Majoor Frans

Chapter 19

Chapter 193,989 wordsPublic domain

"Dat zou ik ook waarlijk niet verlangen; gedwongenheid waarbij uwe levendigheid, uwe opgeruimdheid moest ondergaan, zou u al heel slecht passen; als gij mij maar vergunt _zeker personage_ tot de orde te roepen als hij in zijne onbesuisdheid freule Mordaunt te kort zou doen."

"Gij schijnt er aan te hechten," sprak zij met een zacht hoofdschudden,--"aan die freule Mordaunt; maar wij zullen zien. Daar hebben wij nu het gemakkelijke zandpad, en wij kunnen rustig voortwandelen."

Zwijgend bood ik haar mijn arm, dien zij nam, terwijl zij aanving:

"Men zegt van mij, dat mijne opvoeding verwaarloosd werd, dat is in eigenlijken zin niet waar. Ik ben gansch niet in 't wilde opgegroeid. Men heeft zelfs zeer veel werk gemaakt van mijne vorming; maar juist die leiding heeft mij ontbroken, waaraan ik de meeste behoefte had, want ik ben opgevoed als een jongen! Zooals gij reeds gehoord hebt, overleefde mijne moeder slechts weinige dagen mijne geboorte; zij althans heeft geen schuld aan 't geen men tegen mij heeft gepleegd. De zuster van Rolf, slachtoffer eener lage verleiding, en ongehuwde moeder, maar overigens eene flinke, eerlijke boerendeern, werd mijne min. Haar kindje was gestorven en al wat er van moederlijke liefde in haar hart school, werd op mij overgebracht. Ik was _haar kind_. Zij verstond het niet anders. Ook is zij mij bijgebleven tot haar dood, toen ik reeds geen kind meer was. Maar hare liefde was toch eene andere dan zij aan haar eigen kind zou hebben betoond. Onze vrouwen uit den boerenstand plegen geen zwakke moeders te zijn; en zij was dàt voor mij. Zij gaf mij in alles mijn zin, en haar argument voor die toegevendheid was altijd dat er geen mensch in de wereld was als zij om mij lief te hebben. Dat was overdrijving; want grootpapa, die destijds met mijn vader hetzelfde huis bewoonde hield van mij, hoewel het maar al te waar was dat Sir John Mordaunt zich al heel weinig om het kleine meisje bekommerde. Waarheid is, dat hij een zoon gewenscht had, niet alleen ter wille van zijn naam, maar ook omdat daaraan zijne toekomstige fortuin hing. Hij had een zoon gehad, evenals ik Francis gedoopt, op wiens bestaan groote verwachtingen waren gebouwd, doch die slechts een half jaar leefde. Twaalf maanden na dit verlies, waarover mijn vader zich nooit heeft kunnen troosten, werd hem die dochter geboren, die door hem met zoo weinig ingenomenheid werd begroet, dat de moeder zelve er smartelijk door werd getroffen. Na alles wat ik later heb ondervonden, moet ik onderstellen, dat leedwezen over de grievende teleurstelling die zijne koelheid haar veroorzaakte, de laatste levensuren mijner moeder heeft vergald, zoo niet haar dood heeft verhaast. Hoe dat ook zij, Sir John Mordaunt wilde niets van zijn kind weten, totdat op zekeren dag 'Nurse,' die deze onverschilligheid niet uitstaan kon, mij eens bij hem binnenbracht, om te laten zien welk een kloek ferm kind ik was, en hoezeer het meisje het in kracht en gezondheid won van het kwijnende jongske, dat geen zeven maanden had kunnen leven. 'Waarachtig, dat kon best een jongen zijn!' moet papa toen hebben uitgeroepen, naar 't verhaal van Rolf, die tegenwoordig was. En van dien dag af begon Sir John zich met mij bezig te houden dat wil zeggen aan mijne opvoeding een bijzondere richting te geven, die mij gemaakt heeft wat ik nu ben en die mij mogelijk tot nog veel ergers zou gebracht hebben, zoo niet tusschentredende personen en omstandigheden de uitwerking zijner ongewone opvoedingsmethode eenigszins gewijzigd hadden. Onder pretext van hygiëne en Engelsch gebruik liet men mij tot mijn zevende jaar een ruim en gemakkelijk kostuum dragen, dat Nurse met minachting 'een jongenspak' noemde, maar dat bijzonder geschikt was om mij tot allerlei lichaamsoefeningen in staat te stellen. Toen ik even loopen kon, kreeg ik al een meester in de gymnastiek; ik werd gehard tegen hitte en koude als een jonge Spartaan; Rolf werd gelast mij de exercities te leeren toen ik pas een kindergeweer kon dragen. Hij verzuimde evenmin mij les in het schermen te geven, en het ontbrak mij niet aan gelegenheid om mij in die nobele kunst te oefenen, daar alle jonge officieren die bij ons aan huis kwamen er pleizier in vonden, of dat uit complaisance voor papa voorwendden, om zich met mij te meten. Eene wezenlijke of eene gewaande triomf over hen werd mij door Sir John op het schitterendst beloond. Ik mocht ieder mijner invallen botvieren, als het maar wilde, brutale, jongensachtige caprices waren. Ik weet niet wanneer men begonnen is mij den bijnaam van den 'kleinen majoor' te geven, noch zelfs waarom; ik onderstel dat het Rolf is geweest die dit heeft bedacht, om mij bewijs te geven van zijne diepe vereering en tegelijk om mij te onderscheiden van grootpapa, die toen tot den rang van majoor was geklommen; maar ik weet wel dat papa smaak vond in die benaming en niet naliet haar telkens te gebruiken, en ik herinner mij nog zeer goed, hoe ik verbaasd stond toen een officier, denkelijk een _new come_, mij als freule Francis aansprak. Ik weet wel, dat ik het heel kwalijk opnam en een Engelschen vloek uitstiet van ergernis, dien ik Sir John meermalen had hooren bezigen. Ik weet ook, dat papa mij toen van den grond tilde en mij al lachende kuste. Het was de eerste maal dat hij mij op die wijze zijne vaderlijke teederheid toonde. Was het mijne schuld dat ik dat grove woord een mooi woord achtte en niet naliet er meer van dien aard te baat te nemen als ik mijn zin wilde hebben of eenige kracht wilde leggen in mijne uitdrukking. Er werd altijd over gelachen, ik werd er voor gekust en toegejuicht.... hoe had het anders kunnen zijn!"

"'t Is zelfs te verwonderen dat de kwade gewoonte er u niet van bijgebleven is."

"Lang genoeg, om u de waarheid te zeggen; en nog ben ik niet zoo heel zeker dat niet in drift.... Toch moet ik Nurse de eer geven, dat zij er op hare wijze tegen reageerde door te vertellen, dat vloeken zonde is; want zoodra ik eenigszins de portée van dat woord vatten kon, had zij mij daartegen een heilzamen afschrik ingeboezemd. 'Maar mag papa dan zonde doen?' vroeg ik.--'O, voor heeren is dat wat anders.'--'Dan wil ik ook geen meisje zijn!' En dan volgde er doorgaans een gesprek waarbij de eerlijke vrouw op hare wijze moraal predikte. Het eindigde altijd daarmee, dat ik boos was geen heer te wezen, en werkelijk heeft de spijt van maar een meisje te zijn mijne onbezorgde kinderjaren vergald. En de woede waarmee ik witte neteldoeksche jurkjes en sierlijke hoedjes vernielde, die Nurse mij op zekeren tijd eigenmachtig te dragen gaf, bewees wel dat er al heel weinig een meisjesaard in mij zat."

"Die school er wel in, Francis! ik ben er zeker van. Maar men heeft de natuur geweld aangedaan en...."

"Dat is zoo waar, dat ik nooit anders dan jongensspeelgoed kreeg: trommels, zweepen, soldaten, en toen grootpapa eens op het idee kwam om mij een pop te geven, werd die terstond met diepe minachting weggesmeten. De plooi had zich gezet; papa kon gerust zijn. Op kinderenpartijen liet men mij niet gaan; jongejuffrouwtjes kwamen bij ons niet aan huis; ik groeide op in den kring van groote menschen, officieren, liefhebbers van de jacht en van paardrijden, eene oefening waarvan ik op mijn achtste jaar al kon meepraten, en van vrouwen merkte men bij ons niets dan de dienstboden en Nurse. Toen er kwestie was van leeren, kreeg ik meesters aan huis, en toen Nurse zich niet langer in staat verklaarde het wilde, eigenzinnige, onmanierlijk kind te regeeren, kreeg ik.... een gouverneur! Het was een schrander man, die veel kennis bezat, maar een laag karakter; een bruikbaar mensch, zooals men dat noemt, en die zich ook werkelijk heeft laten gebruiken om mij af te richten op de rol, die men mij wilde laten spelen in de mystificatie op groote schaal die men voor had. Het is mij later gebleken, dat Sir John den dood van zijn zoontje in Engeland geheim had gehouden, evenals de geboorte van zijn dochter; dat hij de laatste de plaats van den eerste wilde doen innemen aan gene zijde van 't Kanaal, en dat hij de mogelijkheid voorbereidde mij daarvoor te doen optreden in zekeren bepaalden kring. De afzondering waarin men mij hield, het onderwijs dat men mij gaf, de bijzondere richting die Dr. Darkins en Sir John altijd aan hunne gesprekken gaven, strekten om mij te isoleeren van de personen mijner sekse, om mij een afkeer in te boezemen van hare levenstaak, en zekeren wrevel over de positie die ons in de maatschappij is toebedeeld, terwijl daarentegen mijne zucht tot onafhankelijkheid werd gevoed en gevleid, en men aan mijn geest, aan mijn karakter zekere eigenaardigheden trachtte te geven, die men kloeke, mannelijke vorming noemde, hoewel ik later die hooggeprezen hoedanigheid veel minder bij de meeste mannen dan bij enkele vrouwen heb waargenomen. Ik deed mijne winst met die opvoeding, maar niet op de wijze die het meest gunstig was voor hunne oogmerken, want ik haatte alle bedrog en onwaarheid, en achtte dat laagheid en lafheid, terwijl het mijn lust was mij kloek en open te vertoonen voor ieder, zooals ik was.

"Ik houd mij overtuigd, dat grootpapa geen deel heeft genomen in dit komplot, hetzij hij er het gevaarlijke van inzag, of dat het streed tegen zijn principes, een meisje te zien opvoeden zoo geheel _à contre sens_ van hare bestemming; maar hij beging de zwakheid om niet ronduit voor zijn gevoelen uit te komen en zich niet rechtstreeks te verzetten tegen hetgeen hij verkeerd achtte. Alleen zijdelings contrarieerde hij het plan van Sir John, schonk mij werkdoosjes en breimandjes, op een tijdstip dat ik naaien noch breien kon, en lag altijd met dr. Darkins overhoop, dien hij volstrekt niet lijden mocht en die het hem uit alle macht vergold. Er vielen dan tusschen hem en Sir John discussies voor, waarvan ik iets later de beteekenis begreep, maar die daarmee eindigden, dat grootpapa van garnizoen veranderde, denkelijk op eigen verzoek en dat wij ons niet als gewoonlijk met hem verplaatsten. Rolf trok mee weg, maar de officieren en de andere heeren van de stad (de hoofdstad van de provincie), die ons huis frequenteerden, vonden er een veel te gul onthaal om niet in de gewoonte te blijven, al gebood de plicht het hun niet meer tegenover een hoofdofficier. Want sir John leefde op den voet van een Engelsch baronet die drieduizend pond te verteren heeft. Voor mij echter had er weldra eene groote verandering plaats. Ik was mijn veertiende jaar ingetreden: dr. Darkins kreeg zijn afscheid, en ik werd op eene kostschool geplaatst; een voornaam dames-instituut. Ik moet er dit wel bij zeggen, want na alles wat ik u van mijns vaders handelwijze met mij heb verteld, zoudt gij in de war kunnen raken."

"Toch niet; hetgeen gij over kostschoolmanieren gezegd hebt moet uit eigen ervaring zijn gegrepen."

"Dat is maar al te waar! Ik rookte al dapper fijne sigaartjes, al had grootpapa mij gewaarschuwd, dat ik mijne tanden zou bederven, en nu werd op eens besloten dat ik onder de jonge meisjes moest, om een goeden toon te krijgen!--Ik dankte dezen plotselingen omkeer aan het bezoek van mijns vaders zuster, _aunt_ Ellinor, eene dame die met een bejaarden graaf was getrouwd en nu met hem het '_continent_' bezocht. Mylord had voor het badseizoen een appartement te Scheveningen gehuurd en had geen lust _the Dutch provinces_ dieper in te gaan. Mylady echter wilde haar broeder weerzien. Zij overviel sir John zonder waarschuwen, dat bleek uit alles. Zij bleef twee dagen bij ons logeeren met hare kamenier; maar hare eerste ontmoeting met mijn vader, waarbij ik tegenwoordig was, deed mij opeens een licht opgaan over 't geen mij tot dusver onverklaarbaar was gebleven.

"En Francis moet nu al een flinke jongen zijn; wat zult gij van hem maken?" hoorde ik haar zeggen.

"Van Francis is niets te maken, want zij is maar een meisje," antwoordde mijn vader knorrig en verlegen. "Het oudste kind, een zoon, is gestorven. Ik heb niets dan dit."

"John, John!" riep de lady verwijtend, "en de heele familie verkeert in het denkbeeld dat gij een zoon hebt en gij hebt niets gedaan om ons uit de dwaling te helpen, en de oude baronet, die u jaarlijks de toelage uitkeert voor zijn erfgenaam, rekent er op dat deze eenmaal naar Engeland zal overkomen om hem te worden voorgesteld. Waar moet dat heen! Is dat _gentlemanlike?_"

Papa lispelde zoo wat van "_absolute necessity_" en scheen een beroep te doen op hare medewerking.

De fiere lady barstte los in verontwaardiging.

"Meent gij dat ik bij deze misleiding uwe handlangster zal zijn?"

Sir John, die mij nu eerst opmerkte, daar ik in eene vensterbank zat, half verscholen tusschen de zware gordijnen, liet eene krachtige verwensching hooren, die mij gold en die niets bewees dan zijne teleurstelling over het mislukt ontwerp. Hij beval mij, onverwijld de kamer te verlaten, daar hij met lady Ellinor had te spreken.

Maar ik was veel te weinig aan volgzaamheid gewoon om zoo onverwijld te gehoorzamen. Ik liep schielijk op Lady Ellinor toe om haar te zeggen dat ik Francis was, en nam mij voor haar te vragen, waarom zij het eene misleiding noemde dat ik maar een meisje was. Doch er lag iets in den blik dien sir John op mij wierp, die mij schrik aanjoeg, iets dreigends, met angst en ontzetting gemengd, dat mij het zwijgen oplegde en mij tot een schielijken aftocht dwong.

Wat er verder tusschen hen voorgevallen is, kon ik alleen opmaken uit hetgeen volgde, daar ik te trotsch was om als laaghartige luisteraarster mij achter de deur te verschuilen. Integendeel, ik wierp die knorrig achter mij toe, hetgeen _aunt_ Ellinor zeker niet onopgemerkt heeft gelaten. Zij was er wel de vrouw toe om mij in die paar dagen opmerkzaam gade te slaan en te leeren kennen, en ik was geen kind om mij te kunnen of te willen verbergen. Ze schonk mij bij het afscheid vijftig pond sterling voor mijn _trouseau_ als ik naar de kostschool zou gaan, en de belofte dit geschenk jaarlijks te herhalen zoo ik mij daar goed gedroeg en de manieren aannam van eene jonge dame, zooals dat in mijn stand behoorde.

Ik antwoordde haar dat ik niets kon beloven, daar ik een hekel had aan meisjeskostscholen na alles wat ik er van had gehoord, en nog meer aan jonge dames, daar ik er nog nooit eene had ontmoet die mij beviel of waar ik op had willen gelijken; dat ik veel meer lust had om met dr. Darkins naar Engeland te reizen, zooals mij beloofd was.

"Van die reis zal nu nooit meer iets komen, _my child!_" verzekerde zij; "daar zal _ik_ voor zorgen." Meer opheldering kreeg ik van haar niet, en ik begreep, dat ik er sir John niet naar behoefde te vragen.

Het was gelukkig dat ik mijn woord niet gegeven had aan mylady omtrent mijn goed gedrag op de kostschool, want ik kon het er geen jaar volhouden! In zekeren zin was ik de oudste élèves vooruit, want ik had veel geleerd, waarvan zij nog niets wisten; maar op sommige punten was ik onhandiger en meer onkundig dan de kinderen uit de laagste klasse. Ik maakte alle breiwerk in de war, brak de naalden uit ongeduld, vermorste stoffen en zijde als ik borduren moest en werd woedend als men mij om deze linkschheid uitlachte of bestrafte; om kort te gaan, men kon met mij niet terecht en ik kon niet overweg met de anderen. Ik vocht met de secondante, deelde klappen uit aan de scholieren, die mij al heel gauw Majoor Frans noemden, daar er ook stadgenooten onder waren, die den bijnaam hadden verraden; en juist van die meisjes verkoos ik dit niet te hooren. In één woord: binnen de zes weken liep ik weg, en teruggebracht onder de scherpste bedreigingen van Sir John's zijde, bracht ik er nog eenige stormachtige maanden door, om ten laatste weggezonden te worden als een onhandelbaar, onverbeterlijk schepsel, als een slecht exempel dat men den overigen moest sparen."

"Het kon niet anders uitvallen."

"Maar de aanleiding van die terugzending was toch onrechtvaardig. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik al heel weinig leerde; maar toch had ik lust gekregen in muziek, en ik scheen aanleg te hebben zoowel voor zingen als piano-spelen. De muziekmeester was de eenige die niet over mij te klagen had, en die ook werkelijk niet klaagde; integendeel, hij prees mij, hij vleide mij, en op zekeren dag beloonde hij mijne ongemeene vorderingen met.... een kus!"

"De ellendeling!"

"Niet waar? Die radelooze onbeschaamdheid; alleen te vergelijken bij de roekeloosheid van een waanzinnige, maakte op eens bij mij wakker, wat ik nooit had leeren kennen: het gevoel van jonkvrouwelijke eigenwaarde. Ik wist op dat oogenblik maar één middel om die uit te drukken."

"Een flinke oorveeg?"

"Geraden!" sprak zij lachend, vergezeld van een paar hartige woordjes, die niet eigenlijk in het vocabulaire van de pensionaires thuis hoorden. Het een en ander gaf soortgelijke ergernis als de terugkomst van Vert-Vert in zijn klooster. De secondante, de geheele pianoklasse kwam er bij te pas. Madame zelf daagde op om rekenschap te vragen van het alarm. Aan den leermeester werd natuurlijk het eerst het woord gegeven. Hij pleegde de oneerlijkheid mijn heftigen uitval toe te schrijven aan eene terechtwijzing, die hij noodig had geacht bij eene verkeerde vingerzetting.

Ik begreep wel dat de ongelukkige liegen moest; het gold zijne kostwinning. Madame ondervroeg mij; ik verwaardigde mij niet met eene tegenbeschuldiging te antwoorden; het was voor het eerst van mijn leven, dat ik met logen en laster te doen kreeg; het zou niet voor het laatst zijn."

"Bij minder edelmoedigheid had zich mogelijk de opinie te uwer gunste gekeerd."

"Ach neen! men zou mij toch niet geloofd hebben. Madame verlangde dat ik mijne excuses zou maken aan den beleedigden musicus. 'Dien schoft excuus vragen, dat nooit!' was mijn antwoord, mijn vast besluit. Er werd gedreigd met alle mogelijke straffen, die in 't pension voor weerbarstige élèves in gebruik waren. Het spreekt vanzelve dat men niets op mij verkreeg, zelfs toen zij in alle gestrengheid werden toegepast."

De laaghartige virtuoos trad niet tusschenbeiden dan om den raad te geven een zoo slecht exempel uit de inrichting te verwijderen; "hij althans zou mij geen onderwijs meer geven; _c'était le bouquet!_" Weggestuurd worden was voor mij eene verlossing, maar ik had de reden van dien afloop liefst zelve het eerst aan sir John medegedeeld, en dat werd mij belet; ik was opgesloten, ik kon geen schrijfgereedschap machtig worden. De anderen knoeiden bij zulk eene gelegenheid met elkaar, maar Majoor Frans was de algemeene vijand; allen te zamen waren tegen hem verbonden.

Madame had dus de gelegenheid mij vóór te zijn, en onder een stortvloed van klachten over mij werd het sir John aangezegd, dat zijne dochter de eere onwaardig was geworden om in haar gedistingeerd instituut hare opvoeding te voltooien.

Nurse werd gezonden om mij af te halen, en aan haar vertrouwde ik, onder tranen van gekrenkt gevoel, het geleden onrecht en de volle waarheid. Zij wilde met mij terugkeeren, om ten overstaan van de geheele kostschool "die Madam" te zeggen waar het op stond, maar ik weerhield haar: het zou toch niets baten en men zou mij uitlachen op den koop toe. Ik had reden om dat te onderstellen. Een der oudere meisjes, een allerliefst nufje met een paar sprekende zwarte oogen, had mij eenige deernis betoond.

"_Chère amie!_" sprak zij, toen ze mij alleen vond, "gij zijt dom geweest, aartsdom; gij hadt u niet zoo preutsch moeten aanstellen tegen monsieur Z.; ik ben zeker dat hij u heeft willen kussen!" Ik zweeg. "Dat doet hij mij ook," ging zij voort, "en al de anderen die er lief uitzien zooals hij zegt. Wij zijn veel te verstandig om zoo'n drukte te maken over die kleinigheid, en hij loont het ons met allerlei lieve attenties; hij leent ons mooie Fransche romans, die madame niet zien mag; hij weet invitaties voor ons te improviseeren, als wij uit willen; voor mij heeft hij eens een biljet overgebracht aan een.... _cher petit cousin_; met één woord, hij presteert alle diensten, die geen der domestiques van 't pension ons zou durven bewijzen; en u zoo'n man tot vijand te maken!" Ik zag duidelijk, dat ik niet deugde in zoo'n meisjeskring, en ik heb later al de voorrechten van die educatie begrepen, toen ik Leontine in de wereld ontmoette als de vrouw van een kolonel, met een tweeden luitenant tot _cavaliere serviente_; waarlijk, zij was een model van goeden toon, en eene distinctie! Men zag het in alles, dat zij perfect was opgevoed! Zij was allervriendelijkst jegens mij, maar executeerde mij achter mijn rug _en pleine société_. Men amuseerde zich zoo met "Majoor Frans," die zoo grof durfde zondigen tegen de étiquette, dat zij bij groot toilet een kanten pelerine droeg, terwijl het gebruik wilde, dat men, om recht gekleed te zijn, zich zooveel mogelijk decolleteerde.

Het ligt zeker aan mijn jongens-opvoeding, maar ik heb nooit recht begrepen, waarom de "dames" zich juist zoo blootgeven, als zij onder de wapenen moeten zijn, bij danspartijen en diners; en sinds ik eens bijgeval de gesprekken heb aangehoord, die de heeren zich onder elkaar veroorloven op dit _chapitre_, heb ik mij zelve beloofd, dat ik althans die dwaasheid niet zou meeplegen, tot groote ergernis, zooals gij wel begrijpen kunt, van alle _gens comme il faut_. Maar genoeg, ik zou niet zoo lang blijven stilstaan bij deze herinneringen mijner jeugd, zoo ze niet tegelijk de bron waren geweest waaruit alle mijne latere wederwaardigheden opwelden, en tegelijk als de voorspiegeling van 't geen mij voortaan in de wereld zou te beurt vallen. Gij hebt mij eens gevraagd hoe ik begonnen ben: gij kunt nu zelf beoordeelen of het mijne schuld is, dat ik de samenleving niet _en beau_ zie. Ik heb er deze ervaring opgedaan, dat werkelijk kwaad en diepe bedorvenheid, mits door den deftigen liefdemantel van het decorum bedekt, niet slechts met verschoonlijkheid bejegend, maar zelfs met welgevallen worden geaccueilleerd, terwijl ruwe vormen bij goede intentiën niets dan ergernis verwekken; dat het noemen van de dingen bij hun naam, het aanwijzen van een fielt of eene friponne, tot de onvergeeflijkste zonden behoort in het gezellige leven; en dat zijn, naar het mij voorkomt, ziekelijke verschijnsels, die het peil der moraliteit altijd dieper zullen doen zinken."

"Het is waar, daar wordt een valsche maatstaf gebruikt en groot onrecht gepleegd, waar men zich zoo aan de vormen hecht, dat het wezen er onder verwaarloosd wordt en gij hebt daar werkelijk wonde plekken aangewezen, die een kloek geneesheer zouden eischen, gewapend met onwrikbaren wil en zedelijken moed en gesteund door een onmetelijken invloed; maar toch, Francis! wat zal ik u zeggen, gij hebt mij eens de discipline genoemd als een der beste middelen om het diep gezonken heeren-personeel een zedelijken steun te geven. Hetzelfde mag men zeggen van het decorum en de vormen in het maatschappelijk leven; gelooft gij dat diezelfde kringen, die u nu reeds tegenstaan omdat gij raadt wat al kwaads er verheeld en verborgen wordt, u beter zouden bevallen, als alles wat er in rondwoelt zich in volle afzichtelijkheid vertoonde?"

"Men zou van schrik en walging de vlucht nemen; dat is zeker."

"Maar daar toch iedereen niet wegloopen kan, is het gevaarlijk loslating en bandeloosheid te prediken, die het verkeer van menschen met menschen tot eene onmogelijkheid zou maken. Nu bindt men zich ten minste in, tracht zijne beste hoedanigheden te toonen, of den schijn aan te nemen die te bezitten, verbergt de slechtste onder den wijden mantel van het decorum, zooals gij het noemt en al is niemand er dupe van, het geheel heeft daardoor toch een beter aanzien; waar reeds veel bij gewonnen is."

"Daarmee is Majoor Frans voor goed veroordeeld."

"Majoor Frans, dezen nu eenmaal genomen als den vertegenwoordiger van die plompe oprechtheid, kan er als exceptie nog door; maar als een exceptie die de onhoudbaarheid van den regel bewijst."