Majoor Frans

Chapter 23

Chapter 234,119 wordsPublic domain

"Nooit, nooit weer!" bracht ik uit in de heftigste ontroering, ziende hoe de fijne witte zakdoek in een oogwenk van bloed was doortrokken. En, Leo! zoo hij bedoeld heeft mij zulk een afschrik in te boezemen, is het uitgevallen zooals hij voorzag. Ik heb later nooit weer naar een wapen gegrepen, nooit weer van een duel kunnen hooren zelfs, of dat verschrikkelijk schouwspel van dien bebloeden zakdoek komt mij voor den geest, en mij, mij, Majoor Frans, is het meermalen gebeurd, te sidderen en te verbleeken onder gesprekken, waarbij andere vrouwen, om hare beminnelijke schuchterheid geëerd, gretig bleven toeluisteren, in hare onwetendheid nieuwsgierig en hunkerend naar emoties, waarvan ik meer dan verzadigd was.

En toch, zooals vanzelf spreekt, was mijne reputatie als onverschrokken duelliste van toen af gevestigd; Karel Felters en de zijnen zwegen niet, en de kamerdienaar van Mylord zweeg ook niet; ondanks het verbod van zijn meester. Het was of onze bedienden door het sleutelgat hadden getuurd en of ze door de reten der deuren het licht hadden opgevangen over het gebeurde tusschen Mylord en mij. Zij fluisterden het elkander toe, wat zij geraden hadden of meenden te begrijpen, anderen die niets wisten vonden uit en zoo kwam het gerucht, vermeerderd en verbeterd, onder de menschen. Ik bemerkte het aan de houding, die men tegenover mij aannam, dat men mij vreesde en schuwde, toen ik weer in het gewone leven optrad. Toen, ik beken het, heb ik het mijne gedaan om de zonderlinge reputatie te handhaven. Ik zag, dat de menschen laag en laf waren, en de zwakheid niet ontzagen. Ik achtte het wijsheid hen te trotseeren en schrik in te boezemen, sinds ze mij toch geen vrouwelijk hart toekenden, en ik voor mij geen reden vond om naar hunne liefde te dingen. Lord William had mij voor iedere deugd kunnen vormen, met alle menschen kunnen verzoenen, als hij maar gewild had. Hij had mij teruggestooten, hij had mij alleen zijne deernis geschonken, die ik niet had gevraagd. Van nu aan was ik voor allen en voor alles onverschillig geworden en luisterde voortaan slechts naar mijne eigene invallen!"

"Maar de reis van Mylord kon toch niet doorgaan?"

"Hij zelf dacht er anders over. Hij wilde alles vermijden wat opzien kon baren. Hij verkoos niet dat men een heelmeester zou laten roepen; zijn kamerdienaar was handig genoeg om die lichte wonde te verbinden; hij zou maar een uurtje rust nemen en daarmee zou alles in orde zijn. Toch moest hij den arm van Sir John nemen om het vertrek te verlaten; en zijn gelaat was vaalbleek toen hij mij toeknikte. Ik week naar mijne kamer met een gevoel van Kaïnschuld, om de verwijtende en nieuwsgierige blikken van de omringenden te ontgaan. Ik was vast besloten hem nog eenmaal weer te zien en vergiffenis te vragen. Maar de heftige schokken die ik had doorgestaan en de vreeselijke overspanning waartoe ik mij had opgewonden wreekten zich nu. Overmeesterd door eene zonderlinge loomheid, viel ik op eene canapé neer en sliep in--een onrustige koortsachtige slaap, die door mijne kamenier met bezorgdheid werd gadegeslagen.

"Toen ik ontwaakte was lord William vertrokken."

"En daarna?"

"Daarna werd ik ziek wat niet te verwonderen was, en mijn grootvader, die ondanks alles van mij hield, voerde mij naar de Werve om in de buitenlucht beter te worden. Toen ik hersteld naar huis keerde, zeide Sir John tot mij, dat ik een krassen degen moest voeren, of dat lord William een zonderlinge goedwilligheid had betoond om zich door mij te laten treffen, want reeds te Eton was hij bekend door zijne vaardigheid in het schermen, en zijn vertrek uit Engeland stond in verband met een duel, waarin hij het ongeluk had gehad zijne tegenpartij, een kapitein van de _horse guards_, doodelijk te wonden.

"Ik had nooit gedacht dat Mylord een duellist was," antwoordde ik.

"Dat was hij ook niet; maar zijne eer was er mede gemoeid, dat hij de beleediging van dien kapitein niet ongestraft liet. Het was een vriend van zijne vrouw, en die vriendschap ging wel wat ver. William zou eigenlijk beter gedaan hebben, zoo hij de Lady den dood had gegeven. Zij had het verdiend, en geen Engelsche rechtbank zou hem veroordeeld hebben. Nu zijn ze verzoend en vereenigd, voor het uiterlijk althans; maar hij heeft mij geschreven dat hij reizen gaat, altijd reizen, de vijf werelddeelen door.

Ik dankte God in mijn hart voor deze mededeeling. Mijn geweten was van eene bloedschuld verlost. Maar dat de ernst des levens toch in volle zwaarte op mij bleef drukken, zult gij wel van mij gelooven, Leo!"

"Ja, Francis! dat begrijp ik. En gij hebt zelve nooit meer bericht gehad van dien edelman?"

"Nooit meer. Daarbij, ik kende zijn familienaam niet, zooals ik u gezegd heb, anders hadden de nieuwspapieren mij een of ander kunnen mededeelen. Welhaast volgden allerlei veranderingen en gebeurtenissen elkander op. Mijn vader stierf bijna plotseling; grootvader werd in rang verhoogd en wij trokken naar Z., waar ik mij voornam eens een geheel ander leven te beginnen. Doch men kan met zijne antecedenten breken--ze zijn daarom niet uitgewischt. Maar niet meer hiervan, nu wij zoo dicht bij huis zijn."

Werkelijk waren wij de brug over en tot het voorplein genaderd. Er was licht in de zijkamer.

"De heeren zitten al bij de thee," hernam Francis; "en nu eer wij binnengaan, nog een verzoek Leo! Zoo gij er belang in stelt, zult gij later meer van mij hooren, want het verlicht mij u dat vertrouwen te schenken; maar spreek er mij nooit van uit u zelven, want er zijn oogenblikken waarin ik dat niet verdragen kàn, oogenblikken waarin het mij zoo goed is te vergeten!"

"Ik versta u, Francis! wees er gerust op," sprak ik ernstig, maar somber, en drukte maar even de hand die zij mij reikte.

Eigenlijk had zij mij gedaan, wat Lord William haar had toegebracht. Zij had mij eene illusie benomen. Het was eerlijk, het was waardig, dat moet ik bekennen, maar het viel mij hard, harder dan ik mij had kunnen voorstellen dat zulk een blik in haar verleden mij treffen kon. Ik was er op verdacht geweest, dat er veel in haar hart was omgegaan. Zelve had zij mij terstond bekend dat zij "campagnejaren had doorgemaakt," bittere levenservaringen had opgedaan; het hart was daar niet buitengebleven, dat sprak vanzelf. Had zij mij eene gewone liefdesgeschiedenis verteld met ongunstigen afloop, mij gesproken van teleurstellingen met of zonder hare schuld, van een gebroken engagement, van eene passie waarvan de vlamme nog lichtte, ik had mij kunnen troosten, ik zou de hoop gevoed hebben haar over dit alles heen te zetten en den moed gevat om een smartelijk verleden door een heldere toekomst te helpen uitwisschen. Maar dezen lord William had ik niet kunnen voorzien, en juist deze was het die mij de meeste ergernis gaf. Ik had indruk op haar gemaakt, ik was er zeker van; al kon ik niet wachten dat ik de eerste man zou zijn die haar hartstocht inboezemde, ik meende de eerste te zijn voor wien zij achting gevoelde en aan wien zij hare toekomst zou vertrouwen, omdat zij in hem haar meerdere zag. Ik schrijf het neer, Willem! wat mij door hoofd en hart ging, al zie ik u mogelijk glimlachen over mijne aanmatiging of mijne naïviteit. Welnu, juist diezelfde stelling, die mij de noodigste, de begeerlijkste scheen bij eene verbintenis voor het leven, had de Engelschman reeds bij haar ingenomen. Hij had die niet kunnen en niet mogen behouden, dat is waar, en hij had, zooveel ik uit haar mededeelingen oordeelen kon, _a fair play_ met haar gespeeld, mogelijk ten koste van zwaren, mannelijken strijd; maar dat alles nam niet weg dat hij bezeten had juist datgene waar ik naar stond--een invloed ten goede, waaraan zij met blijdschap gehoor gaf en die haar hart voor liefde had ontsloten. Al had hij uit wijze voorzorg, uit edele zelfverloochening, haar omtrent haar zelve trachten te misleiden, gelukt was het hem niet. Hij had haar slechts van toorn tot bitterheid opgewekt, en sinds hadden tijd en afwezendheid haar wel kalmer gestemd, maar--was er rust gekomen, geene vergetelheid. Zij was hem hare stille vereering blijven wijden, en mogelijk was het dit, juist dit, wat haar voor alle verdere aanzoeken doof had gemaakt, en blind voor alle verdienste die in haar oog de vergelijking met den afgod niet kon doorstaan. Misschien had zij met mij haar vertrouwen te schenken nog iets anders bedoeld dan oprechtheid; had zij bedoeld mij af te schrikken van iedere onderneming op haar hart; had zij bedoeld mij als zonder opzet te zeggen, dat ik er niet op rekenen moest dit beeld uit haar hart te verdringen; juist omdat ik haar een oogenblik had zien wankelen en zij zelve dat gevoelde, had zij zich opnieuw willen vastzetten in dat besluit. Wat er ook van ware, ik had een indruk ontvangen die mij pijnlijker trof dan hare bruske uitspraak bij onze eerste kennismaking: "dat zij mij midden op de hei zou laten staan als zij te vreezen had dat ik met een huwelijksvoorstel aankwam." Nu ze mij kende, nu ik reeds zoover gevorderd meende te zijn, dat ik maar een gunstig oogenblik had af te wachten om haar te spreken van mijne wenschen en onze vooruitzichten, wierp ze mij haar lord William voor de voeten, en ik voelde mij teleurgesteld niet slechts, maar ontmoedigd. De andere was haar held geweest; wat kon ik nog voor haar zijn? De vertrouwde, aan wien zij haar Iliade uitklaagde, als in het oude treurspel. Ik had eene gewaarwording of ik verminderd moest zijn in hare oogen; ik verloor in mijne houding die kalmte en die vrijmoedigheid, waarin het geheim had gelegen van het overwicht, dat ik aanving op haar te verkrijgen. Dit maakte mij dien ganschen avond stroef en teruggetrokken. Zij moest het mij aanzien dat ik worstelde met hinderlijke bijgedachten, en het kwam mij voor, dat zij zelve ook gedrukt en neerslachtig was; het oproepen van die smartelijke herinneringen had haar zeker veel gekost, en nog bleef zij als onder den slag van dat verleden gebukt, en zat neer onder ons alsof zij niet meer van de onzen was. Ditmaal sloeg zij hare piano niet open, noch verraste mij met een balkostuum, maar hield zich bezig met een dameshandwerkje, dat haar juist niet vlug afging en dat haar geheele aandacht scheen in te nemen; ik plaagde haar een weinig met hare _gaucherie_; zij zag mij aan met een verwijtenden blik, terwijl zij mij toefluisterde: "Dàt moest gij nu niet doen, Leo! nu gij weet waarom ik zoo onhandig ben."

Zij had gelijk; ik was wreed, ik was kwelziek, ik zag altijd lord William voor mij in de gedaante van Willem III, wiens portret ongelukkig _en médaillon_ boven het schoorsteenstuk prijkte, lord William, die tusschen haar en mij in stond en die mij uitlachte omdat ik te laat kwam. Ik wist niet met haar te praten, ik zag niet hoe ik kon blijven zwijgen. Uit verdriet, uit verveling, gaf ik mij ten prooi aan den generaal en zijn compère bij de speeltafel, in stilte dankbaar, dat Francis zich er buiten hield, maar zeer onvoldaan over mijn eigen houding, toen ik ten laatste de vrijheid vond om naar mijne kamer te trekken. Ik zal u niet vervelen, Willem, met al de tobberijen waarmee ik toen mijn slapeloozen nacht vervulde. Ik schaamde mij over mij zelven. Waar waren mijn moed, mijne volharding, mijn vaste wil om deze onderneming tot een gelukkig eind te brengen? Helaas! toen ik die vatte, vrij van geest en van haat, nog niet aangetast door de kwalen der liefde, der jaloezie, die mij de helderheid van geest benevelden. Ik zou bij Francis verloren zijn, als zij mij in mijne zwakheid had kunnen zien. Zoo kon het niet blijven. Ik stond op met een kloek besluit. Ik wist nu wie en wat ik tot mededinger had; het bleek uit alles, dat geen ander tot hiertoe dien lord William had verdrongen. Geen ander wellicht was ook zijn weg met haar gegaan; ik had dien uit mij zelven ingeslagen; het was in elk geval geen dwaalspoor, al was het pijnlijk een ander na te treden; het was de weg naar haar hart; hij had het gewonnen, maar hij had het onbevredigd gelaten, hij was teruggetreden, en hij moest het, waar ik vrij en moedig kon voortgaan. Hij was het ideaal geweest dat niet kon verwezenlijkt worden, ik was de werkelijkheid, die de vervulling van al hare wenschen kon bieden. Het was tien jaar geleden; die schim kon wel op den achtergrond worden gedrongen; zij was nu geen dweepend kind meer, dat de hand van den Mentor kuste en dat een Romeo meende te zien in een veertiger; zij was nu in vollen jonkvrouwelijken bloei; zij was nu de schalke, weerbarstige Katharina, die haar Petruccio met blijdschap in de armen zou vallen als zij eens in hem haar overwinnaar had erkend. Hoe kon ik mij toch zoo verontrusten over den Engelschman! Wat had men niet al gelasterd dat mij niet had teruggeschrikt, en deze, juist deze, had mogelijk juist mijne zegepraal voorbereid. Was het niet mogelijk dat ik op de eene of andere wijze zijne herinnering bij haar verlevendigd had en dat de vergelijking mij niet schaadde?

Ik moest er de zekerheid van hebben; ik kon niet lang dus wankelen tusschen hoop en vreeze; op gevaar af van eene onvoorzichtigheid te begaan wilde ik haar vragen, of zij het spoorloos verdwijnen van lord William een volstrekt onvergoedbaar verlies achtte. Maar dien dag had iedereen op de Werve het druk met het feest van den volgenden. Francis was onophoudelijk in besogne met den kapitein en zoo goed als ongenaakbaar voor mij; het kwam mij zelfs voor, dat ik zoo wat als _facheux troisième_ werd beschouwd, en om niet in den weg te loopen wilde ik naar mijne kamer gaan, toen Francis mij ter zijde riep en een biljet in de hand duwde, waarmee ik van het hulppostkantoor een aangeteekenden brief voor haar moest afhalen. "Het was beter dat de generaal daar niets van merkte, en zelve had zij vandaag geen tijd," sprak zij, niet zonder eenige verlegenheid over den dienst dien zij mij vergen moest.

"Dat is het minste, Francis, maar waarom maakt gij nu ook zooveel drukte van dat verjaarfeest?"

"Wat zal ik u zeggen! Die lieden hier zijn dat altijd gewoon geweest, en als wij nu niets doen is het een al te sprekend bewijs van verval.... De schoolmeester komt zijn feestgroet brengen met een keurbende uit de dorpsjeugd, die verzen opsnijen; de Pauwelsen komen feliciteeren; de notabiliteiten, waarmee we niet in openbaren oorlog zijn, zooals de ontvanger en dominé, komen hier eten; de mogelijkheid bestaat, dat er nog de een of andere oude kennis van grootpapa komt opdagen die den dag onthouden heeft; dat alles moet een weinigje geregaleerd worden, en dat is niet af te weren tenzij we gezamenlijk de vlucht nemen, en dat gaat ook niet. Rolf was er op bedacht, en ik heb hem moeten danken voor zijne voorzienige wijsheid, want het is morgen Zondag, en dan kan men hier niets gedaan krijgen. Gelukkig ben ik nu zelve weer _in bonis_ als gij met dien brief terugkeert. Het ergste is, dat wij voor een paar dagen onze vrijheid missen en dat ik u zoo wat links moet laten liggen. Maar neem wat geduld; daarna heb ik weer rust en tijd tot uwe beschikking."

Zoo scheidden wij, zonder te vermoeden wat er al niet tusschen zou komen eer ons die rust en vrije tijd werden gegeven voor zulk een vertrouwelijk onderhoud als ik mij voorstelde. Och, al hebben wij nog zoo'n vasten wil, en de omstandigheden zijn ons tegen, dan zijn zij de sterksten, daar is niet aan te doen; ik althans heb dat tot mijne schade ondervonden, al verzekert Potgieter ons:

't _Genie_ blijkt toch de _omstandigheên_ te groot.

Al twijfel ik niet of hij spreekt uit ervaring, ik weet maar al te goed dat ik zoo'n Hercules niet ben, en zelfs, ik had hem in mijn geval willen zien, om te weten hoe hij over die verlammende kwelgeesten zou gezegevierd hebben!

Wij aten laat en vrij eenvoudig dien dag; de kapitein was naar de stad geweest met het wagentje van Pauwels, en wij hadden naar zijne terugkomst gewacht met het diner, tot groote ergernis van den generaal, terwijl Francis besliste, dat het billijk was en zoo zijn moest.

Aan tafel kreeg von Zwenken twee brieven; den eersten verscheurde hij met eene uitdrukking van wrevel en teleurstelling, na dien even te hebben ingezien, den anderen reikte hij open aan Francis toe, terwijl hij zeide:

"Willibald wil hier morgen komen dejeuneeren; kan dat?"

"Het moet kunnen! al zou het veel aardiger zijn zoo het op een stiller dag trof!" repliceerde Francis; "maar de brave jongen zou raar opkijken, als we zeiden, dat hij niet welkom was."

Willibald! mij schoot in eens te binnen bij welke aanleiding ik dien naam voor het eerst had gehoord.

"Is dat een luitenant Willibald?" vroeg ik, Francis aanziende.

"Hij is nu kapitein; is hij u bekend?"

"Als een vermaard leider van den _cotillon_ ......" antwoordde ik onvoorzichtig.

"'t Is waar, hij is een goed danser, maar hoe weet gij dat?"

"Herinner u, dat ik een ganschen avond in de Z--sche gezellige wereld heb doorgebracht vóór ik hier kwam".

"En dat was genoeg om u vertrouwd te maken met alle cancans van voorheen en thans .... en gij zult wijs en wel doen daar behoorlijk notitie van te nemen en de lieden te houden voor 't geen ze dáár gelden!" sprak zij, mij aanziende met haar klaren, scherpen blik, en een ironieke glimlach speelde om haar mond. 't Was of zij raadde hoe zij toen _les frais de la conversation_ had geleverd, en mij doorzien wilde om te weten wat er daarbij in mij was omgegaan.

Ik wist mij niet onschuldig, maar ik moest mij goed houden.

"Ik heb dezen naam opgevangen en onthouden, ziedaar alles; maar mijn bezoek op de Werve bewijst u immers hoe ik de _médisances sociales_ op haar prijs weet te schatten."

"Als gij u daar ook niet boven hadt gesteld, zou ik niet weten wat van u te denken," fluisterde zij mij toe, want dit aparte, op halfluiden toon gesproken, ging buiten den generaal om. Nu, gij zult kapitein Willibald leeren kennen en ik twijfel er niet aan, òf gij zult bevinden dat hij nog wel wat anders is dan een _beau danseur!_"

Ik boog mij, als vooruit overtuigd, en hierbij bleef het. Rolf en Francis hadden samen weer conferenties. Ik ging alleen wandelen; bij de thee ging alles zoo vluchtig toe, dat ik, wel ziende hoe er van een gezellig avondje niets komen zou, en zonder lust om den generaal gezelschap te houden, die ons allen boudeerde, omdat Rolf hem niet als gewoonlijk ten dienste stond, naar mijne kamer trok en meende nu eens dapper met mijn journaal voort te gaan ...... maar pas had ik een paar pagina's geschreven, of mijn oog viel, bij 't verschuiven van een papier, op een pakketje dat aan mijn adres was. Bij 't openen vond ik een kleine portefeuille _en cuir de Russie_, waarop met gouddraad mijn naamcijfer geborduurd was, en het woord _souvenir_ met F. M. daaronder. Het was hetzelfde handwerkje dat ik den vorigen dag in aanvang had gezien. Het had haar moeite gekost; zij had er mogelijk een deel van den nacht voor opgezeten, en ik ondankbare had zoo onbarmhartig gespot met haar gemis van vaardigheid. Het bleek ten minste dat het haar niet aan geduld en volharding haperde. Bij het doorsnuffelen vond ik een muntbiljet in couvert, waarop geschreven stond: In dank terug, haar naam en de datum, een staaltje van haar ferme en kloeke hand, dat mij zeer begeerig maakte naar meer; maar ik vond niets. Het was eigenlijk eene damesportefeuille, en niet eens geheel nieuw. Het arme eerlijke schepsel had de eerste gelegenheid de beste waargenomen om hare schuld af te doen en mij hare dankbaarheid te toonen, en ik was in eene kwade luim geraakt en had haar gekweld! Hier was al de teerheid en fijnheid van een echt vrouwelijk hart, dat men kan wonden en krenken, en dat bloeden zal, maar dat zich toch niet sluit voor wie er eens in is doorgedrongen. En dat was ik, het scheen mij eene zekerheid; de pijl die zij in 't wilde had geschoten over het hechten aan praatjes was mij door merg en been gegaan. Ja! zij had gelijk, ik was zwak en laf met mijne aarzelingen, met mijn achterdocht, die de volle uiting mijner gevoelens telkens terugdrong; dat temporiseeren ben ik moede; ik zal haar nu in ditzelfde oogenblik opzoeken, en zeggen wat er in mij omgaat; ik heb mijn pretext om haar te storen, al stoot ze mij af, ik zal mij niet laten verdrijven vóór zij het noodigste heeft gehoord; dat is in vijf minuten gezegd, en wij verrassen den generaal op zijn verjaardag met onze verloving! Reeds was ik opgesprongen en had de kruk van de deur al in mijne hand, toen ik een zonderling gerucht aan een der ramen waarnam; de blinden waren niet gesloten, hoewel er licht brandde; het kwam mij voor of men aan de ruiten tikte. Ik moest terugkeeren om te zien wat het was, ik hoorde een schorre stem "Francis! Francis!" roepen, en ik zag eene hand die zich aan het hout vastklemde.

"Francis! kom mij te hulp of ik zal die vermolmde roeden breken," riep de stem.

Ik antwoordde niet en kwam ook niet te hulp; ik wilde zien hoe de binnendringer zich over het bezwaar heenhielp. Dat ging vlug genoeg; het oude houtwerk kraakte als riet; een hoofd kwam ras door de opening; de beide handen leunden op het houten kozijn; er kraakte nog wat hout en wat glas, en de persoon, die niet tegen inbraak scheen op te zien, was met een forschen en vluggen sprong binnen.

"Wat wilt ge van de freule Mordaunt?" vroeg ik, den stouten indringer tegentredende met een wantrouwen, dat nu niet ongerechtigd was.

"Een vreemdeling hier!" riep hij uit, in plaats van antwoord te geven; "dat verwondert mij; ik dacht niet dat ze meer aan logeergasten deden."

"Mij dunkt ik heb nog meer reden om verwonderd te zijn over de wijze waarop gij hier binnenkomt ...."

"Ja! die is _somewhat irregular_, dat erken ik; maar ik ben daarom toch geen dief, geen inbreker; ik kom eenvoudig zoo binnen, omdat ik in huis geene opschudding wilde maken en zeker meende te zijn Francis hier te zullen vinden daar ik licht zag, en niet raden kon, dat er iemand vreemd was. Maar nu ik er eenmaal ben, moet gij mij toestaan wat te rusten, en te overleggen hoe ik Francis te spreken kan krijgen," en hij liet zich neervallen op de groote ouderwetsche sofa.

"Br! dat ding is ook al weer wrakker geworden," gromde hij, toen het meubel onder zijn zwaarte dreunde, en rondziende, sprak hij halfluid: "hé, dat staat kaal! de oude familieportretten zijn weg! Zeker door de mot en de rotten opgegeten met huid en haar."

Alles bewees dat de man hier geen vreemdeling was. Zijne manieren waren vrij en _sans gêne_, maar niet eigenlijk gemeen; zijne kleeding ook had niets van een haveloozen vagebond, al was zij eenigszins fantastisch en opzichtig, een kort zwart fluweelen jasje met metalen knoopen, een kleurige _foulard_ losjes om den hals geknoopt, een pantalon collant van paarlgrijs laken en verlakte rijlaarzen met sporen, zware gemsleeren handschoenen, en de _chapeau croqué_, die op den grond gevallen was bij zijn woesten sprong, stelden een elegant rijgewaad daar, zooals een vreemdeling of een student het zich ten onzent zou veroorloven.

"Hebt gij hier niet wat voor mij te drinken?" vroeg hij, nadat hij mij den tijd had gegund hem eens goed op te nemen; "al is het maar een glas water? Ik heb goed drie uur te paard gezeten, om de wandeling naar de Werve niet mee te rekenen, en ik ben heesch van het stof." Hij sprak zijn Hollandsch met zeker vreemd accent; hij had het voorkomen van een vijftiger, hoewel hij mogelijk jonger kon zijn; zijne levendige, bewegelijke trekken, die nooit in rust waren, de menigte fijne rimpels op zijn verbrand voorhoofd, en de matte bleekheid van zijn gelaat getuigden van sterke hartstochten en van: "campagnejaren," zooals Francis zou zeggen. Een oogenblik viel het mij in of ik hier met lord William te doen had; maar hij geleek niets op Willem III; integendeel, hij had veeleer een physionomie à la Rabelais, kort ineengedrongen met een wipneus, dikke sensueele lippen met een rosachtigen knevel en grijsachtig groene oogen, die schalk en vermetel rondkeken.

Hoe ongepast zijn optreden ook zijn mocht, ik vond geen reden om hem een glas water te weigeren; toen ik het hem aanbood kon ik mij niet onthouden te zeggen:

"Gij schijnt hier met de localiteit bekend te wezen .."