Majoor Frans

Chapter 26

Chapter 264,071 wordsPublic domain

"Maar Francis, gebruik toch uw verstand! Al wilt gij het ergste van mij gelooven, overweeg of dit misdrijf door mij gepleegd kàn zijn. Ik ben een zwak mensch, een jammerlijke _panier percé_, ik erken het, maar ik ben toch geen monster; en een monster zou ik moeten zijn om zoo iets tegen mijn vader te doen. En dat zou ik juist gedaan hebben in den onrustigen tijd van mijn kortstondig en gejaagd verblijf te Z--? Juist in dien tijd, dat gij bezig waart het uiterste voor mij te doen om mij op fatsoenlijke wijze voor een nieuwe onderneming naar Amerika uit te rusten. Juist in dien tijd toen ik tot op het laatste toe hoopte, verzoend van mijn vader te scheiden?"

"Juist daarom acht ik uwe handelwijze nog te meer misdadig."

"Maar zij houdt het nog vol! Maar het is om razend te worden! Wat zegt gij er van, Jonker Leopold?"

"Het feit moet bestaan, anders zou freule Mordaunt er niet zoo vast aan gelooven...."

"Mijn Hemel, Leo! daar heb ik wel mijne redenen voor; toen die akelige papieren ons aangrimden, was ik maar pas meerderjarig geworden, en daar grootvader mij bekende dat hij niets had te missen om ze te voldoen heb ik er het grootste deel van mijn toch al niet schitterend vermogen voor opgeofferd! Mij dunkt, _j'ai payé pour savoir!_ Ongelukkig heeft grootpapa de voldane wissels in zijne bewaring gehouden; ik kan ze dus Rudolf niet laten zien om hem te overtuigen."

"Maar als ik ze zag, zou ik _u_ kunnen overtuigen. Ik ben voorwaar zoo'n vaardig scribent niet om eens anders hand te kunnen nadoen; en dan nog de hand van vader, zulk fijn, keurig, geregeld schrift! Al kon ik er millionnair mee worden, ik zou er geen kans toe zien."

"Ik geloof u," sprak ik, hem de hand drukkend.

"Dat doet mij goed;" en tranen sprongen den ongelukkige uit de oogen. "Maar dat zij mij niet gelooft, zij, dat smart mij. Als er een schelmstuk gepleegd is, waarom moet ik het dan juist gedaan hebben? Kan de kolonel, die zijn verloftijd gewoonlijk aan de badplaatsen placht door te brengen, niet in aanraking zijn gekomen met zulk slag van lieden, die wel degelijk tot zoo iets in staat zijn?"

"Grootvader heeft in de laatste vier jaar zijn huis niet verlaten. Alleen toen wij ons naar de Werve retireerden heeft hij het winterseizoen doorgebracht bij vrienden te Arnhem."

"Dus.... geneest men van zekere passie?" vroeg Rudolf, even de schouders ophalende met eene mengeling van snaaksheid en ironie.

"_Faute d'occasion_; wij hebben hier niets meer dan Rolf om zijn partijtje te maken."

"Welnu, kan die Rolf hem die poets niet hebben gespeeld?"

"Rolf! het trouwste en eerlijkste schepsel dat er is! Rolf, die zijne oogen zou uitgraven om zijn generaal een verdriet te besparen: Rolf, die op zijn best goed genoeg schrijven kan om een rapport op te maken! Rolf? Neen, Rudolf! zoek den schuldige elders. Rolf is tot zoo iets niet in staat."

"Nu, _ik_ ben er ook niet toe in staat," sprak hij nu met drift, terwijl hij zoo heftig op den grond stampte, dat zijn sporen kletterden. Daarop de portefeuille aan Francis toereikende, zei hij:

"De _greenbacks_ zijn echt; gij kunt er bij den eersten bankier den besten Hollandsche rijksdaalders voor krijgen. Neem ze, ten bewijze dat gij mij gelooft...."

"Ik wil het gelooven, Rudolf! Maar mij dunkt, dan kunt gij ze zelf ook wel gebruiken."

"O, wat dat betreft! Maar gij kunt ze gerust aannemen; er kleeft niets aan dan mijn eigen zweet en bloed. Ze zijn zuur verdiend, maar eerlijk; althans als mijn beroep in uwe ooren geen al te harden klank heeft."

"Ik weet niet welk beroep gij uitoefent; gij ziet er uit als een piqueur."

"Ik ben kunstrijder! Ik ben _premier sujet de voltige_ bij het Great Equestrian circus van master Stonehorse uit Baltimore, met tweehonderd dollars appointement 's maands.... Gij zwijgt, Francis! Gij vindt dat zeker wel wat heel erg, niet waar? Kunstenmaker?"

"Neen! Mij dunkt, gij hebt al erger bij de hand gehad; dat is ten minste een mannelijk beroep, waarbij moed en behendigheid te pas komen, en ik kan mij begrijpen dat een man in uw geval het aangrijpt. Daarbij," voegde zij er bij met een melancholiek glimlachje, "gij zijt net als ik: gij hebt altijd van paarden gehouden."

"Wel wat te veel, want die liefhebberij heeft mij duizenden gekost. Maar dat is _l'histoire ancienne!_ voor 't oogenblik ben ik te paard geholpen en op den weg der fortuin. Dus, _my dear_, kunt gij gerust deze kleinigheid van mij aannemen op afrekening."

"Neen, Rudolf! dat doe ik zeker niet. Ik ken u veel te goed om niet te weten dat gij vandaag weggeeft wat gij overmorgen noodig kunt hebben. U met geld helpen kan ik niet meer; maar wat ik gegeven heb neem ik niet terug. Ons helpt dat toch niet, en uw beroep heeft zijne hachelijke zijde."

"Aan wien zegt gij het! Van 't paard vallen en den nek breken is nog het ergste niet; maar zooals 't gisteren nog gebeurde dat er een een schop van een paard kreeg, een kreng van een hengst, die hem op de borst raakte, zoodat hij een bloedspuwing kreeg daar hij voor zijn leven de rente van zal genieten. En de arme drommel heeft vrouw en kind."

"Wel!" zei Francis, "mij dunkt dan hebt gij al eene goede plaatsing voor dat geld."

"Hm ja! 't idée is zoo kwaad niet; met master Brown deelen; _poor soul!_ En dat nogal een clown, zoo tragisch eindigen."

"Nú zijn we het eens," zei Francis, tevreden dat zij hem van zijn inval had afgebracht. "Rust goed uit en laat mij nu gaan; morgen in de vroegte zien wij elkander nog."

"Hoe zoo?"

"Wel, om u uit te laten, 't Is onnoodig dat ge weer langs het balkon naar beneden en over den tuinmuur klimt."

"Ah bah! dat komt er niet op aan: _Premier sujet de voltige, parbleu!_ Maar als gij mij absoluut uitlaten wilt, om zeker te zijn van mijne verwijdering, dan is het wat anders...."

"Ik heb gezegd, dat ik u nog ééns vertrouwen zou; ik neem mijn woord niet terug. Goedennacht! Leo, vergeet uw souper niet geheel!"

"Weg was zij; maar ik voelde geene behoefte haar raad op te volgen, en na het goede voorbeeld dat Rudolf op dit punt gegeven had, bleef er voor mij eigenlijk ook niet veel meer te doen. Toch noodigde hij mij een glas wijn met hem te drinken, en het zijne aanstootende sprak hij: "Ik weet niet recht of ik u feliciteeren mag, jonker, maar ik geloof waarachtig, dat onze allerliefste majoor haar kolonel heeft gevonden."

Ik haalde de schouders op: ik had geen lust om met iemand van zijn slag over Francis te spreken.

"Meent gij misschien, dat ik geen oogen heb om dat te zien? Ik ken de vrouwen, dat verzeker ik u. Ze hebben mij genoeg gekost om met waarheid te zeggen: ik ken ze. In mijne omzwervingen heb ik ze ontmoet van alle kleuren en gestalten; en mijne nicht, al is ze duizendmaal Majoor Frans, is toch eene vrouw--eene vrouw met een mannengemoed--zooals Queen Bess van zich zelve placht te zeggen; maar die heeft toch haar Leycester gevonden. Zoo ook Francis. Ik weet niet wat gij in uw schild voert, maar mij dunkt, gij hebt slechts te willen....

Et bientôt on verra l'infante Au bras de son heureux vainqueur!

Zij ziet u naar de oogen, dat is zeker! 't Is met haar als met een paard van edel ras; men moet er mee weten om te gaan--veel geduld, veel attentie, een krachtige, vaste hand, maar die zacht weet te zijn en men komt er mee terecht. Ik voor mij heb er nooit den slag van gehad, ik meen van de vrouwen. Ik ben te hartstochtelijk, te ongedurig, en ik heb geen vasten wil! _These gracious devils_ merken dat heel gauw, als ze 't eens weten, dan, dat begrijpt gij, dan ben je er onder, daar is geen helpen aan. Wat Francis betreft, al ware ik haar eigen vader en zij kende mij zooals zij mij kent, ze zou mij niet ontzien. U, dat's wat anders--maar .... mogelijk hecht gij niet aan de conquête?" ging hij voort, daar ik strak bleef zwijgen; "anders zou ik zeggen, 't is te hopen dat gij fortuin bezit; ik zou het wenschen voor Francis, die het verdient--ware haar grootvader niet geruïneerd."

"Door wien geruïneerd?" viel ik uit, vrij onbarmhartig; maar hij had mij zoo geprikkeld door telkens weer de _corde sensible_ aan te slaan, dat ik er _à tout prix_ een eind aan maken wilde.

"_That 's question!_" hernam hij, slim genoeg om een onderwerp te laten varen dat zoo blijkbaar mishaagde. "Ik heb er schuld aan, dat is ongelukkig maar al te waar; doch ik niet alleen, _I may be damned_ als ik lieg. Ik heb hem geld gekost, veel geld, doch geen grooter deel van de kolossale fortuin, die mijne moeder heeft aangebracht, dan mij als eenige zoon toekwam. Waar 't andere gebleven is, John Mordaunt zou er ook wel wat van te vertellen weten als hij nog leefde; maar toen die met mijne zuster trouwde, kreeg ze ten minste haar bruidschat mee; die zou Francis nu moeten hebben--als ze 't niet opgemaakt hadden; want ze leefden, ze leefden.... Ik werd altijd maar op de Werve gelaten met mijn gouverneur; want de dertienjarige knaap keek al goed rond in de wereld, en hij moest niet zien wat er daar ginds omging. Na den dood mijner zuster ben ik ook niet veel bij de Mordaunts aan huis geweest. Ik heb Francis voor 't eerst gezien toen zij tien jaar oud was en de kleine Majoor heette en alles in huis drilde dat het een lust was. Ik viel toen in ongenade bij mijn vader, omdat.... Maar ik babbel zoo voort, ik weet niet of ik u verveel; mogelijk wilt gij gaan slapen?"

"Nog niet; ga gerust voort. Ik stel er belang in een en ander van uwe lotgevallen te hooren, als het u niet pijnlijk valt daarvan te spreken."

"O, wat dat betreft in 't minst niet; ik ben er lang over heen. Maar wat zal ik u zeggen, mijne geschiedenis is die van menig ander jongmensch van goede afkomst die in de diepte raakt. Ik heb twaalf ambachten gehad en de traditioneele dertien ongelukken zijn mij evenmin ontgaan; ja, ik geloof zelfs, als ik goed telde, dat er nog wel een half dozijntje boven dat getal bij gekomen zijn. Mogelijk klinkt het wat apocrief uit mijn mond als ik het zelf zeg; maar mijn vader is de eerste oorzaak van alles. Gecontrarieerd in de keuze van een beroep, gecontrarieerd in een jeugdige liefde waarin ik mijn geluk had kunnen vinden, was de _fine fleur_ van mijn levenslust er al af, toen ik naar Leiden ging om daar in de rechten te studeeren. Ik had den vurigsten wensch om officier te worden en had mij met ijver voor het examen aan de militaire academie voorbereid; maar mijn vader hield rancune tegen die instelling, hetzij hij gepasseerd was toen deze werd opgericht, hetzij om de reden die hij opgaf: dat hij zelf als cadet in werkelijken dienst was getreden en van gevoelen was dat men alleen op die wijze jonge officieren moest vormen. Zijn zoon althans zou hij niet naar Breda zenden; die moest studeeren, die moest carrière maken! Hm ja! ik heb ook carrière gemaakt," herhaalde hij met een bitteren glimlach: "_j'ai fait du chemin_ zooals de Franschen zeggen, wijd en wild. Ik studeerde voor 't pleizier van papa, ik wilde er mijn pleizier ook van hebben; bij gebrek aan geluk, aan zelfvoldoening, zoekt men genot. Papa wilde dat ik een goed figuur zou maken op de academie, en schonk er mij ruim de middelen voor. Ik had mijn rijpaard en mijn tilbury; ik wierp mij in den wildsten en woeligsten studentenkring; ik maakte enorm veel schulden en zeer weinig dictaten; toch bezocht ik enkele colleges; er waren vakken die mij aantrokken, en ik was niet zonder aanleg; ik zou er nog wel toe gekomen zijn om te promoveeren op theses, maar papa had intusschen processen gevoerd tegen tante Roselaer en--verloren; hij kon of hij wilde mij althans niet toestaan het kostbaar leven aan de academie voort te zetten. Van een gesjeesden student is niet veel te maken; toch wist de majoor von Zwenken door zijne relaties mij een post te bezorgen, en nota bene nog wel een comptable! onder belofte intusschen dat ik eene _riche héritière_ zou trouwen, die mij werd aangewezen; maar het was eene overrijpe freule met een rooden neus, en ik liet haar links liggen, tot groote ergernis van mijn heer vader, die verklaarde van toen aan niets meer met mij te doen te willen hebben. Ik had niet het minste hart voor mijn post; geregeld werken, geregeld uren lang op het bureau blijven convenieerde mij niet na het woelige leven dat ik geleid had. Ik vond een geschikten klerk, een ouden bureaucraat, die al twintig jaren op dezelfde plek had gezeten zonder zich dood te zitten; ik meende alles gerust aan hem te kunnen overlaten en ik vond vrienden en kennissen genoeg, om mij wat afleiding te bezorgen. Ieder hield ons voor rijk, de post was maar een eerste stap om en-train te komen, dacht men, en zoo ging het _à grandes guides_ zonder opzien of omzien; toen op zekeren dag, dat wij een pick-nick hadden ergens buiten, mijn waardige plaatsvervanger zich met de kas uit de voeten maakte. Het geval maakte veel opschudding en was inderdaad erg genoeg: het was notoir dat ik geen deel had aan den diefstal, maar ik was toch de verantwoordelijke persoon, en majoor von Zwenken, in de verwachting dat ik de erfgename zou trouwen, had mijne borgstelling gestort. Er volgde een rechtszaak uit die opnieuw wat geld kostte, dat ik niet betalen kon, dat de majoor niet betalen wilde, en waar, zoo ik mij niet bedrieg, het moederlijke erfdeel van Francis voor aangesproken werd; het ging mij genoeg ter harte, maar een von Zwenken tot gevangenschap veroordeeld dat scheen iedereen in de familie te hard. Van haar wist ik dat ik niets meer van mijn vader te wachten had; ik beproefde zoo wat van alles, maar niet met goed geluk; mijne antecedenten waren mij in den weg, en, ik zal de waarheid bekennen, mijn karakter was mij ook tegen. Ik vloog van den hak op den tak, had nergens rust bij en had maar één verlangen, waaraan ik mij om de wille mijner familie niet kon overgeven. Ik had eene goede stem, altijd lust gehad in muziek, eene zekere gave van voorstelling, ik wilde een tijdlang buitenslands gaan om mij op een conservatorium te oefenen en dan als opera-zanger op te treden. Had men mij maar laten begaan, maar men wilde mij niet behulpzaam zijn tot dat doel; mijn vader wilde mij niets meer geven en liet mij de keuze om soldaat te worden of te bedelen. Ik verkoos het eerste, in de hoop dat majoor von Zwenken en zijne vrienden wel voor mij zouden zorgen als ik eens in dienst was, en dat ik toch nog eenmaal officier zou kunnen worden; maar op mijn leeftijd na een weelderig en verwend leven als het mijne, valt het hard zich aan de discipline te gewennen; en, was het opzettelijke hardheid en een _parti pris_ om mij zwaar te doen boeten, eer men mij uit de diepte ophief? ik kan het niet uitmaken; maar men schonk mij zelfs niet den laagsten graad; mij werd geene corvée gespaard, geen vergrijp door de vingers gezien. Ik was niet bij het regiment mijns vaders geplaatst, maar in een afgelegen vestingstadje; toch was de kapitein van mijne compagnie een der vroegere tafelvrienden van mijn vader. Ik kon niet anders denken dan dat het op diens verlangen was dat men mij zoo behandelde. En hij had zijn lieveling Rolf wel tot luitenant gemaakt, de Hemel weet hoe! Ik werd verloochend, en bijgevolg vertrapt; ongelukkig had ik geen geduld om dien schrikkelijken proeftijd door te staan; ik had voor vijf jaar geteekend, ik hield het geen vijf maanden uit; en op zekeren dag de kans schoon ziende, wierp ik geweer en wapens weg en wilde mij uit de voeten maken; maar mijne vlucht werd opgemerkt en ik achterhaald eer ik over de grenzen was; ik wist wat er op stond als men mij vatte, ik verweerde mij tot het uiterste, ik kwetste een onderofficier; ik behoef u niet te zeggen welk een lot mij wachtte toen ik voor den krijgsraad kwam; het vonnis werd geveld, maar niet uitgevoerd; ditmaal ontkwam ik uit de gevangenis, ik zal niet zeggen als door een wonder, maar door oogluiking; ik vond zelfs een pak burgerkleeren en geld tot mijne beschikking. Mijn vader had het toch niet over zich kunnen verkrijgen om zijn zoon als wederspannige, als deserteur te laten executeeren. Later vernam ik dat Francis die toen al heel wat had mee te praten, het hare had gedaan om deze uitkomst voor mij te verkrijgen. Ik was nu vrij en in den vreemde, maar vogelvrij: ik moest zien het noodige voer op te loopen en mij hier of daar een nest maken. Ik heb Duitsche boerenjongens Latijn en Fransch, Duitsche burgermeisjes zang- en pianoles gegeven; ik ben kamerzanger geweest van een Oostenrijksche gravin, die doof was en zich verbeeldde dat mijne stem op die van Roger geleek; ik heb omgezworven met een troep reizende operazangers en heb mij schor geschreeuwd op de theaters in de open lucht. Ik ben koetsier geweest van een Duitsche baron, reisbediende voor een huis in wijnen; maar dit moest ik opgeven omdat ze mij naar Holland wilden zenden. Toen werd ik eerst koffiehuisknecht en biljard jongen, maakte door mijne geoefendheid in dat spel de kennis van een Poolschen graaf, die mij als kamerdienaar en secretaris met zich nam naar Warschau, en mij welhaast in vertrouwen mededeelde, dat hij een middel had uitgevonden om Polen onafhankelijk te maken! Zooals vanzelf spreekt mislukte de toeleg, maar de onvoorzichtige edelman miste Siberië niet. Ik raakte mee in de klem, omdat ik niet tegen hem getuigen wilde; maar ik hield me zoo dom, dat ik er met een weinig tortures van honger en dorst lijden en eenige weken _carcero duro_ afkwam. Toen stond ik weer op straat zonder een penning in den zak en greep naar het eerste het beste, dat ik maar vatten kon; enfin, ik wil u en mij zelven niet vermoeien met de optelling van alles wat ik doorgemaakt heb om in leven te blijven. Het ware veel korter geweest hier of daar in 't water te springen, dat is waar; dan, ik heb altijd zeker vooroordeel gehad tegen den zelfmoord. Daarbij, ik bleef onder alles gezond en sterk en leed niet aan melancholie; ik rolde door het leven zooals het het best kon. Jarenlang heb ik zoo omgezworven, heb alle groote steden, alle badplaatsen van Noord- en Zuid-Duitschland bezocht, alle landstreken van midden-Europa doorkruist, van de Rijnoevers af tot die van de Spree en Moldau toe, en ik stond op het punt om naar Bucharest te trekken met een zeer voornaam, maar zeer bizar personage, toen deze gevangen werd genomen, als betrokken in eene zeer geheimzinnige moordgeschiedenis, waarbij het geld en de vrouwen als gewoonlijk hunne rol hadden gespeeld. Gelukkig kon ik bewijzen, dat ik eerst met vorst X in aanraking was gekomen nadat de misdaad gepleegd was, en ik kwam er weer af met eenige weken van enge opsluiting na lange en lastige verhooren. Hoe vaak ik onder dat alles van naam veranderd ben, weet ik zelf niet meer. Alleen den eenigen waarop ik recht had, hield ik standvastig buiten het spel. Ik had gezorgd dat het gerucht van mijn dood in Holland was verspreid; ik had alles gedaan om er waarschijnlijkheid aan te geven. Na die laatste historie waagde ik mij niet weer in 't gedrang met voorname avonturiers of dubbelzinnige vrouwen, maar zocht rust in het landleven, in de vergetelheid van den boerenstand. Ik had in mijne jeugd op de Werve wel eenige notie gekregen van het boerenbedrijf; ik kon best met paarden omgaan; ik verhuurde mij als knecht bij een welvarenden pachter, die eene mooie hoeve te beheeren had. Hij vatte spoedig dat er op meer dan eene wijze partij was te trekken van zijn huurling, en dat handenarbeid juist niet mijn _fort_ was. Ik werd welhaast meer zijn raadsman dan zijn knecht; ik kon hem een en ander van mijne lotgevallen vertellen zonder gevaar; ik was onder een goed slag van lieden gevallen, die mij als een lid hunner familie behandelden, en er bestond uitzicht dat ik daar werkelijk toe zou behooren. Ik merkte, dat de eenige dochter, eene allerliefste blondine met vergeet-mij-niet-oogen, zoowat op mij verliefd raakte. Ik vond deze gelegenheid om _pater familias_ te worden zoo onaardig niet! De ouders hadden er niets tegen; maar ik moest er voor uitkomen dat het mij moeielijk zou vallen de noodige documenten te verkrijgen om een wettig huwelijk aan te gaan. Dit bezwaar, en de berichten van een lid der familie, die met goed gevolg naar Amerika was uitgeweken en de zijnen opwekte om tot hem over te komen en gezamenlijk in die landstreek eene kolonie te vestigen met andere dorpsgenooten die daartoe waren over te halen, deed ons besluiten dien tocht te ondernemen. Maar de _gemüthliche Bauernleute_ begrepen, dat ik ten minste de toestemming van mijn vader moest zien te verkrijgen, al voorzag ik dat het vruchteloos zou zijn; daarbij er moest geld wezen voor mijne uitrusting en ik moest mijn aandeel leveren tot de onderneming, wilde ik niet eene al te jammerlijke figuur maken onder de tochtgenooten. Ik berekende dat ik nu zoo ongeveer tien jaren buitenslands had doorgebracht en dat men mijn gezicht wel vergeten zou zijn; ik hoopte zelfs, dat na die langdurige vrijwillige ballingschap de spons zou gehaald zijn over mijne vroegere misstappen. Ik schreef aan Francis, dat ik voor korten tijd naar Holland dacht terug te keeren, en onder welke omstandigheden. Mijn aanstaande, hare familie en de verdere tochtgenooten hadden zich te Hamburg ingescheept naar Engeland, waar ik mij uit Holland bij hen zou voegen, zoo ras ik geslaagd was in mijne wenschen. Maar het antwoord dat ik kreeg was op dat punt alles behalve geruststellend. Mijn vader die kolonel was geworden en het bevel voerde in de kleine vestingstad Z., was zoo weinig ingenomen met mijne plannen, bovenal zoo weinig verheugd met de tijding, dat ik nog leefde en dacht weer te keeren, dat Francis mij dit laatste ernstig ontraadde. Zij wees op de gevaren die ik kon loopen en die de kolonel niet voornemens was af te wenden; met andere woorden: mijn eigen vader zou mij laten vatten en aan een krijgsraad overleveren, als ik het waagde hem onder de oogen te komen. Dat vond ik wreed, onmenschelijk, onmogelijk, en ik geloofde het niet! Ik verbeeldde mij dat Francis maar dreigde om mij af te schrikken; ik waagde het er op, kwam vermomd en door valsch haar en knevels onkenbaar gemaakt te Z. en trachtte toegang te verkrijgen tot het huis van den kolonel. Zijn adjudant, die er zeker op afgericht was, ontving mij en deelde mij de verkwikkende tijding mee, dat ik den commandant der vesting niet zou zien; dat er geen kwestie kon zijn van een weergekeerden zoon, daar de dood van den jongen Rudolf von Zwenken was geconstateerd, en dat iemand die er zich voor uitgaf niets kon zijn dan een indringer en bedrieger, over wien men kort en goed recht zou doen als hij lastig werd en zijn bedrog volhield. Daarop was ik niet verdacht geweest. Ik was dood, ik moest dood blijven, en zoo ik mijne identiteit wilde bewijzen, was dat zoo goed als mijn eigen doodvonnis onderschrijven. Ik herhaalde de poging niet; maar Francis ontfermde zich toch over mij. Zij zocht mij op, zij hielp mij voort. Zij lenigde de bitterheid van dit verstooten. Gij weet het overige, gij weet wat er voor haar uit volgde."

"En gij gelooft dat het daarom is, dat zij u ditmaal zoo hard bejegende?"

"Vooreerst omdat ik nu weer teruggekomen ben tegen mijn belofte, dat is waar; maar allermeest, ik zie dat nu in, om die ongelukkige zaak van de wissels--om datgene waaraan ik niet schuldig ben, zooals 't meer gaat. Doch ik zal mij die schuld nu maar laten aanleunen: een schreefje meer op mijn kerfstok is zoo erg niet, terwijl Francis al te ongelukkig zou zijn, als ik haar te kennen gaf, welk vermoeden ik heb gevat."

"Hebt gij werkelijk een vermoeden?"