Chapter 20
"Dan bega ik eigenlijk eene dwaasheid en eene onwelvoeglijkheid, waar ik u zoo ronduit alle mijne verkeerdheden opbiecht en den sluier wegruk die over mijn somber verleden rust; ik kan u niets moois laten zien, ik mag mijne confidenties wel binnenhouden."
"Ik hoop waarlijk van neen! Zoo is het niet gemeend, dat men niet aan een vriend zou mogen uitstorten wat ons ergert of bezwaart, dat men daar zijn leed niet zou mogen klagen en zijne fouten blootleggen, waar men zeker is van deelneming; daarmee, al zou men ook het pijnlijkste hebben uit te spreken, wordt geen maatschappelijke vorm gekwetst, en daarvan kan men opbeuring, verlichting wachten."
"De eenige verlichting die ik er voor mij van wensch of verwacht is deze, dat gij mij geheel zult leeren kennen, zien zult zooals ik werkelijk ben, en mij dan mogelijk minder hard zult beoordeelen bij 't geen er van mij geworden is."
"Er is nog niets van u geworden, Francis! dan wat met eenigen goeden wil van uwe zijde tot alle goeds en liefelijks zou kunnen leiden."
"Och, spreek zoo niet," hernam zij op een toon van moedeloosheid en ontstemming, "niet vóór gij alles weet. Maar ik moet adem scheppen; laat ons eerst het oog verkwikken met het heerlijke schouwspel dat ons wacht, als wij ons haasten het hoogste punt van de ruïne te bereiken."
Werkelijk waren wij aan den voet van den bouwval gekomen, en bij het bestijgen van de afbrokkelende trap hadden wij genoeg te doen om de minst onvaste punten voor onzen voet te zoeken, maar boven gekomen wachtte ons teleurstelling voor al die moeite.
Onder ons druk gesprek hadden wij niet opgemerkt, dat er een sterke mist was opgekomen, die het anders zoo ruime en grootsche uitzicht benevelde. De zon was reeds in die nevelen ondergegaan en teekende alleen hare aanwezigheid in donkere oranje- en schel roode strepen, die daar evenals bliksemflitsen door de dichte dampen heenschoten; maar over geheel het landschap lag niets dan een lange, dichte sluier van vochtige mist!
"Kom Leo!" zei Francis, "het is niet gezond hier in dien vochtigen damp te gaan zitten, en toch had ik mij voorgesteld hier te rusten; laten wij onder dien boog schuilen, die den toegang verschaft tot hetgeen er nog van dien toren overblijft. Er is daar wel een brok steen, waar niet al te verwende lieden, zooals gij en ik, zitten kunnen." En reeds had zij den weg genomen naar dien boog, die, dicht met klimop begroeid, een schilderachtige loofhut vormde. Francis legde eene oude grijze sjaal, die zij medegetorst had en die ik niet had mogen dragen, over een der massieve steenbrokken, en wij hadden werkelijk eene comfortabele zitplaats.
"En nu ga ik mijne historie vol jammer en bedrog voortzetten," ving Francis aan. Kunt gij geene sigaar aansteken? Leo! Dan luistert gij vast en met minder ongeduld; ik heb mij zelve sinds lang die weelde ontzegd, anders gaf ik u het voorbeeld."
"Ook ik ben geen slaaf van dat genot, Francis! en het zou mij onmogelijk zijn genoegelijk te zitten dampen, terwijl gij uwe smartelijke herinneringen voor mij oproept."
"Wat zijt gij weinig een man, Leo! in den kouden egoïstischen zin van het woord," gaf zij mij ten antwoord.
Ik schudde glimlachend het hoofd, en zij ving aan:
"Ondanks den muziekmeester, had ik den lust voor de muziek en den zang behouden, en wenschte dat talent aan te kweeken. Nurse, die voor alles raad wist als het mij gold, schommelde eene Zwitsersche gouvernante op, die buiten betrekking was en die bij nadere kennismaking zich ook vinden liet om mij eenig onderwijs te geven in de vrouwelijke handwerken, waarin ik zoozeer ten achteren was. Sir John liet mij met mij zelve begaan. Nu het plan om mij voor een jongen gentleman uit te geven geen gevolg kon hebben, begreep hij zelf dat er, zoo mogelijk, nog een dragelijk jong meisje van mij moest gemaakt worden, en daar ik te weinig in goeden toon en manieren gevorderd was om in de wereld op te treden, vond hij mijn inval goed om mademoiselle Chelles als gouvernante-externe aan te nemen, tevreden dat het hem niets zou kosten. Sinds ik niet meer geroepen werd jaarlijks die zekere brieven aan den ouden baronet te schrijven, waarin mijn paardrijden en schermen en alle andere mannelijke oefeningen op het voorschrift van Sir John telkens op den voorgrond werden gezet, bleven ook de wissels uit Engeland weg, die onze kostbare huishouding hielpen in stand houden, hetgeen een wijs en voorzienig man gewis tot vereenvoudiging zou hebben bewogen; maar deze wijsheid oefende mijn vader niet, en ik houd het er voor, dat hij sinds zijn kapitaal gebruikte of het zijne renten waren.
Ik intusschen had het mijn plicht geacht lady Ellinor mede te deelen hoe het met mij op de kostschool was afgeloopen en hoe weinig ik aan hare intentiën had kunnen beantwoorden. Eerlijkheid drong mij daartoe, schoon ik wel vreesde van nu aan hare gunst verbeurd te hebben. Ditmaal toch werd de oprechtheid beloond. _Aunt_ Ellinor antwoordde met de toezending van opnieuw vijftig pond en de verzekering dat ik die jaarlijks van haar zou ontvangen om er mee te doen wat ik wilde, met nog menig goed woord daarnevens, dat mij bewees hoezeer lady Ellinor voor mij eene waardige leidsvrouw had kunnen zijn, zoo ik in hare handen ware gevallen. Zij moedigde mij aan om zelve te voorzien in 't geen mij ontbrak en mij door niets of door niemand tot onoprechtheid te laten verleiden. Zij hoopte mij later bij zich te zien in Londen.... en dan had zij mij nog veel mede te deelen. Daar is niets van gekomen. Nog in den loop van dat jaar overleed zij aan eene hartkwaal, en ook de vijftig pond zijn mij daarna niet meer toegezonden. Maar vooreerst had ik papa's hulp niet in te roepen voor mijne wenschen en behoeften. Mademoiselle Chelles beviel mij; ook had zij er den slag van met mij om te gaan; zij bracht mij wat terug van de forsche onvrouwelijke oefeningen, die mijn lust waren geweest, deed groote wandelingen met mij, en gebruikte die rustige vertrouwelijke uren om mij het leven van zijne ernstige zijde te leeren zien,zooals niemand het mij nog had doen beschouwen. Zij sprak mij van lijdenden, van ongelukkigen wier lot soms met eenige opoffering zooveel kon verzacht worden; van plichten, die ik alleen uit luim had beoefend omdat mijn hart niet kwaad was maar zonder eenigen ernst of gevoel van verantwoordelijkheid. Daarbij wist zij mij liefde in te boezemen voor de natuur, wekte in mij hoogere behoeften op, die alle sluimerden, daar niemand er zich nog over had bekommerd. Dr. Darkins had mij moeten voorbereiden om lid te worden van de Anglikaansche kerk, maar eer het zoover kwam was hij al uit zijne betrekking tot mij ontslagen, en ik was op het punt van godsdienst geheel in den steek gebleven. Dat kon de serieuse Zwitsersche niet dulden. Ik moest haar beloven mij tot een protestantsch kerkgenootschap te laten brengen, en daar het Sir John niet meer schelen kon, vond zij werkelijk een predikant die zich met die zaak belastte. Daarbij, het behoorde zoo, dat vond grootvader ook; maar als de goede Chelles er zich niet mee bemoeid had, zou niemand er aan gedacht hebben. In één woord, zij zou er in geslaagd zijn mij tot eene jonge dame te fatsoeneeren, daar het uiterlijke niet al te veel van de overigen verschilde, ofschoon het haar altijd ondoenlijk zou geweest zijn den "kleinen majoor" uit te roeien, die onder alles door met Francis Mordaunt was opgegroeid. Doch wat gebeurde? Nurse begon jaloersch te worden van haar invloed op mij, en tot overmaat van ramp kreeg Rolf, die als tweede luitenant met grootvader was teruggekeerd en nu van de kinderkamer naar het salon was bevorderd, om wat ontbolsterd te worden van zijne kazernemanieren. Rolf, die de eerste had moeten zijn om Chelles te respecteeren, kreeg den zotten inval om op haar verliefd te worden, en dat laat ik nog dáár, want zij was allerbeminnelijkst, maar hij gaf zich de luxe het haar te zeggen, en hare hand te vragen! Eene stommiteit zooals alleen Rolf die kon begaan; want behalve dat er voor hen geen uitzicht bestond ooit tot een huwelijk te komen, ontbrak ook het allernoodigste voor zoodanige verbintenis: wederkeerige genegenheid. De dame kon haar adorateur niet uitstaan, dien zij nooit anders noemde dan "_le grand soudard_," of wel "_l'ogre furieux_;" want hij is nu door zijn leeftijd, zijn stijf been en mijne discipline tam geworden, maar destijds was hij een woest, hartstochtelijk personage, die om een haverklap de hand aan den degen sloeg en alleen aan zijn grooten en kleinen majoor de verplichte subordinatie betoonde. In 't kort, na de onstuimige declaratie wilde Chelles niet bij ons blijven, tenzij men luitenant Rolf het huis ontzegde. Dat vonden allen te sterk en te pretentieus. Grootpapa en Nurse handhaafden Rolf in zijne oude rechten. Papa ook hechtte heel weinig aan "maar een _governess_," en ik.... ik moet het tot mijne schande bekennen, ik wist zelve nog niet genoeg wat ik wilde, om niet met de overigen in te stemmen, te eer, daar ik nog te jong was en te weinig vrouwelijken tact had om de scrupules van Chelles goed te begrijpen. Men noemde het aanmatiging, heerschzucht; en dat laatste was voor mij beslissend. Als ik haar liet heengaan was ik weer geheel vrij! Eerst later heb ik ingezien hoezeer ik mij zelve daarmede benadeeld heb, en het is onder de grieven die ik tegen Rolf heb juist die, welke ik het minst heb kunnen vergeven."
"Sir John is, dunkt mij, meer te beschuldigen dan hij. Laat men een aankomend meisje vrij om te beslissen wat voor hare vorming dienstig is?"
"Wat zal ik u zeggen: sir John had gewenscht dat ik tot mijn achttiende jaar op de kostschool ware gebleven, om van daar in de wereld op te treden als eene '_jeune fille accomplie_,' bereid op papa's commando hare hand te schenken aan de eerste goede partij de beste. Toen dat zoo geheel anders uitviel, trok hij zijn hart geheel van mij af, en sinds de vijftig pond van Lady Ellinor ook vervielen, was de verwijdering van Chelles eene bezuiniging. Deze trok met eene familie naar Frankrijk, en het bleek welhaast dat ik haar niet had behoeven op te offeren, daar grootvader kort daarna in zijn rang naar de residentie werd overgeplaatst om ik weet niet welke oorzaak; het zou maar tijdelijk zijn en Rolf kon hem vergezellen. Nurse zegevierde, en in hare blinde liefde vergat zij welke schade zij mij had toegebracht. Ik voelde het als bij ingeving; ook was mijne oude genegenheid voor haar zeer bekoeld. Toch had ik eene gewaarwording of ik zeker juk had afgeschud, want mijn onafhankelijkheidszin was niet geheel en al ongekwetst gebleven onder de zachte leiding van Chelles. Ik nam weer bezit van mij zelve in den kwaden zin. Ik kon niet meer met Chelles wandelen, ik ging met papa paardrijden, die eenigszins trotsch was op het goede figuur dat ik _on horseback_ maakte en die er niets in vond dat ik hem vergezelde op jachtpartijen en rijtoeren met allerlei slag van heeren, jong en oud. Mijne ijdelheid vond hare rekening bij hunne bewondering voor mijne forschheid en vaardigheid. Ik gaf er de piano aan en de dameshandwerken en de goede boeken; ik werd zelfs weer Majoor Frans, en onder die soort van verwildering bereikte ik mijn zestiende jaar, toen er iets voorviel dat eene gansche verandering in mijne wijze van zijn teweegbracht. Nurse, die aan waterzucht leed, ontviel mij plotseling; ik voelde toen hoezeer ik haar had liefgehad en dat zij waarheid had gezegd dat er niemand meer overbleef om mij lief te hebben dan zij. Er was eene leegte in en om mij, die ik niet wist aan te vullen. Ik ontvluchtte het koude doodsche huis, ik doolde troosteloos rond, toen ik plotseling werd opgeroepen om de rol van gastvrouw te spelen en een logeergast te ontvangen.... Maar.... nu ik tot hiertoe gekomen ben, moet ik eens iets van u weten...." Zij zweeg eene wijle en bleef zitten met gebogen hoofd en de handen in den schoot over elkaar gevouwen, als in aarzeling hoe nu voort te gaan. Op eens echter vestigde zij hare oogen op mij met een onderzoekenden blik en vroeg:
"Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?"
"Met de vriendinnen mijner moeder nogal, maar sinds...."
"Ik vraag niet naar oude vrouwen; ik meen of gij niet, als de meeste heeren, van tijd tot tijd geleden hebt aan die tusschenpoozende koorts, die zij verliefdheid noemen?"
"Ik heb alles gedaan wat noodig kon zijn om niet aan die kwaal bloot te staan. Het Amerikaansche stelsel van _flirtation_ heb ik nooit kunnen goedkeuren. Coquetteeren met jonge meisjes en vrouwen achtte ik gevaarlijk en immoreel, en daar ik leefde in het vooruitzicht dat ik nooit geld genoeg zou verdienen om al de kant, zijde en fluweel te kunnen betalen, die tegenwoordig tot de noodwendigheden van een damestoilet behooren, heb ik de striktste neutraliteit in acht genomen tegenover allen, om niet verlokt te worden van mijn beginsel af te gaan."
"En heeft datgene wat men passie noemt u dan nooit overmeesterd?"
"Ik heb niet de gewoonte mij te laten overmeesteren door wie of wat ook. Ik bezit eenige kracht om resistentie te bieden, en ik zou die gebruikt hebben zoo het geval zich had voorgedaan; maar dat is niet gebeurd. Ik had geen ledigen tijd genoeg om mij zulke distracties te geven."
"Dat wil ik van u wel gelooven, en om uwentwil verheugt het mij; maar toch spijt het mij, want nu kunt gij mij niet zeggen wat ik juist van u had willen weten."
"Zeg maar wat gij weten wilt; mogelijk kan ik u toch wel voorlichten."
"Ik wilde weten of gij gelooft dat een degelijk man, die geen ingebeelde fat is, maar ook geen onnoozele hals, en die op menig punt van groote scherpzinnigheid bewijs geeft, niet heel gauw kan merken als een jong meisje.... hoe zal ik dat zeggen.... zich met innige teederheid aan hem hecht, zelfs al wordt er geen woord tusschen hen gewisseld, dat op liefde of dergelijke gevoelens doelt?"
Ik begon verlegen te worden met mij zelven. Wat was hare bedoeling? Hier was meer naïveteit dan ik in haar kon onderstellen, of.... meer arglist dan waarvan ik haar zonder beter bewijs mocht verdenken.
Ik bedacht mij een oogenblik eer ik antwoordde:
"Om u de waarheid te zeggen, Francis! ik geloof dat mannen en vrouwen beiden al heel gauw raden wat zij voor elkander kunnen zijn, en dat het veeleer uit dubbelhartigheid voortkomt dan uit ingenuïteit, zoo een van beiden verblindheid voorwendt voor hetgeen maar al te klaar uitkomt, al wordt het niet met ronde woorden uitgesproken."
"Dat is mijne opinie ook--bij later nadenken, verstaat gij; want destijds was ik zoo onervaren op deze punten als een _gamin_, waarvoor ik nog altijd in mijne naaste omgeving gold. De vrienden van mijn vader zagen in mij niets anders dan een slecht opgevoed meisje, luimig en willekeurig, een woesteling, die zij niet dan ongaarne in aanraking brachten met hunne dochters en waarin ze allerminst eene toekomende bruid voor hunne zonen wilden zien. Enkele officieren probeerden wel eens mij _un bout de cour_ te maken, hetgeen mij zoo laf en belachelijk voorkwam, dat ik ze even impertinent als onbarmhartig voor het hoofd stiet. Met anderen, die zulke pretentie niet hadden, of althans niet toonden, railleerde ik met een _sans gêne_, die nog van mijne jongensopvoeding getuigde. Niemand vatte mij toen nog _au sérieux_ op als een jonge dame, en ik zelve was de laatste om naar die positie te streven. Toen kwam Lord William bij ons logeeren."--Zij haalde diep adem, als moest zij zich geweld aandoen, eer zij vervolgde: "Lord William werd mij voorgesteld als een schoolmakker van mijn vader, die eenige jaren zijn oudere was, en die zijn protector geweest was op de school te Eton. Sir John scheen niet vooruit van zijne komst verwittigd te zijn geweest, want hij had geen de minste aanstalten gemaakt voor zijne ontvangst. Het was eene verrassing, evenals die van lady Ellinor; maar deze beviel mijn vader beter. Mylord was om eene onaangename zaak verplicht een tijdlang Engeland te verlaten. Hij bracht sir John slechts een bezoek en had plan zijn intrek te nemen in een logement; doch mijn vader haalde hem over bij ons in te keeren. Het appartement, dat door grootpapa was bewoond, stond nu leeg en was ruim genoeg om hem en zijn kamerdienaar te herbergen; de majoor had er zelfs zijn bureau gehouden, en er was _plenty_ ruimte voor alle koffers en kisten die Mylord meebracht. Alles bewees dat de oorzaak van deze reis naar het vasteland niet lag in geldgebrek, want hij betaalde elken dienst dien men hem deed met vorstelijke mildheid, had eene kostbare garderobe en schatten aan boeken en zeldzaamheden bij zich en huurde eene equipage op eigen gelegenheid. Daarbij geloof ik, schoon sir John het mij nooit heeft gezegd, dat hij met dezen eene overeenkomst had gesloten omtrent zijn verblijf in diens huis, die meer dan genoegzaam was om de vermeerdering van omslag goed te maken, waartoe deze inwoning ons dwong. Al had ik de hulp en voorlichting van juffrouw Milders, onze huishoudster, toch zag ik er zeer tegen op, om als _dame du logis_ te moeten optreden tegenover dien vreemdeling; maar weldra was ik met die taak verzoend.
Lord William (ik heb nooit zijn familienaam vernomen) was een geletterd man, die veel wist en eene uitmuntende gave had van mede te deelen. Hij was vol geestdrift voor kunst en poëzie, las en sprak verscheidene nieuwe talen, had de grootste belangstelling in oudheid, kunst en geschiedenis, en wist, wat ons onbekend was gebleken, dat er juist voor onderzoekingen van dien aard, die hij zich voorstelde te ondernemen, in onze provinciestad eene bibliotheek bestond, waarvan hij druk gebruik dacht te maken. Met één woord, het was iemand dien men geen half uur kon spreken of men begreep dat men met een buitengewoon mensch te doen had; dien indruk althans kreeg ik van hem op den eersten avond van zijne komst, bij de gesprekken die hij met mijn vader hield. Ik had nooit gedacht dat sir John een vriend kon hebben, die hem in alle opzichten zoo ongelijk was, want Lord William hield niet van de jacht en veroordeelde die zelfs als liefhebberij, reed alleen paard voor zijne gezondheid en had een kennelijken afkeer van alles wat ruw, onbeschaafd en onvoegzaam was. Hij erkende, dat hij zich nergens zoo gelukkig gevoelde als op zijne studeerkamer en bij zijne boeken, maar toch was hij ook man van de wereld en wist er zich te doen gelden zoo ras hij er in optrad. Hoe het kwam wist ik zelve niet, maar ik raadde terstond in hem groote zedelijke en verstandelijke meerderheid boven mijn vader en alle andere mannen die ik tot dusver had ontmoet, en ik heb later ondervonden dat hij ook op anderen diergelijken indruk maakte. Daar was dan ook iets in zijn voorkomen dat ontzag inboezemde; al was hij gansch geen Hercules, zooals mijn vader, er was toch iets kloeks en fiers in de slanke, rijzige gestalte. Ik hoorde de heeren zeggen, toen hij in hun kring optrad, dat hij leelijk was; maar wat mij betreft, ik kon dat niet zien, en de dames waarmee wij welhaast in aanraking kwamen waren allen zoo gevleid door de minste opmerkzaamheid die hij haar bewees, dat ik de heeren eer verdenk van afgunst dan van juist oordeel."
"De leelijkheid van Mirabeau, die alle vrouwen wist te verleiden!" viel ik uit, door eene onbestemde gewaarwording van wrevel overmeesterd.
"Zeg liever de leelijkheid van onzen stadhouder William III; want op diens portretten gelijkt hij meer dan op eenige levende persoon die mij bekend is. Hij had dat hooge, schrandere voorhoofd, wel niet diens ziekelijke bleekheid, maar toch de scherpe, eenigszins harde trekken, hij droeg hier en daar op zijn gelaat de merkteekens der kinderziekte, al was 't niet zeer in 't oog vallend; maar het strakke en stroeve van dat gelaat werd verzacht door zijn glimlach, en als bezield door zijn donkere, sprekende oogen, die vonkelen konden van geestdrift, en wier blik men evenmin kon trotseeren als dien van een arend."
"Had hij er den snavel bij?"
Francis keek mij even aan met zekere verwondering eer zij antwoordde: "Ik heb u gezegd dat hij op Willem den Derde geleek; hij had diens scherp gebogen neus."
"Ook de allongepruik?"
"Neen, maar het donkerbruine, krullende haar gaf zijn kapper zeker veel werk, zonder dat het baatte; zwaar en stug, scheen het alle pogingen te weerstaan om het onder de tucht van de hedendaagsche mode te brengen, en mylord zelf had de gewoonte het met zeker ongeduld naar achter te werpen zoo vaak het hem hinderde. Dan.... ik merk dat mijne uitvoerige schets u verveelt. Laten wij opstaan en naar huis wandelen."
"Niet voor ge mij verteld hebt welke prouesses hij heeft verricht, die held William IV."
"Geen prouesses in 't geheel; of het moest zijn dat hij mij van mijne zucht om den degen te voeren genezen heeft."
"Dat's loffelijk. Vertel mij dat eens."
"Ja, maar daar zijn we nog niet aan toe. Zonder dat ik zelve wist hoe het kwam, oefende hij op mij een onbeperkten invloed ten goede. Als bij intuïtie raadde ik, dat mijne wijze van zijn, mijn toon en manieren hem zeer weinig moesten bevallen; ook voelde ik mij de eerste dagen tegenover hem stijf en gedwongen. Ik durfde mij zelve niet zijn en ik verwenschte Rolf meer dan ooit die mijne Chelles te vroeg had verjaagd. Alleen om mij eene houding te geven tegenover den fieren, hooghartigen edelman, wiens goede toon, wiens fijne beschaving sprak uit alles wat hij deed of zeide, had ik mijne gouvernante bij mij gewenscht. Papa ging cavalièrement met hem om, zooals oude schoolmakkers, al zijn zij elkaar nog zoo ongelijk; maar mij kwam het voor dat hij met laatdunkende verwondering op mij neerzag zooals een adelaar op eene gemeene kraai. Toch bleek het dat hij beteren dunk van mij had dan ik zelve meende, en vooral dat de bevreemding over mijne wijze van zijn, die hij niet geheel kon ontveinzen, niet uit minachting voortkwam, maar wel uit zekere meewarigheid. Hij was aangegrepen door mededoogen met het jonge meisje, dat men uit haar natuurlijke sfeer had gerukt, dat men had misvormd en verwrongen tot iets dat zij niet had moeten zijn en dat zich misplaatst voelde juist daar waar zij behoorde. Op zekeren dag dat ik in 't salon aan de piano zat, eigenlijk maar om wat te tokkelen, terwijl de heeren in de _suite_ voor den haard stonden te rooken, hoorde ik Mylord tot sir John zeggen:
"Waarom ziet gij geen menschen? Waarom gaat gij niet met Francis uit; zij heeft den leeftijd?"
"Zoo wat, maar zij is nog te wild en te brusk!"
"Ik zie niet dat zij wild en brusk is; zij is alleen linksch en beschroomd, als eene die zich niet weet te houden: 't is of ze nooit in goed gezelschap heeft verkeerd."
"Zoo is het; op de kostschool is zij om hare woestheid verjaagd, en.... zooals zij nu is, durft men haar niet presenteeren."
"Nonsens! als gij dus met haar voortgaat, zal zij altijd even stijf en verlegen blijven. Juist als zij onder de menschen komt zal zij dat alles afleggen. Zij heeft geest en gevatheid, dat heb ik al opgemerkt. Zij zal heel spoedig in de wereld thuis zijn."
"Daarbij, de zoogenaamde _beau monde_ hier is niets dan een klein kringetje, ellendig, kleinsteedsch en vervelend; ik geloof niet dat er voor haar onder die lieden eene partij zal te doen zijn; en mij dan daarvoor op te offeren...."
"Gij hebt niets te verzuimen; gij moet het doen uit beginsel. Zij behoeft er niets anders te vinden dan gelegenheid om zich met gemak in de wereld te leeren bewegen."
Mijn vader mompelde zoo iets van verliezen en teleurstellingen, kostbare toiletten die er noodig zouden zijn, enz. enz.
Lord William haalde de schouders op en zag hem aan met een doorborenden blik.
"John, John! welk een vader zijt gij? Over die bagatellen spreken wij later...."
"Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet."
"Wij zullen ze leeren kennen. Meent gij misschien dat ik mijne winteravonden zal slijten met u op de sociëteit of bij uw heerenspeelpartijen? Daar bedank ik hartelijk voor; en dan _the poor child_ aan de verveling prijs geven? Dat zal niet gebeuren. De chaperon zal _ik_ zijn, als het niet anders kan, en 't overige zal zich vinden; maar.... _the little one_ luister, genoeg hiervan!"