Majoor Frans

Chapter 2

Chapter 24,102 wordsPublic domain

Ofschoon ik eene onbekende ben voor u, zijt gij het geenszins voor mij. Persoonlijk ken ik u niet, maar ik ben vrij goed onderricht van hetgeen gij zijt en _niet_ zijt. Door allerlei _brouilleries_ in onze familie en de inconsequente handelwijze van mijne oudste zuster, ben ik verplicht geweest in geheele vervreemding te leven (en zal ook desgelijks sterven) van al mijne verwanten; die mij de naaste waren, zijn trouwens sinds jaren overleden, en de overigen zijn hier en daar verspreid; en zelfs al woonden zij in dezelfde stad waar ik hoop te verscheiden, toch zouden zij zich nauwelijks herinneren, dat zij aan mij geparenteerd zijn, daar hunne grootouders, na al het mogelijke gedaan te hebben om mij het leven te verbitteren, het aan hunne kinderen en kleinkinderen hebben overgelaten, mij te vergeten en zich zoo weinig om de oude tante Roselaer te bekommeren, of zij nooit had bestaan, die zelve, dit wil zij erkennen, van hare zijde niets heeft willen doen, om hun geheugen op te frisschen en een rapprochement te weeg te brengen. Maar een mensen moet op zijn einde letten; ik ben nu in mijn vijf-en-zeventigste jaar en heb reeds eene attaque van beroerte gehad, die mij eene waarschuwing is geweest om zoodanige order op mijne zaken te stellen, dat er geene twist kan rijzen omtrent mijne nalatenschap, en bovenal dat deze niet zou kunnen vallen in handen van dezulken, die mijn leven verbitterd hebben; evenmin wil ik dat een heirleger van verre neven en nichten als haaien op mijne fortuin zullen aanvallen om die onder elkaar te verdeelen en alles te verbrokkelen, wat mijne ouders en ik zelve door orde, zuinigheid en wijs overleg hebben bijeenverzameld. Zoo heb ik dan besloten, een hunner tot mijn universeelen erfgenaam te benoemen, en die _eenige_ moet _gij_ zijn. Eerstens omdat uw moeders moeder degene mijner zusters is geweest, die mij het minste verdriet heeft aangedaan. Zij huwde een man van haar stand in goede positie, met volle toestemming harer ouders, en zij kon het niet helpen dat haar echtgenoot het slachtoffer is geworden van die afschuwelijke Belgische revolutie, waarbij hij leven en welvaart inboette, nalatende zeven dochters, van welke een uwe moeder is geworden, die zich evenmin als de andere nichten ooit om tante Sophie Roselaer heeft bekommerd, 't geen echter verschoonlijk is, daar bij hare terugkomst in 't vaderland de noodlottige familie-gebeurtenissen reeds hadden plaats gevonden, die mij besluiten deden met al de mijnen voor goed de gemeenschap af te breken. En de tweede reden--de voornaamste, waarom ik juist U onder al de anderen onderscheid, is deze: dat ik een goed gevoelen heb gekregen omtrent uw karakter en zelfstandigheid van geest. Ik heb op verschillende wijzen en tijden, bij vrienden zoowel als vreemden, naar u geïnformeerd, en de narichten zijn altijd van dien aard geweest, dat ik u den meest geschikte dacht om uit te voeren wat mijn eenigste wensch is, dien ik u dringend verzoek te vervullen, indien het u eenigszins mogelijk is, namelijk: het eenig nagelaten kleinkind mijner oudste zuster tot vrouw te nemen en haar op die wijze dat aandeel te geven aan mijne nalatenschap, dat ik haar, uit aanzien van de treurige verdeeldheid in onze familie, nu moet onthouden. Ik had dat meisje in hare vroege jeugd tot mij willen nemen; om haar eene goede opvoeding te geven en aan dien jammerlijken soldatenboel te ontrukken, waarin zij nu is opgegroeid; maar het is mij bot af geweigerd, en de generaal von Zwenken, haar grootvader, heeft daarmee de toekomstige fortuin zijner kleindochter roekeloos verspeeld, om zijn ouden wrok tegen mij satisfactie te geven. Ook heb ik mijn testament gemaakt met het vaste voornemen om hem, noch iemand der zijnen, ooit een penning van mijn vermogen te laten genieten; maar bij later inzien wil ik het kleinkind niet straffen om de misdragingen harer grootouders. Ik wensch integendeel _haar_ na mijn dood tot de erkentenis te brengen, dat die oude tante, wier naam zij zeker nooit dan met toorn en minachting heeft hooren noemen, nog zoo kwaad niet was en het althans met haar niet slecht heeft gemeend, ja zelfs na den dood nog het mogelijke heeft willen doen om haar te leiden door de hand van een edeldenkend man, die haar gelukkig zal maken, als zij het verdient. Aan haar zelve een deel van mijne fortuin toe te kennen, zou gelijk staan met het den grootvader in handen te spelen, die het voorzeker zou doorbrengen op dezelfde wijze als hij het vermogen mijner zuster heeft verspild en doorgebracht. Zoo kwam ik op het denkbeeld om U, neef Leopold, dien ik uit al de mijne bij mijne jongste beschikkingen heb uitverkoren om de onafhankelijke bezitter te zijn van al mijn wereldsch goed. U die ik weet een jongmensch te zijn van karakter en goede beginselen, U dit eene verzoek te doen, waarmee gij een onrecht dat ik genoodzaakt ben te plegen, zult goedmaken. De vraag is nu maar of gij in deze schikking genoegen zult nemen, en of het u mogelijk zal zijn aan mijne begeerte te voldoen. De bezwaren zouden kunnen voortkomen van de zijde die er het grootste belang in heeft, dit redmiddel, dat ik heb uitgedacht, aan te grijpen. In dat geval smeek ik u, de zaak niet dan op het uiterste op te geven. In 't andere geval, uw eigen tegenzin om u door eene lastige bemoeial als uwe oudtante blijkt te zijn, eene vrouw te laten opdringen, die u om de eene of andere reden niet convenieert, onthef ik u bij voorbaat van dien dwang, want ik wil dat er ten minste één lid van mijne familie zal zijn, die mijne nagedachtenis niet in afschuw houdt; maar als het daartoe komt kent de notaris van Beek mijne intentiën, waarnaar gij u zult te schikken hebben, zoo gij u niet van de gansche nalatenschap wilt verstoken zien, waardoor deze, zeer tegen mijn wil en wensch voor al mijne nabestaanden zou verloren gaan om aan industrieele ondernemingen te worden besteed. Dan, ik wacht wat beters van uw goed oordeel en wijs overleg, om niet te zeggen dat ik reken op uw goed hart, dat zich ontfermen zal over een jong meisje, reeds als kind door de kwaadwilligheid harer verwanten verstoken van de voorrechten die een deftig en gegoed geslacht haar scheen te waarborgen, en die haar volgaarne waren gegund door hare en uwe

liefhebbende oud-Tante

Sophie Roselaer tot de Werve.

P. S. Dat ik mij simpellijk Roselaer _tot_ de Werve moet schrijven en niet _van_ de Werve, is de schuld van den generaal; maar zijn koppigheid en dwarsdrijverij zal hem duur te staan komen.

"Nu, wat zegt gij?" vroeg Leopold, toen Verheyst na volbrachte lectuur het geschrift langzaam toevouwde met een bedenkelijk gezicht.

"Wat ik zeg? wel dat het een echte vrouwenbrief is: het punt dat bij haar het zwaarste weegt ligt in 't post-scriptum."

"Hm! dat kan waar zijn; hoe is 't mogelijk dat een christenmensch, dat eene vrouw, reeds met den eenen voet in 't graf, nog met zoo'n bitteren familiewrok is bezield geweest, en mogelijk om een bagatel!"

"Wat zal men zeggen .... uit de wissewasjes komen de felste processen voort, als men den wortel der bitterheid niet bij het eerste opschieten uitroeit. Maar ik had voor u wel gewenscht, dat deze dame met andere gevoelens ware bezield geweest jegens hare verwanten; de zaak ware dan zoo licht gevonden. Convenieerde u de jonge dame, dan: het huwelijk; viel het anders uit, dan: de verdeeling; gij bleeft beiden vrij, en met een half millioentje zoudt gij het ook wel kunnen doen."

"Och! dat het haar behaagd had mij een dertig duizend gulden te maken zonder conditie," verzuchtte Leopold, "dan ware ik van al dat geharrewar af."

"Dat zou zeker wel het gemakkelijkste zijn geweest voor u!" hernam Verheyst, even glimlachend; "maar ziet gij, men heeft niets voor niet, en als nu de wraakzuchtige oude dame u heeft uitgekozen om het instrument harer wraakzucht te zijn, dan kunt gij niet anders dan dien lastpost aanvaarden."

"Dat zie ik nog niet in...."

"Ik ben er zeker van dat zij zich op haar sterfbed heeft verkneukeld bij de gedachte, dat zij eene kampioen voor hare grieven heeft achtergelaten."

"Heel goed, maar als zij zich verbeeldt dat ik, ter wille van haar geld, de laagheid zal plegen, zoo maar blindweg hare kwade intentiën te dienen, dan heeft zij zich zonderling in mij vergist, of men heeft haar al zeer verkeerde berichten omtrent mijn karakter aangebracht."

"Vooreerst weet gij immers niet of er werkelijk iets van u verlangd wordt, dat met uw karakter in strijd is. Voorts moet ik u zeggen, dat de beschikkingen eener overledene niet bediscussiëerd mogen worden, en dat men er zich zooveel doenlijk naar voegen moet. Blijkt u dat inderdaad onmogelijk bij nader onderzoek, welnú, dan is het nog niet te laat om terug te treden."

"Voorloopig heb ik in dien zin aan den notaris, geschreven. Ik voel wel dat ik beproeven moet of er iets van dat huwelijk kan komen; ik ben het in de eerste plaats aan het jonge meisje verplicht maar om de waarheid te zeggen: ik zou zoo graag willen dat een ander dan ik, gij bij voorbeeld, de eenige wien ik op dat punt volkomen vertrouwen kan, eens een kijkje kon nemen van de familie von Zwenken, van de jonge dame allermeest, eer ik zelf optrad, 't geen zoo heel decisief zou zijn...."

"Hoe gij u nu reeds de _airs_ geeft van een millionair!" viel Verheyst in. "De preliminairen van zijn huwelijk te laten openen per ambassadeur! Jammer, waarde patroon, dat ik volstrekt niet in de gelegenheid ben uwe opdracht te aanvaarden. Wie weet hoe ver de serviliteit voor uw aanstaanden rijkdom mij anders nog vervoerd zoude hebben!" Er was eene mengeling van spot en gekrenktheid in den toon van dit antwoord, die Leopold deed opschrikken.

"Dit verwijt is immers geen meenens?" vroeg hij getroffen. "Gij weet wel dat ik niets kon bedoelen dan een vriendendienst vragen aan den eenige, wiens scherpzinnigheid en helder oordeel ik beter vertrouwen zou dan mijn eigen blik, door allerlei strijdige aandoeningen licht beneveld!"

"Wees gerust, zóó heb ik het ook opgenomen; ik wilde u slechts een weinig plagen, maar ongelukkig is het beletsel dat ik aanvoerde geen scherts maar strenge ernst. Ik moet morgen hier in den Haag blijven voor mijne eigene zaken, en daarna heb ik geen dag, geen uur meer te verliezen, om de laatste aanstalten te maken voor mijne groote reis."

"Van welke groote reis spreekt gij?"

"'t Is waar ook, wij hadden het zoo druk met uwe zaken, dat ik vergat u van de mijne te vertellen. Als gij mij niet uitgenoodigd hadt bij u te komen, zou ik u toch morgen in den loop van den dag eens opgezocht hebben om u mede te deelen wat mij is overkomen...."

"Toch geen kwaad?" vroeg Leopold, hem ernstig aanziende.

"Neen, neen! ontstel maar niet. Gij zijt niet de eenige wien de fortuin toelacht. Mij is het aanbod gedaan door den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, om hem als particulier secretaris te vergezellen. Behalve het aanzienlijk jaargeld dat hij mij biedt en de uitnemende gelegenheid om op de meest comfortable wijze den overtocht naar Java te doen, dat ik altijd verlangd heb te leeren kennen, zijn de vooruitzichten, die dáár voor mijne toekomst geopend worden, zoo verlokkend, dat ik aan de verzoeking geen weerstand heb kunnen bieden, en veel liever dan in mijne provinciestad te blijven wachten op schrale processen, of naar de eene of andere rechterlijke betrekking,--mij voor een jaar of wat expatrieer, om eenmaal terug te keeren in al de wichtigheid van een Oosterschen nabob," eindigde hij met eene poging tot scherts, die blijkbaar niet van harte ging, want geen vroolijke glimlach verhelderde zijn, gelaat bij die schoone voorstelling.

"Ik kan u geen ongelijk geven," hernam Leopold, die ook zijn best deed om zich goed te houden, schoon het hem even slecht gelukte, want zijn verbleeken reeds verried hem, "maar toch, het spijt mij; ik kan u niet zeggen _hoe_ het mij ook spijt, dat gij heengaat, juist nu ik in de gelegenheid zou zijn, uw leven als het mijne te veraangenamen. Denk toch eens, Willem! Ik krijg bosschen en heidegronden in mijn bezit, en gij, die zooveel van jagen houdt...."

"Ik zal nu maar wachten tot ik de groote tijgerjachten op Insulinde bijwoon...."

"En hebt ge waarlijk nog maar zóó weinig tijd voor u, eer we voor goed afscheid nemen?" viel Leopold in, met eene zachte stem, waaruit zijne aandoening sprak.

"Wat zal ik je zeggen! Zijne Excellentie heeft besloten met den eersten mail te gaan, die half April vertrekt. Wij moeten dus zorgen tijdig te Marseille te zijn, en met alles wat er nog te schikken en te regelen valt, ziet gij wel dat er niet veel tijd voor vriendschapsdiensten meer overblijft."

"Hoe komt die Gouverneur-Generaal er toch toe, om juist u voor dat baantje uittekippen?" vroeg Leopold verdrietelijk.

"Dat is licht te verklaren. Hij is wat aan mijne familie geparenteerd, daarbij uit onze provincie herkomstig. Hij kende mij reeds vóór hij in de Kamer optrad; hij had mij sinds lang zijn invloed toegezegd als er sprake was van zijne bevordering, en nu hij zoo'n hooge betrekking kreeg, was het juist niet vreemd, dat hij aan mij dacht. Hij kon niet weten, dat ik voor mijn Leopold zóó onmisbaar zou zijn."

"Sla den nagel maar niet dieper in, Willem! Ik voel wel, dat ik mij den schijn geef van een grof egoïsme; maar geloof mij, uw besluit om 't vaderland te verlaten treft mij niet het meest om mijns zelfs wil, al word ik daardoor verstoken van uw vriendenraad en hulp; maar bij de voorstellingen, die ik mij maakte van de toekomst, bij de plannen, die ik bouwde op mijne toekomende fortuin, waart gij zoozeer mede begrepen, dat ik mij niet zoo op eens gewennen kan aan het denkbeeld, dat gij u nú juist voor goed van mij gaat losmaken, om 't geluk te gaan zoeken in den vreemde, dat ik als 't ware in de hand had u te bieden. Gij verlangt te reizen.... Wij hadden het immers samen kunnen doen?"

"En uwe vrouw!"

"Mijne eerste conditie zou geweest zijn, dat zij zich aan mijn vriend had te gewennen."

"'t Is nog beter, dat gij zulke conditie niet behoeft te stellen. Mogelijk zijn er bezwaren genoeg te overwinnen zonder dat. En begrijpt gij dan niet, gij, die liever in bekrompenheid hebt willen leven dan uwe onafhankelijkheid prijs te geven, dat ik op mijne beurt ook eene onafhankelijke positie verkies boven de meest welgemeende aanbiedingen van een vriend? Hoe zou het mij zijn, zoo ik op uwe fortuin zou gaan teeren?"

"Een onafhankelijke positie! de dienstman te wezen van een satraap!"

"Satraap zooveel gij wilt, hoewel mijn chef nog niets gedaan heeft om hem in die categorie te rangschikken. Maar om alleen op mij zelven te komen. Ik zal niet altijd in die ondergeschikte positie blijven. Mijn beschermer, die een man van zijn woord is, zal mij spoedig genoeg voorthelpen, als hij mijne geschiktheid heeft beproefd, en dan.... het is nog niet gezegd, Leo! wie van ons beiden den zwaarsten kamp zal moeten voeren, om de fortuin te veroveren...."

"Wel zeker! Naar de Oost trekken, maken dat men er gauw rijk wordt, en dan naar Holland weerkeeren om in den Haag eene villa in 't Willemspark of een Geldersch landgoed te gaan bewonen, dat is in een ommezientje geklaard; maar ik kan juist niet zeggen, dat ik het prijselijk vind, en ik zou het waardiger en dankbaarder achten, dat men zijne schatten ten minste ging verteeren waar men ze heeft opgezameld."

"Het is waar, Leopold; van de tien handelen minstens zeven op die wijze; maar waarom verdenkt gij mij, dat ik juist tot de zeven zou behooren? Waarom ben ik zoo plotseling in uwe schatting gedaald?"

"Waarom! waarom!" riep Leopold, opstaande en zijn stoel met drift ter zijde schuivende, "omdat het mij is, of ik zelf gedaald ben in de uwe; dat kwelt mij en maakt mij wrevelig. Luister, Willem! ik neem een kort en goed besluit: ik ga aan dien van Beek schrijven, dat ik van zijn verwenscht millioen afzie, en dan ga ik met u mee naar Indië; daar zal voor mij toch ook nog wel plaats zijn."

"Ik had er werkelijk aan gedacht, u iets dergelijks voor te stellen eer ik uw brief had ontvangen, maar nù zou dat dwaasheid zijn."

"Geene dwaasheid; want ik voel dat de demonische macht van dat geld mij al gaat beheerschen en dat ik er hoe langer hoe meer onder zal raken als ik er mij niet met één forsche daad aan ontworstel. Ik ben al zoo ver, dat ik anderen voor mij zelven vergeet, en aan niets weet te denken dan aan mijne eigene bezwaren, en dat om dit ellendig geld."

"Dat blijkt; want gij vergeet, dat het niet enkel eene geldkwestie is. Gij vergeet dat jonge meisje, dat gij daar zoo bot weg in den steek zoudt laten, zonder te onderzoeken, of zij ook waardig is, dat gij haar uw steun biedt en of gij haar niet willekeurig versteken gaat van 't geen haar is toegedacht."

"Gij hebt goed praten, maar.... als gij in mijne plaats waart...."

"Zou ik handelen en mij zelf overwinnen, om te zien wat er in dezen te doen viel. Gij ziet op tegen den strijd, dien u wacht, tegen de bezwaren, die uwe rust gaan verstoren, ziedaar alles; en nu meent gij eene grootsche daad te doen met het hoofd af te wenden en uw gewonen weg te gaan, of er u geen nieuwe plichten waren opgelegd. Mis, vriendje! Met mijne toestemming zult gij zulke ongerechtigheid niet plegen. Gij moet den strijd aanvaarden; niet tegen den berg opzien, waarachter het onbekende ligt, en als een echt paladijn den kruistocht ondernemen tegen de reuzen en draken, die uwe dame in gevangenschap houden."

"Gij hebt, op mijn woord, gelijk. Ik mag dat meisje niet zoo willekeurig op zij schuiven, al zou ik ook vrijheid hebben om zelf arm te blijven uit gemakzucht. Het blijft er bij, Willem! Ik zal niet lafhartig teruggaan in dezen kamp, al moet het er een zijn tegen mijzelven. Ik ben gelukkig geen vreemdeling in zulken strijd; maar ziet gij, een vriend als gij, die bijtijds waarschuwt, zou mij zoo noodig zijn. Maar het zij zoo; ik sta u af, al is 't noode. Ik weet, waar ik mijne sterkte zal zoeken. Ja! glimlach maar.... gij, die zoo vast in uwe schoenen staat, dat gij nooit behoefte gevoelt aan hooger hulp."

"Dat heb ik nooit gezegd, Leopold. Ik glimlachte, het is waar, over de levendigheid en de snelle wisseling uwer aandoeningen; maar ik ben er verre af, in u te bespotten wat ik hoogacht, al kan ik uwe religieuse opinies niet deelen."

"Waarom niet? Is het dan zoo moeielijk, te gelooven aan krachten en machten, die men niet zien, niet ontleden kan; wordt het leven niet een jammerlijk _terre à terre_, als men het opvat zonder iets aan 't bovenzinnelijke te hechten; in één woord; hebt gij, gij, die een ernstig en zedelijk mensch zijt, gansch geene behoefte aan geestelijk leven, aan godsdienst?"

"Wat zal ik je zeggen, Leopold! Wij leven in een tijd van spoorwegen en stoommachines, waarin iedereen op zijn eigen terrein zoo wordt voortgejaagd en gedreven, dat men waarlijk lust noch tijd overhoudt om veel, om diep na te denken. En de theologie is een akelige doolhof, vol doornstruiken en wespennesten, waarin ik niet graag zou ronddolen. Ik weet wel, er is een gemakkelijke weg om voor religieus door te gaan en zich zelf wijs te maken, dat men het werkelijk is. Men heeft alleen maar binnen 't cirkeltje te treden, dat eens en voor goed is afgebakend. Maar .... dat is mijne zaak niet, al weet ik _que c'est très bien porté_ in zekere côteriën...."

"Gij weet van mij, dat ik mijne overtuiging niet van côteriegeest heb afhankelijk gemaakt," viel Leopold in, vast, maar zonder gekrenktheid.

"Als ik dit _niet_ van u wist, zou mijn uitval eene opzettelijke krenking zijn, Leo! En al houd ik er van, u eens een weinigje te plagen ik zou u nooit willen grieven in 't geen ik weet dat u zeer na aan 't harte ligt. Wat ik zeide, was voor mij zelven, omdat men mij juist in dezen tijd wel eens lastig is gevallen op zeker punt. Wat u betreft, gij hebt u nu eenmaal vastgezet in eene overtuiging, die ik niet zal bestrijden, te minder, daar gij er uw leven naar hebt gericht. Maar juist daarom, Leopold, kan ik niet inzien, dat ik U zoo onontbeerlijk zou zijn dat ik mijne vermoedelijke fortuin aan de eischen uwer vriendschap zou moeten opofferen."

"Bij dieper nadenken zou ik dat ook niet gevergd hebben, Willem; alleen.... gij hebt daarin gelijk.... ik ben wat snel, wat levendig in mijne opvatting, en mijne eerste opwelling was die van teleurstelling. Gij weet, ik ben er nu overheen, en gij zult zien dat ik niet meer weifelen zal in mijn voornemen om de aangeboden fortuin te aanvaarden met al hare baten en schaden, al drukt mij nu reeds de groote verantwoordelijkheid die zij zal opleggen."

"Maar vergeet dan ook niet de groote voorrechten, welke zij geeft; ware 't maar alleen de gelegenheid om veel goed te doen. Komaan, schep moed! Uwe schouders zijn krachtig genoeg om den last van een millioentje te dragen; uw hoofd is niet te zwak om groote bezittingen te beheeren. Gij hebt eene reine, werkzame jeugd achter u. Het tijdperk, dat gij nu intreedt, is dat van mannelijke kracht. Uw vastheid van wil is reeds gerijpt in menige beproeving, die gij zegevierend hebt doorgestaan. Is er dan vrees dat gij versagen zoudt voor het te veel, gij, die het zoo vorstelijk met het te weinig hebt weten op te nemen?"

"Nu nog mooier! Gij gaat mij vleien," sprak Leopold lachend. "Gij wilt eens zien, hoe ik dat opnemen zal; maar wees gerust. Tegen vleierij heb ik een ferm waterproefje aan; ik ken mij zelf een weinig....".

"Nog niet genoeg, als gij twijfelt of ik hier in vollen ernst spreek. Ik ben acht jaar ouder dan gij, Leopold! en sinds wij elkaar leerden kennen, heb ik uwe worsteling met het leven en de omstandigheden met belangstelling gadegeslagen, en zoo mag ik zeggen: gij _zijt_ voor die moeielijke taak opgewassen. Gij hebt het 'adeldom verplicht' zóó goed weten op te vatten, dat gij het 'rijkdom verplicht' ook in de beste beteekenis zult toepassen."

"Het moeten sterke beenen zijn, die de weelde dragen. Mijn hoofd heeft reeds geduizeld bij de voorspiegeling van een millioen.

"Wie zegt u, dat bij 't werkelijk bezit mijn voet niet zal wankelen, niet zal uitglijden...."

"Reeds uwe eigen bezorgdheid op dit punt is mij de beste waarborg. Indien ik er anders over dacht, geloof mij, dan nam ik u liever mee als mijn adjunct naar Indië. Maar nu.... luister. Ik ben er in zekeren zin bij geïnteresseerd, dat gij het er goed afbrengt met die erfenis. Toen ik de hand van dien notaris zag, kreeg ik een vermoeden, en toen ik in den brief van uwe oudtante las, dat zij op iedere wijze naar u had geïnformeerd, ging mij het volle licht op. Ik herkende de hand als die van iemand, die in 't voorgaande jaar mij geschreven had, om informaties te nemen naar u. Er was bijgevoegd, dat de navraag geschiedde met geene andere dan goede intentiën en dat mijn antwoord voor den persoon in kwestie geheim zou blijven. Ik behoef u niet te zeggen, hoe mijn antwoord was ingericht, en _ik_ heb grond om te gelooven, dat mijne getuigenis heeft medegewerkt tot het besluit van jonkvrouwe Roselaer tot de Werve. Stel mij dus niet ten toon als een valschen berichtgever, door uit overdreven nauwgezetheid te eeniger tijd de zaak te laten varen. Had nadere kennis van de eischen der testatrice mij doen zien, dat men bedoelde u een valstrik te spannen of tot eene laagheid te bewegen, dan zeker zou _ik_ mij geene moeite gegeven hebben uwe bezwaren te bekampen en het eenvoudig op uw instinct van eerlijkheid laten aankomen. Nu blijkt dit niet het geval, en ik zeg u: zet door; wie weet welk een parel van eene vrouw u, dus in 't goud gezet, wordt aangeboden. Apropos, weet gij al hoe uwe aanstaande heet en waar zij gezocht moet worden?"

"Ik heb van ochtend juist een briefje gekregen van den notaris, met verzoek om zoo spoedig mogelijk bij hem te Utrecht te komen, daar hij in de gelegenheid is, mij inlichtingen te geven omtrent den generaal von Zwenken en zijne kleindochter Francis Mordaunt."

"Mordaunt! Heet zij Francis Mordaunt?" riep Verheyst, kennelijk onaangenaam verrast.