Majoor Frans

Chapter 3

Chapter 33,308 wordsPublic domain

"Ja! Hebt gij wat tegen den naam? Hebt gij dien meer gehoord?" vroeg Leopold als in één adem; want de strakke, verdrietelijke plooi op het gelaat van zijn vriend stond hem niet aan.

"Meer gehoord, nu ja .... veel gehoord zelfs, als die van een Engelsch officier op retraite, die jaren geleden ergens in mijne provincie heeft gewoond; een man, waar, zoover ik weet, niets op te zeggen viel...."

"Nu ja! Maar de persoon waar 't hier op aankomt is de dame in kwestie. Kent gij haar?"

"Niet persoonlijk, en op praatjes en geruchten kan men toch eigenlijk niet afgaan; en hetgeen mij van haar is ter oore gekomen, kan .... onjuist zijn. Maar als dit niet zoo is, zou het weinig geruststellend wezen voor u, dat mag ik je niet verbergen.

"Daarom, onderzoek, onderzoek streng en vertrouw niets dan uwe eigene oogen en bevindingen."

"Heeft zij een lichaamsgebrek, is zij afzichtelijk?" vroeg Leopold met onrust.

"Neen, dat niet; ik geloof zelfs, dat zij er niet kwaad uitziet; althans goed genoeg om pretendenten te lokken; maar...."

"Welnu, wat aarzelt gij! Geef mij den genadeslag. Is 't eene coquette?"

Verheyst haalde de schouders op. "Daarover heb ik niet hooren klagen; het zou ten minste eene coquetterie moeten zijn van een vreemde soort."

"Martel mij niet; zeg in eens uit wat kwaad gij van haar weet."

"Niets eigenlijk wat men kwaad kan noemen; althans in uwe oogen zal het geen misdaad schijnen. Ik weet alleen, dat een mijner bekenden, een vriend van mijn jongsten broer, die smoorlijk op haar verliefd is geweest en bot af een blauwtje heeft geloopen, mij eene voorstelling heeft gegeven van haar, die .... enfin, niet heel aanmoedigend is voor u. Zij moet eene brutale heks zijn, die niet wil trouwen, omdat zij geen heer of meester over zich wil erkennen. Ze heeft dien armen Karel Felters, den goedhartigsten sukkel die er op twee beenen loopen kan, zoo gerudoyeerd dat hij van schrik het hazenpad heeft gekozen, en _nota bene_ naar Afrika is vertrokken, om zeker te zijn, dat hij haar nooit weer zou ontmoeten; overigens niet slechts in alle opzichten een goede jongen, maar in vollen zin dat, wat men eene goede partij noemt. Ik zeg 't niet om u af te schrikken, maar...."

"Wel, dat schrikt mij in 't geheel niet af," sprak Leopold rustig. "Dat zij geen sukkel wil hebben, die voor een vrouw wegloopt, bewijst voor haar karakter; ik vind het piquant dat zij geene flauwe onbeduidendheid is."

"Ja! piquant moet ze zijn in de hoogste mate."

"Zooveel te beter. Een weerloos slachtoffer vellen trekt mij in 't geheel niet aan."

"Ik ben blij dat gij er zoo over denkt. Ik voor mij zou geen lust hebben in zulken kamp; maar gij, die zedelijk verplicht zijt den aanval te wagen...."

"Al ware die verplichting er niet, ik zou er mij nu toch toe opgewekt gevoelen."

"Om een helleveeg te trouwen?" vroeg Verheyst, zelf gerustgesteld door de luchtigheid, waarmee Leopold zijne slechte berichten opnam. "Een prettig baantje voorwaar!"

"Het doet er niet toe; dat is juist een kolfje naar mijne hand. Ik zal er Shakespeare's _Taming of the shrew_ nog eens op nalezen."

"_As you like it!_ maar bedenk dat zijne middelen geantiqueerd zijn."

"Ik ben geen _gentleman_ uit den ruwen tijd van _old merry England_; ik ben een edelman van de 19de eeuw..."

"Dat bewijst niet veel. Of vindt gij dat onze moderne jongelui zoozeer uitblinken in wellevendheid en galanterie?"

"Nu, om je gerust te stellen, die ridderlijkheid van de _preux chevaliers_ die ik onder mijne voorvaderen tel, is .... meer dan wellicht voor deze occasie noodig zal zijn, in mijn bloed overgegaan. Mijn moeder placht te zeggen, dat ik geleek op dien ridder van Zonshoven, ook een Leopold, die, om de eer zijner dame op te houden, zich de linkerhand heeft laten afkappen. Zie, deze hier is het; de legende is te lang om nu te vertellen, maar de verminkte arm wijst het uit, dat er iets waars aan is en dat het portret moet gemaakt zijn nà de catastrophe;" en Leopold wees met de hand en blik naar eene der oudste beeltenissen, in zwart ebbenhouten lijst. Verheyst zag beurtelings naar de oude in harnas gehulde gestalte, en naar het jeugdige frissche gelaat van Leopold, en sprak eindelijk, met een glimlach het hoofd schuddend:

"Uwe goede moeder heeft haar eenigen zoon dan toch niet geflatteerd; 't is waar, er is eenige gelijkenis in dat hooge voorhoofd met het uwe, en uit dit donker blauwe oog spreekt stoutheid en zachtheid tevens, zelfs zou men in den vorm van 't gelaat, en in de wat laatdunkend vooruitstekende onderlip, desnoods den familietrek kunnen ontdekken, maar toch, de meester schilder, die deze beeltenis vermoedelijk in 't begin van de vijftiende eeuw heeft geconterfeit, is zeker geen groot man in zijn vak geweest; 't is alles zoo hard en stijf, die ridder poseert zoo brutaal met zijn verminkt lid, dat ik mij wel verklaren kan waarom gij het juist in dien hoek hebt gehangen."

"Toch het meest omdat het vuil en hier en daar gebarsten is," sprak Leopold; "maar als ik het eens laat opknappen, en het werk tot zijn recht komt, zal het zich zeker gunstiger voordoen, en wie weet, aan welk groot schilder het dan niet zal worden toegeschreven; de naam staat er wel niet op, en het jaartal evenmin, maar toch...."

"Wie weet of 't nog niet uitkomt, dat het een Memling is", spotte Verheyst, er nog dichter vóór tredende.

"En Mijnheer de ridder draagt het kruis der Tempeliers" ging hij voort; "zoo heeft hij zijn schoone dan niet eens gewonnen door zijn offer."

"Neen! zijn roman had een treurigen afloop."

"Ik wensch dan van harte dat de gelijkenis van het leven niet sterker moge doorgaan, dan die ik waarneem in de physionomie. Want zonder je te vleien, de jonker van de 19de eeuw bevalt mij vrij wat beter dan die van de 15de. Al hebt gij niet de forsche gestalte van dien _pourfendeur_, gij zijt toch slank en rap genoeg, en in uwe fijne blanke hand zit kracht genoeg, al zou die zwarte gantelet haar al zeer slecht _ganteeren_, en dan die akelige strakke trekken, die ijzige glimlach; terwijl bij u alles leven en bewegelijkheid is. Neen! neen! de uitdrukking van die tronie bevalt mij volstrekt niet, al stellen wij nog zooveel van dat kille en fletsche op rekening van den conterfeiter, en voorwaar, die man met zijn hoog opgetrokken wenkbrauwen ziet op ons neer met zoo'n trotschen, laatdunkenden blik, of hij zich boos maakt dat wij niet aan zijne voeten vallen, _la face contre terre_. Foei! ik word er krekelig om, en wel het meest op uwe moeder, die zeker uit adeltrots, juist den vinnigsten en fiersten van al deze hooge en machtige heeren uitkipte, om er u mee te vergelijken."

Leopold lachte luid en onbedwongen.

"Wat sta je door te slaan, Willem; en om je te beschamen, moet ik je zeggen, dat mijne moeder, die wel stille huiselijke deugden, maar geen greintje geboortetrots heeft bezeten, juist in de uitdrukking van de oogen, in den fellen hooghartigen blik, de gelijkenis meende te hebben gevonden."

"_Il ne s'agit que de bien voir la chose_, maar als gij mij zóó stondt aan te kijken, zou ik je vierkant den rug toedraaien, om je nooit weer op te zoeken."

"Ik ben u de toelichting schuldig," hervatte Leopold, goelijk lachend. "Moeder maakte mij wijs, dat ik op den ridder geleek als ik mijn booze, weerbarstige buien had en de--onbeschaamdheid pleegde.... (lieve, arme moeder, wat hebt gij mij veel te vergeven gehad, hoe kondet gij mij liefhebben)," viel Leopold zich zelf met weemoed in de rede, "haar zoo fier en uittartend aan te zien; dan was 't altijd: 'foei Leo! de oogen van den Tempelier,' en ik werd bij de hand voor 't portret gebracht te mijner beschaming, en dan, ja, ik belijde het, dan was er waarheid in de gelijkenis."

"O ho! is 't er zóó mee gelegen, dan kunt gij 't mij toch niet kwalijk nemen, dat ik niet gecharmeerd was van uw hoog-adellijk evenbeeld!"

"Te minder daar ik, om billijk te zijn jegens mij zelven, u mag verzekeren, dat er na mijne vlegeljaren geene aanleiding meer heeft bestaan tot zulke boetpredikatie _en action_; het lot heeft mij zoowel ootmoed als ernst geleerd. En ik betreur dat niet: ijdele hoogmoed brengt ons zeker ten val, en het is ijdelheid, als men, zelf arm aan verdiensten, op de voorvaderlijke grootheid stoft; nog ééns, zoo ik mij wel herinner, heeft het symptoom der booze gelijkenis zich weer voorgedaan, en wel bij gelegenheid van eene woordenwisseling, die ik had met mijn oom den minister. Maar ik was toen in mijn recht, want hij beschimpte mijn vader nog in zijn graf, omdat deze eene arme freule had getrouwd, die hem niets had aangebracht dan familiebezwaren, terwijl hij, naar zijn voorbeeld, zijn jonkheerstitel had moeten gebruiken als het lokaas voor eene schatrijke burgerlijke bruid. Toen voelde ik het bloed van den Tempelier nog weer eens in mijne aderen bruisen, en de gloed der verontwaardiging moet uit mijne oogen gelicht hebben, zooals die daar ginds schitteren, want Zijne Excellentie was kennelijk niet zeer op zijn gemak; hij verbleekte en tastte naar zijn schel, of hij hulp wilde roepen en vreesde dat ik andere wapens zou gebruiken tegen hem dan die van mijn blik; toch bedacht hij zich, toen hij mij zag glimlachen over zijne onrust, en van toon veranderend, bracht hij mij met eene hoffelijke wending van 't gevaarlijke chapitre af, mompelde eenige onbestemde betuigingen van belangstelling enz. enz. en geleidde mij al pratende tot in zijn antichambre, waar wij reeds niet meer alleen waren. Maar ik wist, dat ik voor goed aan zijn kamerdienaar geconsigneerd was, en mij de moeite om bij hem aan te schellen voortaan kon sparen. En nu genoeg riddergeschiedenis voor heden; vertel mij nog liever wat van mijne aanstaande vrouw...."

"Ik wensch voor u en voor haar dat zij uw ridderlijk bloed niet in al te groote beweging zal brengen, en daarom moet ik u vooruit waarschuwen, dat zij ruw is en.... slechte manieren heeft."

"Tantes brief deed mij reeds onderstellen, dat het haar aan eene goede opvoeding heeft ontbroken. Maar dat is immers hare schuld niet. Het arme kind! Welnu, ik zal daarin dan wat te verhelpen hebben, en ik zal tegelijk de echtgenoot en de gouverneur mijner vrouw moeten zijn; mogelijk, wie weet het, nog wel voor muziek- en dansmeester moeten spelen!"

"Niet voor schermmeester althans, want zij kan handig genoeg met den degen omgaan, altijd volgens de getuigenis van Karel!"

"Drommels!" riep Leopold lachend, "dat's om bang van te worden...."

"Karel _is_ werkelijk bang geworden, en, om u 't al te zeggen: zij was destijds nog maar een aankomend meisje, en toch werd haar in de kleine garnizoensplaats, waar zij woonde, algemeen de niet zeer vleiende bijnaam gegeven van: _Majoor Frans_."

"Dat klinkt niet aantrekkelijk! daar hebt ge gelijk in, maar toch.... ik zal zien dien majoor onder mijn vaandel te enroleeren, en ben ik eens zoo ver, dan zal hij in die kwaliteit zijn ontslag moeten nemen om in 't civiele over te gaan."

"'t Is goed dat gij het zoo luchtig opneemt, want in trouwe, er zit voor u niets op dan het te beproeven...."

"_Faire contre fortune bon coeur_, is altijd mijne leus geweest en--mijn lot," hernam Leopold met eene mengeling van zwaarmoedigheid en scherts.

"Maar, mijnheer! doe dan asjeblieft open, ik heb al driemaal geklopt met het theewater."

't Was de snibbige stem van Kaatje de dienstmeid, wier bescheiden tikken onder het levendige gesprek niet was gehoord geworden.

Leopold deed open en Kaatje zette het theeblad klaar met "z'n toebehooren," maar Verheyst trok een gezicht dat comische wanhoop uitdrukte bij die aanstalten, en toen het meisje was afgetrokken, sprak hij: "Zet maar geen thee voor mij, want om de waarheid te zeggen, ik ben veel te flauw om uw lauw water te drinken; ik heb maar zoo wat geluncht met een stuk brood en vleesch; mijn diner is bij de reis ingeschoten."

"Ondankbare egoïst die ik ben, u zóó aan den praat te houden en daar niet op te denken; wacht, ik geloof dat mijn kok vandaag ook wat slapjes was met zijn soep. Ik zal mij eens een extraatje permitteeren; 't is half acht, de tafels in de hotels zijn afgeloopen; maar wij gaan een apart dineetje nemen bij Pijl."

"Waarom niet in de Witte? Daar moet het nogal goed zijn, en mogelijk ontmoet ik daar nog dezen of genen, dien ik spreken moet, ware 't maar alleen om afspraak te maken tegen morgen: dat zou mij tijd uitwinnen."

"Zoo gij daar wezen wilt, mij goed, dan zal ik iemand opzoeken om u te introduceeren; maar laten wij dan eerst elders gaan eten, want dààr kan ik uw gastheer niet zijn. Ik ben geen lid meer."

"Dat's kras, Leo!"

"Wat zal ik je zeggen. Toen mijn vader stierf, en mijne moeder, schoon ze van een schraal pensioentje moest leven, niet besluiten kon den Haag te verlaten, begreep ik voor mij dat ik het snoeimes flink ter hand moest nemen, om al wat naar luxe geleek, ferm uit te snijden. De contributie moest op mijn budget geschrapt worden, en hoewel ik vrienden genoeg had die mij begrijpen lieten, dat ik daarover niet denken moest, wees ik die aanbiedingen ruiterlijk af. Geen valsche schaamte weerhield mij om te zeggen waar het op stond, dat de kleine geldzaak hier niet eens het grootste bezwaar was, maar dat men het Haagsche leven niet ten halve kon meedoen; dat ik er den lust zoowel als de gelegenheid voor verloren had, dat ik voortaan dacht thuis te blijven en mij niet in den omgang met vroegere vrienden tot soupeetjes en avondpartijtjes wou laten verlokken. Daarbij onder ons gezegd, onder drinkers en spelers heb ik mij nooit recht thuis gevoeld, zelfs niet dien korten tijd, dat ik student mocht zijn, en ik berekende, dat als men mij nergens meer zag, invitaties voor diners en partijen vanzelven zouden ophouden, die tot allerlei extraatjes leiden van fijne handschoenen, verlakte bottines, en in de verplichting brengen om er een éléganten rok op na te houden; mijne abdicatie, zooals men dat noemde, werd begrepen, mogelijk hier en daar bepraat en afgekeurd; maar ik had er spoedig geen last meer van. Jongen! men wordt zoo makkelijk vergeten, als men vergeten _wil_ zijn! Toch moet ik ter eere van mijne Haagsche kennissen zeggen, dat ik bij toevallige ontmoetingen nooit anders dan achting en welwillendheid heb gevonden. Ze hebben het mij heusch niet kwalijk genomen dat ik kluizenaar ben geworden, en het niet eens een onvergefelijke dwaasheid geacht, dat ik, arm zijnde, niet om den bluf, den schijn heb willen bewaren en toch meedoen, ware het ten koste van anderen, om 't geen sommigen noemen: hunne eer op te houden! En nú, laten we gaan zien dat we wat te eten krijgen." Al sprekende had Leopold zijn overjas aangetrokken, zijn hoed en handschoenen genomen, en beiden stormden nu met gezwinden pas de trap af.

Jonker Leopold van Zonshoven aan Mr. Willem Verheyst.

Al had ik niet beloofd u een getrouw verslag te doen, beste Willem! van mijn wedervaren en bevindingen op mijn avontuurlijken tocht ter verovering eener bruid, toch zou ik er behoefte aan hebben, dat alles mede te deelen aan iemand, die luisteren wilde zonder repliek. En daar ik er vooralsnog geen sterveling, behalve den eenigen, die er niet buiten kon blijven (de notaris), inhalen wil, is het waarlijk een kansje voor mij, dat gij nu mogelijk al door de Roode Zee glijdt, en ik dus alles aan 't papier kan toevertrouwen, met de zekerheid, eenmaal door een vriend gelezen te worden, zonder dat ik mijn geheim verklap.

Ons afscheid was zoo brusk en gejaagd tusschen al die heele en halve kennissen in, waar we bij Paulez mee dineerden en waarvan enkelen u meenamen naar de sociëteit, dat ik niet meer in de gelegenheid was, om u kennis te geven van mijn besluit om reeds des anderen daags met den eersten trein naar Utrecht te vertrekken, om mijn verkenningstocht aan te vangen. Uwe mededeelingen hadden mijne nieuwsgierigheid geprikkeld, meer nog dan mijne hebzucht het was door het blinkend millioen, en ik kon mijn ongeduld niet bedwingen tot uwe terugkomst van die particuliere audiëntie die u op zulk eene geheimzinnige wijze, op zulk een ongewoon vroeg uur, was toegezegd. Ik hoopte altijd, dat ik u vóór uw definitief vertrek nog eens zou kunnen zien, om u vaarwel te zeggen; maar gij waart altijd _par voies et par chemins_ in de laatste dagen en ik .... neen, ik was niet op reis, maar zoo wat in een betooverd slot geraakt, waar ik wel niet door draken en reuzen, maar door mijn eigen wil en zucht tot volharding werd vastgehouden. Mogelijk nog wel door iets anders .... maar daar ben ik nog niet zoo zeker van.

Om nog even op uwe zaken te komen. Gij zult nu zeker beter weten, dan ik het vatten kan, hoe uw patroon staat met zijne zenders, en hoe dezen het op hunne beurt zullen maken met hunne dwarskijkers. Als ik aan dat alles denk, komt de wensch bij mij op, dat gij liever aan mijn voorstel haddet gehoor gegeven, om mijn wel en wee te deelen, dan u mee te laten vangen in dat striknet der intrigue, waaruit geen van de partijen, die er in betrokken zijn ongeschonden te voorschijn kan komen. Maar gij zult mij antwoorden, dat gij volkomen onkundig waart van deze valsche verhouding, toen gij uw woord gaaft, en dat het overige uwe zaak niet is, en daarin hebt gij gelijk. Uw patroon kan de stormen aan deze zijde van den Oceaan onbekommerd zien opsteken; zijn hoofd zullen ze toch niet treffen: zijne positie is voor het bepaalde getal jaren verzekerd, en--de uwe evenzeer. Gij hebt intusschen van de gelegenheid geprofiteerd, om Indië te leeren kennen, en kunt met die kennis veel goeds doen en veel kwaads voorkomen, als men naar u zal willen luisteren, _voilà la question_. Iemand die dat zeker zou gedaan hebben, en die hoog noodig zou gehad hebben dat gij hem uwe voorlichting bleeft geven, is schrijver dezes, die waarlijk onder zeer bezwaarlijke en gecompliceerde omstandigheden tot handelen zal worden gedwongen. Naar mijn eigen gevoelen is de zaak mijner fortuin nogal vlottende. Wel is door de waardige erflaatster alles gedaan, wat noodig was, om die voor goed te verzekeren; maar er zijn oogenblikken, waarin mij de onweerstandelijke lust overvalt, om mij van alles af te maken, liever dan het instrument te zijn, om de wraakzucht _d'outre tombe_ van Jonkvrouw Roselaer tot de Werve te dienen: een grijsaard uit zijn erfgoed te verdrijven en eene arme zwerfster te maken van eene weeze, die door hare afkomst een recht heeft op de nalatenschap harer oudtante, al blijkt de wetgeving zulke rechten lager te stellen dan de luim eener knorrige, oude vrouw, die de behendigheid heeft gehad een onaantastbaar testament te maken.

Gij ziet, Willem! dat ik nog in 't geheel niet verzoend ben met de beschikkingen van tante Roselaer, maar 't is ook ergerlijk voor iemand, die een ingeboren gevoel van billijkheid heeft en een hart, dat--ja, ik mag het hier zeggen,--dat op de rechte plaats zit, om de _exécuteur des hautes oeuvres_ te zijn eener ingeroeste familieveete. En toch, zoo vaak ik de opwelling in mijne chevalereske gevoeligheid--die gij mogelijk romaneske zwakheid zoudt noemen--heb bekampt met de nuchtere, klare beschouwing der feiten, komt het mij voor, dat ik mij niet onttrekken _mag_ aan dien plicht, en dat de nood mij is opgelegd, het aangewezene te volbrengen, liever dan lafhartig de handen te laten zakken en alles over te laten aan den notaris-executeur, een uiterst braaf man, ik wil 't gaarne gelooven, maar zoo punctueel op de letter van de wet, dat hij geenerlei menagementen zou gebruiken, noch van verzachtende maatregelen, noch van uitstel van executie zou willen hooren; en dat alles staat ten minste nog in mijne macht, als ik het lastig baantje niet moedwillig laat varen.