijks weken had gegund. Overberg stemde dit toe. Blijkbaar had de oude freule het goed met haar gemeend. De collega dien van Beek had gebruikt om het testament te maken, waarin hij als executeur werd bevoordeeld, had aan Overberg kennis gegeven, dat het nog een codicil bevatte, één dag voor haar dood er bijgevoegd, waarbij aan freule Francis Mordaunt na het overlijden van den generaal, en voor 't geval dat haar huwelijk met jonker van Zonshoven niet doorging, een jaarlijksch inkomen werd verzekerd van drie duizend gulden, haar door den erfgenaam uit te keeren levenslang, zelfs al zij trouwde, onder de eenige voorwaarde dat zij geen huwelijk zoude aangaan zonder het goedvinden van haar neef jonkheer Leopold van Zonshoven. Zeer zeker had de schrandere vrouw dit correctief bedacht om Francis te weerhouden van een onberaden huwelijk, waarvoor zij haar in staat achtte. Bij de onwaarschijnlijkheid dat zulk een geval zich zou voordoen, vond ik de conditie voor haar niet te hard; maar ik belastte Overberg er mee, haar daarvan officieel kennis te geven. Zij zou dat bericht dan vinden als zij naar de Werve terugkeerde. Zij zou er ook mijn pakket vinden, dat werkelijk in handen van den procureur was geraakt, met de papieren van haar grootvader, en waarvan hij het adres had erkend als van mijne hand. Hij had het terstond na die ontdekking naar het kasteel opgezonden, maar zij zelve was er toen reeds niet meer.
"Het heeft zoo moeten zijn, jonker!" sprak hij, de schouders ophalend, nadat ik hem medegedeeld had, dat ik zeer op den inhoud van dat pakket rekende om hare stemming jegens mij te veranderen; maar ik verzweeg hem zorgvuldig de samenkomst die ik met Rudolf moest hebben. Er was sprake van eene dwaasheid die Francis stond te begaan, en ik was wat bang voor de Z--sche praatjes.
Tegen het aangewezen uur liet ik mij den volgenden dag naar het zoogenaamde huis te Halfweg brengen, eene uitspanning waar des zomers buitenpartijen worden gehouden en waar men des middags gaat theedrinken, maar niet eigenlijk een logement, en waar het in dit morgenuur bijzonder stil was. Ik noemde volgens Rudolfs opgave mijn naam, en vroeg of de heer gekomen was dien ik spreken moest.
"Ja, de heer en de dame zijn al boven; als mijnheer de trap maar blieft op te gaan, en dan de deur rechts; schellen als de heeren van iets gediend blieven!" gaf de man ten antwoord, die het op zijne aanwijzingen liet aankomen zonder mij geleide te geven. Zij waren dan ook niet gecompliceerd, en ik vond zelfs de deur aanstaan. Ik bevond mij in een zaal met witte muren en houten met zand bestrooide vloer, waar zeker voor veertig menschen, en meer, ruimte was om aan verschillende tafeltjes plaats te nemen; maar in 't eerst zag ik er niemand, en ik moest langs een hoop opeengestapelde stoelen voorbij eer ik Rudolf bemerkte, die aan het uiterste einde der zaal stond, waar een tribune was opgericht voor een orchest. Hij was niet alleen, hij was in een druk gesprek met Francis!
Zij stonden met den rug naar mij toegewend, en ik moest mij een oogenblik op den achtergrond houden, om mij te herstellen van den schok dien dat plotseling weerzien bij mij teweegbracht. De uitroep dien ik had willen slaken stokte mij in de keel; zoo moest zij mij niet zien. Ik ging wat zijwaarts af en kon als verscholen blijven achter de pyramide van stoelen.
De stem van Rudolf klonk schetterend door de zaal toen hij sprak:
"_Nonsence_, Francis! ik die er nogal zoo iets van weet zeg u, dat het een radeloos beginnen is; gij kent dat leven niet, dat gij u voorstelt als het ideaal van vrijheid en levenslust. Het is integendeel de gebondenheid zelf, met de zweep er achter! Meent gij misschien dat de _chambrière_ bij ons alleen gebruikt wordt voor de paarden? en dat men er de vrouwen spaart omdat men ze ten aanzien van 't publiek met galanterie in den stijgbeugel helpt? Gij vergist u deerlijk, arm kind!"
Al sprekende had Rudolf zich even omgekeerd en mij opgemerkt; snel bracht hij den vinger aan den mond om mij het zwijgen aan te bevelen, en hij ging voort: "Wij worden gestraft in onze beurzen en aan den lijve, van den geringsten staljongen af tot _Madam Stonehorse_ toe, aan wie zelve zoomin eene fout gepasseerd wordt als aan ons. En onder dien troep zoudt gij willen zijn, gij! een kruidje-roer-mij-niet op het punt van kieschheid en fijngevoeligheid! Ik zou, op mijn woord, geen slechter _métier_ weten uit te denken voor iemand als gij zijt; en 't is alleen omdat gij er niets van weet, dat het denkbeeld daaraan in u kon opkomen."
"Er is geen ander waar ik voor bekwaam ben! Ik kan met paarden omgaan; maar ik kan geene gouvernante van kinderen zijn; ik kan schermen en exerceeren, en ik zou beide evengoed te paard kunnen doen als te voet; maar ik kan niet voor gezelschapsjuffrouw spelen bij eene dame, en ik ben veel te onhandig in 't naaien en borduren om daar mijn brood mee te verdienen. Zelfmoord is eene zonde die ik niet wil begaan; ik heb daarbij plichten die mij gebieden te leven, al is het leven mij niets meer dan eene marteling; dus schiet mij niets anders over, dan dàt wat ik u verzocht voor mij te bemiddelen."
"Maar zottin! waarom ziet gij het eenige voorbij dat u wezenlijk past! Waarom verzoent gij u niet met uw neef van Zonshoven? dan hebt gij alles ineens wat gij maar wenschen kunt; uw kasteel terug, de fortuin, en een man die u liefheeft, daar verwed ik mijn hoofd onder!"
"Ja, een loyaal man inderdaad! dat's gebleken," antwoordde zij met een doffe stem, waaruit mij onbeschrijfelijke bitterheid toeklonk.