Chapter 18
"Ja, zij heeft gezond verstand, dat is waar, maar als zij eene opvatting heeft en haar _grand cheval de bataille_ bestijgt, dan hebt gij zelf gezien hoe zij er op voortholt door dik en dun, zonder na te denken wie zij er mee kwetst of bespat. 't Is toch heel natuurlijk dat de kapitein, die zijn heele positie aan mij dankt, eenige attenties voor mij heeft, en gij hebt gehoord hoe averechts zij dat opneemt. Zoo is het met alles; in plaats van mij dank te weten dat ik mij om harentwille in deze woestijn heb geretireerd, doet zij niets om mij hier het leven dragelijk te maken. Ik heb nog vrienden genoeg, die hier graag nog eens een dag wilden komen passeeren, maar freule Mordaunt schrikt ze allen af sinds de kapitein hier is. Zij is zeker bang dat hij zich vergrijpen zal tegen den goeden toon."
Er was iets pijnlijks in de machtelooze bitterheid van dien grijsaard; maar wekte hij mijn medelijden, mijne achting won hij niet: ik voelde te zeer waar het haperde en hoe zijne voorstelling juistheid miste. Liever dan met zijne klachten over Francis in te stemmen, beproefde ik eene afleiding te maken.
"De Werve ligt toch in eene heerlijke streek, oom!"
"Dat geef ik u toe, en het is voormaals eene mooie possessie geweest, maar als men niet eigenlijk zin heeft voor het landleven en van alle jachtvermaak moet afzien, zooals ik, den winter en zomer blijven moet en geen rijtuig kan houden, dan is men tot het uiterste isolement gedoemd. Het dorp zelf biedt niet de minste ressources; te voet kan men niet in de stad komen, en de omliggende plaatsen zijn allen veel te verwijderd om er eenige conversatie mee te houden; daarbij met Francis en in mijne veranderde positie zou dat ook niet best gaan."
"Om de waarheid te zeggen, oom! verwondert het mij eenigszins dat gij u niet van dat oude kasteel ontdoet, sinds gij toch geen smaak vindt in het landleven en de gelegenheid mist om partij te trekken van de gronden."
"Voor dat laatste, beste jongen, moet men geld hebben, veel geld, waaraan het mij altijd heeft ontbroken en wat het eerste betreft, dat zou ik graag willen, want ik kan beter en goedkooper wonen in de eene of andere kleine stad; maar er zijn voor mij ontzaggelijke bezwaren verbonden aan den verkoop van dit goed; ik zou er eene enorme som voor moeten vragen, omdat het, onder ons gezegd, nogal bezwaard is, en niemand kon er veel voor geven, daar ik door allerlei tegenspoed de bezittingen deerlijk heb moeten verbrokkelen. Iemand die een kasteel koopt, met zijne heerlijke rechten, wil tegelijk bezitter worden van de bosschen, van de omliggende gronden, en.... ik ben daarvan niet meer de eigenaar."
"Mogelijk zou iemand die in de nabijheid zijne eigendommen had er nog wel toe komen kunnen om u bijzonder voordeelige condities toe te staan."
"Hm! gij zegt daar zoo wat. Mijne schoonzuster heeft eenige jaren geleden het groote buitengoed aangekocht de Runenberg genaamd, vlak bij de uiterste grens gelegen van hetgeen eens het mijne was, en zij heeft mij toen een dergelijk voorstel laten doen, dat ik verworpen heb uit familiehaat, uit zucht om haar te contrarieeren, en allermeest omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon voor háár, juist voor háár plaats te moeten maken."
"Dàt bezwaar is nu althans uit den weg geruimd."
"Ja, Goddank! Maar gij weet niet, wat ik van die nabuurschap geleden heb, hoewel zij zelve zich nooit op haar landgoed heeft vertoond; maar zij had hare handlangers, die al ras begonnen met twist te zoeken over de rechte grensscheiding; er ontstond een proces uit om het bezit van een handbreed land, waar wij geen van beiden iets aan hebben, dat mij duizenden heeft gekost. Het spreekt van zelf dat zij het won, de slimme feeks; en toen het eens uitgemaakt was, begon zij nieuwe chicanes te maken en betwistte mij het recht van overtocht over een bruggetje, dat tot het strookje land in kwestie had behoord tot algemeen nut en gebruik, maar door haar uitsluitend eigendom van den Runenberg werd ondermijnd. Opnieuw moest er met procureurs en advocaten gebesogneerd worden, maar tot een proces kwam het ditmaal niet, daar ik al te zeer geplunderd was om het tegen haar vol te houden; maar weer behield zij het veld, en al wat hier rondom de erve woont heeft er den last van, want wij moeten nu een verren omweg maken om te bereiken wat vroeger door die brug nabij lag. Zoo is 't met alles gegaan, en zij heeft in alles gezegevierd. O dat wijf! dat's de kanker die mijn leven heeft verteerd."
"Maar indien zich nu iemand opdeed, die hare rechten had verkregen op de aangrenzende bezittingen...."
"Gij meent op den Runenberg? Dat zou haar erfgenaam moeten zijn! Hebt gij reden om te denken dat deze lust zou hebben het kasteel met zijn toebehooren, zooveel en zoo weinig als het nog is, onder de hand van mij te koopen?" vroeg de generaal, en er kwam leven en gloed in zijne doffe oogen, toen hij die vraag deed.
"Overberg, die wist dat ik hier heen ging, heeft mij opgedragen u te verwittigen dat er weldra gelegenheid zal zijn om de Werve op het voordeeligst over te doen."
"Over te doen! Dus onderhands, zooals met de boerderij, dat hij ook voor mij heeft bered! Want om redenen kan er van publieken verkoop geen kwestie zijn."
"Dat meent Overberg ook; de vraag is maar, of gij tot het eerste zoudt kunnen besluiten."
"Ik! Wel, van ganscher harte; maar Francis.... dat is wat anders! Zij hecht aan dit oude rattennest, aan familie-tradities, aan, de Hemel weet wat, tot zelfs aan de heerlijke rechten, die God betere 't, in niets meer bestaan dan den titel, en waarvan zij zich nog heel wat voorstelt. Zij heeft zich in 't hoofd gezet eenmaal vrijvrouwe van de Werve te zijn, en 't is hare illusie die leelijke oude cavalje nog weer eens een goed aanzien te geven."
"Dat's toch zoo'n kwaad voornemen niet."
"Neen! Maar zij heeft nooit goed gevonden het eenige middel aan te grijpen om tot de fortuin te komen waardoor zij dat ideaal zou kunnen verwezenlijken. Zij heeft indertijd maar te kiezen gehad uit menige goede partij, maar zij heeft al die kansen lichtzinnig verachteloosd. Nu, bij de afzondering waarin wij leven, zal er wel niets van een huwelijk komen. En toch obstineert zij zich om de toekomstige ruïne met beide handen vast te houden of er een schat in verborgen lag."
"Maar _gij_ zijt immers zelf heer en meester van 't kasteel en hebt hare toestemming niet te vragen."
"Rechtens niet, dat is waar, maar er zou geen huis met haar te houden zijn zoo ik dat deed. Daarbij, zij heeft wel recht om er in gekend te worden. Ziet gij, neef! toen zij meerderjarig was geworden, moest ik er voor uitkomen dat een goed deel van haar moederlijk vermogen nog bij 't leven van hare ouders als tot niets was gereduceerd. Dat was mijne schuld niet. Sir John Mordaunt hield van eene schitterende leefwijze en had zijn huis ingericht op Engelschen voet, zonder Engelsch geld, want hij was maar een tweede zoon, en zijn pensioen als marine-officier was niet toereikend. Even voor zijn dood echter was er een oud-oom gestorven, die aan Francis voor haar naam een niet onaanzienlijk legaat had toegekend; ware zij een zoon geweest, dan zou de geheele schitterende fortuin van den ouden baronet met landgoederen en tot den titel toe haar ten deel zijn gevallen; nu waren eenige honderden ponden sterling al wat zij kreeg. Eer mijn schoonzoon nog tijd had gehad om over dat geld te beschikken, stierf hij aan eene beroerte. Ik werd voogd; maar de toeziende voogd, die er zich op scheen te zetten om het mij lastig te maken, nam een procureur in den arm, die met den code in de hand mij verplichtte om alles wat Francis toekwam, van haar legaat zoowel als van de niet veel beduidende ouderlijke nalatenschap, op het grootboek te plaatsen, eene zekere, dat wil ik wel toegeven, maar toch eene zeer schraal rendeerende plaatsing voor onzen tijd. Ik genoot de renten voor de opvoeding en het onderhoud mijner kleindochter, die meer dan dat kostte, omdat zij de caprice had den geheelen stoet bedienden van het huis haars vaders, zijn stal en equipage aan te houden, en ik, die met haar leven moest, te zwak een voogd was om de zeventienjarige iets te weigeren, wat zij met zulk eene vastheid van wil doorzette. Eindelijk bij hare meerderjarigheid en toen het mij door allerlei tegenspoed zeer slecht gegaan was, reduceerden wij onze huishouding tot het strikt noodige, naar mijn rang en positie, zooals vanzelf spreekt. Maar een allernoodlottigst samentreffen van omstandigheden maakte het noodig dat ik op eens over eene groote som gelds kon beschikken om eene gapende wonde te dekken, die, openlijk blootgelegd, ongeluk in schande zou hebben verkeerd, en mij verplicht zou hebben reeds toen mijn ontslag te nemen. Francis is heftig en eigenzinnig, dat is waar, maar zij heeft een grootmoedig karakter en een liefderijk hart voor lijdenden. Zij zelve bood mij aan, zooveel noodig mocht zijn van haar vermogen los te maken om de dreigende ramp te voorkomen. Ik moest aannemen, ik kon niet anders; maar ik nam aan als een voorschot, als een schuld die ik eenmaal hoopte te voldoen en waarvoor ik haar bij mijn overlijden het bezit van de Werve toekende."
"Maar.... zij is immers uw eenig kleinkind; volgt dat dan niet vanzelf? Of.... ik meen gehoord te hebben dat gij een zoon hebt gehad, generaal! Is die gehuwd en heeft die kinderen?"
"Mijn zoon.... is dood!" bracht de generaal uit met haperende stem. "Hij is nooit getrouwd geweest daar ik van weet; hij heeft althans nooit mijne toestemming tot een huwelijk gevraagd noch verkregen, en zoo hij kinderen heeft nagelaten, zijn het bastaards--niets dan dat!"
"Waarom dan die voorzorg, beste oom? Verschoon mij de vraag, die wellicht onbescheiden is, maar uit belangstelling in Francis wordt gedaan."
"Juist om de schuld die ik aan haar heb en waarvoor de Werve haar borg is. Na mijn dood zullen mijn schuldeischers het kasteel niet kunnen verkoopen zonder dat ze met Francis te rekenen hebben."
Ziedaar waarop tante Sophie zelve zeker niet had gerekend. De straf die zij von Zwenken toedacht, zou dus eigenlijk op Francis worden toegepast.
"Gij begrijpt dus wel," ging de generaal voort, daar ik zweeg, "dat ik bij mijn leven het kasteel niet verkoopen kan zonder hare toestemming, tenzij ik begon met dat geld terug te geven; en als dat zijn moest zou de geheele verkoop mij niet veel baten."
De jammerlijke egoïst zag er dus niet tegen op zijne kleindochter ganschelijk te berooven, als zij zelve maar in die plundering wilde toestemmen. Welk een man! En dit alles onder fijne vormen en eene bonhomie waarvan de scherpzinnigste dupe moest zijn. Was het wonder dat Francis zoo weinig menagement had voor de vormen, daar zij veel te helder zag om niet te weten wat er onder kon schuilen?
"En draagt Overberg kennis van die overeenkomst tusschen Francis en u?" vroeg ik.
"Neen; er waren redenen waarom ik bij die gelegenheid iemand anders gebruikte. Mijn testament ligt bij een notaris te Arnhem."
"Maar vreest gij niet dat uwe kleindochter bedrogen zal uitkomen bij uw overlijden, sinds gij mij mededeeldet dat het kasteel bovendien nogal bezwaard is?"
"Wat zal ik u zeggen, _mon cher!_ nood breekt wet, en ik heb altijd nog hoop mijne fortuin te redresseeren eer het zoo ver komt."
Zijne fortuin te redresseeren op zijn leeftijd! Waarmee dacht de man dat te doen? vroeg ik mij zelve af; maar.... ik herinnerde mij het pakket, ik had even een blik op den inhoud kunnen werpen: het schenen lijsten, loten, vermoedelijk van eene buitenlandsche loterij. Als de ongelukkige daarop zijne hoop bouwde en daarvoor de weinige hulpmiddelen veil had, die hem nog ten dienste stonden, dan was het toch wel ver met hem gekomen, dan was het niet eens meer slim beleid--dan was hij tot idiotisme gezonken.
"Neef!" sprak hij op eenmaal met levendigheid, of hij een lumineusen inval kreeg, "als het waar is dat Overberg met mij over den verkoop van het kasteel wil onderhandelen, zou het niet kwaad zijn zoo gij Francis eens op het chapitre bracht en haar polste hoe zij er over dacht. Het komt mij voor, dat gij wel eenigen invloed hebt op haar. Wij zouden een heel eind gevorderd zijn zoo gij haar wist te bewegen om van dat idée fixe af te zien."
"Ik beloof het u, oom! dat ik met Francis spreken zal over die zaak!"
"Gij kunt nog als argument aanvoeren, dat het gezelschap van den kapitein mij minder noodzakelijk zou zijn, als ik eens in eene plaats gevestigd was, waar ik wat conversatie had."
Gelukkig behoefde ik niet te antwoorden: wij waren bij het huis; de bel luidde voor het tweede ontbijt, de kapitein zelf kwam ons gulhartig te gemoet. Francis was nog niet terug; wij gebruikten het _luncheon_ zonder haar.
Eerst bij het diner verscheen zij weer. Zij was gekleed in een grijze japon, even eenvoudig van fatsoen als van kleur maar die haar keurig zat; haar elegante taille kwam er goed door uit, en zij droeg een smal linnen boordje; het verkleurde sjaaltje was vervangen door een zwart fluweel lint. Het haar ook was met zekere zorg opgemaakt; het was of zij mij stilzwijgend wilde te kennen geven, dat majoor Frans voor Francis Mordaunt had plaats gemaakt. Al was het maar tijdelijk, mij gaf het eene gewaarwording van triomf of ik den slag van Nieuwpoort had gewonnen, en nooit, Willem, heeft een damestoilet mij met zooveel stille verrukking bezield als het echt vrouwelijk grijze kleedje en dat simpele boordje van Francis! Maar was het in de bewustheid dezer belangrijke concessie of uit eenige andere oorzaak, die ik niet doorgrondde, het scheen of zij nu ook de vrije, luchtige manieren van majoor Frans had afgelegd en iets van hare vroegere onbevangenheid miste, althans tegenover mij. Zij was stil en in zich zelve gekeerd, viel niet uit tegen den kapitein, die haar met hondendeemoed naar de oogen zag, en betoonde zelfs zekere meewarige goedwilligheid jegens den generaal, die echter wat strak en _distrait_ bleef en alleen met zijne gewone verfijnde gulzigheid het enkele fijne schoteltje savoureerde dat ditmaal op tafel kwam. Het was zeker tusschen Francis en den kapitein tot eene wapenschorsing gekomen, waarbij de preliminairen voor den vrede waren gesteld; aanvankelijk was er aan haar eisch tot vereenvoudiging voldaan; wij teerden heden op de resteerende vleezen van den vorigen dag, met eene voldoende hoeveelheid spinazie en een extraatje voor den generaal, die geen aanmerking maakte toen de fijne wijn achterbleef, maar zich nu op de kwantiteit wreekte en met meesterlijke gemakkelijkheid voor zoo'n bleek en schraal personage een paar flesschen naar binnen sloeg zonder dat men het hem aanzag. Zoo'n stille, taaie opeter, die niet eens de _franchise_ had van zijn lage ondeugd, zooals de kapitein,--die er gul voor uitkwam dat hij geen hooger genot kende dan het tafelgenot, dat hij voor zijn buik leefde,--boezemde mij een afkeer in, die tot walging steeg, als ik dacht aan ons gesprek op de wandeling.
De gelegenheid om een afzonderlijk woordje met Francis te wisselen, werd mij aan tafel niet geschonken en toch had ik behoefte haar iets te zeggen van den indruk, dien haar lief toilet op mij maakte, wat tegenover eene andere vrouw eene impertinentie zou zijn; want een compliment te maken over hare kleeding op een bepaalden dag is immers het bewijs, dat men eene uitzondering constateert; maar tegenover Francis, die zelve hare gewone achteloosheid op dit punt had erkend, kon de _courtoisie_, kon het welgevallen zich uiten zonder gevaar.
Toen zij opstond, geneerde ik mij ook niet tegenover de oude heeren, weigerde de sigaar en volgde haar onverwijld naar het salon; maar ook de kapitein was gevolgd, en nu, over een stoel leunende vroeg hij ootmoedig:
"Wat zegt mijn majoor nu; heb ik geen pluimpje verdiend?"
"Welzeker," gaf zij ten antwoord, maar haar gelaat betrok. Ik vatte waarom.
"Eilieve, kapitein!" nam ik de vrijheid halfluid tot dezen te zeggen, "begrijpt gij niet hoezeer het mijne nicht ergert dat gij haar altijd met dien gehaten bijnaam aanspreekt? Ziet gij niet hoezeer zij eene freule Mordaunt is, van hare elegante _chaussure_ af tot de toppen der fijne vingeren toe, _als_ zij zich zelve wil zijn."
"Och, ik ben ook een domkop om daar niet beter op te letten; maar 't is waarheid wat gij zegt, jonker! Excuseer, freule! de gewoonte, de ingeroeste gewoonte!"
"Gij en ik moeten met onze gewoonten breken, kapitein!" sprak zij zacht, doch met nadruk; "want wij zijn op den verkeerden weg; is het niet zoo jonker?"
"Excuseer mij, freule! dat ik u dit niet kan toestemmen; reeds de erkenning daarvan is een stap vooruit;" en naar haar toegaande fluisterde ik haar in: "Mag ik u gelukwenschen met uwe gracieuse metamorphose?"
"Gelukwenschen? Neen!" hernam zij ras en zacht, "want ik voel mij niet thuis in mij zelve, en in _gêne_ ligt het geluk niet."
"Mag ik een woordje spreken, eer de freule met den jonker philosopheeren gaat?" viel de kapitein in; "als de generaal er bij is, kunnen wij er niet over praten. Hoe denkt de freule over het vieren van den verjaardag; ik had mij voorgesteld dat het ditmaal eens recht luisterrijk zou zijn; maar als ik hoor van een verkeerden weg en van veranderingen en zulk gesnor, dan word ik haast bang dat mijn plannetje in duigen zal vallen."
"Een plannetje, een verjaardag! Wie is er dan jarig?" vroeg Francis in verstrooiing.
"Wel, de generaal overmorgen! Hij wordt zes-en-zeventig, en ik dacht zoo, de freule zal dat aardig vinden; maar van ochtend hadden mijne preparatieven al zoo weinig succes, dat...."
"O zoo, dàt was het dus?"
"Juist dàt, en nu de jonker blijft, hebben wij ten minste één gast meer!"
"Ga nu in 's Hemels naam uw gang, Rolf! Grootpapa moet gefêteerd worden, daar hebt gij gelijk in, maar nù...."
"Poets ik hem, dat spreekt vanzelf," zei Rolf opgeruimd, en tot zijne eer zeg ik het, hij bleef ook niet langer aarzelen of om ons heendraaien toen hij eens _carte blanche_ had voor de feestviering; maar schoof zorgvuldig de porte-brisée achter zich toe, als om ons van de eetzaal te isoleeren.... Ik trok een lange tabouret naar mij toe, en ging tegenover Francis zitten die het hoofd op de canapé liet rusten in diepe zwaarmoedigheid.
"Gij wilt niet van geluk hooren! Francis! Gij klaagt van _gêne_," sprak ik zacht, "dat grieft mij; het was mij waarlijk niet te doen om u somber en ontstemd te zien; is het u dan in ernst zoo groot een dwang, om u te toonen wat gij inderdaad zijt; eene vrouw, eene beminnelijke vrouw?"
"Ik weet niet wat gij beminnelijks in mij zien kunt, jonker van Zonshoven! want ik voel mij stijf en gedwongen, en dat is zeker niet de conditie om te behagen."
"Ik merk ook wel dat gij u daar niet op toelegt. Wat misdaad heb ik gepleegd, Francis! dat ik op eens jonker van Zonshoven voor u geworden ben, en het gemeenzame Leo verbeurd heb?"
"Het eene hangt samen met het andere: als ik u gulweg Leo noem, dan verval ik al heel licht tot mijne gewone wijze van zijn, en ik ben niet zeker dat er dan niet eens een uitval volgt, die...."
"Gij zijt in eene plaagzieke luim, Francis! gij wilt het mij doen berouwen, dat wij Majoor Frans op den achtergrond hebben gezet."
"Neen, dat's mijne intentie niet, want ik geef toe dat hij daar blijven moet; alleen ben ik niet zeker, dat hij niet telkens weer op den voorgrond zal komen, want ik moet u ronduit zeggen, Leo! kostschoolmanieren heb ik nooit kunnen aannemen!"
"Maar hoe komt het in u op dat ik die van u zou wachten of eischen. Oneindig liever Majoor Frans! in zijne ruwe oorspronkelijkheid!"
"Onder privilege van hem tweemaal daags zonder menagement de waarheid te zeggen," viel zij in, maar zonder den glimlach die de scherts temperde.
"Zelfs dat, als 't niet anders zijn kon, zou nog gezonder zijn voor geest en gemoed van beide partijen, dan de dampkring van aanstelling, namaak, onnatuur en geconfijte huichelarij, van datgene wat men kostschoolmanieren noemt."
"Dat's gezegend dat gij dit zoo inziet, Leo!" viel zij in, gelukkig weer in haar ouden gemeenzamen toon; "want al wilde ik het beproeven, ik zou het toch niet kunnen volhouden; het strijdt te zeer met mijne natuur. Ik ben geen poesje, zooals die allerliefste nufjes, die zoo glad en zoo fijn voor den dag komen, niet dan fulpen pootjes toonen, kopjes geven en zoetelijk streelen, maar die boosaardig en valsch zijn, en die de nagels uitslaan als men dat het minst verwacht. Ik ben ook geen slanke hazewind, die zich tot kunstjes laat africhten en voor iedereen opzit; ik ben een eerlijke trouwe wachthond, die luid kan blaffen en ferm de tanden laat zien, maar die...." Zij zweeg in zekere verwarring, verlegen hoe de phrase te voltooien zonder zich in den strik te werken.
"Die gehecht is aan zijn meester, moet er op volgen, Francis! anders komt de vergelijking niet uit."
"Nu, goed, _als_ hij een meester gevonden heeft, en.... en.... daar ben ik gelukkig nog niet."
"Gelooft gij dat, Francis?" vroeg ik, haar zacht maar doordringend in de oogen ziende.
"Zeker, zeer zeker! het is zooals ik zeg," en met fierheid wierp zij het hoofd in den nek, onder een hoogen blos; toch hield zij mijn blik niet uit, toen zij voortging met al de heftigheid die uit innerlijken strijd voortkwam: "Ik wil geen meester erkennen, Leo! nooit, nooit, geloof dat. Ik wil mijne vrijheid, mijne onafhankelijkheid bewaren, ik moet het.... als gij meer van mij wist, zoudt gij de eerste zijn om dat toe te stemmen."
"Laat mij dan van u weten wat er noodig is om dat met u eens te zijn," drong ik.
"Ja, ja, dat zult gij zeker, maar niet nu, niet hier; 't is in dit vertrek duf en dompig: ik heb een gevoel van angst en beklemdheid of ik hier stikken zou; ik moet de vrije lucht in," en met een afwerend gebaar, toen ik haar wilde tegenhouden, was zij in een wip de kamer uit.
Dat was mijn geluk, want ik was op het punt om, weggesleept door mijn gevoel, haar op mijne knieën te smeeken mij tot haar heer en meester te verheffen en ik zou mogelijk duur geboet hebben voor die voorbarigheid.
Als Francis de lucht in ging, was er voor mij geen reden om thuis te blijven; ik nam mijn hoed en steeg langzaam het perron af, in 't onzekere welken weg ik zou nemen, toen Frits, die naast een der aloë-vazen stond te droomen, mij met een leuk gezicht vertelde, dat de freule in den tuin was: ik volgde die aanwijzing en trof haar op het punt om door de tuindeur weg te sluipen.
"Mag ik u vragen waar dat heengaat, genadige vrijvrouwe?" sprak ik schertsend.
"Naar de ruïne om de zon te zien ondergaan! 't Is een heerlijke lente-middag; heeft jonker van Zonshoven lust om mee op te wandelen?"
"Het was, meende ik, de afspraak dat wij die samen zouden gaan zien. Wilt gij mijn arm?"
"Nog niet; wij hebben eerst nog een lastig eind weg en wij moeten zien heen te komen door struik en heg, door dik en dun, eer wij het mooie effene zandpad krijgen dat er heenleidt; maar dan kunnen wij gezellig praten."
Zij had gelijk; in 't eerst was het geene wandeling, het was slechts eene worsteling met allerlei hindernissen, door de natuur gesteld en waar de hand des menschen zich niet verledigd had iets tegen te doen. Daar was een gemakkelijke weg naar de ruïne als men de voorpoort van 't kasteel uitging, maar het was een wijde omweg en Francis hield van recht op haar doel af te gaan; zij hield evenzeer van het strijden met bezwaren, als zij van het gladde, gebaande pad zekeren instinctieven afkeer had. Ik plaagde haar met deze neiging, die ze ook in 't gewone leven toonde, en kon mij niet weerhouden haar te waarschuwen, dat hier zeker de oorzaak lag waarom zij door velen zoo geheel verkeerd werd beoordeeld.
"Daar weet ik alles van," gaf zij ten antwoord met een minachtend schouderophalen, "maar daar is niets meer aan te verhelpen, dat's een gevolg van mijn kwâjongensnatuur. Ik laat me nooit onder één lijntje brengen met anderen, daar kunt gij staat op maken, _très cher cousin!_"