Chapter 24
"Ja! nogal, en dat's geen wonder: ik heb hier menig guitenstuk uitgevoerd in mijne jeugd; maar gij, mijnheer, wie zijt gij eigenlijk; een adjudant van den kolonel of een _protégé_ van Francis, dat gij hier zoo logeert!"
"Mij dunkt, ik zou veeleer recht hebben u te vragen wie gij zijt, dat gij hier zoo binnendringt?"
"Dat is waar, en ik zou het u met pleizier zeggen, maar het is een geheim dat niet alleen het mijne is, en ik heb mijn reden om het niet zoo aan de eerste de beste over te leveren; noem mij master Smithson; dat is mijn pseudoniem voor dit oogenblik."
"Heel goed; maar wat wilt gij dan eigenlijk, master Smithson?"
"Allereerst dat gij hier de blinden sluit, want daar komt verschrikkelijk veel tocht binnen."
"Het idée is niet slecht; had ik daar eerder voor gezorgd mogelijk zou ik de eer van uw gezelschap gemist hebben...."
"Hm! dat is nog zoo zeker niet, lieden als ik weten voor alles raad."
"Als dat zoo is zult gij mij verplichten met mij te zeggen hoe gij het denkt aan te leggen om de freule Mordaunt te spreken."
"Ik zal u verzoeken haar even te waarschuwen dat ik hier ben...."
"Gelooft gij dat die tijding haar genoegen zal doen?"
"Pristie!.... dat mag ik niet verzekeren, maar.... zij zal toch komen. Zij heeft wel wat voor mij over."
"Hier komen, op mijne kamer!"
"Bah! zij is geen _prude_, onze Majoor Frans...."
"Master Smithson! ik waarschuw u; als gij u ongepast uitlaat over de freule Mordaunt zal ik u dwingen denzelfden weg terug te nemen dien gij gekomen zijt!"
"Oh! la! la! mijnheer N. N.; wij zouden dan toch eerst moeten zien wie van ons de sterkste is, en ik ben nogal een goed bokser; maar het zal zoover niet komen; ik ben wel de laatste om iets te zeggen of zelfs maar te denken, dat Francis Mordaunt beleedigen kan; maar dit zult gij mij toch toestemmen, gij die haar ook schijnt te kennen, dat zij de laatste is om uit zotte preutschheid terug te blijven als er kwestie is om iemand te helpen."
"Dat stem ik toe, maar zoo gij hare hulp noodig hebt, kunt gij mij dan niet zeggen wat gij van haar verlangt?"
"Dat zou te omslachtig zijn! Enfin! zoo gij mijne boodschap niet verkiest te doen, zal ik Frits den huisknecht moeten opzoeken, die er vast nog wel is; maar de oude zal zich niet goed weten te houden en een verwenscht misbaar maken; dat mij terstond zou verraden aan.... den kolonel."
"Gij meent den generaal."
"Generaal! zoo, en denkelijk gepensioneerd? Ik ben eenige jaren buitenslands geweest...."
"Nu dan! ik zal de freule Mordaunt opzoeken en haar vragen waar zij master Smithson een onderhoud wil toestaan...."
"Goed! maar zeg dan liever niet, master Smithson, want onder dien naam kent zij mij toch niet."
"Zeg mij dan kort en goed dien uwer namen, waaronder zij u wèl kent."
"Vraag haar of zij iemand van hare familie die zich Rudolf noemt een oogenblik wil te woord staan."
"Ik zal dat verzoek overbrengen, mits gij mij belooft er in te berusten als zij het afslaat."
"Hm! gij maakt zooveel omstandigheden; men zou haast zeggen dat gij zoo iets waart als.... haar verloofde of.... haar pretendent, als het niet al te onwaarschijnlijk ware."
"Waarom zou dat zoo onwaarschijnlijk zijn?" vroeg ik gespannen, want ik was altijd bezield door zekere onrust dat er in het verleden van Francis eenige geheimzinnige hindernis school, die mijn geluk in den weg stond; en het viel mij in, dat deze man daar iets van weten kon.
"Wel ik heb altijd gehoord, dat Francis Mordaunt meer roeping had om een bataillon te commandeeren, dan om haar fieren nek te krommen onder 't huwelijksjuk,"
"Was het anders niet!" dacht ik, en hernam:
"Moet zij zich dan onveranderlijk gelijk blijven?"
"Wat dat betreft, het: _souvent femme varie_ is de regel; zij zou eene exceptie kunnen zijn. Maar _after all_ is zij eene vrouw.... Dus zijt _gij_ de gelukkige?" hervatte hij op eens in veranderden toon, en mij aanziende met een spotachtigen glimlach, terwijl zijne ondeugende oogen van schalkheid tintelden.
"Ik zou het werkelijk tot een groot geluk rekenen, zoo freule Mordaunt om mijnentwille zulke inconsequentie kon begaan," viel ik in, op een toon van strakken ernst, die zijn spotlust eenigszins matigde; "maar.... tot hiertoe ben ik voor haar niets dan een neef. Ik ben Leopold van Zonshoven, geparenteerd aan haar grootvader."
"Nu, op mijn woord! gij zijt een paladijn, die met ijver over de eer der familie waakt. Zoo zijn wij denkelijk neven, want ik.... ben ook geparenteerd aan haar grootvader," eindigde hij na eenig aarzeling; "en nu gij dit weet, zult gij zeker niet langer twijfelen of Francis zal mij willen te woord staan; misschien kan het geen kwaad als gij haar vooruit verzekert, dat ik geen geld noodig heb. Integendeel, ik kom wat brengen.... zie maar!" en hij haalde eene portefeuille te voorschijn, die hij openmaakte om een aantal fijne, groenachtig gekleurde papiertjes te laten zien. "Vertel haar dat, het zal haar zeker eenigszins geruststellen, en u denkelijk ook, die mij nog altijd zoo wat half en half voor een _highwayman_ aanziet."
"Ik zie u aan voor een zonderling, die er pleizier in vindt de lieden te mystificeeren."
"Als Francis hier komt, zult gij wel hooren wat er van is."
Ik kon niet langer weifelen; maar toen ik hem verliet nam ik de voorzorg mijne kamer van buiten af te sluiten, uit vrees dat hij mij volgen en Francis overvallen zou eer zij gewaarschuwd was. Ik wist, dat haar appartement gelegen was in den tegenovergestelden vleugel van 't kasteel, den eenige die nog in redelijken bewoonbaren staat was, waar ook de generaal en Rolf hunne kamers hadden. Ik vermoedde dat ik haar vinden zoude in haar boudoir, waarvan zij mij eens had verteld, doch waar ik mij nog niet verstout had den voet te zetten. Ik waagde het er op, tikte en noemde mijn naam. Ik werd verrast door een opgeruimd: "Kom maar binnen, Leo!" Zij had er mogelijk op gerekend, dat ik haar voor hare attentie zou komen bedanken. Hoe jammer dat ik nu tot haar kwam met eene onaangename tijding, die mij de gelegenheid benam om voor mij zelven te spreken.
"Het spijt mij dat ik u stoor," begon ik, ziende dat zij een cahier ter zijde schoof.
"Volstrekt niet; ik bladerde maar zoo wat in een oud dagboek, waarin ik sinds lang niets had op te teekenen. Hier op de Werve valt zoo zelden iets bijzonders voor."
"Nu toch valt er iets voor, Francis, dat al heel ongewoon is," bracht ik uit op een toon die mijne bezorgdheid verried.
"Wat dan? Gij ziet er ontdaan uit Leo!" riep zij, naar mij toekomende. "Er is toch geen ongeluk gebeurd?"
"Neen; hoewel het bezoek dat er voor u gekomen is u mogelijk niet heel welkom zal zijn."
"Een bezoek op dit uur? Wie kan er zijn?"
"Iemand, die zegt familie van u te wezen en die geen anderen naam opgeven wil dan dien van Rudolf."
Zij werd bleek en fronste het voorhoofd.
"Mijn hemel! hoe komt die ongeluksvogel nu hier?"
Ik deelde haar mede, op welke zonderlinge wijze die man was binnengedrongen.
"Ja, dat's er wel een van hem," sprak ze, eer wrevelig dan getroffen. "En gij zegt dat hij mij spreken wil?"
"Maar als gij 't verlangt, zal ik hem den weg uitzenden dien hij gekomen is."
"Neen, neen ! dat moet niet zijn; geen geweld, geene opschudding. Wij moeten zien hem weg te krijgen zonder dat de generaal er iets van merkt, dat is het voornaamste. Ik ga met u mee, Leo! Gij moet ditmaal maar eens niet naar de vormen zien; ik heb u gewaarschuwd dat het hier wat vreemd toegaat. Hoe ziet hij er uit? Armelijk, slordig?" vroeg zij onder 't voortgaan.
"Hij is fatsoenlijk gekleed; hij heeft wel iets vreemds en stelt zich wat vrijpostig aan, maar hij heeft gansch niet het voorkomen, noch de manieren van een vagebond."
"Dat is hij ook niet, maar.... hij is er niet beter om. Integendeel, iemand zonder geboorte en zonder opvoeding zou men kunnen vergeven wat in hem onvergeeflijk is."
"Hij zegt dat gij veel voor hem over hebt."
"Ik heb ten minste voor hem gedaan àl wat ik kon, meer dan ik mocht wellicht. En toch, hoe beloont hij het nu weer! Met mij opnieuw te komen plagen, wie weet voor welke onaangename zaak!"
Kennelijk was zij eer door verdriet en ergernis getroffen dan door eenige zachtere gemoedsbeweging. Die man was haar niets dan een lastpost, zooals men ze aantreft in bijna iedere familie, die het budget van de huiselijke zorgen verhoogen en de som van 't huiselijk geluk vreeselijk bekorten. Dit bedenkende, meende ik haar gerust te stellen met te zeggen:
"Ik moet u verzekeren dat hij geen geld komt vragen."
"Ik ken dat! Maar zeker is het, dat ik niets meer voor hem doen kan op dat punt. Och, Leo! Ik heb een voorgevoel dat die man hier onheil komt aanrichten. Blijf bij mij, ik zal het noodig hebben."
Wij stonden bij de deur van mijne kamer. Zij greep mijn arm, als had zij behoefte aan steun. Ik drukte hare hand met een zwijgende belofte en wij traden binnen.
Master Smithson, of mijnheer Rudolf, had geen onbescheiden gebruik gemaakt van mijne afwezendheid, dat was blijkbaar. Hij had zich uitgestrekt op de sofa en was zoo ingedommeld. Francis stond voor hem eer hij er op verdacht kon zijn. Hij sprong verrast op en scheen willens haar te omhelzen; maar zij trad koel en waardig achteruit en voorkwam die begroeting door hem de hand toe te steken. Hij scheen er niet over gekrenkt. Integendeel, hij liet den lossen, overmoedigen toon, dien hij tegen mij gevoerd had, varen, toen hij tegen Francis sprak; hij was kennelijk wat verlegen met zijne houding; zijne stem klonk dof en hij scheen geen moed te hebben haar aan te zien.
"Ik kon mij wel voorstellen, Francis! dat mijne terugkomst u geene blijde verrassing zou zijn, maar toch...."
"Het is tegen de afspraak, dat zult gij mij toestemmen. Gij hadt beloofd, op uw woord beloofd, mijnheer! dat gij in Amerika zoudt blijven, of het u daar meeliep al of niet. Ik meende de zekerheid te hebben, dat gij althans de grenzen van uw vaderland niet weer zoudt overschrijden, en toch...."
"Sta ik hier weer voor u, dat moet u tegenvallen. Ik begrijp het; maar toch, veroordeel mij niet onverhoord. Mogelijk vindt gij mij minder schuldig dan gij nu meent."
"Onvoorzichtig althans zijt gij in hooge mate. Hier heen te komen, hier naar de Werve, waar gij zoo licht herkend kunt worden!"
"Wat dat betreft, _my dear!_ laat die zorgen varen; daartegen weet ik mijne maatregelen te nemen. Maar dat ik mijn woord brak, mijn woord aan U, dat is eene ondankbaarheid waarvoor ik u in alle ootmoedigheid vergiffenis wil vragen!" En hij nam de houding aan of hij de knie voor haar zou buigen.
"Wat ik u bidden mag, speel geen comedie," sprak zij koel en met een kennelijken weerzin, nog meer terugwijkend.
"De hemel beware mij! Comediespelen! Om het lieve brood en op de planken, dat is wat anders, daar heb ik er het mijne aan gedaan, maar in 't werkelijke leven, tegenover hen die ik acht en liefheb; tegenover u, Francis, bovenal, mag ik zeggen dat ik waar en eerlijk ben, zoo goed als gij zelve, en als gij mij uwe vergiffenis nog niet schenken wilt, zult gij het toch doen als ik mijne verantwoording heb afgelegd.... Ik had het vaste voornemen u de jammerlijke personage die ik ben niet meer onder de oogen te brengen; maar een mensch wordt gedreven door zijn noodlot, precies in tegenovergestelde richting van die hij zelf wil; ik heb niet tegen den stroom kunnen oproeien, ziedaar alles; ik heb allerlei wonderlijke avonturen gehad."
"Ja, van avonturen houdt gij, dat is bekend."
"Ik heb ze ditmaal niet gezocht, dit verzeker ik u op mijn woord. Dan, eer ik ze u vertel, moet ik weten of ik mij veilig kan uitlaten in tegenwoordigheid van een derde. Ik had, om de waarheid te zeggen, op een _tête-à-tête_ gerekend."
Al sprekende zag hij naar mij om. Ik had mij teruggetrokken aan de andere zijde van 't vertrek, bij den schoorsteen, en bleef daar staan, tegen de rijke marmeren ornamenten geleund; ik wilde niet heengaan voordat ik de zekerheid had dat Francis niet door hem beleedigd zou worden en dat zij zelve verlangde met hem alleen te zijn; maar zijn woord was nu zoo rechtstreeks aan mij, dat ik, verlegen over mijne indiscretie, de houding aannam van het vertrek te willen verlaten.
"Blijf Leo!" riep Francis mij toe.
"Maar Francis!" sprak Rudolf gekrenkt en met tranen in de oogen. "Gij weet toch wel dat gij tegen mij geen beschermer behoeft. Op uw wenk buig ik mij neer met het voorhoofd ter aarde; wat zoudt gij van mij te duchten hebben?"
"Geen geweld, dat weet ik wel; maar ik wil niet altijd om uwentwil verdacht en gelasterd worden. Ik hecht er aan, Leo, dat gij getuige zult zijn bij 't geen er voorvalt tusschen mijnheer en mij. Ik wil niet dat er schijn van geheimzinnigheid zal rusten op hetgeen, wat mij aangaat, het volle licht kan velen; en wat uwe veiligheid betreft, Rudolf, ik sta in voor mijn neef, jonker van Zonshoven. Gij kunt hier gerust zeggen wie gij zijt. _Hij_ zal _woord_ houden als hij stilzwijgendheid belooft." Ik boog mij tot eenig antwoord en schoof een armstoel voor haar aan, daar mijnheer Rudolf de vrijheid had genomen weer op de sofa plaats te nemen.
"_C'est qu'il y va de la vie!_" zei hij, even de schouders ophalende. "Willens of onwillens eene indiscretie, en 't is met mij gedaan. Maar het zegt ook niet zooveel, ik waag mijn hals tegenwoordig toch iederen dag! Nu dan mijnheer!" ging hij voort, opstaande en zich tegen mij buigende met een theatrale houding. "Ik zou met Ravenswood kunnen zingen, als mijn stem niet zoo versleten was:
"Sachez donc qu'en ce domaine D'où me chasse encore ta haine En seigneur j'ai commandé."
dat wil zeggen, altijd in absentie van den vrijheer _en titre_; ik was maar de vermoedelijke erfgenaam, een vermoeden, dat, helaas! wel nimmer tot zekerheid zal komen."
Het begon mij te schemeren, toen Francis, verontwaardigd over zijn lossen, schertsenden toon, in zoo schril contrast met de treurige werkelijkheid, inviel met de klare waarheid: "Mijnheer is.... Rudolf von Zwenken, de zoon van mijn grootvader."
"Oom te zeggen valt mijne allerliefste nicht altijd wat zwaar, en dat is mijne schuld. _Vous voilà en pays de connaissance_, neef van Zonshoven!" ging Rudolf voort, nu op zijn vroegeren luchthartigen toon; "maar zij moest mij toestaan hare presentatie eenigszins te rectificeeren. Er bestaat geen Rudolf von Zwenken meer; hij is burgerlijk dood."
"En zedelijk!" verzuchtte Fancis halfluid.
"En zoo hij onder dezen naam wilde ressusciteeren," hervatte hij, zonder zich aan de soufflet van Francis te storen, "zou hij zoo iets begaan als een zelfmoord; want hij zou het grootste gevaar loopen om gevangen genomen en gefusileerd te worden, zonder pardon."
"En dit wetende, en na alles wat er gedaan is om u aan dit gevaar te onttrekken, u nog weer hier te vertoonen, dat is onverantwoordelijk," viel Francis in.
"_My dear!_ wie of wat zegt ù dan, dat ik mij hier vertoonen kom? Representaties geven wij hier in de provincie, dat is waar; maar wie zich dáár bij den volke vertoont is master Richard Smithson, en wel zóó goed gegrimeerd, dat kolonel von Zwenken zelf vóór hem zou staan zonder zijn zoon te herkennen."
"Dat's heel gelukkig, want zulk eene herkenning zou hem den dood aandoen, daar ben ik zeker van," sprak Francis met hardheid.
"O! là! _dearest_ Francis! gij overdrijft. Mijn heer vader is nooit zoo bijzonder teergevoelig geweest als het mij gold; maar dat doet er niet toe. Hij zal nooit weten wie master Smithson is, en deze zal hem nooit onder de oogen komen. Maar 't is een ander geval met Rudolf von Zwenken, die hier is om in alle eerbiedigheid een onderhoud met zijn vader te hebben en die daartoe uwe tusschenkomst inroept, Francis!"
"Tevergeefs, mijnheer! Gij kunt uw vader niet spreken en zult hem niet weerzien," zei Francis met beslistheid.
"Hoe nu! gij zoudt mij daartoe uwe medewerking weigeren? Dat zou geene hardheid zijn, dat zou onmenschelijk wezen."
"Als ik menschelijkheid heb te betoonen, is het allereerst aan uw vader, en dezen moet ik beschermen tegen 't geen gij hem nu opnieuw wilt aandoen."
"Maar lieve, beste kind! versta mij dan toch. Ik wil hem niets aandoen dan zijne hand kussen en hem vergiffenis vragen. Daartoe heb ik mij over allerlei bezwaren en vermoeienissen heen gesteld; ik heb drie uren aaneen te paard gezeten, omdat ik de diligence niet durfde gebruiken; ik heb twee uur geloopen; ik heb mij tot de schemering in de ruïne verscholen; ik ben den bekenden tuinmuur overgeklommen met gevaar van armen of beenen te breken; ik berekende hoe ik hier ongemerkt binnen kon sluipen; ik zag licht op de logeerkamer en dacht aan niets dan aan mijn vader en aan uwe goedheid; ik vergat hoe groot een zondaar ik zijn moet in uwe oogen en, ik waagde mijne _entree de chambre_ hier, die niet van de makkelijkste was, dank zij de weinige voorkomendheid van Jonker Leopold; en dat alles zou nu tevergeefs zijn doorgeworsteld? Neen, Francis! _my darling!_ dat gaat niet. Gij zult u beter beraden, gij zult mij dien eenen droppel lafenis op mijn hobbelig pad niet onthouden; gij zult mij de gelegenheid schenken mijn vader weer te zien, hem te verrassen!"
"Dat zal ik zeker _niet_ doen, en gij weet dat ik een vasten wil heb, als mijn besluit is genomen."
"Maar gij hebt toch een menschelijk hart, al is 't geen heel week, vrouwelijk. Dan begrijp ik wel wat uwe bijgedachte is en waarom gij weigert. Gij meent dat ik kom als de verloren zoon, platzak thuis, na van den zwijnendraf te walgen, 't Is juist omgekeerd."
"Profaneer niet, Rudolf," vermaande Francis streng.
"Ik profaneer niet, ik gaf alleen de tegenstelling. Ik kom terug, niet uit behoefte, maar omdat het mij beter gaat; ik kom ruim zeshonderd gulden brengen als begin van restitutie. Wat dunkt u! als papa deze portefeuille, met die mooie _greenbacks_ gevuld, morgenochtend bij het ontwaken op zijne kussens vond, zou hij dan zijn verloren zoon, die onder zulke gunstige omstandigheden terugkeert, niet met blijdschap de armen openen?"
"Neen, Rudolf! zeker niet! hij zou vreeselijk schrikken en al de vroegere jammer en ellende, de vrees voor schande zou opnieuw over hem komen; daar is meer verloren gegaan dan geld alleen, dat weet gij wel! De eer is verbeurd, en ziedaar wat uw vader u nooit kan vergeven. En spreek niet van teruggave; die kleine som, onbeteekenend in vergelijking van de zware offers die er voor u gebracht zijn, kan niet opwegen tegen hetgeen wij voor u gedaan, door u geleden hebben, en waarmede wij meenden voor 't minst rust en vergetelheid gekocht te hebben."
Rudolf boog het hoofd, zuchtte en bleef zwijgen in diepe verslagenheid.
Ik was met hem bewogen; ik had eene merkwaardige verandering opgemerkt in zijn gelaat, toen Francis hem zoo alle hoop ontnam; zijn verbleeken, de gespannen trekken, iets vochtigs dat de guitige oogen plotseling verduisterde, wekten mijn medegevoel in hooge mate. Hoe kon men zoo hard zijn voor een medemensch die gevallen was, als Francis bleek dit te zijn voor dezen ongelukkigen bloedverwant! Van die zijde had ik haar nog niet leeren kennen, al wist ik hoe Majoor Frans in drift kon uitvallen; hare trekken zelfs namen dien strakken kouden ernst aan, die haar meer dan ooit op eene Romeinsche matrone deed gelijken, die deugd geene deugd acht, als zij niet boven het menschelijke gaat. Juist ditmaal viel zij niet uit in ruwe woorden; zij bleef kalm en waardig, maar er was eene uitdrukking van minachting in haar oog, die hem wien het gold verpletteren moest. Als Francis mij ooit zoo kon aanzien, zou het uit wezen tusschen mij en haar. Al griefde het mij, ik kon niet tusschen beide treden. Er moest een reden zijn voor hare onverbiddelijke strengheid die ik niet kon doorgronden; tot zoolang moest ik mij onzijdig houden, te eer daar zij mij als met voordacht tot haar getuige had begeerd bij dit tooneel.
Eindelijk hief Rudolf zich op uit zijne gebogene houding, schonk zich een glas water in, dat hij in één teug ledigde, trad toen naar Francis toe, en de armen over elkaar kruisende, sprak hij haar aan op gansch veranderden toon:
"Luister eens freule Mordaunt! het komt mij voor dat gij, onder pretext van over ons huis te waken, mijn vader in zonderlinge voogdij houdt, en dat gij, zonder nog zijn wil te kennen, u met ongemeene hardheid verzet tegen eene verzoening tusschen hem en mij; en het is wel vreemd, dat eene nicht, _maar_ eene nicht, hier de rol speelt van een oudsten broeder, wangunstig op het goed onthaal van den verloren zoon!"
"Och! met uw verloren zoon!" riep Francis toornig; "gij zijt de verloren zoon niet, gij geeft alleen toe aan eene opwelling van _sensiblerie_, die voldoening eischt, zooals gij altijd toegegeven hebt aan uwe lusten en hartstochten, ze mochten kosten wat het wilde."
"Wees ten minste niet bang, dat de schade ditmaal aan uwe zijde zal zijn!" viel hij in met zekere bitterheid. "Gij weet immers wel dat ik, verzoend of niet, geen aanspraak zal maken op de nalatenschap van mijn vader, die u _sans conteste_ zal toevallen, daar ik noch den wil, noch de gelegenheid heb om mijn recht in dezen te laten gelden!"
"Dat mankeert er nog maar aan, dat gij mij van baatzucht verdenkt!" viel Francis in met sprekende verontwaardiging.
"Ik verdenk u niet; integendeel, ik ga gebukt onder het wicht van uwe edelmoedigheid en mijne verplichtingen, ik zeg het alleen om u gerust te stellen omtrent de mogelijke gevolgen van mijne verzoening met uw grootvader. Voor de wereld ben ik Richard Smithson, die te New-York burgerrecht heeft verkregen, laat mij nu een oogenblik Rudolf von Zwenken zijn, die zijn vader nog eenmaal wenscht weer te zien om hem vaarwel te zeggen voor eeuwig! Waarom zoudt gij u hiertegen verzetten?"
"Omdat uw vaarwel voor eeuwig niets verzekert voor de toekomst; gij komt altijd weer."
"Maar als ik eenmaal niet berusten wil in uwe weigering, als ik mij niet stoor aan uw verzet; als ik uit den eigen mond van mijn vader wil hooren, dat hij mij haat en verstoot! Wat belet mij hem op te zoeken? Ik weet nog heel goed den weg hier in huis; denkelijk zal ik hem nu in de groote goudleeren kamer vinden. De oude Frits, zoo hij mij tegenkomt, zal schrikken, maar mij niet afwijzen; de andere bedienden...."
"Zullen u evenmin terughouden; uw vader is zoo arm, dat wij het met dien eenen oppasser moeten doen! Als gij het er dus op toeligt om den zwakken ouden man te overvallen, kunt gij uw gang gaan; niemand zal u weerhouden. Maar dit eene moet ik u waarschuwen: gij zult Rolf bij hem vinden! Rolf die u van ouds kent en die het consigne van zijn overste zal gehoorzamen, wat het hem ook kosten moge. Voorziet gij niet, als ik, het tooneel dat dan volgen zal?"
"De drommel hale dien Rolf; wat doet die oude roffiaan nu ook hier!" riep Rudolf verdrietelijk, en hij liet zich als verslagen op de sofa neervallen.
"Die oude roffiaan doet alles wat hij kan, meer dan hij moest, om het lot te verzachten van uw vader, dien gij ongelukkig hebt gemaakt! Is het misschien daarom dat gij hem verwenscht?" sprak Francis onbarmhartig, hoewel zij zag, dat de ongelukkige vernederde man de handen voor de oogen bracht om de tranen te verbergen, die hij niet langer kon terughouden.
"Mijne ellende zou niet volkomen zijn zoo uwe minachting haar niet voltooide," riep Rudolf onder snikken, "en ik die zoo welgemoed en opgewekt herwaarts heen was gekomen!...."
Ik kon mij niet begrijpen hoe Francis, die zorg had voor een gekwetsten hond, bijtende loog kon storten in de wonde van een lijdend mensch, hoe schuldig hij ook zijn mocht. Ik voelde bitterheid tegen haar in mij opwellen, en ik voelde mij geroepen den patiënt te bemoedigen tegen hare bedoeling in.
"Mijnheer Rudolf!" sprak ik, "sta mij toe de tusschenpersoon te zijn om uwe samenkomst met den generaal voor te bereiden, sinds freule Mordaunt daartegen opziet!...."