Chapter 25
"Geef u geene moeite, Jonker van Zonshoven!" hernam Francis stroef en met hoogheid. "Ik zie er niet tegen op, maar ik weet, dat het vruchteloos zal zijn; en daarom is het beter hierin niets te doen. Mijnheer Rudolf zal zich herinneren, dat ik, ik zelve, eenmaal onder tranen mijn grootvader te voet ben gevallen om hem te verbidden zijn zoon niet onverzoend in de ballingschap te zenden, en dat het tot niets heeft geleid dan tot heftiger smart en toorn."
"Dan zal ik moeten berusten," sprak Rudolf verbleekend en in de houding der diepste moedeloosheid. Blijkbaar ontbrak het den forschgebouwden, luchthartigen man aan wilskracht, aan energie tot weerstand.
"Ja! gij moet berusten, als gij den grijsaard werkelijk nog eenige liefde toedraagt," hervatte Francis. "Ik wil u niet hard vallen om die eerste beweging die u hierheen dreef; ik wil gelooven dat zij uit het hart voortkwam zonder bijoogmerk; maar bedenk het wèl, gij zelf hebt het gerucht van uw dood hier doen verspreiden en waarschijnlijk gemaakt."
"Ik was dit verplicht om mijne veiligheid en ter geruststelling van mijn vader, die mij altijd in gevaar waande van opnieuw gevangen genomen en geëxecuteerd te worden!"
"Welnu dan, dat gevaar is niet verminderd, zelfs niet na al de jaren van vrijwillige ballingschap; de krijgswet is onverbiddelijk, gij erkent het zelf, evenals het eergevoel van uw vader! Het gerucht van uw dood is tot hem gekomen; hij gelooft er aan, hij heeft er zich over getroost."
"Al heel gemakkelijk, zooals ik nu inzie."
"Neen! het heeft hem smart en strijd gekost, dat kan ik getuigen; maar toch, nù is er kalmte gekomen, gevoel van veiligheid en onbezorgdheid op dit punt; de wonde is tot een litteeken geworden, dat maar bij enkele oogenblikken nog van pijn trilt. Waartoe dit nu weer op te rijten; waartoe, zelfs bij de mogelijkheid (en die stel ik niet) dat hem het weerzien niet smartelijk schokken of vertoornen zou, hem die rust, die zwaar bekampte rust, te verstoren? Hij vreest nu geene rampen, hij vreest nu geene schande meer voor u; die zekerheid houdt op zoo ras hij weet, dat gij leeft en den overmoed hebt gehad in het vaderland terug te keeren. Alle angsten en zorgen, die zijne grijsheid vervroegd hebben, zullen hem dan opnieuw overvallen; hij zal rust noch duur hebben eer hij u weer veilig over de grenzen weet, en het zal u nog wel heugen hoeveel moeite en bezwaren dat ons herhaaldelijk heeft gekost."
"Het is waar, maar al te waar! Ik ben een ondankbare loshoofd, aan dat alles niet te denken. Ik zal mij dan maar getroosten, weer heen te gaan zooals ik gekomen ben," verzuchtte Rudolf, en hief zich op met de matheid van iemand die zonder lust of kracht een zwaren tocht meent te moeten aanvaarden.
"Maar gij zult niet gaan zonder u wat verkwikt en verfrischt te hebben," sprak Francis met goedheid, nu zij zeker was van hare overwinning. Ik verblijdde mij dat zij er uit zich zelve toe kwam; want het stond bij mij vast, dat ik Rudolf von Zwenken niet vermoeid en aemechtig uit zijns vaders huis zou laten heentrekken.
"Ik zal u wat brood en vleesch bezorgen; neef Leopold zal wel toestaan dat gij hier nog wat uitrust."
"En als het zijn kan een glas wijn; want sinds mijn luncheon te twee uren, en nog wel in een boerenherberg, heb ik niets gebruikt."
"Ik zal voor u zorgen."
"En als Frits komt klaarzetten, zal ik mij achter het ledikant verschuilen," zei Rudolf.
"Het is niet noodig; het is veel eenvoudiger dat ik u zelf kom bedienen," antwoordde Francis, terwijl zij het vertrek verliet.
"Br! geen katje om zonder handschoenen aan te tasten, onze majoor!" riep Rudolf uit, zoodra hij hare voetstappen niet meer hoorde. "'t Is me waarachtig, of ik in 't schimmenrijk ben aangeland en voor de vierschaar van Minos sta, als zij mij met haar koelen, doorborenden blik aankijkt. Maar toch een goed en trouw hart; op mijn woord van eer, een hart uit duizenden."
"Ik had van dat goede hart wel wat minder strafheid gewenscht jegens een bloedverwant die in 't ongeluk is," liet ik mij ontvallen.
"Wat zal ik u zeggen; zij kent mij eigenlijk niet dan uit de mededeelingen van mijn vader, bijgevolg van de ongunstigste zijde; den enkelen keer waarin het toeval, laat ik liever zeggen mijn ongeluk en mijne schuld, haar met mij in aanraking bracht, was het altijd onder omstandigheden die volstrekt niet geschikt waren om haar gunstig voor mij te stemmen. Het kostte haar moeite, zorg en geld. Ja! ik vrees zelfs dat ik hare reputatie schade heb gedaan zonder het te willen. Destijds was zij nog diep begaan met mijne rampspoeden en overwoog zij, in hare zucht om mij te hulp te komen, evenmin het _qu'en dira-t-on_ als ik, die onbedacht genoeg was om dat niet te berekenen. Zeker, ik had niet te Z. moeten komen, zonder te weten hoe ik ontvangen zou worden; maar toen ik er eens was, bleek het dat ik mij verschuilen moest in een armzalig herbergje om niet zelfs onder mijne vermomming herkend te worden. In mijns vaders huis durfde ik niet weer binnendringen, nadat deze zelf mij door zijn adjudant als een onbekenden landlooper aan de deur had laten afwijzen. Toch wilde ik Francis nog zien en spreken, en ik had haar een belangrijken dienst te vragen. Zoo gaf zij mij _rendez-vous_ op zekere afgelegene wandelplaats, waar in den regel geen sterveling den voet zet dan op zon- en feestdagen; maar zooals het altijd gaat, ditmaal werden wij er betrapt en bespied, door den een of anderen leeglooper die er zijn _fort_ van maakte nieuwtjes te verzamelen; en schoon ons onderhoud dood onschuldig was, ja, tot strengheid toe ernstig van hare zijde, was het toch een canavas waarop de ploerten en ploertinnen van 't kleine stadje allerlei moois en leelijks borduurden tot hare schade! De klare zuivere waarheid had haar geen nadeel kunnen berokkenen en zou slechts hare hulpvaardigheid in 't ware licht hebben gesteld, daar zij tot hare diamanten toe had opgeofferd om mij armen zwerver voort te helpen buiten haar grootvader om; maar de fabeltjes die men daarop bouwde en elkaar in de ooren fluisterde, moesten haar declineeren in de publieke opinie. Ik heb dat later van anderen gehoord, toen ik buiten staat was er iets tegen te doen, al had ik mij zelven willen prijs geven om haar te verdedigen. Het is waar, men verzekerde mij tegelijk dat Francis zich er volstrekt niet aan stoorde en veel te fier was om zich daar niet over heen te zetten; maar toch, als er zoo iets in de lucht hangt tegen eene vrouw, dan wordt het haar voelbaar gemaakt of zij 't erkennen wil of niet, en deze vergeeft het nooit aan hem die er de oorzaak van is."
"Dat zou wel kunnen zijn, en nu begrijp ik de uitdrukking van bitterheid, waarmee zij mij eens in de rede viel toen ik haar van hare parure sprak! Het is zeer verklaarbaar; en toch, ik zou haar nog hooger achten om hare edelmoedigheid, zoo zij u daarover geene _rancune_ hield."
"_Pouâh!_ dan zou zij volmaakt zijn; en de volmaakte vrouw die is, _passez-moi la comparaison_, evenmin te vinden als een paard dat alle goede kwaliteiten in zich vereenigt, zonder een enkel gebrek! Daarom mag _my dear_ Francis met mij leven zooals zij goedvindt; al wil zij mij schoppen en bijten als eene weerbarstige merrie, ik zal het hoofd er onder buigen; ik ben weerloos tegen haar en...."
Hij zweeg. Francis kwam terug, hare provisie in een mand aan den arm dragende.
Zij dekte voor ons op de groote marmeren tafel; zij had rijkelijk voor brood en vleesch gezorgd, en zette een flesch wijn met twee glazen neer, terwijl zij mij zeide:
"Leo! doe mij het genoegen en soupeer met mijnheer Rudolf; ik zal een pretext zoeken voor uwe absentie daar beneden."
"Het zou mij waarlijk moeielijk vallen den generaal nu te zien en te spreken zonder iets te laten merken."
"Dat zou heel verkeerd zijn; als gij deernis hebt met den grijsaard, moet gij mij helpen om de onweerswolk van zijn hoofd te laten afdrijven zonder dat hij er iets van heeft bemerkt."
De "onweerswolk" had zich intusschen te goed gedaan aan het brood en vleesch, dat hij met verbazende gretigheid en gulzigheid verslond, dronk een paar glazen wijn achtereen uit en scheen nu genoeg bij kracht, om nog eens een aanval op de schikkelijkheid van Francis te wagen.
"Francis! _my darling_, zou ik den nacht hier niet mogen doorbrengen?--in alle geheimzinnigheid dat spreekt vanzelf," voegde hij er bij, ziende dat zij het voorhoofd fronste.
"Ik zou het wel willen voor u Rudolf! maar ik zou niet weten waar."
"Och kom! er zijn zooveel logeerkamers in mijns vaders huis."
"Kamers genoeg; maar in den vleugel waar de generaal en Rolf logeeren kan ik u niet huisvesten, dat spreekt vanzelf; en hier in dezen is geen ander vertrek meer gemeubeld dan de logeerkamer van Jonker Leopold alleen."
"Maar ik vraag niet naar meubels; ik zou in den stal op het stroo kunnen slapen, als het niet gevaarlijk was tegenover den koetsier."
"Er is hier geen koetsier meer," zei Francis eenigszins verbleekend.
"Hoe nu, hebt ge over u kunnen verkrijgen om Harry Blount te ontslaan?"
"Harry Blount is dood!" antwoordde Francis zonder op te zien, met eene doffe stem.
"Harry Blount dood! hoe heeft die flinke jongen die malligheid kunnen begaan! Hij zou even dertig zijn, zoo ik me niet bedrieg. Ik heb hem zelf nog leeren rijden toen hij mij als _groom_ werd toegevoegd op zijn dertiende jaar; zijn vader was een juweel van een piqueur; dien dank ik het nog dat ik nu mijn brood kan verdienen! Wel! wel! zoo is de stal hier opgeruimd. Maar Francis! mijn engel, gij ziet er zoo ontdaan uit, daar moet meer aan vast zijn; hebt ge uw mooie rijpaardje ook al van de hand moeten doen?"
"Neen! neen! dat niet. Tancred wordt verzorgd bij de Pauwelsen; maar 't herdenken aan Harry Blount is mij zoo schrikkelijk; ik--ik ben de oorzaak van zijn dood!"
"Kom, gekheid, daar geloof ik niets van; weer vrouwelijke overdrijving! Ge moogt hem zoo eens eventjes, in een oogenblik van vivaciteit...." hij maakte eene geste of hij een karwats in de hand hield, "maar dat heeft hij van mij ook gehad, dat zou hem den dood niet doen, en gij zult hem toch niet vermoord hebben?"
"Neen! God weet wat ik er voor had willen doen en dragen om den armen trouwen man in het leven te behouden; maar toch ligt de schuld aan mij. Het was op een rijtoer; wij hadden de mooie blauwgrijze schimmels moeten wegdoen."
"_Surely I am to be dammed!_" riep Rudolf; "dat prachtige span, mijn arme vader!"
"Ja Rudolf, het was er toe gekomen; maar dat was nu juist uwe schuld niet; hij had, ik weet niet meer welk verlies geleden; wij hadden nu een nieuweling dien wij met het eene paard, dat wij nog behouden hadden, te zamen in het tuig zouden wennen, en Harry meende het alleen te doen; maar gij weet, ik val wat koppig als ik mij eens iets in 't hoofd heb gezet; ik begreep dat ik er bij moest zijn; ik wilde de teugels voeren, schoon Harry het ernstig afraadde! Afraden was twijfel aan mijne behendigheid, aan mijne vaste hand; ik kon dat niet dragen--een zware afrijwagen,--ik naast Harry op den bok, ik nam de leidsels; het ging den rechten breeden straatweg op, die van Z. naar het dorp voert, en al ging het met inspanning, met overspanning zelfs! Rudolf! het ging goed! ik kreeg ze toch tot gedweeheid."
"Bravo! dat dacht ik wel!"
"Och, juicht niet om dien jammerlijken triomf, die nu mijn leven vergalt; toen juichte ik ook, en in mijn overmoed lachte ik Harry uit, die het hoofd schudde en voorzichtigheid preekte. Ja, Leo! gij moogt, gij moet het wel hooren welk een schepsel ik ben, als mijn zelfgevoel, mijn trots wordt geprikkeld. Ik vond het noodig de paarden eens ferm te laten loopen, om de zegepraal op hun onwil te verzekeren; Harry was het met mij eens, maar wilde dat ik nu verder het bestier aan hem zoude overlaten; hij zag mij hijgen van vermoeienis en wees naar de lucht, waar men een onweer zag opkomen.
"Wij moeten terugkeeren, Freule! of er gebeurt een ongeluk," sprak hij, "tenzij ge mij de leidsels overgeeft, want hier is een mannenhand noodig." En reeds omklemde hij de mijne, om zich daarvan meester te maken.
Ik kon die aanmatiging niet dulden; de wereldorde scheen mij omgekeerd, dat hij mij wilde dwingen, een koetsier, een wezen dat ik als kind reeds als mijn lijfeigene had beschouwd.
Ik wees hem terug, met drift, met gekrenktheid, en wilde 't niet opgeven. Op hetzelfde oogenblik, als had de hemel mij willen waarschuwen, of mijn overmoed straffen, schoot er een felle bliksemstraal neer; de donder rolde, de paarden schrikten, werden schichtig, steigerden. Blount sprong van den bok, denkelijk met het kloeke besluit om zich voor de paarden te werpen en ze te doen stilstaan, of met geweld om te wenden, hetzij uit zucht tot zelfbehoud en om te ontkomen aan het gevaar dat hij voorzag. Van schrik verlamd over zijn radeloos beginnen, liet ik de leidsels schieten.... en.... de verwilderde dieren gingen door! gingen door over het lichaam van Blount, die zijn sprong had gemist. In ontzetting, in wilde wanhoop waagde ik zelve den sprong, die mij het leven had kunnen kosten, doch die door de stoutheid zelve mij redde; de dreuning van den schok had mij alleen duizelig gemaakt. Toen ik weer tot mij zelve kwam was het om te zien wat er gebeurd was, wat mij levenslang als eene bloedschuld zal drukken. Harry Blount lag verpletterd ter aarde en heeft geen uur meer geleefd!
Bleek als ware zij zelve een lijk, zonk Francis op de sofa en eindigde onder snikken:
"Ziedaar, Rudolf, waarom ik nooit weer van dien ongelukkige kan hooren zonder dat dit afgrijselijk tooneel mij weer levendig voor de oogen staat."
"Het is almachtig jammer, Francis!" sprak Rudolf, ook bewogen, "en ik zou voor u wenschen dat ik in plaats van Blount dat ongeluk had gehad; dat was een lastpost minder voor u geweest, en die ferme jongen had nog pleizier kunnen hebben van zijn leven. Maar nu het anders is uitgevallen, moet gij het u maar niet te veel aantrekken; er gebeuren zoo dikwijls zulke ongelukken, zonder dat men daarom zich beschuldigt; gij hadt er immers ook mee om koud kunnen zijn, kindlief! Ik heb er zelf ook al wat van beleefd, dat kan ik zeggen; ik heb er menigeen van 't paard zien vallen die niet weer opstond. Doch wat zal men daar tegen doen; wachten tot je beurt komt en er maar niet te veel aan denken, dat is het beste."
"Maar zoo luchtig kan ik het niet opnemen," viel Francis in met gesmoorde stem. "Ik kan er mij wel somtijds over heen zetten, en mij zelve wijsmaken dat hetgeen gebeurd is zoomin door mij bedoeld was als ik het heb kunnen voorkomen, maar toch.... het zelfverwijt komt altijd weer boven. 't Is de knagende worm, dien men wel verdooven, maar niet dooden kan. Ik ben zeker dat neef Leopold niet van uw gevoelen is," hervatte zij meer levendig, en mij aanziende als om mijn antwoord uit te lokken.
"Neen, Francis! luchtig opnemen zou ik het zeker niet, maar evenmin vertwijfelen om de rust der consciëntie terug te vinden als zulke wroeging mij pijnigde."
Zij zag mij aan met diep zwaarmoedigen blik en haalde moedeloos de schouders op.
Ik kon haar zoo niet zien, zonder haar iets te zeggen van 't geen mij sinds lang op het hart lag. Ik ging naar haar toe, legde met een onwillekeurige beweging mijne hand op haar schouder en fluisterde haar toe:
"Francis! gij hebt geen vrede met de menschen, gij hebt geen vrede met u zelve,--waarom zoekt gij geen vrede met God?"
"Wie zegt u dat ik die _niet_ zoek, Leo? Maar"--zij zuchtte--"die laat zich niet vinden, zelfs niet in zwaren strijd en boete."
"Omdat gij niet op de rechte wijze zoekt, geloof mij daarin. Ik weet er ook iets van."
"Gij, Leo?" sprak zij met een ongeloovig hoofdschudden; "zoo gij in mijn geval waart, gij zoudt er onder gedrukt blijven als ik!"
"Neen! ik zou mij oprichten, want ik zou met een ootmoedig hart het 'onze Vader' bidden, en in praktijk brengen."
"Hoe meent gij dat?" Zij zette groote verwonderde oogen op.
"Ik zou geene vrijheid vinden het: 'Vergeef ons onze schulden' uit te spreken. Ik zou niet durven rekenen op de verhooring zoo ik er niet zelf in volle oprechtheid kon bijvoegen: 'gelijk wij vergeven onze schuldenaren.' Dit, Francis! ontbreekt u; vergun mij het u te zeggen; gij zijt hard voor dien man dáár, die onze medebroeder is in de schuld; vergeef hem van harte wat hij tegen u misdeed, en...."
"Maar dit is hem sinds lang vergeven, Leo! geloof mij daarin," zeide zij halfluid; "hetgeen ik tegen hem heb, is niet wat hij mij heeft toegebracht, maar allereerst dat, dat men niet op hem aan kan; hij geeft driemaal in een uur zijn 'eerewoord' en toch...."
"Ik geloof waarachtig, dat neef Leopold een sermoen tegen u houdt, arm kind!" sprak nu Rudolf, die intusschen aan de tafel was gaan zitten en in alle genoeglijkheid zijn souper had afgemaakt; "dat moest hij niet doen, hij moest u niet moeilijk vallen, althans niet om mijnentwil, en te eer omdat het ons afbrengt van het punt in kwestie, dat voor mij hoofdzaak is, namelijk of gij mij hier onder dak wilt houden, dan wel of ik mijn fortuin moet zoeken in de ruïne; een kil nachtverblijf, als men geen mantel bij zich heeft, en dat nog killer wordt als men denkt aan het vaderlijke kasteel, dat zoo dicht bij en zoo ruim is."
"Het zou hard zijn, ik erken het, u hier huisvesting te weigeren; en toch ik weet er geen raad op," zei Francis; "deze vleugel, de eenige waar ik u veilig toelaten kan, is zoo schrikkelijk verarmd en verwaarloosd; er zijn kamers genoeg, maar niet één meer gemeubeld."
"Och, wat geef ik daarom! Is er nergens een matras te vinden die ik op de planken kan neerleggen?"
"Die is er juist niet; sinds jaren is er alles leeg en overgelaten aan ratten en muizen, om van de spinnen niet te spreken. In dit oogenblik is daar waarlijk niets aan te veranderen."
Rudolf zuchtte en hernam:
"Ik geef anders niet om een weinigje stof, en voor ratten en muizen ben ik niet bang; ik heb in mijne omzwervingen soms in een tent geslapen en mij met de decoraties toegedekt."
"Kamers waar in geen jaren iemand een voet heeft gezet.... neen, het gaat niet, het is al te akelig; er is geene mogelijkheid daar nu iets aan te doen zonder dat het in huis opschudding geeft," sprak Francis nu zelve met leedwezen; "toch weet ik er wel iets op, maar...."
"En waarom kan mijnheer Rudolf niet in deze kamer logeeren?" viel ik in, hare aarzeling ziende.
"Dat zou u mogelijk geneeren, Leo!"
"Maar ik wil wel _gêne_ lijden voor den zoon van den huize, wiens recht mij te sterker aanspreekt, naarmate hij een uitgestootene is; ik zal mijnheer Rudolf mijn ledikant afstaan."
"Neen! neen!" riep deze met levendigheid, "'t zou al heel mooi zijn, zoo gij mij toestond den nacht op deze sofa door te brengen, als Francis dat goedvindt."
"Dat is afgesproken," zei Francis; "maar Rudolf, dan belooft gij mij vast in den vroegen morgen stil weg te trekken.... het is de verjaardag van grootvader en...."
"Juist daarom was ik gekomen!"
"Hebt gij daar nog aan gedacht!"
"Zeker! en daarom meende ik.... is het dan volstrekt onmogelijk, Francis?"
"'t Is de ergste dag dien gij uitkiezen kondt; er komen allerlei menschen van het dorp; Willibald komt ook!"
"Hm! 't is of alles hier tegen mij samenzweert. Nu; in 's Hemels naam, ik zal heengaan; mijne hand daarop, Francis."
"Ik zal u nóg eens op het woord vertrouwen, Rudolf!" sprak zij, hem de hand reikende. "En nu vaarwel, het wordt tijd dat ik ga; ik heb de oude heeren al veel te lang alleen gelaten."
"Ga! maar neem toch de portefeuille aan als restitutie voor u zelve; als een zwakke poging om iets te vergoeden voor alles wat ik u schuldig ben; het spijt mij alleen dat het niet meer is. Ik kom wel uit Amerika, maar een echte _oncle d'Amérique_, die met millioenen dollars speelt, ben ik helaas niet, en ik zal het wel nooit worden; maar toch, neem wat ik geven kan; mij dunkt, die mooie _greenbacks_ moeten u aanlachen." Hij deed de portefeuille open en toonde haar het fijne bankpapier.
"Zijn ze echt, Rudolf?" vroeg zij, hem diep en scherp in de oogen ziende.
"Maar Francis! bij God! wat beteekent die achterdocht; waar ziet gij mij voor aan!" riep hij, terwijl een donkere gloed zijn voorhoofd overtoog. "Het is waar, ik heb dwaasheden begaan, fouten, misslagen, die mij voor misdrijven worden aangerekend. Ik ben een onverbeterlijk loshoofd die niet rusten kan in de ruste; ik heb zwaar en herhaaldelijk tegen de discipline gezondigd, een onvergefelijk vergrijp in de oogen van mijn vader, dat is zoo; ik heb veel geld verkwist, veel te veel, helaas! want ik heb geteerd op het ouderlijk erfdeel dat nog niet het mijne was, ik heb mijn vader meer gekost dan het blijkt dat hij geven kón; ik ontken mijne schuld niet, ik weet dat ik veel gedaan heb wat strafbaar is in de oogen der menschen, en als ik hard word bejegend, zeg ik tegen mij zelf: 'Rudolf, mor nu maar niet, je hebt het verdiend;' maar dat alles belet niet, dat ik mij nog herinner, dat ik van afkomst een patriciër ben, de zoon van een eervol hoofdofficier, en dat ik ook nog mijn vonkje eergevoel heb, al meent gij dat het heelemaal is uitgedoofd; en daarom zeg ik u: met bedriegelijke handelingen van zulken aard als gij daar onderstelt, Francis, heb ik mij nooit ingelaten; ik zou nog eerder in een verlegen oogenblik een dief of een moordenaar kunnen worden, dan opzettelijk bedrog plegen, en ik heb nooit iets gedaan dat iemand het recht kan geven mij als falsaris aan te zien, en gij, Francis! gij die wel mijne schuld maar ook mijne rampspoeden kent, gij die, begaan met mijn ongeluk, zoo dikmaals voor mij gesproken hebt, hoe komt zulke schrikkelijke verdenking tegen mij bij u op?"
"Ik wenschte dat het niets dan eene verdenking ware, Rudolf," hernam Francis, die strak en onbewogen had geluisterd; "maar helaas! wij hebben de bewijzen en.."
"De bewijzen dat ik een falsaris ben?" vroeg hij levendig en kennelijk in de smartelijkste verbazing.
"Valsche wissels door u uitgegeven; de namaak van uws vaders hand.... ja! die zijn in ons bezit; 't is mogelijk dat ik er geen verstand van heb, maar ik meende dat zoo iets met het bedrijf van een falsaris gelijk staat."
"Dat doet het ook! Maar gij zult toch niet staande houden, dat _ik_ daaraan schuldig ben?"
"Zooals ik zeg, de bewijzen van uwe schuld zijn in mijne hand, en zij kosten mij duur genoeg om gelijk te hebben tegen u. Ik wil het vergeven, Rudolf! met al het andere, want Leo heeft mij niet tevergeefs herinnerd, dat wij geene schuldvergiffenis hebben te hopen, waar wij zelven zonder verschooning zijn; maar.... de waarheid is waarheid, en de feiten zijn het die tegen u getuigen!"
"Dat kan niet zijn, Francis! hier moet een misverstand plaats hebben, een schrikkelijk misverstand, dat ik u om Godswil bidde mij op te helderen; want als mijn vader en gij dat van mij gelooven, dan verwondert het mij niet meer dat hij mij liever dood waant dan te wenschen mij levend voor zich te zien, en evenmin dat gij, gij die vroeger zooveel deernis met mij hadt, nu met zoo diepe verachting op mij neerziet!"
"Maar er valt niet anders te verklaren dan dat de wissels aan kolonel von Zwenken gepresenteerd zijn en dat wij ze gehonoreerd hebben, omdat er bij protest, bij verklaring van valschheid, een ergerlijk proces uit gevolgd zou zijn, dat u niet had kunnen treffen, omdat gij toen reeds lang aan de andre zijde van den Oceaan waart, maar dat uw vader gedwongen zou hebben reeds toen zijn ontslag te nemen uit den dienst, daar zijn naam, zijn eer er bij in 't spel was!"