Majoor Frans

Chapter 27

Chapter 273,978 wordsPublic domain

"Ja, er is mij een licht opgegaan. Hebt gij nog wat geduld om naar mij te luisteren? Ziet gij, ik heb zwakheden, maar niet eigenlijk datgene wat men hartstochten noemt. '_Le vin, le jeu, les belles_' hebben mij beurtelings veel geld, tijd en rust gekost; en nog ben ik op zekere punten een groot kind; maar een passie, eene passie die niets ontziet om hare voldoening te hebben, en waar men een groot misdadiger of een groot man door wordt, zulke passie houd ik er niet op na; dat ligt zeker aan de wuftheid mijner natuur. Maar er is iemand in mijne familie, die er wèl door bezeten is.... In mijne jeugd heb ik daar niet zoo op gelet, niet over nagedacht althans. Later was ik niet veel in de gelegenheid hem te observeeren; maar eens, eens heb ik hem waargenomen, terwijl ik duizend redenen had om mijn incognito te bewaren. Gij zijt een van de menschen die zwijgen kunnen niet waar? anders had Francis niet voor u ingestaan. Zoo bewaar datgene wat ik u nu ga zeggen als een diep geheim voor haar; want het zou haar bitter verdriet doen, en zij heeft toch al zoo'n onpleizierig leven."

"Gij kunt er staat op maken. Om Francis leed of last te sparen, zou ik veel doen of laten."

"Ook blijf ik gelooven, al houdt gij u nog zoo leuk, dat gij nog wel eens nader aan de familie geparenteerd zult worden; daarom is het ook goed dat gij alles weet. Mogelijk wordt gij eens geroepen om heel wat _linge sale_ uit te wasschen. Luister! Maar neen! wacht even tot ik dit laatste glas heb gedronken; mijne keel is droog van het praten." Eerst na eenige seconden rusten ging hij voort:

"Onder al de _métiers_ die ik heb waargenomen, staande mijne omzwervingen in Duitschland, is er ook een, die niet precies tot de achtenswaardigste behoort, maar dat de nood mij dwong aan te nemen. Ik ben _croupier_ geweest bij eene speelbank. Ik heb er mijn _vader_, mijn eigen ongelukkigen vader zien spelen met een acharnement, dat mij de oogen opende voor het diep verval waarin hij met de zijnen is geraakt. Ik heb er schuld aan, dat weet ik; maar toch, zonder die passie, die alles verslindt en toch onverzadelijk is, zou zijn groote fortuin en 't geen Francis had moeten bezitten, niet zoo reddeloos verloren zijn gegaan."

"En mijnheer von Zwenken herkende u niet?"

"Wat zal ik u zeggen? Ik geleek niet meer op mij zelven. Haar en baard geverfd, de kleur van 't gelaat verbruind en verouderd, en daarbij _croupier_! Let men op de machine die het spel in beweging brengt, als men zóó vervuld is met winst en verlies? Ik- dat is wat anders--, ik herkende mijn vader, al was hij in politiek, al was hij zeer verouderd, aan zijne fijne, bewegelijke trekken, aan zijne rechte houding, aan alles in één woord wat mij onvergetelijk was. Daarbij, er waren Hollandsche heeren met hem in gezelschap; zij spraken onder elkander hunne moedertaal; zij noemden hem kolonel von Zwenken bij den naam. Ik heb hem op één dag eene fortuin zien winnen, eene fortuin zien verliezen. Ik had moeite mij te weerhouden om mij aan zijne voeten te werpen en hem te smeeken zijn reddeloozen ondergang niet te bewerken. Ik weet wel het zou niemand minder gepast hebben dan juist mij, en toch, ik die bij ondervinding wist wat gebrek en ellende zijn, kon er met alle recht tegen waarschuwen. Alleen de overtuiging dat het toch niet baten zou, en dat ik mij zeker daarmede verraden zou hebben, hield mij terug. Maar dat ik op hem bleef letten, behoef ik u niet te zeggen; en zoo werd het mij zekerheid dat hij geld heeft opgenomen van een Hollandsch bankier, dat hij daarvoor wissels heeft geteekend...."

"Hoe lang kan dat geleden zijn?"

"O, dat's nu al vele jaren geleden."

"Maar het schijnt toch dat hetgeen de ergernis van Francis wekte eerst kort na uw vertrek heeft plaats gehad, en zoolang zal die bankier geen respijt hebben gegeven?"

"Neen! en sinds schijnt hem de gelegenheid niet meer gegeven te zijn om op die wijze aan zijn hartstocht bot te vieren; maar die is daarom nog niet uitgeroeid. _Ferme lui la porte au nez, il reviendra par la fenêtre;_ Francis omsingelt haar grootvader en houdt hem nu kort, ik wil dat gelooven; hij is daarbij bang voor haar; maar is het zeker, dat hij niet achter haar om en op andere wijze zijne revanche neemt of genomen heeft; er zijn menigerlei wijzen om wat men noemt zijne fortuin te beproeven, al is het niet met de roulette."

"Gij hebt gelijk; ik vrees maar al te zeer, dat de generaal nòg in 't geheim verkeerde speculaties doet...."

"En is het dan zoo onmogelijk, dat hij, om aan geld te komen, opnieuw zijne toevlucht heeft genomen tot den bankier; zijne eer voor Francis willende redden, en toch in de noodzakelijkheid zijnde haar offers te vragen, de schuld maar op mij heeft geworpen, den afwezige, die zich niet kon verantwoorden, wiens rug heel breed, wiens naam reeds bevlekt was?"

"Zijn eigen zoon dus te belasteren...."

"Wel bezien was ik er de naaste toe; hij moest zich redden, en het kwam er voor mij niet op aan. Ik neem het hem zoo heel kwalijk niet; alleen zou ik er heel wat voor willen wagen om de zekerheid te hebben dat mijne gissing juist is; en toch, al had ik die, hoe dan nóg Francis de overtuiging te geven van mijne onschuld, zonder mijn vader te betichten, iets wat niet zijn mag?"

Ik beloofde hem dat ik daartoe het mijne zou doen; maar ik kon niet nalaten mijne verwondering uit te drukken, dat hij, na al de onvervinding die hij had opgedaan, nog lust gevoelde om naar het vaderland, naar de zijnen terug te keeren, waar hem niets dan vernedering en terugwijzing wachtte.

"Wat zal ik u zeggen, Jonker! het blijkt wel dat gij niet weet wat ballingschap is, en hoe de trek naar het vaderland, het vaderlijk huis onweerstandelijk wordt, juist door de bezwaren die er zich tegen verzetten. Had ik, arme zwerver, in Amerika mijn geluk, mijn gezin gevonden, zooals ik eens had gehoopt, dan had ik er mij mogelijk een tweede _Heimath_ van gemaakt, waarvoor ik de ander kon vergeten; maar verwenschte Jonas die ik ben, eerst door allerlei tegenspoed veel te lang in Holland opgehouden, kwam ik pas in Engeland toen mijne reisgenooten reeds den tocht naar Amerika hadden aanvaard. Ik zocht en vond gelegenheid hen te volgen op een ander schip; maar wij leden schipbreuk, reeds met de kust van het beloofde land in 't gezicht; de _Zeenimf_, las men later in de nieuwsberichten, was met man en muis vergaan. Dat was de waarheid, maar één ongelukkige schipbreukeling, die zwemmen kon en zijns ondanks als bij instinct van dat talent gebruik maakte, werd gered. Ik bereikte eene rotsachtige kust, werd door arme visschers ontdekt, die mij uitgeput en bewusteloos vonden liggen, liefderijk opgenomen, dat moet ik zeggen ter eere der menschheid, en van alles verzorgd zoolang ik er behoefte aan had; maar van alles beroofd, en, zooals ik later vernam, op honderden mijlen afstand van de plek, waar vermoedelijk mijne Duitsche vrienden zich hadden neergezet, schoot mij niets over dan bij die herbergzame kustbewoners te blijven tot er voor mij eene gelegenheid opdaagde om verder te komen. Die gelegenheid deed zich voor in de gedaante van een koopman uit Chicago, die handel dreef in kreeften en oesters, en die met deze lieden prijs kwam maken voor leverantiën op groote schaal. Ik maakte kennis met hem, vertelde een en ander van mijne rampspoeden, en toen hij vernam dat ik kennis had van paarden en daarmee wist om te gaan, sloeg hij mij voor hem te vergezellen op zijne handelsreis, daar hij uren ver langs ongebaande wegen met een zeer primitief voertuig moest reizen en de voerlieden van die karren meest onverbeterlijke dronkaards of brutale afzetters waren, waarvan hij reeds allerlei onaangename ervaringen had. Hij had dan ten minste iemand bij zich die hen staan en terechtwijzen kon. Zoo geschiedde het, en deze overeenkomst bracht mij ten laatste naar Chicago waar ik weer in een doolhof van avonturen raakte, die mij voor goed afbrachten van het voornemen om de Duitsche landverhuizers op te zoeken, en eindelijk in aanraking brachten met den heer Stonehorse, ondernemer van een _Equestrian Cirque_, waarmee deze voornemens was Europa te bezoeken.

_Well!_ Ik had nu al ruim drie jaren het oude continent verlaten, ik kende Engeland en Frankrijk niet, ik was, al zeg ik het zelf, een goed piqueur, geen slecht rijder; forsche lichaamsoefeningen stonden mij aan, ik engageerde mij bij zijn gezelschap. Eens in Frankrijk, kwam de trek naar 't vaderland bij mij op, en ik haalde master Stonehorse over, die er geene groote verwachtingen van had, om zijne reis naar Duitschland over Holland te nemen en zich in enkele groote steden op te houden. Het succes in de hoofdstad gaf hem vertrouwen op mijne voorlichting hij liet de reisroute die hij volgen zou aan mij over; ik waagde het er op, Arnhem aan te wijzen; ik behoefde niet meer voor ontdekking te vreezen. Ik reis onder de Amerikaansche vlag; niemand mijner confrères weet iets van mijne antecedenten.

Eens in de provincie, bekroop mij met onweerstaanbaar geweld de lust naar de Werve; vooral toen eene toevallige ontmoeting met iemand uit Z., die mij niet kende, maar dien ik op 't chapitre bracht, mij zoo een en ander van de von Zwenkens vertelde, en den grootvader het slachtoffer noemde van de inconsequenties zijner kleindochter. Arme Francis! gelasterd, zoo gelasterd, en om mij! Ik moest haar zien en spreken; ik moest op mijne knieën, met het hoofd in stof gebogen, hare vergiffenis vragen; gij hebt gezien hoe zij het opnam en hoe mijne terugkomst wordt beschouwd als de grootste zonde die ik tegen haar plegen kon! Het is ook ergerlijk: onkruid dat niet vergaat, eene schipbreuk die niet afdoende blijkt!" sprak hij met bitterheid, waarin zich weemoed mengde. "Nu, 't is geschied, die gekke streek is weer begaan; maar ik zal haar geene ergernis meer geven; ik heb het haar beloofd! dat is zoo goed als een eed. Ik hoop maar dat ik dien houden kan," eindigde hij met een zucht, terwijl zijne stem altijd doffer en matter werd. Hij liet het hoofd vallen tegen het weeke kussen van de sofa; als door den slaap overmand strekte hij de leden daarop welhaast uit, en hoorde ik de ontwijfelbare bewijzen dat hij rustig sliep. Ik had er nu ook het mijne van en ging zelf de rust zoeken die ik hem van harte gunde.

Toen ik juist niet heel vroeg in den morgen ontwaakte, had Rudolf von Zwenken zich al uit de voeten gemaakt, op dezelfde wijze als hij gekomen was; de blinden waren blijkbaar opengemaakt en niet meer gesloten; maar hij had het zoo stilletjes bered als men dat wachten kon van iemand die meer dan eens had weten te ontsnappen. Alleen, hij had vergeten zijne portefeuille mede te nemen! De onverbeterlijke loshoofd! Nu ik zou hem wel uitvinden om hem die te doen toekomen. Het was goed, die niet aan Francis op te dringen. Hare kieschheid, hare fijnvoelendheid op dit punt was mij lief. Na zooveel opgeofferd te hebben, soms verlegen te zijn om een kleinigheid, en toch honderden te versmaden als teruggave, omdat zij de herkomst van het geld verdacht, of wel om den gever niet te berooven, dat was eene grootmoedigheid van karakter, waarvoor ik respect had.

Wat den generaal betrof, zijne schuld stond bij mij vast na 't geen ik zelf van hem waargenomen had; en meer dan ooit moest ik de voorzienige wijsheid van tante Sophie loven, die hare maatregelen had genomen om Francis te begunstigen zonder hare fortuin in dien afgrond te werpen. Maar de ontdekking, die ik gedaan had, was voor mij eene waarschuwing, die tot omzichtigheid vermaande. De grijsaard, hoe machteloos hij ook scheen, was _un homme à expédients;_ indien hij te vroeg wist wie de erfgenaam van tante Sophie was, en zijne verhouding tot Francis, was hij in staat om op haar toekomstig vermogen te speculeeren.

Ik zag hem als een bezwaarpunt, als een donkeren stip aan den horizont van mijn geluk, die voortdurend mijne opmerkzaamheid zou vorderen en ik voelde de drukkende waarheid van de uitspraak: "die het goed vermeerdert, vermeerdert de kwellingen!"

"Gij begrijpt Willem! dat ik onder zulke bijgedachten, die zich mijns ondanks telkens aan mij opdrongen, zeer slecht gestemd was om mijn oud-oom met een opgeruimd gelaat geluk te wenschen met zijn feestdag.

Zes en zeventig jaar! al het uiterlijke van 't geen men een respectabel man noemt, en toch zoo diep gevallen; doch waartoe u deelgenoot te maken van al het strijdige en pijnlijke dat er toen in mij omging! ik moest er mij tegen verzetten en een _visage de circonstance_ vertoonen, dat spreekt vanzelf.

Gij zult voor het oogenblik ook wel genoeg hebben van die sombere legende van de Werve, en ik ga eens naar Francis omzien die vooreerst nog niet weten moet dat ik een vriend heb die haar karakter leert kennen, trek voor trek, zooals het zich aan mijn blik voordoet. En nu, laat mij eens spoedig van u hooren; mij dunkt gij hebt nu al genoeg gehoord en gezien van het Indische leven, om er uw gevoelen over te kunnen zeggen, al weet ik dat gij de zaken liefst van alle kanten beziet eer gij er u over uitlaat.

Salut et Amitié

L. v. Z.

Daar het Zondag was, ving het feest aan met "kerkparade" zooals Francis het noemde. De generaal, in zijn kwaliteit van _seigneur de village_ en bij zijne gezetheid op 't geen een goeden klank had, was een voorstander van den publieken godsdienst, en had tot vaste gewoonte, zich iederen Zondagmorgen met zijne kleindochter in de ambachtsheerlijke bank te vertoonen, ten bewijze dat hij tot de gemeente behoorde en de behoorlijke reverentie had voor hare instelling. Of hij er gesticht werd, is twijfelachtig, maar dat hij de toeschouwers stichtte door zijne waardige houding is bijna zeker. Als oud-militair beschouwde hij het als dienstplicht, en of hij zich verveelde of ergerde, men zag het hem niet aan. Rechtop, met het gelaat naar den spreker gewend, zat hij te luisteren, onwrikbaar, onbewegelijk; of hij aan wat anders dacht stond niet op zijn gelaat te lezen. Tegen het midden van de predikatie vielen zijn oogen wel eens toe; maar daar de grootste helft van 't gehoor in denzelfden toestand van slaperigheid geraakte, ergerde het niemand, zelfs niet den predikant, die aan deze uitkomst gewoon was en inderdaad ook niet het recht had zich daarover te verwonderen. Althans op dien ochtend, toen ik in dit verplicht kerkbezoek begrepen was, vond ik er, met den besten wil om gesticht te worden, geene de minste opwekking, en alleen de ergernis dat een man, wien de zorg voor eene gemeente was toevertrouwd, zoo weinig consciëntie had om hare hoogste belangen op zulk eene schrale wijze te behartigen. In het gebed zelfs tintelde geen sprank van gloed of leven, en het was of de man een paskwil op zich zelf had willen maken, toen hij tot tekst had genomen de vermaning van Paulus, die tot geestdrift behoorde te ontvlammen: "Zijt vurig van geest," want zelf was hij noch heet noch koud; hij was lauw, akelig lauw, een ware Laodiceër, aan wien de apostel met zijn strengste woord zou hebben toegevoegd: wees liever een bestrijder dan zulk een bondgenoot. En de langzaamheid, de onnatuurlijke deftigheid waarmee tot ijveren werd aangemaand, was zoo opvallend strijdig met het enthousiasme dat zulk een onderwerp vorderde van hem die het koos, dat men zeer zeker een acteur zou gesouffleerd hebben, die zoo slecht in zijne rol ware geweest. Maar men was in eene kerk, men moest zich onthouden, en de ongeschikte dienaar kon zonder stoornis zijn gang gaan, zoolang zijn eigen geweten hem niet waarschuwde.

Het verheugde mij evenzeer als het mij verraste, dat de gemeente nog in zich zelve leven genoeg scheen te hebben om met opgewektheid den psalm te zingen, die gelukkig door een niet al te slecht bespeeld orgel werd begeleid. Ik zal niet zeggen dat Francis zich goed hield, want de ergernis, de verveling, ja zekere droefheid en verontwaardiging stonden op haar gelaat te lezen, en zij scheen geen rust te kunnen houden. Ten laatste sloeg zij haar kwarto Bijbel open en ging daarin zitten lezen als ware zij alleen geweest. Ik zag dat zij evenzeer de aandacht als de ergernis wekte; het was kennelijk dat zij de publieke opinie tegen zich had. Ik werd natuurlijk aangegaapt als eene vreemde verschijning, die op allerlei wijzen werd gecommenteerd en geëxpliceerd. Ik zag de lieden fluisteren en de hoofden bijeensteken zooveel maar doenlijk was. Rolf, die zich eens voor altijd van die corvée had verschoond, onder pretext dat hij "een vrijgeest was en er niemendal van geloofde," had mij geraden thuis te blijven, daar ik er toch niets aan hebben zou; maar ik was geen vrijgeest, vond geen reden om mij te onttrekken, en achtte de gelegenheid gunstig om Francis onder godsdienstige indrukken te observeeren; ik hoopte er daarbij op, bij het terugkeeren nog een woordje te spreken over Rudolf; maar dat viel tegen. Wij waren in 't wagentje van de Pauwelsen naar de kerk gereden, en de generaal zou op gelijke wijze terugkeeren; dus sloeg ik Francis voor samen terug te loopen; het was even een kwartiertje, het zoogenaamde kerkpad en de groote laan--maar zij had te veel haast op de Werve terug te zijn, bij al de drukte die haar daar wachtte. Ik kon haar alleen mijn teleurstelling te kennen geven, dat de stichting, in de stille dorpskerk, waarvan ik mij nogal iets voorgesteld had, zoozeer bedorven was door den man zelf die moest voorgaan.

"Ja, dat's het zwakke punt bij onzen protestantschen godsdienst; er hangt te veel af van een enkele; en als 't nu heel mooi is, dan is 't ook weer niet goed, want dan zie je alles voorbij om hem," was haar antwoord. "Ik kon er niet bij blijven, en te minder daar ik het kostelijk stuk al meer had gehoord; 't is zeker met te veel moeite samengesteld om maar ééns te dienen. Om nu te zeggen dat wij slaperig volkje de vermaning niet hard noodig hebben, dat's wat anders; maar dan moest het spiritus zijn en geen lauw water en melk."

"Gij moet dominé niet zoo hard vallen, Francis!" zei de generaal, die begreep waarover zij knorde; "de man staat hier al dertig jaar, en door de afgelegenheid van het dorp heeft hij haast geene aanraking met de collega's."

"Daarbij een troep kinderen en zoo'n saaie vrouw.... Het lot van den man is te beklagen, dat geef ik toe; alleen, ik vraag: waarom is hij dan niet wat anders geworden--glazenmaker bij voorbeeld? wij konden er hier best een gebruiken."

"Ja, Francis! nu gij daarop komt, de katten moeten van nacht weer deerlijk hebben huisgehouden in den onbewoonden vleugel," zei de generaal. "Volgens Rolf gaan ze maar door de gebroken ruiten in en uit, en Frits heeft glasscherven gevonden tot in de perken."

"Wel grootpapa; wij mogen de arme dieren wel dankbaar zijn dat zij die moeite nemen, want het leeft daarbinnen van de ratten en muizen," zei Francis gevat, maar al redde zij zich door eene aardigheid, wij waren op een gevaarlijk terrein geraakt, en 't was maar gelukkig dat wij de Werve opreden en al terstond door Rolf werden ontvangen met het bericht dat kapitein Willibald reeds was gearriveerd. Hij had nog niet uitgesproken, of de persoon in kwestie kwam ons te gemoet en bood den generaal zijn dienst om hem bij het uitstappen te helpen. Francis was er met hare gewone vlugheid al uit gesprongen, eer ik of iemand anders zich kon aanbieden.

"Wel, Willibald, dat's goed van je gedaan, ons kluizenaars eens te komen opzoeken," sprak Francis op luiden gullen toon, terwijl zij gemeenzaam zijn arm nam; "en nog wel in groot tenue."

"Het feest van mijn kolonel, freule; en daarbij, ik ben om dienstzaken te Z. geweest en kon niet nalaten mij zelven het genoegen te geven bij het terugkeeren de Werve te bezoeken!"

"Braaf! Maar gij treft het nu zoo slecht met de drukte. Daar komen waarlijk de Pauwelsen al aan, en de meester met de schoolkinderen. Ik moet toch even mijn hoed en mantille afwerpen. Maak intusschen kennis met mijn neef Leopold van Zonshoven, die ook op de Werve is aangeland, omdat hij te Z. moest zijn--echter niet voor dienstzaken, zoover ik heb kunnen nagaan." En met die voorstelling in 't wilde liep zij het huis in, terwijl wij met den generaal en Rolf langzaam volgden. Kapitein Willibald, in zijne onberispelijke militaire tenue, was een man van eene fijne, slanke gestalte en een innemend voorkomen. Hij was in vollen zin wat men noemen kan _un bel officier;_ zijne manieren, zijn toon, zijne houding, alles in hem was onberispelijk; zoo men iets had willen aanmerken zou het dit zijn, dat hij te mooi was voor een man. De fijne, lichtbruine kneveltjes, de als met een penseel afgeteekende wenkbrauwen, die de heldere bruine oogen eer sierden dan beteekenis gaven, de blozende kleur, afgewisseld door een wit dat haast aan een damestint deed denken, de volkomen regelmatigheid zijner trekken, alles was zoo zacht, zoo harmonieus, dat het een waar genoegen was dit menschelijk gelaat aan te staren; en toch, er ontbrak iets aan, iets waarom een schilder van talent mogelijk geweigerd zou hebben zijn portret te maken. Het had geene uitdrukking dan die van joviale bonhomie; er was niets marquants in, niets waaruit men een karakter kon opmaken; of het moest zijn iets weekelijks, dat mogelijk eene neiging tot sentimentaliteit verraadde, iets dat teringlijders eigen kan zijn, en zijn geheele voorkomen deed er aan denken; maar hij scheen den leeftijd te boven waarin de noodlottige kwaal het liefst hare offers kiest.

"Ik mocht u immers wel een kistje sigaren meebrengen, generaal?" sprak hij, hem dit aanbiedende. "Ik weet zoo precies wat u graag rookt."

"Wel zeker, beste jongen! Je doet er mij pleizier mee; men mag hier buiten wel wat provisie hebben. Wat zegt gij er van, Leo?"

"Ik schaam mij, omdat ik zoo niets voor u wist te bedenken; maar later hoop ik mijne revanche te nemen."

"Ik wil niets van u, dan.... dat gij u verzoent met uw oom, den minister," fluisterde hij mij in, en ik begreep maar al te goed de bedoeling van dien eisch; maar ik behoefde niet te antwoorden, want Francis kwam binnen en aanvaardde met handigheid hare taak als gastvrouw. Zij had nu de fameuse zwart zijden japon aan, die haar perfect kleedde, al was het merkbaar, waaraan zou ik niet eens kunnen zeggen, dat zij er eenige modes mee ten achteren was. Rolf stond haar getrouw bij in het voordienen van het déjeuner; want Frits had zijn post bij de deur, en die was geen sinecure. Het programma liep af, zooals Francis had voorzegd. De schoolmeester, ook nog een oudje, die de voormalige traditiën volgden, kwam met een paar jongens verzen opsnijden, die niet beter noch slechter waren dan in den regel diergelijke feestrijmen zijn, maar die hier minder dan gewoonlijk de _mérite de l'à propos_ hadden, want juist was er geen het minste rapport tusschen den jubilaris en hen, die hem dus kwamen fêteeren. De generaal bekommerde zich nooit om de school, en 't was Francis alleen, die, zooals ik later vernam, den armen ouden schoolmeester nog wel eens iets toestopte. Voorts kwamen de Pauwelsen, man, vrouw en kinderen, met gulhartige luidruchtigheid hem, dien ze nog altijd "den landheer" noemden, geluk wenschen. Grootje was thuis gebleven; anders eene curiositeit, die het huis van de Roselaers nog in vollen glans had gekend, en voorts enkele dorpelingen, die om de eene of andere reden den generaal nog erkenden en dit op deze wijze toonden. Dit alles moest van waterchocolade en broodjes worden voorzien.