Chapter 30
"Ik ben niet weg geweest! Frits heeft mij betrapt toen ik den tuinmuur wilde overklimmen, en ik moest mij bekend maken om alarm te voorkomen, want hij hield mij in 't eerst voor een dief. Daarop bood hij zich aan, mij in een der ongebruikte benedenkamers te verbergen, die op den tuin uitzag. Ik zou er mijn vader mogelijk kunnen gadeslaan zonder dat deze het bemerkte, en zoo is het ook geschied. Toen zijne gasten heengingen en gij zelf hem alleen liet, nam ik de gelegenheid waar om uit mijn schuilhoek weg te sluipen en hem te naderen, daar ik meende dat hij ingeslapen was. Het blijkt dat hij mij heeft herkend, en dat alleen de machteloosheid van zijn toestand hem belet heeft mij te verdrijven. Nù heb ik er genoeg van, nu ga ik voor goed. God zegene hem, dat hij nog moge herstellen! God sterke Francis."
Maar ik liet hem zoo niet gaan. Ik hield hem dien nacht bij mij, bij de mogelijkheid dat er verandering kwam in den toestand, in de gezindheid van den patiënt; ook wij brachten dien nacht te zamen wakende door. Van tijd tot tijd ging ik informeeren naar den lijder; tegen den morgenstond, toen wij de zekerheid hadden dat er een diepe, rustige slaap was gevolgd, kon Rudolf meer gerustgesteld aftrekken; ik deed hem een eind wegs uitgeleide en beloofde hem op de hoogte te houden van 't geen op de Werve voorviel; hij gaf mij 't adres van Mr. Richard Smithson en hij scheidde van mij met hartstochtelijke uitdrukkingen van dankbaarheid voor het weinigje belangstelling dat ik hem had kunnen betoonen.
Ik had van Rudolf von Zwenken wel niet mijn vriend willen maken, maar ik beklaagde hem diep en ik had de overtuiging gekregen, dat hij bij een forsch lichaam een zwak karakter had, maar gansch geen kwaad hart, en op dat punt de betere was van den vader, die hem uitstiet. Francis had gelijk: die zwakheid en dat gebrek aan wilskracht, waardoor men niet op hem rekenen kon, waren tegelijk de hoofdoorzaken van zijn diepen val. Hetgeen den generaal overkomen was, kon eene waarschuwing genoemd worden, waarvan hij welhaast weer goed bekwam, doch er bleef zwakte en verlamming van armen en beenen na en de convalescentie vorderde langzaam. Ik moest in die dagen van kommer en onrust Francis ter zijde blijven en mocht haar menigen last helpen verlichten. Ik mocht wel eens een nacht wakens voor haar overnemen, of den lijder gezelschap houden als zij afgetobt rustte of zich wat verfrischte in de vrije lucht. Een van beiden moesten wij altijd in de ziekenkamer zijn, want Rolf was meer een goedhartig vriend dan een verstandig ziekenoppasser. Op straffe van instorten was den herstellende onthouding opgelegd van datgene waar hij als een groot kind naar hunkerde, en de kapitein was onverstandig genoeg om hem in te willigen wat niet diende. Er moest iemand wezen om beiden in 't oog te houden, en Francis was mij innig dankbaar dat ik bleef, al begreep zij nauwelijks hoe ik deze afzondering voor lief nam, hoe ik het met mijne bezigheden schikte om weken aaneen uit mijne woonplaats afwezend te zijn. Zij kon wel niet weten dat ik geen gewichtiger bezigheid had dan haar gade te slaan en haar hart te winnen. Ik wendde voor dat mijn schrijfwerk overal evengoed was te verrichten. Daar zij mij soms pakketten zag verzenden, hield zij zich met die uitlegging tevreden, en bewonderde zeker in stilte meer dan ik het verdiende mijne zelfverloochening. Zelve was zij subliem van vrouwelijk devouement; zij had ondanks alles haar grootvader lief, zij vergat alle groote offers, die zij hem had gebracht, en had gemoedsbezwaren over de lichtere grieven die zij hem had aangedaan. Toen hij in levensgevaar verkeerde, trof ik haar soms geknield voor zijn ziekbed, hem vergiffenis smeekende voor hare hardheid en onwillekeurige vergrijpen, en toch, toen hij herstelde zag zij zelve in, dat zwakheid en toegevendheid hem niet dienden. Gedurende zijne ziekte raakte ik beter op de hoogte van zijne zaken en zijn bedrijf, dan het door jaren samenlevens had kunnen geschieden. In een helder oogenblik had hij mij opgedragen brieven en berichten die er voor hem komen mochten in te zien. Ik kreeg de zekerheid van gevaarlijke speculaties, de zekerheid dat hij nòg schulden maakte achter Francis om. Toen hij begon te herstellen, achtte ik het mijn plicht hem in eene rustige ure daarover ernstig te onderhouden en te doen inzien welke jammer hij over Francis bracht als hij dus voort ging. Hetzij dat het de overblijvende zwakte was die hem week en gevoelig maakte, hetzij hij werkelijk in de lange slapelooze nachten, waarin hij roerloos, maar toch met volle bewustzijn, neerlag, bij zich zelven reeds zulke overwegingen had gemaakt, hij beleed schuld; al schoof hij zijne verkeerde handelwijze op den wensch om Francis langs dien weg eenige fortuin na te laten; maar hij beloofde mij dat alles voor goed af te snijden en wist geen ander redmiddel dan het verkoopen van de Werve op de meest gunstige voorwaarden. Het begon dan ook hoog tijd te worden voor dit einde. Overberg, door mij telkens tot geduld aangemaand, had nog uitstel gegeven tot de generaal weer op de been was; maar van Beek in zijne kwaliteit van executeur drong op definitieve beslissing aan; en ik was nog altijd niet zeker van Francis, ik had nog altijd het beslissende voorstel niet durven wagen! Zwakheid, zult gij zeggen. Neen! toch niet, kieschheid, verschooning, opzien daarenboven tegen een einde dat haar en mij scheiden kon, terwijl ik wist haar nog zoo noodig te zijn. Er stak niets vreemds in, dat ik mijne nicht bijstond in de ziekte van mijn oudoom; maar zoo haast die nicht mijne verloofde zou zijn, gebood de convenance dat ik mij verwijderde; en juist omdat het Francis Mordaunt gold, wilde ik niet tegen dien vorm zondigen, al haalde ik als zij over kleingeestigheid de schouders op; daarbij, hoezeer ik nauwelijks twijfelde of zij mij liefhad, hoezeer ik mijn invloed op haar als met den dag zag toenemen, hoezeer ik hare achting, haar volle vertrouwen genoot, er kon iets in den weg zijn dat haar deed opzien tegen een huwelijk, met wien ook; en zoo haar: "Spreek er niet meer van," ernstig gemeend was omdat zij zelve eene beslissende weigering wilde voorkomen, dan moest ik mijn tijdstip om dit verbod te overtreden, en op een "ja" of een "neen" aan te dringen, wèl goed kiezen; want zoo het _neen_ ware, de gedachte alleen, dat het "neen" zou kunnen zijn, bracht mij eene rilling over de leden. Als het neen ware, moest ik troosteloos heengaan en haar reddeloos opgeven! daarom bleef ik aarzelen en zwijgen, al spraken ook mijne blikken, al wilde, al kon ik mijne genegenheid voor haar niet verbergen, al kostte het mij strijd mij niet door hartstocht te laten overweldigen! Daarbij, wij waren in zekeren zin gelukkig, zooals het nù was, en er was iets verlokkends in, zich zoo op den stroom te laten afdrijven, en zonder omzien of vooruitzien het tegenwoordige te genieten. De generaal zag vooruit op zijne wijze, ik kreeg er de zekerheid van; hij gaf mij telkens met zekeren aandrang te verstaan, dat ik mij met mijn oom den minister behoorde te verzoenen en dat ik daartoe naar den Haag diende terug te keeren zoo haast ik Francis had voorbereid op den verkoop van de Werve aan den bezitter van de Runenberg. Ik verzekerde hem dat ik wel kans zag Francis te doen berusten in het _fait accompli_; maar dat ik het niet goed achtte de kwestie vooraf met haar te overwegen, dat ik dien dag naar Z. moest voor mijne eigene zaken, en als hij 't goed vond zijne schriftelijke toestemming aan Overberg zou ter hand stellen, opdat deze verder die zaak kon regelen, en dat ik daarna voor korten tijd naar den Haag zou terugkeeren in mijn eigen belang. Nader verkoos ik mij voor dat oogenblik niet te verklaren. Ik had zijne vergunning niet te vragen om mij aan Francis te declareeren, en was vooruit overtuigd van zijne toestemming als haar antwoord aan mijn wensch voldeed. Hij scheen mijne bedoeling te vatten en stak mij de hand toe met ongewone hartelijkheid; ik zag tranen in zijne oogen.
Een voorwendsel voor mijn toertje naar Z. behoefde er niet gezocht te worden tegenover Francis. Zelve begreep zij, dat ik, nu de generaal weer op de been was en aan haar arm reeds een paar malen door den tuin had gewandeld, mijne onmisbaarheid niet langer kon aanvoeren als motief om op de Werve te blijven, en tegelijk dat ik vóór mijn vertrek nog wel een en ander in de naburige stad had te doen. Eerst in den laten avond kon ik naar de Werve terugkeeren. Overberg was zeer in zijn schik mij te zien en met mij te kunnen aboucheeren. De wettische van Beek stond gereed om het opgeheven wraakzwaard te laten neervallen en was nauwelijks meer daarvan terug te houden. Er lagen bij Overberg stapels van gezegeld papier ten laste van den generaal: de verschenen renten van de verschillende hypotheken, die sinds zes maanden onbetaald waren gebleven. Het was een desolate toestand, waarvan ik u het tafereel kan besparen. Overberg zou nu aan van Beek schrijven, dat de afstand van de Werve zou doorgaan, hoogst waarschijnlijk tegelijk met het huwelijk, en ik, in de verwachting dat de praktizijns ons nu wel een paar dagen met vrede zouden laten, keerde terug naar het kasteel, dat ik nu met heel andere oogen aanzag dan bij mijne eerste komst.
Ik bracht eenige kleinigheden thuis, waarmee ik den generaal en Rolf wist pleizier te doen, en had eene eenvoudige _parure_ voor Francis gekocht, daar de diamanten die ik haar als bruidstooi wilde aanbieden nog niet _de raison_ waren.
Ik meende mijn cadeautje te gebruiken als een aanloopje om dat belangrijke onderhoud met haar te hebben, dat mij al zoo lang op het hart lag. Maar ik vond haar dien avond zóó gedrukt en zij zag er zóó bleek uit, dat ik, om een glimlach en een blos op dit strak en droevig gelaat terug te brengen, het _écrin_ nu maar _sans façons_ voor haar neerzette als eene welkomst uit de stad, in 't bijzijn van den generaal en Rolf; zoo was het eene aardigheid _sans conséquence_, die zij in geen geval behoefde af te wijzen. De blos kwam werkelijk even, maar de bedruktheid nam dermate toe, dat ik tranen zag blinken toen zij mij de hand drukte. Daarop verliet zij ijlings het vertrek, en wij zagen haar niet weder terugkeeren; de generaal ging nog vroeg ter ruste, en om niet met Rolf alleen te blijven zitten, volgde ik hem onverwijld; maar ik voelde mij zoo beklemd, of de neerslachtigheid van Francis op mij afgaf. Waarom had zij mijn geschenk niet vroolijk en schertsend opgenomen, zooals zij meest alles opvatte? Zij, die zich zoo kloek en kalm wist te houden onder de meest schokkende omstandigheden! Ik kon niet inslapen van al de waaroms, die bij mij opkwamen, waarop ik geen antwoord wist te geven, en die mijn moed verlamden, mijne hoop deden versagen. Eerst laat in den nacht sliep ik in en had zware bange droomen, waarin Francis onder allerlei gestalten tergend rondom mij zweefde, zonder dat ik haar toespreken of bereiken kon. Vast besloten niet weer zoo'n nacht door te brengen, trad ik de ontbijtkamer binnen. Allen waren reeds bijeen. Ik vond Francis iets meer opgewekt; zij vertelde aan den generaal, dat zij een brief had gekregen uit U, van Dr. D., met het bericht, dat de patiënt waarvoor zij zich interesseerde in beterschap toenam en dat er hoop was op herstel. Al sprekende vouwde zij de beide handen op de borst en hief de oogen ten hemel, als met eene onwillekeurige beweging van dankbare blijdschap; maar haar grootvader was vrij wat minder getroffen.
"Het lijkt wel naar u daarover zoo verrukt te zijn," sprak hij, de schouders ophalend, en om schielijk van 't apropos af te stappen, vroeg hij aan Rolf, of hij niet uit visschen dacht te gaan en of er kans was op een zoodje waterbaars.
Francis was al opgestaan zonder naar het antwoord te luisteren. Ik had haar te veel te zeggen om nu onverschillige woorden met haar te wisselen en liet haar aan 't geen zij de "menage" noemde, vast besloten haar daarna uit te noodigen om samen eene fiksche wandeling te doen, en daarbij dat onderhoud met haar te voeren, dat beslissend moest zijn. Zij hield van de frissche lucht, en wij waren nergens vrijer en meer zeker ongestoord te blijven dan in het bosch op de gronden rondom het kasteel.
Ik verbeeldde mij, dat ik een weinigje toilet moest maken; maar toen ik beneden kwam vernam ik van Frits, dat de freule zich kleedde en uit zou rijden.
Werkelijk zag ik den jongen Pauwels met haar gracieus rijpaard voorkomen, en eenige oogenblikken later verscheen zij zelve in amazone, zooals ik haar het eerst had gezien; maar nu droeg zij toch een bevallig rond hoedje met eene donkerblauwe voile, dat haar allerliefst stond.
"Offer mij voor ditmaal uw wandelrit op!" vroeg ik haar met die zekere forschheid, waaronder ik mijne zenuwachtige gejaagdheid trachtte te verbergen, zonder daarin goed te slagen.
Zij zag mij aan met wat schuchtere verbazing, verbleekte en zweeg, terwijl zij met haar karwatsje speelde.
"Gij kunt immers een uurtje later uitrijden," voegde ik er bij, een weinigje meer dringend.
"Neen, want ik heb een verren toer te doen, zoodat ik mij zelfs haasten moet, wil ik dien voor den eten afleggen."
"Dan moet gij dien verren toer uitstellen tot morgen Francis!" sprak ik ernstig, "'t Is voor het eerst dat wij weer eens rustig samen kunnen uitgaan na de ziekte van uw grootvader; weiger mij dit nu niet." En de blik waarmee ik haar aanzag moet mijns ondanks iets uitgedrukt hebben van de hoop en vrees die mij bezielden, want ik zag haar weifelen, toen zij antwoordde met wat gedwongen spijtigheid:
"Gij hebt er altijd pleizier in mijne plannen te derangeeren."
"Niet uit willekeur, Francis, geloof mij; maar ik heb er eene goede reden voor: ik zal het u morgen misschien niet meer kunnen vergen."
"Zoo; dat klinkt dreigend," hernam ze met een poging om te glimlachen, die haar niet al te goed gelukte. "Welnu, het zij zoo!" En zij wierp haar karwats weg met dien zekeren onwil van een officier die zijn degen aflegt om zich gevangen te geven; "maar dan moet gij wachten tot ik eene andere japon heb aangetrokken, want in amazone wandelen met u dat gaat niet."
Daarop gaf zij order om Tancred op stal te brengen en liep het huis in.
Zoo zij bezield werd door de gewone vrouwelijke kwelzucht, liep ik groot gevaar lang te wachten! Eene coquette had zeker niet gemankeerd den onvoorzichtige, die haar in een voornemen dwarsboomde, daarvoor duchtig te laten boeten; maar het bleek wel, dat zij boven die kleingeestige damesmanieren verheven was, want zij kwam heel spoedig terug en had alleen den lastigen sleependen amazonerok verwisseld voor een kort, licht kleedje, dat minder hinderlijk was bij de wandeling. Het hoedje en het jackertje had zij behouden, en zij trad vlug en besloten naar mij toe, terwijl zij vroeg:
"En waar gaan wij nu heen?"
"Maar.... mij dunkt het bosch in."
"Gij hebt gelijk, het is er nu heerlijk; wij kunnen wandelen tot het _rond-point_ en daar rusten."
Zoo gingen wij een eind weg de groote laan door die naar het bosch voerde; zwijgend, juist omdat wij elkaar zooveel te zeggen hadden.
Ik was besloten te spreken, maar nog niet met mij zelven eens hoe ik zou aanvangen, toen zij begon:
"Ik kan u mijn wandelrit wel opofferen, Leo! maar niet de plichten die er mee in verband staan."
"Geloof van mij, Francis! dat ik u nooit in den weg zal zijn als het de vervulling van plichten geldt; integendeel, gij kunt op mij rekenen om u daarbij te steunen en te sterken."
"Ik heb daartoe geene hulp noodig. Ik heb alleen maar noodig mijn eigen weg te gaan."
"Dat klinkt forsch, Francis! daar ik u ditmaal van uw weg heb afgevoerd. Maar het moest zijn, want ik heb noodig u ongestoord te spreken. Ik kan niet langer hier blijven; allerlei belangen roepen mij naar den Haag terug."
"Ik heb dit zien komen, Leo!"
"Spijt het u?"
"Ik moest neen zeggen, om die dwaze vraag even dwaas te beantwoorden."
"Maar ik zal weerkeeren, als gij het goed vindt."
"Neen, Leo! dat vind ik _niet_ goed, en 't ware zelfs beter geweest dat gij heengegaan waart toen ik u dat het eerst heb geraden."
"Dat zie ik niet in. Ben ik u tot overlast geweest?"
"Gij weet wel van neen; gij weet wel dat ik u veel heb te danken; maar 't is juist dáárom. Gij hebt mij in bange dagen ter zijde gestaan; gij hebt allerlei leed en bezwaren met mij gedeeld; wij hebben daarenboven zoo prettig samen gekibbeld, in één woord, gij hebt mij verwend. De eenzaamheid zal mij nu zwaarder drukken dan voorheen."
"Niet lang toch, want ik ga slechts heen om spoedig terug te komen?"
Zij antwoordde niet, maar bleef langzaam zwijgend naast mij voortgaan.
"Wat wilt gij dat ik uit den Haag voor u mee zal brengen?" vroeg ik, om het onderwerp niet te laten varen.
"Gij hebt mij reeds een souvenir geschonken, Leo! en ik ben er dankbaar voor. Gij ziet dat ik het al gebruik; dat is genoeg, ik heb niet anders noodig."
"Ook geen élégant zomertoilet, Francis? Gij hebt mij bekend dat het uwe in den steek gebleven is."
"Ik heb nu geen toilet meer te maken, Leo! dat begrijpt gij wel."
"Nu goed! Als gij mij zoo weinig voorthelpen wilt, dan zal ik zelf weten wat mij te doen staat."
"Wat hebt gij voor? Gij maakt mij waarlijk nieuwsgierig," sprak zij met zekere gejaagdheid in de stem, die zij niet machtig was te beheerschen.
"Ik zal een _trousseau_ voor u bestellen."
"Een _trousseau!_ waarvoor een _trousseau?_" riep zij luid lachend. "Het schijnt dat mijn verstandige neef Leopold ook al zijn ure heeft om _folies_ te zeggen, zoo al niet te doen."
"Of wilt gij liever eene _corbeille de mariage?_"
"Zijt gij wezenlijk bij uw zinnen, Leo? eene _corbeille de mariage!_ In 's hemels naam, voor wie?"
"Mij dunkt voor niemand anders dan voor mijne allerliefste weerbarstige nicht, Francis Mordaunt!"
"Dat's geene fijne aardigheid, jonker! gij weet wel dat uwe nicht Francis niet trouwen zal."
"Luister, Francis! Toen gij mij eens bij onze eerste wandeling over de heide diergelijk besluit hebt medegedeeld, had ik geen reden om u daarvan af te brengen. Ik gevoelde niets voor u dan de belangstelling, die mij drong uwe kennis te maken, en ik wist niet genoeg van u, om u met ernst zulk een voornemen te ontraden. Maar nu weet gij zelve wel, dat alles anders is geworden tusschen ons. Ik heb groote vrijmoedigheid gebruikt jegens u, met u te wijzen op zulke gebreken, die ik achtte dat uw edel karakter konden schaden. Gij hebt die opmerkzaamheid genomen voor 't geen zij was: bewijs van innige belangstelling, en gij hebt die beloond met uw volle vertrouwen. Maar gij begrijpt toch zelve wel, dat ik mij niet veroorloofd zou hebben, zoo lang en op zulke wijze met u om te gaan, als er niet een vast voornemen bij mij bestond om u tot mijne vrouw te vragen!"
"Dat klinkt werkelijk als eene declaratie _à bout portant_, en daar ik zoo'n brusken uitval van u wel niet had kunnen wachten, neem ik die voor 't geen zij schijnt: eene _raillerie_. Ik weet het, gij houdt daarvan, om mij een weinigje te prikkelen en u te amuseeren met mijne _reparties_, en dat is gelukkig voor u, want anders zoudt gij in gevaar zijn om zoo maar plomp weg een blauwtje te loopen."
Ik begreep dat zij tot de tanden toe geharnast in den strijd was gegaan; zij was koel, scherp en hoog in haar antwoord; maar in de stem, die onverschillig en schertsend wilde zijn, trilde eene ontroering, die zij door het afwenden van het gelaat trachtte te ontveinzen.
"Om de waarheid te zeggen, Francis! ik sla volstrekt geen geloof aan uw blauwtje. Gij wilt mij misverstaan, omdat gij in eene kwelzieke luim zijt en besloten om u te weren tot het uiterste tegen de inspraak van uw hart; maar gij hebt u niet zoo kunnen vergissen in het mijne, of _weet_ dat ik nu spreek in vollen ernst."
"Nu dan, Leo!" viel zij in met een diepen zucht. "Als gij er ernst van maken wilt, moet ik u herinneren aan mijne vroegere waarschuwing om mij van zulke wenschen niet weer te spreken; het kan, het mag niet zijn!"
"Waarom toch niet? Heb ik mij zoo vergist, toen ik dacht dat ik u niet geheel onverschillig was? Ik hoopte wat beters van u, ik meende toch dat gij wel iets voor mij gevoeldet."
Zij knikte met afgewend gelaat en zweeg, maar op eens hoorde ik iets als een gesmoorden snik.
"Zijt gij dan mogelijk niet meer vrij?" vroeg ik zacht en zelf diep bewogen, hare hand nemende en mij voor haar plaatsend om haar in de oogen te kunnen zien.
"Vrij? O, voorzeker ben ik vrij!" riep zij met bitterheid. "Ik heb er wel het mijne toe gedaan om vrij te blijven!"--en zich snel van mij afkeerende:--"maar, ik heb het u immers altijd gezegd. Ik moet mijne onafhankelijkheid bewaren; ik _moet_ het."
"O, ik versta u, Francis!" sprak ik, mijns ondanks nu ook met wat bitterheid. "Gij hebt zekere illusie nog niet opgegeven, gij wacht op uw lord William; gij hebt het u zelve beloofd en...."
"Lord William? Lord William, die mij nooit heeft liefgehad!" riep zij hartstochtelijk, "Lord William, die mij met zijn laatdunkend mededoogen heeft gekrenkt, die mij het hart heeft gebroken, die mij tot woestheid, tot dwaasheid heeft vervoerd door zijne _voorzienige wijsheid_; lord William, die nu een brave zestiger zal zijn! Leo, Leo! gij die mij lief hebt, ik weet het, doe gij toch u zelven die nuttelooze kwelling niet aan om jaloersch te zijn van lord William. Zou ik u alles zoo vrij uit hebben opgebiecht als ik daar niet lang overheen was?"
"Dan is die tegenzin in het huwelijk, die zucht om vrij te blijven maar een onvrouwelijke gril, een laatste verzet van Majoor Frans, die zich niet gevangen wil geven, en dan stel ik al mijne wilskracht, al mijne volharding tegenover die weerbarstigheid."
"Plaag mij niet met uwe volharding, Leo! want gij zoudt mij slechts pijnigen, zonder mij te verzetten. Al zoudt gij mijn hart breken, en dat kunt gij, ik beken het, mijn weerstand zult gij toch niet overwinnen."
"Dan wil ik die onzichtbare macht kennen, die u tegen mij sterkt!" riep ik, woest van toorn en smart.
"Och Leo! gij weet immers wel van welke smartelijke plichten ik de slavin ben. Waartoe u nog verder in te wijden in die diepten van jammer en ellende, waarin ik bijna verzink, waarmee ik levenslang zal te worstelen hebben."
"Ik wil ze kennen, Francis! om ze met u te deelen, om ze met u te dragen. Samen strijdende zullen wij overwinnen, wees er zeker van!" riep ik hartstochtelijk; en door het teederste medegevoel overweldigd, sloeg ik mijn arm om haar heen en sloot haar aan mijne borst. Zij getroostte zich dit zacht geweld zonder verzet; als mat en afgestreden liet zij haar hoofd tegen mijn schouders rusten.
"Nou, as de freule vrijt is 't te begriepen dat ze der kind verzuumt!" hoorden wij plotseling achter ons uitroepen door eene schorre stem, die aan het afschuwelijk dialect niets toegaf.
Doodsbleek van schrik maakte Francis zich vrij en trad eenige schreden ter zijde. Ik, als door een bliksemstraal getroffen, liet de armen zinken en weerhield haar niet; ik had eene gewaarwording of ik plotseling onder ijsschotsen was geraakt, ik rilde.
De persoon die achter ons aangekomen was, en ons zeker al lang had bespied, trad nu stout vooruit en op Francis toe.
Het was eene oude vrouw, die als de heksen in Macbeth daar op eens voor ons oprees. Met hare scherpe zwarte oogen, hare bloote magere armen, rood en dor als kreefteschalen, haar verbrand en gerimpeld gezicht, met een blauw geruiten doek over de witte muts en het stokje waarop de kreupele leunde, zag zij er werkelijk uit als eene tooverkol uit de sprookjes, die men in een vroegere eeuw zou verbrand hebben. Ik wil wel bekennen dat ik haar dergelijk lot toewenschte, toen zij ruw en brutaal tot Francis zeide:
"Nou dan, freule! nou weten we waer je het zoo druk mee hebt dat je in gien vayf wieken nee het kinde zijt kuemen umzien."
"Mijn grootvader is ziek geweest, vrouw Jool."
"Ja! grooteluisziekte, deer is gien kwoad bij. Mear die jonker deer, dats wat anders hé! Nou, ik zeg, het hiele dorp spreekt er schande van."
"Waarvan, vrouw Jool?" vroeg Francis, hoog en koel, hoewel ze zeer bleek zag.
"Dat je 't kinde zoo verzuumt um...."