Chapter 31
"Luister, vrouw Jool!" viel nu Francis in op vasten, kalmen toon. "Het heele dorp, zoomin als gij zelve, heeft in mijne zaken iets te zien, of zich met mijn doen en laten te bemoeien."
"Och, we zullen met pleizier doen of we er nieuwers van merken, freule! maar het kleine jungske lijdt er bij als we te onzent niets van der heuren."
"Ik had vandaag willen komen, maar kreeg verhindering; doch daar behoeft het kind immers niet onder te lijden; daar is geen reden toe sinds het kostgeld trouw wordt betaald."
"Hm! trouw! De maond is uut: we zien de tweede al een weik ien, en ik zeg: als het Trineke verveelt heit de jongen het slecht."
"Morgen zult gij het geld hebben; maar ik zeg je, als het kind slecht bejegend wordt om die ééne week verzuim, zoo slecht, vrouw Jool! dat 'het heele dorp' zooals gij zegt er schande van spreekt, dan komt die slechte behandeling van uwe of uws dochters zijde, en dan blijft het kind niet bij u, daar kan je staat op maken. Als ik morgen of overmorgen kom zal ik er naar informeeren, reken daarop!"
"Wat! wou je mij en me dochter te schande maken en het jungske van ons wegnemen? Nou, probeer dat eens! We zullen wel zien wie 't heft in handen houdt!" En 't booze wijf zette tergend brutaal de handen in de zijde. "Dat heb je er nou van als je voor de grootelui in de bres springt!"
"Gij zijt voor niemand in de bres gesprongen, vrouw Jool, dat weet je zelve wel, daar ben je veel te inhalig toe; je hebt alleen geld willen maken van uw dochters ongeluk, ziedaar alles! Maar het doet er niet toe wat gij zijt of niet."
"Wat! zou het er niet toe doen dat ik de grootmoeder ben! En ik kwam nogal waarschuwen dat ie nieuwe kousen en schoenen moet hebben, of hij moet met zijn bloote voetjes in de klompjes loopen net als de boerenkinderen, en deer is hij te fesoenlijk veur zou 'k denken."
"Ik zal in de kousen en schoenen voorzien, vrouw Jool! Maar 't is nu genoeg, ga uws weegs, ge hadt niet in 't bosch moeten komen als een spion. Nu ik je ontdekt heb, moet je rechtsomkeer maken, het zandpad langs de vaart om, die leidt naar je dorp."
"Nou, nou! wat zou dat? Is deer zoo'n haast bij?"
"'t Is hier de grond van de Werve; je hoort hier niet. Scheer je weg, of...."
"He'k van me leven! wat ze een haast het um me weg te kriegen, en dat um.... Nou, nou, ik ga al! anders laat ze me die kostelijke jonker nog voor koddebeier spelen!" riep het wijf eer schreeuwende dan sprekende, terwijl ze zich hinkend uit de voeten maakte en het aangeduide pad nam.
Wij waren bij het _rond-point_ genaderd. Ik was eerst blijven staan bij de oude rustique bank, maar ik moest gaan zitten, want ik voelde dat mijne beenen onder mij wankelden; ik moet er akelig bleek en ontdaan hebben uitgezien, want toen Francis, eindelijk van haar kwelgeest bevrijd, zich omkeerde en naar mij toekwam, zij, nog met wangen hooggekleurd van toorn en verontwaardiging, las ik zekere droeve verbazing op hare trekken, toen zij voor mij staan bleef en mij aanzag, terwijl zij sprak:
"Welnu! Leo! mij dunkt het toeval dient u op uwe wenken. Dáár is nu de macht, ongelukkig evenmin eene onhoorbare als onzichtbare, die mij berooft van de vrijheid om gelukkig te zijn."
"Ik versta u, Francis! gij zijt te eerlijk en te kiesch om onder zulk een bezwaar een man aan uw lot te verbinden," sprak ik met eene stem, die ik trachtte vastheid en kalmte te geven; "maar waarom mij niet eerder uw vertrouwen geschonken op dit punt, waarom het op zulke verrassing, op zulke toevallige ontmoeting te laten aankomen? Ik heb u immers gezegd, reeds in de eerste dagen onzer kennismaking, dat ik den moed zoude hebben eene struikelende staande te houden, dat ik niet zou wanen mij te besmetten, zelfs als ik eene gevallene uit de diepte oprichtte; zeg mij alles! ik wil het onmogelijke beproeven om u te redden."
"Maar Leo!" antwoordde zij, de handen ineenslaande van verbazing, en met een hoogen blos op het voorhoofd; "gij ziet bleek als een lijk, uwe oogen staan strak en schril van pijnlijke overspanning, uwe doffe stem verraadt de overwinning zelfs die deze woorden u kosten. Wat moet ik denken van deze heftige ontroering, wat van de zonderlinge gezegden die gij mij toevoegt? Gij zult mij, toch niet van iets onwaardigs verdenken? Gij kunt toch wel begrijpen dat _mijne_ eer er niet mee gekwetst is, al heb ik mij zelve veel te verwijten, al klage ik dat ik het recht verloren heb gelukkig te zijn, al lijde ik onder den schrikkelijken nasleep van jammer en ellende waarvan ik de schuldige oorzaak ben!"
"Ik luister naar 't geen gij zegt, Francis!" sprak ik in eene soort van bedwelming; "maar verschoon mij, ik.... ik versta u niet goed, was er niet sprake van een kind.... van een kind waarvoor gij te zorgen hebt."
"Wel zeker! en dat is nog niet eens het ergste, ik heb er de moeder bij voor mijne rekening."
"_Francis_!" riep ik, opspringende met een kreet van verlichting en onuitsprekelijke blijdschap.
"Nu begrijp _ik_ u niet," hervatte zij, mij met een naïeve bevreemding aanziende, "daar is hier waarlijk geene oorzaak voor zulke verrukking. Meent gij dat het eene lichte zaak is voor mij; in omstandigheden als de mijne, om een kind groot te brengen en in de behoeften van eene krankzinnige vrouw te voorzien?"
Ik dankte den Hemel uit den grond van mijn hart, dat zij in hare onschuld mij zóó had misverstaan; ik had gelukkig nog genoeg tegenwoordigheid van geest om mij te redden en haar gedachtenloop te vatten; ik begreep dat ik reddeloos verloren moest zijn bij haar, als zij raadde welk vermoeden mij een oogenblik had bezield.
"Zeer zeker is dat geene lichte last, Francis; integendeel, het moet bijkans eene ondragelijke zijn voor u alleen; maar ik, die gevreesd had dat er eenige onoverkomelijke hindernis zou liggen tusschen u en mij, ik verblijd mij dat het niets ergers is."
"Och!" sprak zij met zekere ergernis over mijne onbevattelijkheid; "gij mannen wilt nooit bezwaren zien, als gij iets wenscht. Het is eene onoverkomelijke hindernis, ik zeg het u, in onze omstandigheden. Gij weet eigenlijk nog niets en gij praat al voort of gij alles in één oogwenk zoudt kunnen schikken. Ik heb mij nu al die onaangename _scène_ van dat oude wijf op den hals gehaald om u, omdat ik met u ben gaan wandelen, in plaats van naar het dorp O. te rijden, om mijn kleinen Harry te zien, en bovenal om het kostgeld te betalen aan de grootmoeder, en wie weet wat al niet bovendien, want zij exploiteeren mij daar, Leo! Zij exploiteeren mij op eene gruwelijke wijze, en ik weet er mij niet tegen te weren, omdat ik mij niet onschuldig kan achten aan den dood van den vader, aan de oneer en de krankzinnigheid der moeder."
Ik begreep dat ik niet beters had te doen dan maar rustig aan te hooren wat zij mij uit zich zelve wilde mededeelen; ik moest er naar trachten haar mijne vroegere opvatting te doen vergeten.
"Zij exploiteeren uwe teederheid van consciëntie, Francis!" sprak ik, terwijl ik naast haar plaats nam op de rustieke bank.
"Zoo is het Leo! Gij hebt laatst gehoord hoe jammerlijk die arme Harry Blount is omgekomen. Nu dan, bij zijn sterven had ik met smartelijke heftigheid uitgeroepen: 'Ik, ik heb hem den dood aangedaan!' Die uitroep van bittere zelfbeschuldiging had getuigen: Vrouw Jool en hare dochter! De laatste wierp zich in wilde vertwijfeling naast den stervende neer.
"_My bride! my poor bride!_" stamelde Harry; en tot mij: "_dear miss Francis, pity on her!_"
Ik deed toen eene belofte, Leopold! en al had ik niets beloofd, ik zou toch alles gedaan hebben wat ik kon.
Het ongelukkige meisje was verwilderd van smart en schaamte: zij moest moeder worden!
Wij wisten niet eens dat Harry zulk eene betrekking had. Hij had het voor ons verborgen, daar hij geen kans zag om te trouwen zoolang hij in onzen dienst bleef op een lang niet meer schitterend jaargeld, en op het goed van mijns vaders familie geboren, beschouwde hij zich niet als een gewoon bediende, die zijn meester den dienst opzegt als er een betere positie te verkrijgen is. De gedachte om heen te gaan, nu het bij ons op stal altijd schraalder en lediger werd, kon niet in hem opkomen. Het blijkt echter dat vrouw Jool, een laaghartig en baatzuchtig mensch, hem telkens op dat punt het hoofd warm maakte en hare dochter opstookte om hem aan te zetten ons huis te verlaten.
Die tweestrijd tusschen zijne trouw aan ons en de rechten van het hart maakte hem in den laatsten tijd norsch en wrevelig. Als ik hem ondervroeg, ontkende hij dat er iets haperde; maar met zulk eene gedrukte houding, dat men wel raden kon dat er iets achter stak. Ik vorschte er naar, maar tevergeefs; de andere bedienden klaagden over hem als over een lastig mensch, die aan vlagen van melancholie leed. Dit maakte dan ook dat ik zijne waarschuwing op dien noodlottigen rijtoer in den wind sloeg, ik schreef het toe aan zijne zwaartillendheid, wat voorzichtigheid en goed beraad hem ingaven.
Ik vrees de verdenking uit te spreken, en toch is zij niet uit de lucht gegrepen, dat vrouw Jool zelve heeft medegewerkt tot den val van haar kind. Zij wilde Harry in de verplichting brengen om te trouwen, en meende dat al het verdere wel volgen zou. De rampspoedige dood van haar toekomstigen schoonzoon was voor haar eene misrekening, maar.... nú werd ik hare prooi. Zij stookte hare dochter tegen mij op; zij hitste alles tegen mij aan, wat naar haar luisteren wilde; zij stelde mijn smartelijken uitroep voor als eene bekentenis van moedwilligen doodslag. Het liep zoo hoog, dat wij er iemand van onze kennis, die in de rechtbank zat, bij moesten inroepen om de ergerlijke praatjes van dat mensch te doen ophouden. Dit alles nam niet weg, dat ik al het mogelijke deed om het lot van de jonge vrouw te verzachten, die mij dankbaar zou geweest zijn, ik ben er zeker van, zonder hare moeder. Ten laatste kwam het beslissend oogenblik; reeds terstond na de geboorte van het kind deden zich bij de jeugdige moeder verschijnselen van waanzin op; het was niet raadzaam haar zelve te laten zogen, het werd gevaarlijk haar met het kind alleen te laten.
Eene andere dochter van vrouw Jool, die te O. met een boerenarbeider getrouwd was en haar jongste kindje verloren had, kon voor min optreden. Men zou gezegd hebben dat eene zuster zulk een dienst uit vrije gunst zou verleend hebben; en dat zou ook zeker het geval zijn geweest, zoo men niet gespeculeerd had op mijne gemoedelijkheid. Ik moest minnegeld betalen, omdat ik voor de luiermand had gezorgd, ik moest voor de arme krankzinnige zorgen, die welhaast niet meer onder de haren kon blijven. Ik deed dit laatste uit vollen vrijen wil, maar het kostte meer dan ik offeren kon; en ik had het moeten opgeven zoo de ontmoeting met tante Roselaer en hare edelmoedigheid mij niet te hulp ware gekomen. Intusschen had vrouw Jool zoozeer op mijne goedwilligheid gerekend, dat ze er hare betrekking van waschvrouw aan gaf en bij hare kinderen ging inwonen, om op het kleinkind te passen, zoo het heette, om mij ieder jaar meer geld af te persen onder allerlei voorwendsel. Het kind is sinds lang gespeend en moest eigenlijk niet langer in hunne handen blijven; maar ik beken het, ik zie op tegen het misbaar, dat al dat volk zal maken als ik het elders plaats. Ik dreig er wel mee; maar tot de uitvoering zal het niet licht komen. Door hunne gemeenheid zijn zij mij te sterk. Voor het kind heb ik alles over; het grootste deel van mijne eigene inkomsten offer ik voor hem en de moeder; maar dien heelen aanhang, waaraan ik niet weet te ontkomen, en mijn grootvader, die het als een nuttelooze verkwisting beschouwt en die het mij ten kwade duidt dat ik niets meer ten beste geef voor de sier van zijn leven en het mijne; denk het in, Leo! wat er smartelijks en vernederends voor mij ligt in dat alles! en gij zult begrijpen waarom ik _alleen_ moet lijden, ook zelfs al had ik den man gevonden die mijn hart zou kunnen winnen. Sleept men iemand dien men lief heeft mee in zulk een maalstroom?"
"Iemand die uw hart mocht winnen, Francis, en die waard is het te bezitten, laat zich niet meetrekken in een maalstroom, maar zou er u uit redden."
"Dat kan niet zijn; ik zal het kind van Harry Blount nooit in den steek laten."
"Dat zou ook onchristelijk wezen. Hoe oud is dat kind, Francis?"
"Het zal nu welhaast drie jaren worden. Hij is geboren kort nadat wij de Werve betrokken."
"Dan heeft hij hoog noodig een voogd, die hem uit dien atmosfeer van gemeenheid wegneemt."
"De grootmoeder is immers voogdes?"
"Wij zullen zien wat er aan te doen is. Dat slag van lieden kan men nog wel naar zijn hand stellen, als men eenige behendigheid gebruikt. Meestal vergeten zij de noodigste formaliteiten. Is er een toeziende voogd benoemd?"
"Ik weet er niets van...."
"Dan moet dat verzuim hersteld worden, en dan zijn wij meester van den toestand; dat kind moet voorloopig bij de Pauwelsen geplaatst worden, dat zijn goede lieden, die u zeker niet zouden afzetten!"
"O! als dit zijn kon!.... maar ongelukkig is de jonge Pauwels verliefd geweest op de ongelukkige Gijsje Jool. Zal hij het kind van zijn medeminnaar met goede oogen aanzien?"
"Mij dunkt wel met eenig mededoogen...."
"Gij, maar zulke lieden denken zoo teer niet."
"Als zij goed zien en een menschelijk hart hebben, kunnen zij ook even fijn voelen als wij, dan doet stand en opvoeding er niets toe. Geeft gij mij vrijheid om in die zaak voor u op te treden, en te zien hoe men het kind uit die handen kan wringen? Zal ik morgen met u naar O. rijden?"
"Wat hebt gij er aan, u in dat wespennest te werpen?"
"Ik ben niet bang voor een steekje."
"'t Is al erg genoeg dat vrouw Jool ons vandaag samen heeft gezien en bespied."
"Zoo zal zij morgen bemerken dat zij ons niet behoeft te bespieden als wij ons openlijk te zamen vertoonen."
"Neen, neen, Leo! dat kan niet, dat moet niet zijn," riep zij met zekere heftigheid het hoofd van mij afwendende. "Wie weet wat voor malle praatjes zij al niet rondgebabbeld heeft, na dat samentreffen met ons!"
"Als wij eenvoudig de praatjes tot waarheid maken, dan zijn het geen malle praatjes meer!"
"Tot waarheid maken! gij weet niet wat gij zegt, Leo!"
"Heel goed; zij hield ons voor gelieven; was zij zoover van de waarheid Francis?" vroeg ik zacht maar ernstig, en hare hand vattende, die zij mij liet. "Zij zal wellicht rondstrooien dat wij verloofd zijn, kan dat ons zooveel schaden, als wij bewijzen dat zij zich niet vergiste?"
"Hij komt er nog op terug, nòg, schoon hij alles weet!" sprak Francis, halfluid, als in zich zelve.
"Wie zou ik zijn, Francis, zoo ik nù kon terugtreden?"
"Maar ik zeg u: gij houdt geene rekening met alle lasten en bezwaren die er nog op ons zouden rusten," riep zij met zeker ongeduld; "de Werve met Rolf dien wij niet op zij kunnen zetten, mijn grootvader met al zijne groote behoeften en zijne onbeduidende inkomsten. Hoe zullen wij dat alles bestrijden? Ik weet wel," voegde zij er bij met veranderenden toon, "gij gaat nu naar den Haag om u met uw oom den minister te verzoenen, zooals de generaal u geraden heeft, ik begrijp wel waarom.... Maar doe het niet, doe het niet om mij, Leo! want gij zelf hebt het eens eene laagheid genoemd!"
"Zoo ik mij ooit met mijn oom verzoen, Francis, zal het zijn omdat vergevingsgezindheid ons past; maar nooit, daar kunt gij staat op maken, om met deze verzoening eere of gunst te bejagen."
"Ik bedank u voor dat woord, Leo! ik dank u voor alles wat gij voor mij geweest zijt. O! ik wist het ook wel dat gij even fier als ferm zijt, maar daarom--laat uw verstand spreken--is het niet beter niet te beginnen wat men toch niet kan volhouden? Blijf mijn vriend zooals gij het tot hiertoe geweest zijt, maar...."
"Gij spreekt als eene die zelve geen hartstocht kent, noch dien in anderen begrijpt," viel ik in. "Ik ben niet als Willibald, ik kan uw vriend niet blijven, als ik uw geliefde niet mag zijn; ik kan niet meer rustig aan uw zijde zitten en mij onthouden die fijne blanke hand te kussen die gij zoo koel en achteloos in de mijne laat (ik voegde de daad bij het woord). Ik heb u lief, Francis! hartstochtlijk lief; ik heb de uitingen van dien hartstocht onderdrukt met eene zelfbeheersching waarvan gij u geen denkbeeld kunt maken; maar nu het uitgesproken is, moet er eene beslissing zijn, ik moet u verlaten voor altijd, of ik moet uw echtgenoot worden, en dat _wil_ ik, Francis! met eene vastheid van wil die al uwe zwarigheden voor niets acht."
"Leo! Leo!" riep zij opstaande, alsof zij mij wilde ontvlieden; maar toch zonder zich af te keeren, "spreek zoo niet tegen mij, niet op dien toon van wegslepend geweld, niet met dien gloed in 't oog; niemand heeft ooit zóó tot mij gesproken; niemand heeft mij hartstochtelijk liefgehad; gij brengt mij buiten mij zelve; gij leidt mij in verzoeking; maar ik moet u weerstaan want ik mag uw ongeluk niet kiezen, al zou het mij nòg zooveel kosten;" hare stem sidderde van heftige ontroering, een hoog rood overtoog hare wangen, en hare oogen weerkaatsten iets van dien eigen gloed die de mijnen deed fonkelen.
Ik nam beide hare handen in de mijne en sprak met vastheid:
"Als de scheiding u iets kost, Francis! scheiden wij _niet_!"
"Het is bedwelmend, Leo! de.... de.... mogelijkheid dat ik.... ik nog gelukkig zou kunnen zijn," stamelde zij.
"Het is genoeg, Francis! gij zijt de mijne. Ik laat u niet meer los. Leg uwe hand in de mijne voor het leven."
"Voor het leven!" herhaalde zij nu vast en besloten, maar met trillende lippen; zij werd bleek, zoo bleek, dat ik opsprong om haar te ondersteunen. Zij was eene bezwijming nabij.
"Leo! ik ben de uwe! Ik vertrouw mij aan u, ik heb u lief zooals ik nooit.... nooit heb liefgehad," stamelde zij, terwijl ik haar in mijne armen hield opgericht.
"Eindelijk!" juichte ik, en drukte den eersten kus der liefde op hare lippen.
Het spreekt vanzelf dat wij te laat kwamen om aan het _luncheon_ deel te nemen; maar wij hadden er ook geen behoefte aan.
Wij hadden in het teruggaan elkaar zooveel te zeggen gehad, dat wij er geene woorden voor hadden gevonden, en alleen zwijgend naast elkaar waren voortgegaan, zij leunende op mijn arm, of zij behoefte had aan steun; wij liepen langzaam, altijd meer langzaam, hoe meer wij het kasteel naderden, als kinderen die uit spelen zijn en geen haast hebben om thuis te komen. En zoo was het werkelijk. Francis vooral scheen daar tegen op te zien. Toen wij reeds de oude brug in 't gezicht hadden, werd haar tred zoo slepend en aarzelend, dat ik haar vroeg of zij vermoeid was?
"Ik geloof ja!" sprak zij, "ik zou nog wel wat op dat mos onder dien grooten eik willen rusten, eer wij de vesting weer binnengaan. Het wordt mij angstig om het hart; het is mij of alles wat daar ginds mij tergt en drukt nu weer in volle zwaarte op mij neervalt. Ik kan zóó nog niet scheiden van mijn geluk!"
"Wij zullen rusten, liefste, en ik gevoel mee iets van 't geen waar gij tegen op ziet; maar het moet niet te veel zijn; ons geluk gaat ontluiken, er is nu geen kwestie van scheiding, dan voor een korte poos; welhaast zult gij de Werve met gansch andere oogen aanzien!"
"Och, Leo! ik wenschte dat wij er niet meer moesten binnengaan; ik wenschte, dat ik nu zóó met u kon wegvluchten, en dat er niets of niemand zich meer stellen kon tusschen u en mij!"
"We zullen wegvluchten, allerliefste dweepster; maar er moeten eerst eenige formaliteiten plaats vinden, die ons het recht geven met opgeheven hoofd te keeren."
"Dat is wel jammer, want ik zie tegen dat alles op als tegen een onbeklimbaar rotspad. Al die convenances waar gij zoo aan hecht en die men in 't oog moet houden...."
"Ik hecht er waarlijk niet zooveel meer aan dan gij. Formalisme is gansch mijn zwak niet, maar toch.... men mag zekere vormen niet al te zeer in het aangezicht slaan; juist in ons geval...."
"En dan al die laffe en valsche menschen, die met gehuichelde glimlachjes hunne felicitaties komen mompelen, terwijl zij in stilte uwe dwaasheid bespotten, dat gij _Majoor Frans_ uwe hand durft reiken."
Ik liet haar niet toe dien laatsten volzin uit te spreken.
Zij moest boete doen met een kus voor die lasterlijke onderstelling.
"Wij zullen het zoo eenvoudig aanleggen als gij maar wenschen kunt, Francis! maar wij moeten voldoen aan de eischen van 't sociale leven, en naar mijne innigste overtuiging ook aan de eischen der consciëntie. Een verbond voor het leven van zulken ernstigen aard, als het huwelijk moet niet gesloten worden zonder kerkelijke wijding."
"Dat ben ik volkomen met u eens en zelfs zal ik u bekennen, dat ik mij altijd geërgerd heb aan die mannen en vrouwen die zoo luchtig en lichtzinnig over die plechtigheid spreken, die er mee kunnen railleeren of het alleen een representatie pro forma gold, eene exhibitie van prachtige toiletten. En toch, de vrouw brengt daarbij en voor altijd een onmetelijk offer; het offer van haar naam, van haar wil, van zich zelve, een offer, waartegen ik, zoolang ik _u_ niet heb gekend, steeds heb opgezien als iets onmogelijks voor mij."
"En nu?" vroeg ik, in het mos aan hare voeten neerknielend om haar beter in de levendige sprekende oogen te kunnen zien, die nu van geest en gevoel tintelden.
"Nu zie ik daar niet meer tegen op," antwoordde zij met een zachten glimlach. "Maar ik bid u, Leo! blijf niet in die houding voor mij; het is eene onwaarheid _en action_ en zal het meer en meer worden; ik voorzie dat, want ik voel nu, gij zult mijn heer en meester zijn. Ik ben niet als de 'dames,' die laf en oneerlijk als ze zijn, in haar _for intérieur_ glimlachen over den eed van trouw en gehoorzaamheid, dien zij bij het huwelijksverbond uitspreken, terwijl zij reeds bewijs geven dien niet te zullen houden, eer nog de bruidsbouquet verwelkt is. En de mannen, die bij het huwelijksformulier de schouders ophalen, als hechten zij gansch geene beteekenis aan hunne rechten, zijn evenzeer in hun _for intérieur_ besloten, eenmaal af te dwingen, wat hun niet uit besef van plicht wordt geschonken. In de wittebroodsweken knielen zij aan hare voeten, zooals gij daareven aan de mijne, al was dat met anderen zin, en stellen zich aan of zij hun leven lang de onderdanige dienaren zullen blijven; maar als de vrouw hen bij 't woord vat, leert zij 't anders; dan steekt de binnenlandsche oorlog op, de strijd over 't meesterschap. De schranderen en behendigen onder ons zoeken door list te veroveren wat ze niet door geweld hebben kunnen verkrijgen, en meenen gewonnen te hebben als die toeleg haar is gelukt. De anderen bukken als overwonnelingen, maar die te ieder stond tot rebellie gereed zijn. Dit maakt den huwelijksband tot eene zware keten, waaraan beiden beurtelings rukken en die ieder voor zich met onwil torst, tot men zich eindelijk uit afmatting resigneert, _als_ men zich resigneert."
"Gij maakt mij haast ongerust, Francis!" viel ik glimlachend in.
"Neen, gij behoeft niet ongerust te wezen, want wij zullen anders beginnen. Gij hebt mij geen oogenblik in 't onzekere gelaten omtrent uwe intentiën, en ik zal woord houden als ik eene belofte heb gedaan. Ik zei u dit alleen om u te bewijzen dat Majoor Frans de 'heeren en dames' goed in de kaart heeft gekeken, terwijl zij over haar de schouders ophaalden, en dat ik mij zelve aan hen leerde spiegelen en het vaste voornemen vatte mijne onafhankelijkheid te bewaren, tenzij ik den man vond, dien ik zóó kon achten en liefhebben, dat hij geen recht en geen wet behoeft te laten gelden, omdat mijn hart hem als mijn meerdere heeft erkend."
"En van wien gij wel gelooven zult, Francis! dat zijne belofte van liefde en trouw hem diepe, heilige ernst zal zijn."
"Ja, Leo! dat geloof ik van u. Gij zult noch een tiran, noch een slaaf wezen, en ik, dit moet ik u bekennen, ik zou nooit de slavin kunnen zijn van een man."
"Slaafschheid van zin is, bij mannen en vrouwen beiden, grootheid van ziel, ontwikkeling en volmaking van 't karakter in den weg. Ieder onzer moet zichzelf blijven en in elkaar zich zelf eeren en liefhebben. Het moet tusschen ons zijn als Tennyson zegt: