Majoor Frans

Chapter 17

Chapter 174,101 wordsPublic domain

Zooals zij daar binnenkwam in haar amazonekleed (gelukkig zonder de vareuse), met een inktkoker in de hand dien zij voor mij op tafel zette; terwijl zij den eersten stoel den besten naar zich toe trok om er op neer te vallen, als besloten te blijven, hoewel zij uit het _sans gêne_ van mijn toilet wel kon opmaken dat zij mij nogal overviel, was er zeker _effort_ toe noodig om in haar eene jonkvrouw van geboorte te zien; en dit, gevoegd bij den indruk dien de laatste scène bij mij had nagelaten, stemde mij zeer weinig tot hoffelijkheid en voorkomendheid. Ik schoot inderhaast mijn jas aan, en eerst toen mij tot haar wendend, vroeg ik, wat zij hier doen kwam.

"Grootpapa heeft mij gezegd dat gij schrijven wilt, Leo! en ik herinnerde mij, dat er niet voor inkt is gezorgd," sprak zij, zonder mij aan te zien; want de weinige voorkomendheid, die ik haar toonde, maakte het haar duidelijk, dat de verrassing mij niet bijzonder welkom was.

"Dat is ook niet noodig; ik zorg altijd zelf voor mijn schrijfgereedschap," antwoordde ik koeltjes, en zette mij neer of ik met schrijven dacht voort te gaan.

"Ik zie dat ik u stoor; ik had u anders een dienst willen vragen."

Ik zweeg.

"Hebt gij bijgeval een badientje of zoo iets meegebracht?"

"Wat wilt gij daarmee doen? Hebt gij uwe vazallen nog niet genoeg gestriemd?"

"Ik wilde eene rijzweep improviseeren; ik heb de mijne verloren, en...."

"Ik heb niets dan een liniaal en een penhouder."

Zij werd bloedrood, beet zich op de lippen, en wendde het hoofd af. "Ik merk wel," hervatte zij na eenige seconden zwijgens, "dat gij niet in eene luim zijt om mij den dienst te doen, dien ik had willen vragen."

"Ik ben altijd tot den dienst eener dame, als zij de privilegiën harer sexe wil laten gelden. Waarom hebt gij mij niet laten roepen als gij mij iets te vragen hadt?"

"Ah! zoo!" riep zij op ietwat gerekten toon. "Dat humeur geldt dus mijn _manque d'étiquette_; overzie dat: gij weet immers, ik ben zoo weinig "eene dame."

"Dat's maar al te waar, Majoor!"

"Majoor!" herhaalde zij met ergernis, en zette groote oogen op van verbazing. "Ik meende Leo! dat die bijnaam u tegen was."

"Nu niet meer, sinds ik dat soldateske personage _en action_ heb gezien. Alleen zou ik willen weten, welk soort van majoor gij eigenlijk voorstelt: tamboer-majoor? sergeant-majoor? Want de commandant van een bataillon behoort, zoo ik mij niet bedrieg, zekere mate van beschaving te bezitten, zekere vormen te eerbiedigen, zekere waardigheid in toon en manieren aan den dag te leggen, die hem terstond als een fatsoenlijk man doen kennen; en uit alles wat ik van u waarnam bij het tooneel van dezen morgen, moet ik gelooven dat gij aan geen dezer eischen weet te beantwoorden."

"Leo!" stamelde zij, doodsbleek en met trillende lippen, "dit is een bloedige beleediging! Bedoelt gij dit?"

Het verwonderde mij, dat zij niet in woede opstoof en op mij lostrok. Ik had eigenlijk op een forschen aanval gerekend! Het tegendeel vond plaats. Zij bleef stokstijf zitten, als aan haar stoel genageld.

"Ik bedoelde alleenlijk de onbehagelijke figuur te treffen, die gij goedvindt voor te stellen; wil freule Mordaunt zich identificeeren met die persoonlijkheid, en het daarvoor opnemen, mij wèl; ik ben geen geoefend duellist, maar ik kan toch een fleuret hanteeren; mij dacht, dat ware wel de beste manier u de zoogenaamde revanche te geven, tenzij gij schieten wilt; gelukkig heb ik pistolen; wij gebruiken los kruit, niet waar? dat's afgesproken; gij begrijpt toch wel dat men het met een majoor van uwe soort niet in vollen ernst kan opnemen."

Ik kreeg geen antwoord, en dat ontrustte mij; boos worden en mij ferm riposteeren, had ik van haar gewacht; maar dat zwijgend blijven zitten met strakken blik en doodsbleek, als versteend en verstomd van smartelijke verbazing, stond mij niet aan; de arm, dien zij even driftig had opgeheven, viel slap en als machteloos neer. Ik begon nu zelf verlegen te worden met mijne houding; ik kreeg de gewaarwording van iemand die een kapel wil vangen, maar die te hard heeft toegetast en een vleugel in de hand houdt. Vooral toen zij eindelijk haar zwijgen verbrak; want het klonk als eene klacht; meer nog dan verwijt, wat zij mij toevoegde:

"Deze vlijmende ironie gaat dieper dan gij vermoedt, Leo!"

"Ik hoop wel dat zij treffen zal, waar zij nut kan doen, Francis! Want geloof mij, mijne bedoeling was niet om te wonden, maar om te genezen," hernam ik op gansch veranderden toon, want ik zag dat zij al haar zelfbeheersching noodig had om niet in snikken uit te barsten. Ik stond op, ging naar haar toe en wilde hare hand nemen, maar nu rees zij op, als door een electrieken schok getroffen; er kwam weer kleur op de marmerbleeke wangen, en de oogen vonkelden van toorn terwijl zij sprak:

"Ik wil van u niet gecureerd worden; mij scheelt niets; ik ben wel zóó als ik ben. Verspil uwe nobele kunst niet aan zoo'n avontuurlijk, zoo'n onhebbelijk schepsel als gij in mij meent te zien."

"Moet ik u dan niet zien, Francis, zooals gij zelve goedvindt u te toonen? Maar gelukkig bedrieg ik mij niet zóó zeer in u, als gij denkt; ik zal uwe genezing beproeven ondanks u zelve; wilt gij, dat ik u de uitlegging zal geven van de ergerlijke scène die gij in mijn bijzijn aan die heeren hebt vertoond?"

Zij haalde even de schouders op en bleef zwijgen.

"Het is deze," ging ik voort; "gij hebt aan mij willen zeggen: 'Gij wilt hier blijven om Majoor Frans te leeren kennen, zoo zal ik hem u toonen in al zijne grofheid en onbehagelijkheid en dan zullen wij zien, hoelang gij dat uithouden zult;' en daarop, freule Mordaunt, is mijne houding van dit oogenblik. Gij zult het weten dat ik u doorzie, dat ik mij niet laat afschrikken door het ruwe masker dat gij goedvindt voor te doen om.... de oorspronkelijke trekken uit te vinden, die.... ongetwijfeld liefelijker indruk zullen maken," wilde ik er bijvoegen. Dan.... zij liet mij niet uitspreken; ze stampvoette van ergernis, terwijl zij inviel:

"Een masker! ik een masker! men moet maar uit den Haag komen, waar men zich zeker nogal druk maskeert, om mij zulk een verwijt te doen! Voorwaar Jonker van Zonshoven! achterdocht die onder alles list wil zoeken is geene scherpzinnigheid; de uwe maakt hier al eene heel droevige figuur. Gij, die voor goed gebroken hebt met alle sociale huichelarij, en die daarom als met vingers wordt nagewezen, mij, wier grootste fout het is, of wellicht wier beste hoedanigheid (ik kan het niet uitwijzen) om er alles maar uit te flappen wat mij invalt, als er iets is wat mij ergert of treft, wie het altijd heeft ontbroken aan datgene wat men in de wereld _tenue_ noemt, mij, mij te betichten van een mom voor te doen! en dat nog wel op een oogenblik, waarin ik, gloeiend van toorn en ergernis, aan die heeren zeg waar het op staat, zonder menagement! Ik geef toe dat ik in uwe tegenwoordigheid geene oorzaak vond om mij in te houden; wij waren immers zoo goed als _en famille_, en het kwam mij hoog noodig voor, dat gij u niet zoudt vergissen in het gehalte van ons personeel."

"Ziet gij wel!" viel ik glimlachend in, "dat ik niet zoo erg mis zag, en dat gij uws ondanks ten slotte toch tot de bekentenis komt, dat ik de waarheid tastte, toen ik beweerde dat er opzet lag in de hagelbui van _gros mots_, en dat gij de kreten uwer ergernis eenige noten hooger stemdet dan absoluut noodig was, om die twee verdeemoedigde mannen de les te lezen,--het al met de bedoeling om een derde op de vlucht te drijven of.. voor goed te terrifieeren! Wees oprecht Francis, vindt mijn argwaan uit, of ligt deze opvatting voor de hand?"

Tevergeefs trachtte ik haar aan te zien, terwijl ik sprak; zij wendde het hoofd af, en toen ik zweeg om haar antwoord te hooren riep zij knorrig, terwijl zij haar stijgend ongeduld op den poot van de tafel wreekte:

"Ik merk het niet voor het eerst,--gij kunt lastig zijn en onaangenaam als gij er u op toelegt."

"Ik geloof het zelf, maar eene uitvlucht is geen antwoord, Francis!"

"Nu ja, dan, ja! het is waar; ik had u liever zien heengaan, om bestwille; maar geloof niet, Leo! wat gij ook van mij hoort of ziet, dat ik arglistig ben, en eene rol speelde. Ik was wat ik mij toonde toen ik dat standje maakte: woest, boos en gloeiend van verbittering; ik heb mijne luimen, dat weet ik wel; maar ik doe niets om te schijnen wat ik niet ben, dat zou mij slecht afgaan; ik wil in alles mij zelve zijn, in 't kwade en ook in 't goede; want ik mag niet erger van mij zelve spreken dan de waarheid is; ik heb ook wel goeds, ik heb _dit_ goeds dat ik niet valsch ben, en toch is er zooveel tegenstrijdigs in mij, dat ik er zelve over verbaasd sta. Zie, Leo! ik heb nooit voor het gulden kalf van het decorum willen knielen (zij sloeg met de vuist op de tafel ter bekrachtiging van hare bewering), maar toch.... als de lust mij beving, zou ik mij nog heel wel met uwe Haagsche dames kunnen meten, als het op kennis en ontwikkeling aankwam...."

"Daarvan ben ik overtuigd, Francis, en daarom...."

"Maar vernis en blanketsel zou ik mij nooit laten opleggen," viel zij in; "evenmin zal ik aannemen, dat juist daarin de ware beschaving bestaat...."

"Dat ben ik geheel met u eens."

"En ik wist mij toch wel als freule Mordaunt te doen erkennen, toen ik nog in de wereld ging, en zoo mij dat nu weer inviel, zou men mij niet moeten verwijten, dat het maar eene vertooning was; want ik haat alle aanstelling als de pest, het zou dan alleen zijn: toegeven aan iets onweerstandelijks binnen in mij; zooals ik mij daareven aangedreven voelde door iets dat sterker was dan ik, om eens ferm den Majoor Frans te spelen in uwe tegenwoordigheid."

"Maar hoe kan freule Mordaunt het dan zoo hoog opnemen, als men haar bij het woord vat, laat ik liever zeggen, als men invalt in den toon, dien zij zelve heeft aangegeven?"

"Dat treft mij niet van anderen, maar van u, en juist op dit oogenblik;--want ik kwam om bij u heul en troost te zoeken; van u, ik wil 't wel bekennen, trof het mij als een bliksemstraal uit de heldere lucht."

"Zoo oprechte bekentenis verdient volle absolutie," sprak ik opgeruimd; "geeft mij de hand ter verzoening."

"Neen, Jonker! neen! daar zijn wij nog niet," hernam zij fier. "Ik moet eerst weten wat ik aan u heb. Hoe het komt weet ik niet maar ik heb er behoefte aan, niet door u te worden miskend. Als gij laag op mij neerziet, omdat ik niet ben als de anderen, zeg het dan maar in eens uit, dan weet ik waar ik op rekenen kan; maar, als ik bij u kom aankloppen, in het volle vertrouwen dat ik mijn hart eens kan uitstorten aan een vriend, teruggestooten te worden om.... een gebrek in de vormen, dan voel ik mij bitter teleurgesteld, en dan vraag ik mij zelve af: heb ik mij weer vergist? is ook deze niet de betere van de soort? is ook deze een van die fatten, die bang zijn de punten hunner verlakte bottines aan het slijk te wagen, die schermen met groote woorden, maar klein en bekrompen als het op handelen aankomt, die een heiligen afschuw hebben van gemeene woorden, grof linnen en vuile handen, maar er volstrekt niet tegen opzien iets laags en gemeens te _doen_, en die zelfs niet schromen zouden de blankheid hunner vingeren te besmetten door eene vrouw te souffletteeren!" Nu was de beurt aan mij om van innerlijke woede te trillen, en het scheelde werkelijk niet veel of ik had aan eene geweldige uitbarsting daarvan toegegeven; maar intijds nog bedacht ik mij, en overwoog dat de bataille voor mij verloren was, zoo ik handgemeen werd met den Majoor op het terrein waar zij mij heenlokte.

Na een oogenblik zwijgens viel ik in:

"Pardon, Freule! 't Is voor mij moeilijk te berekenen wat gij in mij àl of niet meent te zien. Ik kan alleen zeggen, dat ik zeer zeker niet behoor tot de specialiteit dáár door u geschetst. Als er kwestie is van _eene vrouw_ die beleedigd wordt, zou ik de eerste zijn om den laaghartige te slaan, die zich, op welke wijze ook, aan haar vergreep; dat kan ik u verzekeren. Ik ben de nakomeling van een man, die zich de rechterhand afkapte om de eer zijner dame te redden; iets van dat bloed vloeit nog wel in mijne aderen, en al zijn wij niet meer in de dagen der reuzen en gedrochten, ik zou toch de ridderlijke beschermer kunnen zijn der zwakheid die mijne hulp inriep; ik zou de diepste meewarigheid kunnen toonen voor eene vrouw, die mij leed en last wilde klagen; ik zou haar die ik zag wankelen met vaste hand steunen en staande houden; ik ben niet van hen die vernis en blanketsel voor reinheid aanzien, en ik zou de paarl niet minder achten om haar ruwe schelp; ik zou zelfs niet schromen mijne hand te besmetten, om deze uit het slijk op te rapen, als het zijn moest; maar, zoo ik mij niet bedrieg, is tusschen ons sprake van _Majoor Frans_; Majoor Frans, die boos wordt als men hem aan het prerogatief der schoone sekse herinnert, omdat hij niet tot 'de dames' wil gerekend worden, en die evenmin gelijkstelling wil met 'de soort,' waartoe ik nu eenmaal het ongeluk heb te behooren; Majoor Frans, dat hybridische wezen, dat daar bij mij is komen invallen, nadat hij zoo pas twee beklagenswaardige wezens van 'mijn soort' door zijn invectieven had neergeveld; en vraag dan u zelve, of het geen tijd werd dat de derde, die toch mee in de oorlogsverklaring begrepen was, den strijd opnam met eenigszins gelijke wapenen, om de nederlaag van de anderen te wreken en het heldhaftige personage de overtuiging te geven, dat hij.... minstens zijn portuur zal vinden als het er op aankomt, om elkaar zonder _menagement_ de waarheid te zeggen!"

Onder ons gezegd, Willem! de majoor hield zich kras: zij oefende al hare zelfbeheersching om de verschillende indrukken, die zij bij mijn spreken onderging, niet te toonen; maar zij is te impressionabel om er niet alles van gevat te hebben wat ik bedoelde. Zij was opgestaan en scheen met de grootste opmerkzaamheid de gebroken glasruiten te bekijken, om zich eene houding te geven; eensklaps keerde zij zich nu om, met hoogen blos op 't gelaat; maar er was geen toorn in den blik dien zij op mij vestigde, geene uittarting meer, al trad zij mij kloek en fier onder de oogen terwijl zij sprak:

"Ik moet zeggen, Leo! dat gij ferm afrekening gehouden hebt, en nu, mij dunkt, wij zijn _quitte_. Zijn wij weer vrienden?"

"Ik verlang niet beter, maar dan moet ik ook weten wie ik vóór heb, anders komt er weer misverstand...."

"Lastig mensch! gij schenkt mij ook niets;" en zij stampvoette van ongeduld, terwijl zij het hoofd afwendde.

"Enkel uit voorzorg, geloof mij. Heb ik met Majoor Frans te doen? of...."

"Nu, nu! Francis Mordaunt vraagt uwe vriendschap!" en zij stak mij beide handen toe en hare oogen vulden zich met tranen, die niet langer waren te bedwingen. Hoe gaarne had ik ze weggekust; hoe gaarne had ik haar aan mijn hart gesloten, en alles uitgezegd wat daar reeds voor haar sprak; maar het mocht, het moest niet zijn. Zij was opgeschrikt en ik had haar zien verbleeken, toen ik haar in den ochtend met zekere hartstochtelijkheid de hand kuste; ik mocht mijne aanvankelijke overwinning niet prijsgeven uit gebrek aan zelfbeheersching.

"Is het noodig te zeggen, Francis! dat gij reeds hebt wat gij vraagt? Zou ik het gewaagd hebben tot u te spreken zooals ik deed, zoo ik niet een oprecht, een trouw vriend voor u had willen zijn?"

"Dat zie ik in, en daar heb ik behoefte aan. En nu, wil mij eens gul uit zeggen, of gij mij, ondanks alles, niet in uw hart gelijk geeft tegen grootpapa en den kapitein; en ziet gij, dàt kwam ik u vragen. De wijze waarop gij het tegen mij opnaamt, bracht mij met mij zelve in strijd, en toch.... het waren geen verwijten uit de lucht gegrepen, die ik hun deed, en het is werkelijk wat ik zie komen: de kapitein ruïneert zich voor ons en mijn grootvader laat het zich aanleunen. Dat's ergerlijk, niet waar?"

"Zeer verkeerd, ik stem het toe."

"Rolf teert van den hoogen boom, ik ben er zeker van; en als de generaal mij ontvalt, blijf ik levenslang met den kapitein opgescheept!"

"Levenslang! dat zou erg zijn."

"Ja! heel erg, maar het kan toch niet anders, want als de man zich arm gemaakt heeft voor ons, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat ik hem niet verstooten kan; ik mag hem er eens mee dreigen, als hij overmoedig is en meent dat _wij hem_ niet missen kunnen, maar doen zal ik het nooit, al zie ik al het verdriet en bezwaar vooruit van zoo'n blok aan het been. En nu vraag ik u, heb ik bij dat alles zoo groot ongelijk, dat ik eens boos word en uitbarst?"

"In den grond hebt gij gelijk; maar gij hebt groot ongelijk in den vorm."

"Och kom! altijd met uwe vormen...."

"Het spijt mij zelf dat ik weer _la corde sensible_ moet aanslaan. Ik ben niet van de leer _que la forme emporte le fond_, dat stel ik op den voorgrond; maar toch, eene vrouw die er zich zoo grof tegen vergrijpt, heeft ongelijk, al ware zij overigens nog zoozeer in haar recht."

"Als ik het den kapitein niet eens duchtig zeg, baat het niets."

"Ik heb niets tegen duchtig zeggen waar de verontwaardiging tot spreken dwingt. Maar wie ruw uitvaart, overtuigt zeer zeker zijne partij niet en beleedigt allereerst zich zelf; en zoo het eene vrouw is die in hare drift woorden uitflapt, die een fatsoenlijk man zich schamen zou in hare tegenwoordigheid op zijne lippen te nemen, dan heeft zij zich tegen hare eigene waardigheid vergrepen en moet er op rekenen dat zij met dezelfde munt betaald kan worden, die zij uitgeeft. Ik zou _geen_ oprecht vriend zijn, zoo ik u hier niet waarschuwde. Verbeeld u eens wat het geweest zou zijn, zoo de kapitein u geantwoord had in de kazernetaal, die hij zelf zeker nog niet heeft verleerd?"

"Dat had hij eens moeten probeeren!"

"Het zou toch niets meer geweest zijn dan zijn recht. Meent gij dan het privilegie te hebben om tegen iedereen uit te varen zonder dat er _la peine du talion_ op volgt? Dat bewijst minder cordaatheid dan ik in u wachtte; er maar op los te trekken als gij weet dat niemand u aandurft!"

"Het komt mij voor," sprak zij glimlachend, "dat gij uw best gedaan hebt om mij dien waan te ontnemen."

"En daarom zeker hebt gij zooveel haast om mij weg te zenden niet waar?"

"Neen Leo!" viel zij gulgauw uit, en een blos overtoog haar gelaat; "dàt is het niet, geloof mij; dàt niet; maar ik zie toch niet in, waarom gij u juist behoeft op te werpen als de wreker der verdrukte onnoozelheid van mijne vazallen, zooals gij ze noemt; en ik beken u ronduit dat het mij zeer zou doen, zoo gij alliantie maaktet met hen tegen mij; want in vollen ernst, ik ben hun slachtoffer, al schijnt de verhouding uiterlijk omgekeerd."

"Dat heb ik reeds begrepen, Francis, en het is juist daarom dat ik nog hier blijf. Het is zeer verre van mij, het met hen eens te zijn. Aan uwe zijde is het recht en de gezonde, verstandige opvatting van het leven, dat men op de Werve behoort te leiden in uwe omstandigheden..."

"Nu, wat gij daar zegt doet mij goed; want ik beken u dat gij mij in strijd had gebracht met mij zelve, door dien blik van minachting dien gij mij hebt toegeworpen."

"Die gold enkel de wijze waarop gij hier verbetering en hervorming meendet in te voeren; juist dat uitvoeren is glad verkeerd."

"Ik weet heel goed dat het niets helpen zal, wat ik ook doe of zeg. Daarbij, ik beklaag mijn grootvader te veel om hem àl te groote ontberingen op te leggen; maar als de verkwisting met den dag stijgt, en waar ik weet dat ik zelve geen offers meer heb te brengen, omdat.... andere plichten mij binden, dan is het niet te verwonderen dat ik eens uitval."

"En toch zou ik u raden het eens op andere wijze te beproeven. Ik heb een vast geloof in de macht der zachte vrouwelijke overredingskracht; oefen die en zie eens wat zij zal uitwerken."

"Tegen behoeften en hebbelijkheden die tot eene tweede natuur zijn geworden!" viel zij in met schouderophalen.

"Welnu, indien gij er niet veel mee wint bij hen, dan zult gij er toch groote winst van wegdragen voor u zelve, daar ben ik zeker van. Gij hebt mij zelf gezegd, dat uwe opvoeding verwaarloosd is, niet zóó zeer toch of gij hebt Schiller gelezen."

"_Die Räuber_," viel zij ondeugend in.

"Dus niet zijne _Macht des Weibes_; niet het:

"Was die Stille nicht wirkt, wirket die Rauschende nie!"

Zij schudde ontkennend het hoofd.

"Dan is dit punt in uwe vorming althans verwaarloosd."

"Dat ontken ik niet,"

"Maar _c'est à refaire_; mag ik er u op wijzen en zult gij naar mij luisteren?"

"Zeker als gij Schiller reciteert, en vooral, als gij goed voordraagt."

"Ik zal mijn best doen."

"Maar nu niet, want ik heb u al veel te lang opgehouden en.... en.... gij blijft nu toch hier?"

"Zoolang gij mij houden wilt, Francis!"

"Blijf zoolang gij zelf kunt, als maar hetgeen gij hier waarneemt u niet al te veel tegen de borst stuit."

"Ik zal de _cotte de mailles_ van mijn voorzaat te baat nemen, om daartegen geharnast te zijn."

"Goed zoo; dus tot het naaste uurtje rustig samenzijn! Ik ga paardrijden; ik moet frissche lucht en beweging hebben."

"Apropos! en de dienst dien gij mij te vragen hadt?"

"Och, ik kan er wel buiten: het was maar.... de kapitein wilde mij een rijzweep present doen, en...."

"En die zoudt gij liever willen aannemen van mij, niet waar?" vroeg ik lachend.

"Neen, neen! Zóó is 't niet gemeend. Ik zou graag tien gulden van u leenen, als gij ze missen kunt; over een paar dagen heb ik zelve weer geld."

"Is 't gedecideerd dat ik u geen cadeau mag doen vandaag, bij wijze van souvenir?"

Zij gaf een beslist "neen" ten, antwoord. Toen reikte ik haar mijn portemonnaie, en zij nam er uit wat zij goedvond.

Eene kluchtige uitkomst van den geleverden slag, niet waar? Maar het komt mij toch voor dat ik terrein heb gewonnen.

Daar ik ook behoefte gevoelde aan frissche lucht, en de lust tot schrijven mij voor 't oogenblik vergaan was, besloot ik mijn biljet aan Overberg zelf naar de brievenbus te brengen, indien het bleek, dat er zoodanige inrichting op het dorp bestond. Beneden vond ik den generaal ook gereed om uit te gaan, en op mijne vraag, waar men hier de brieven bezorgde, bood hij mij aan met mij op te wandelen. Het ging de rechte, breede laan door, en wij bereikten den straatweg die door het dorp liep. Aan een van de eerste huizen bevond zich de brievenbus van het hulpkantoor, dat door een der functionarissen van de gemeente werd geadministreerd. Von Zwenken moest er zelf heen, want hij had een brief te bezorgen (ook aan Overberg denk ik) dien hij liefst aan de opmerkzaamheid van Francis onttrok, zooals hij mij zeide. Hij hoopte daarbij een pakket te vinden, dat hij zelf moest afhalen en dat ook werkelijk werd overhandigd; maar het scheen niet aan zijne verwachting te beantwoorden, want toen hij het met zekere zenuwachtige haast had geopend, stak hij het met eene beweging van verdriet en teleurstelling in zijn zak en zuchtte diep. Bij het terugwandelen meende hij zich daarover eenigszins te moeten verklaren en deed mij verstaan, dat het onnoodig was er met Francis over te spreken. "Ik heb zoo mijne eigene zaken, die buiten haar moeten omgaan, want zij zou er toch niets van begrijpen en het denkelijk niet met mij eens zijn, en nu gij haar reeds kent in hare eigenaardigheden, zult gij het natuurlijk vinden dat ik liefst discussies met haar vermijd. Op mijn leeftijd, en als men de rust lief heeft.. gij verstaat mij?"

"Heel goed, maar Francis is toch te verstandig om altijd zoo door te draven."