Chapter 21
Ik had werkelijk de vingeren maar stil op de toetsen laten rusten; mijne nieuwsgierigheid om te weten hoe _hij_ over mij sprak en dacht was sterker dan mijne bescheidenheid!
Sir John verliet het vertrek met den driftigen stap van iemand die uit zijn humeur is.
Lord William kwam naar mij toe, ondervroeg mij naar mijne opvoeding, mijne gewoonten, mijne wenschen. Ik ving aan met schuchterheid en aarzeling, maar eindigde met al de openhartigheid en vrijmoedigheid die mij van nature eigen waren. Hij liet mij niet los vóór hij alles wist, en het kwam mij voor dat toen de betoovering geweken was, die mij tegenover hem zoo ongelijk maakte aan mij zelve.
Hij vroeg mij of ik van lezen hield.
"Volstrekt niet," was mijn gulgauw antwoord, "want dan moet men alleen zitten. Ik houd van menschen, van gezelschap, van beweging."
"Om onder de menschen en in gezelschap een goed figuur te maken moet men gelezen hebben, en al ware dàt niet, zonder geestesbeschaving zinkt eene vrouw tot eene onbeduidendheid, waaruit hare schoonheid zelfs haar niet kan opheffen."
"Ik wil niet onbeduidend zijn," sprak ik met beslotenheid, "zeg maar wat ik lezen moet."
Hij glimlachte. "Dat gaat zoo niet in eens; maar ik zal met u lezen, en dan zullen wij spoedig dit verzuim van u inhalen, zoo gij wilt?"
Gij raadt mijn antwoord, en van dien dag af ondernam hij het mijn geest en mijn smaak te vormen, mijn geestdrift op te wekken voor zijne lievelings-auteurs, ja, hij nam zelfs de moeite mij kennis te doen maken met de meesterstukken der Duitsche en Fransche litteratuur, maakte zelfs zijne geliefde klassieken voor mij genietbaar, en wat ik van Dr. Darkins nooit had willen leeren nam ik met gretigheid aan van hem.
Hij vergezelde mijn vader niet naar diens sociëteit; eene enkele partij billard, een rijtoertje, en zijn gezelschap aan tafel was alles wat sir John aan hem had. De avonduren en zekere bepaalde uren van den voormiddag, die hij niet voor zijne eigene studiën noodig had, wijdde hij aan mij. De liefste waren mij die, welke wij doorbrachten met Shakespeare, die hij mij voorlas met eene geestdrift waarvan hij mij den geest, de kracht, de grootschheid deed opmerken met zulk eene klaarheid en zulk eene gave van mededeeling, met een talent van voorstelling, dat ik als leefde in die wereld en...."
"En toen is het gebeurd dat gij op elkander verliefd zijt geworden, evenals Desdemona en Othello," viel ik in met eene opwelling van wrevel, die ik niet bij machte was te beheerschen.
"Neen, neen! zoo is het juist niet gegaan; maar als gij geen geduld hebt deze herinneringen aan te hooren zooals ik ze nu in mijn geheugen kan terugroepen, moet gij het liever zeggen; want als ik ze niet mag geven zooals ze in mij opkomen, verlies ik den draad; daarbij, gij zegt dat gij mij wilt leeren kennen zooals ik ben; dat zou niet gaan, als gij niet wist hoe ik geworden ben wat gij mij nú ziet. Of wat zou het u baten als ik u alleen mededeelde, dat lord William, in 't begin van den herfst bij ons gekomen, bij het naderen van de lente ons weer verliet?"
"Zonder met u verloofd te zijn?" vroeg ik gejaagd.
"Zonder met mij verloofd te zijn!" herhaalde zij op koelen, drogen toon en rees op; "maar nu moeten wij gaan, neef! want wij zullen ditmaal den omweg nemen, die de gemakkelijkste is; wij komen toch al te laat voor de thee; nu! de kapitein kan ze zetten, dat's het minst."
Reeds was zij zonder mijne hulp van de onveilige steenblokken afgesprongen en stond op vasten bodem eer zij had uitgesproken; ik haar na, met hetzelfde goed geluk, al was het niet met dezelfde haast; want ik zag het nut van die waaghalzerij in het half donker niet in.
Al wandelend wikkelde zij zich dicht in de grijze plaid, en er kon geen kwestie zijn van haar mijn arm te bieden; ik wist niet of ik haar moest vragen voort te gaan met hare souvenirs, want ik voelde mij schuldig; ik had met onhoffelijke kregelheid den stroom harer confidentiën gestoord; mogelijk voor goed de behoefte om zich uit te spreken gedoofd, en toch, ik brandde van ongeduld om er alles van te weten; het was zelfs mijne zenuwachtige gejaagdheid die getergd werd door hare _longueurs_; het kwam mij voor, dat zij met te veel opzettelijkheid drukte op de voortreffelijkheden van dien vreemdeling, dien ik niet kon uitstaan, dien ik nu reeds haatte, zonder nog te weten of ik er reden toe had. En ik had zeker geen recht om misnoegd te zijn op Francis. Wist ik dan reeds niet genoeg van haar om te begrijpen, dat zij haar hart niet had vrijgehouden tot haar zes-en-twintigste jaar? Had zij moeten wachten op een Paladijn die haar bij testament zou worden toegewezen! Ik voelde dat ik dwaas en onrechtvaardig was en toch kon ik over die dwaasheid en onbillijkheid niet zoo geheel zegevieren, of zij had er iets van kunnen bemerken.
"Leo!" sprak zij, nadat wij eenige minuten zwijgend naast elkaar waren voortgegaan. "Ik zie wel dat gij ergernis neemt aan mijne souvenirs, maar ik kan ze u daarom toch niet sparen; er is een deugd, die men Francis Mordaunt zeker niet zal ontzeggen; het is: eerlijkheid, en deze dringt mij, u niet te verhelen wat er in mij is omgegaan, sinds gij mijn vriend wilt zijn en ik, ondanks bittere ervaring, nog hecht aan de beteekenis van dat woord. Als gij van ochtend vertrokken waart, zooals ik dat verwacht had, zou ik u met mijne bekentenissen niet lastig zijn gevallen."
"Zoo moet gij het niet opnemen, Francis! ik ben immers gebleven om ze van u te hooren. Ik beloof u, dat ik den loop uwer herinneringen niet meer zal stuiten."
"Nu, goed! zoo zult gij dan hooren dat gij het geraden hebt, dat ik lord William heb liefgehad met al de innigheid van een eersten hartstocht, ik moest zeggen: met al de naïveteit van mijn jeugdig hart; want ik wist zelve niet, dat het liefde was wat hij mij inboezemde. Ik had nooit met jonge meisjes verkeerd, die elkaar op haar dertiende reeds van galants en minnarijen spreken; ik was _novice_, als geene andere, maar ik voelde welhaast, dat lord William alles voor mij was, dat ik eigenlijk niet meer leefde dan in hem, dat ik onverschillig was voor iedereen en voor alles, dat het mijn hoogste geluk was, zijn wil en wensch te raden en te volgen, dat ik, die men ontembaar achtte, die luimig en willekeurig scheen te zijn, soms alleen uit liefhebberij in den strijd, nu maar ééne vreugd kende: die van hem te gehoorzamen, op zijne wenken te letten, en, zonder dat hij noodig had dit van mij te vergen, het volgde van zelf; ik raadpleegde hem in alles, zelfs over mijn toilet, toen het er toe kwam dat wij uitgingen; ik maakte een beter figuur in de wereld, dan men van het (zoo men meende) in 't wild opgegroeide meisje verwacht had; ik kleedde mij met smaak, dat wil zeggen naar _zijn_ smaak, hoewel hij er verre van af was mij dit op te dringen, maar ik raadde den zijnen en volgde dien op mijne eigenaardige wijze; want van slaafsche naäperij van hetgeen de mode voorschreef, had ook hij een afkeer, die geheel in mijn karakter viel, '_Somewhat originality_' vond hij piquant, en hij achtte het schade zoo de individualiteit verloren ging onder zekere vormen, voor iedereen gelijkelijk afgepast. Als hij zoo sprak, raadde ik dat hij in mij prees, wat anderen in mij afkeurden. Omdat hij het noodig had geacht, ging ik in de wereld; maar mijn hart zette ik er niet op; mijn hart was met hem waar zijn schat was, in zijne boekenkamer, waar ik uren lang met hem samen was, naar hem luisterend, zonder mij te vervelen, zooals mij soms gebeurde op eene drukke danspartij; want _hij_ danste niet! Tot in de droge oudheidkundige studiën, waaraan hij zich wijdde, begon ik belang te stellen. Ik vertaalde voor hem wat hij uit zekere Hollandsche boeken of tijdschriften verlangde te weten. Ik copiëerde voor hem, zonder er aan te denken, dat zitten schrijven vervelend kon zijn; ik vergat dat er een stal was, dat mijn lievelingspaard door den _groom_ moest worden afgereden; ik vergat alles en allen; ik was alleen opmerkzaam als het de behoeften van lord William gold. Als de meeste heeren hield hij van eene goede tafel en was er aan gewoon. Hij had er daarbij alle recht op in ons huis, zooals ik later heb begrepen. Genoeg, ik vond een lust in de mannelijke studiën, zonder de vrouwelijke plichten te verzuimen. Zelfs de vrouwelijke behaagzucht was in mij wakker geworden. Vroeger had ik zeer weinig om mijn uiterlijk gegeven; nu nam ik er acht op en was zorgvuldig in de minste kleinigheden; want Mylord, al was hij nog zoo'n oudheidkenner, kleedde zich met de uiterste zorgvuldigheid, en zoo modern als een perfect gentleman die geen fat wil zijn.
Mijn eenig verdriet was als ik zag dat Mylord zich met andere dames bezighield, en toch, dat kon wel niet anders, wilde hij mij patronessen bezorgen in zekere kringen. Sir John gaf zich daartoe geen moeite, en daarbij Mylord hield niet van spelen en wilde niet dansen, terwijl ik toch niet als eene matrone tapisserie kon maken. Zoo leerde ik de jammerlijkste passie der vrouwen, den kleinen naijver kennen, maar waagde het toch niet die te toonen; ik wist vooruit dat hij dit ergerlijk kleingeestig zou vinden. Wij gaven nu zelfs diners, en de _dames_ van de stad, die bevonden dat alles bij ons recht _quite_ was, waren zeer verwonderd. Van die bijgenaamde _majoor Frans_ hadden zij zulk eene goede ontvangst niet verwacht; waarheid is dat juffrouw Milders, onze huishoudster, talenten had, die tot hiertoe braak hadden gelegen, en dat Mylord mij wenken gaf, die mij van het uiterste nut waren. Papa zelf had er volle satisfactie van, en ik sleet den gelukkigsten winter van mijn leven; men vond mij in de _beau monde_ wel een weinig zonderling, maar dat werd distinctie geacht en toegeschreven aan de vreemde afkomst van mijn vader en aan den Engelschen toon die in ons huis heerschte. Ik werd zeer gefêteerd, al kon het mij niet schelen, misschien juist daarom; maar de lente naderde en wij begonnen reeds plannen te maken om gezamenlijk de Werve te gaan bezoeken "zoodra het seizoen van uitgaan was afgeloopen." Als grootpapa maar geen spaak in het wiel steekt, dacht ik met zekere bezorgdheid, want deze was nu van zijne zending naar de residentie teruggekeerd, gelukkig voor mij zonder Rolf; eene rilling overliep mij als ik er aan dacht, dat deze mij als "majoor" zoude aanspreken en behandelen in het bijzijn van lord William. Welhaast bleek het mij dat grootvader onze ingenomenheid met onzen gast niet deelde. Ik schreef het toe aan zijne teleurstelling, dat de vreemdeling zijn appartement in ons huis had ingenomen, hetgeen hem noodzaakte voorloopig een afzonderlijk kwartier te betrekken; maar er was zeker nog iets anders: want ik merkte duidelijk, dat de majoor von Zwenken Mylord wel bejegende met de hem eigene beleefdheid, maar geenszins met de joviale voorkomendheid, waarop ik meende dat deze van iedereen recht had. Ik zou maar al te spoedig weten, waaruit dat voortkwam.
Op zekeren zonnigen lentedag zat ik de zuivere lucht te genieten op het kleine balkon, waar mijn boudoir op uitkwam, met een ongekend gevoel van weemoed en levenslust de fijne blaadjes en de aankomende knopjes te bespieden, die den tuin welhaast met bloesems en geuren zou sieren. Ik had geen trek tot lezen, hoewel ik een boek in de hand hield, en dacht aan de prettige wandelingen die wij welhaast zouden maken met Mylord, en aan de mogelijkheid van een tochtje naar het kasteel van grootpapa, toen ik diens stem hoorde, in gesprek met sir John.
De heeren waren door de openstaande deur van de tuinkamer gekomen en hadden plaats genomen op de bank vlak onder mijn balkon. Zekere onrustige nieuwsgierigheid beving mij: ik had maar op te letten en ik kon alles verstaan.
"Waar kan hij zijn, uw lord William?" vroeg grootpapa op wreveligen toon.
"Op dit uur is hij altijd in de stads-bibliotheek; er moeten archieven zijn, die hem de grootste belangstelling inboezemen."
"En Francis?"
"Zij kleedt zich, of zij is in besogne met de huishoudster; weet ik het!"
"'t Is nogal mooi, dat zij ook niet met hem meegaat naar die boekerij, sinds zij zich zóó met hem afficheert."
"Met hem afficheert! Wat meent gij daarmee, heer majoor? Mylord woont bij ons in; hij gaat met ons uit, dat spreekt vanzelf; hij is in alle opzichten een respectabel man, een _right honorable_ zelfs. Ik zie niet, hoe miss Francis daardoor geafficheerd zou kunnen worden."
"Hm! gij ziet het anders dan ik. Maar dat zou nog niet het ergste zijn; zoo hij zich maar niet zoo druk met haar bemoeide."
"Mij dunkt, dat schaadt haar waarlijk niet. Of moet gij zelf niet erkennen, dat zij zeer tot haar avantage veranderd is, en dat men haar nu overal kan presenteeren?"
"Dat spreek ik niet tegen. Alleen, ik zou dan in uw geval verlangen dat hij het zijne deed om haar als zijne _future_ te presenteeren; dán zou hij zijn plicht doen."
Sir John begon hardop te lachen. "Wel, heer majoor, hoe haalt gij u zoo iets in 't hoofd! William is mijn schoolkameraad en maar een jaar of drie mijn jongere, en Francis moet nog zeventien worden."
"Hij heeft het voorkomen van even in de dertig. En daarbij, wat doet de leeftijd er toe? Francis is op hem verliefd, smoorlijk verliefd, dat zeg ik u, en het verwondert mij, dat gij zelf dit niet al lang hebt bemerkt en de onvoorzichtigheid begaat, dien vertrouwelijken omgang met uwe dochter te dulden zonder dat hij zich declareert."
"_Bless me!_ daar zou hij zich waarlijk wel voor wachten!" riep mijn vader. "Hij is getrouwd, en daarom steekt er ook niets in dat hij zoo wat den Mentor speelt over Francis; ik heb er geen slag van en zij heeft het hoog noodig."
"Hoog noodig! dat hij haar het hoofd doet draaien!" sprak mijn grootvader met stijgende ergernis.
"Dat heeft geen nood; het hare is veel te degelijk om zoo licht duizelig te worden. Zij is daarenboven eene Mordaunt en niet zoo weekelijk opgevoed om zich met jongemeisjesgrillen in te laten."
"Gij zijt wel wat al te naïef, sir John--de stem van den majoor klonk streng en bitter--"of.... van eene gerustheid die mij onverklaarbaar is."
"Dat zou zij niet langer zijn, en gij zoudt deze gerustheid deelen, mijnheer, zoo gij lord William kendet als ik! _Every inch a gentleman_, sir! en zoo hij ook maar vermoedde dat zulke argwaan in ons kon opkomen, ben ik zeker dat hij geen uur langer hier in huis zou vertoeven. Ik begrijp wel, wat u eenigszins tegen hem inneemt. Hij speelt niet; wij hebben weinig aan zijn gezelschap en hij heeft u hier verdrongen. Dat spijt mij zelf; dan, ik kon niet weten dat gij zoo spoedig uit den Haag zoudt terugkeeren. En, om de waarheid te zeggen, mylord is _generous, most generous_, en ik ben hem zekere égards schuldig."
"Dat geloof ik gaarne, maar.... moet Francis daaraan worden opgeofferd?"
"Francis wordt niet opgeofferd, dat verzeker ik u. Integendeel, het is voor haar van het grootste belang dat wij als vrienden scheiden. Daarbij, hij zal niet lang meer bij ons blijven. Hij is tot president verkozen van ik weet niet welk archeologisch genootschap en moet de zittingen bijwonen in Londen. Ook kreeg hij dezen ochtend de tijding, dat de onaangename zaak, die hem naar het continent de wijk deed nemen, zoo goed als geschikt is. Hij vreesde een lastig proces dat hem verdriet en ergernis zou geven. Het blijkt dat de mediateurs het eens zijn geworden. Zijne vrouw, die met hare familie in het Zuiden reist, heeft hem een ootmoedigen brief geschreven en wenscht vergiffenis en verzoening. Hij deelde mij mee, dat hij nog niet besloten is, maar dat hij toch tegen eene scheiding opzag en vermoedelijk...."
Sir John zweeg plotseling; de heeren wandelden op; ik zag den kamerdienaar van lord William aankomen en met hen spreken. Had een hunner opgekeken, hij zou mij hebben gezien in ademlooze spanning tegen het balkon geleund, als een steenen beeld, de verpersoonlijking van stomme verslagenheid. Toen zij reeds lang weg waren bleef ik nog zóó staan, als vastgenageld aan die plek. Ik had de kracht, den moed gehad om ten einde toe te luisteren; de zelfbeheersching om door geen kreet of uitroep een gesprek te storen dat mij zulke verpletterende ophelderingen gaf. Toen ik eindelijk uit die onbeweeglijkheid oprees, was het met een kreet van smart en bitterheid, dien ik niet kon weerhouden. Ik was aan mij zelve ontdekt! Ja! mijn grootvader had goed gezien. Die aanhankelijkheid, die vrijwillige overgave van al mijn willen en denken aan zijn wil en wensch, die gewaarwording van onuitsprekelijke blijdschap in zijne tegenwoordigheid, als hij mij toesprak, zich met mij bezighield, bovenal als hij met zijn sprekenden blik, met zijn betooverenden glimlach mij zijne goedkeuring uitdrukte--dat was liefde! Liefde, die gloed van ijver, dien ik in mij voelde voor alles waarin hij belang stelde; liefde, die zucht voor poëzie en letteren, waarmede hij mij had bezield. Wel is waar eene liefde, die niets had van de zottelijke teederheid waarmee ik andere jongelieden elkander zag omgeven en die niet dan mijn afkeer wekte, maar toch liefde, en die nu op eens tot een verboden, een schuldigen hartstocht werd misvormd; want het licht dat mij opging over den man dien ik liefhad was als een fakkel waardoor alles in mij tot vuur en vlam werd, vlamme van haat en verontwaardiging, die helaas den liefdegloed niet verteerde, maar te feller branden deed. Had ik mij zelve bedrogen en onbewust toegegeven aan de aantrekkingskracht, die van dien vreemdeling uitging, hij zelf, hij had zich niet aldus kunnen vergissen en hij had mij bedrogen, hij had mij althans in onwetendheid gelaten over 't geen mij eerst noodig was te weten. En toch, in later tijd over deze eerste groote smart nadenkende, begreep ik, dat het gevaar voor mij nauwelijks minder zou zijn geweest al had ik die kennis gehad, want het was zijn persoon, die zulk een toovermacht over mij oefende, niet zijn positie. Onnadenkend had ik mij overgegeven aan mijn gevoel, zonder te berekenen waar het mij kon heenvoeren, zonder er iets van te wachten voor de toekomst. Maar toch wekte de zekerheid dat ik dien man liefhad en dat hij niets voor mij zou kunnen zijn dan.... een Mentor zooals mijn vader zich uitdrukte, bij mij eene onbeschrijfelijke gewaarwording van teleurstelling en toorn. Hoe koelbloedig en onbarmhartig had hij dan met mij gespeeld, hij de man van leeftijd en ervaring, die zoo scherpzinnig was en zooveel menschenkennis bezat. Had hij, hij er dan niet om gedacht, dat deze omgang voor mij zijne gevaren had; had hij ze niet geteld, omdat hij zelf niet vreesde en ze mij alleen raakten! Zelfs wist hij zich immers onkwetsbaar; mogelijk had hij die vrouw, die nu verre was, zóó lief, dat hij gepantserd was tegen iedere andere liefde. Waarheid is, dat hij nooit den toon van den hartstocht tegen mij had aangeslagen. Een blik van welgevallen, een glimlach van goedkeuring, een handdruk van vriendschap was alles wat hij mij geschonken had, en dat was mij ook genoeg geweest. Eens slechts, ik herinner het mij maar al te goed, had hij met zekere hartstochtelijkheid mijne hand gekust, toen ik, ik weet niet meer welken zijner wenschen geraden en vervuld had. Dien nacht sliep ik niet van trots en weelde, maar des anderen daags had hij mij met zulk een ijzige strakheid bejegend, of hij mij, als zich zelf, dat oogenblik voor goed wilde doen vergeten, en scheen er niet op te letten, hoezeer ik onder die stugge luim leed.
Nu wilde ik hem dat alles verwijten, alles op eens uitstorten wat in mij omging, en hem daarna doen zien, hoe diep hij in mijne achting was gedaald; want te verbergen wat in mij omging, dat voor hem te verbergen als ik eens tot spreken kwam, dat was voor mij eene onmogelijkheid. Maar de gelegenheid om hem terstond bij zijne thuiskomst te spreken bood zich niet aan. Wel ging ik in zijne studeerkamer, in de hoop hem weldra te zien binnenkomen, maar ik vond er slechts zijn kamerdienaar, die mij mededeelde, dat Mylord een bezoek had te brengen bij zekeren bankier en niet vóór den eten thuis zoude zijn. Ik moest mij dus inhouden en zooveel mogelijk mijn aplomb hernemen, om aan tafel niets te laten blijken; maar dat ging boven mijne macht. En ook waartoe? hoe eerder hij het nu begreep dat ik hem haatte en minachtte, hoe beter. Ik wist waarmee ik hem kon ergeren, en ik besloot hem geene ergernis te sparen. Ik las de bevreemding op zijn gelaat, afkeuring in zijn blikken, maar de betoovering die hij op mij oefende was gebroken; dat moest hij weten, en ik ging voort hem te tergen en te kwellen. Toen hij begreep dat er opzet in lag, deed hij of hij niets bemerkte en ik hield vol tot aan het dessert, waarna ik mij niet als gewoonlijk verwijderde om de heeren aan hunne sigaren te laten. Ik herinnerde mij dat ik ook rooken kon, zocht eene lichte sigaar uit en stak die aan. Toen zag ik lord William het voorhoofd fronsen en de zijne wegwerpen; hij stond op, nam mij bij de hand en voerde mij zonder een woord te spreken naar zijn boekvertrek. Ik liet mij wegleiden, want dat was juist wat ik wilde.
"Wat scheelt er aan, miss Francis?" sprak hij, nadat hij mij in een _easy chair_ had doen plaats nemen en tegenover mij staan bleef. "Ik begrijp wel dat gij zeer ontstemd zijt en dat het _mij_ geldt; maar ik kan niet nagaan uit welke oorzaak."
"Dat is mijne schuld niet. Met een weinig nadenken zou Mylord toch licht die reden kunnen uitvinden. Hij weet, hoezeer ik aan openhartigheid hecht...."
"Dat is prijselijk; en nu verder?"
"En nu vraag ik mij zelve af, wat ik van de uwe denken moet, als ik van anderen hoor, dat gij getrouwd zijt?"
Ik bracht deze laatste woorden met te veel gedwongen kalmte uit om hem niet eenigszins verwonderd te doen opzien; ik zag zelfs dat hij verbleekte, maar hij vroeg koel:
"Heeft Sir John u dat eerst nù medegedeeld, en waarom juist heden?"
"Sir John heeft het mij niet medegedeeld; ik heb het bij toeval vernomen--bij _toeval_; verstaat gij mij, Mylord? En daarom geloof ik eenig recht te hebben om van u zelven iets meer te hooren van uwe gemalin."
Ik had het er wel op toegelegd om hem te prikkelen en te schokken, maar dat deze vraag zulke uitwerking op hem zou hebben, had ik niet kunnen berekenen.
Hij trad driftig drie schreden achteruit; een donkere blos van toorn of schaamte kleurde zijn hoog voorhoofd; zijne oogen gloeiden van verontwaardiging, maar zijne trekken namen zulk eene uitdrukking van lijden aan, dat ik zelve schrikte van de ontroering die ik had teweeggebracht.
Hij zweeg, keerde zich van mij af, wandelde een paar malen de kamer op en neer, kwam eindelijk weer bij mij terug, bleef vlak voor mij staan, zag mij aan met een mengeling van weemoed en misnoegen en sprak eindelijk:
"Het spijt mij, miss Francis, dat juist gij mij dit aandoet. De tijd voor zulk vertrouwen voor u acht ik nog niet gekomen. Daar is te veel bitterheid in uwe vraag, dan dat zij uit belangstelling kan voortkomen, en belangstelling alleen heeft hier recht op een antwoord."
"Belangstelling, Mylord!" barstte ik uit, "dat is wel het zwakste woord, dat er tusschen u en mij kan gesproken worden; gij weet wel, gij moest het ten minste weten, al veinst gij bevreemding, dat het hier voor mij eene levensvraag geldt!"