Chapter 15
"Francis! om 's Hemels wil, schei uit, _of wij_ moeten er uitscheiden," riep nu de generaal als in wanhoop; "ondanks mijne hardhoorendheid, word ik er toch wee van. Is dat een getik en geklinkel! Eerst die akelige snijdende tonen, en nu dat sentimenteel gesuis en getril; de kapitein wordt er roesig van, en wat het ergste is, het geeft den jonker zulke distractie, dat hij allerlei flaters begaat, en zijn eigen, ja, ons beider spel bederft. Neen! _mon cher_, ik spreek niet te sterk," zei hij, mij aanziende met zulk een _sérieux_ en zulk een wrevelig hoofdschudden, dat ik moeite had een glimlach te bedwingen toen hij voortging: "de kapitein heeft daareven een _sans prendre_ gewonnen, die hij had _moeten_ verliezen, als gij u maar de moeite gegeven hadt op te letten, welke kleur ik uitspeelde."
Ik moest het bekennen: ik beging fout op fout; het was voor mij geen spel meer; het was eene marteling.
Francis had het begrepen; zij kwam mij te hulp.
Zij staakte haar spel, voegde zich bij de speeltafel en sprak tot den generaal:
"Willen wij een compromis sluiten, grootpapa? Gij staat mij Leo af, om mij te accompagneeren; ik zal wat zingen, en gij continueert met den kapitein uw gewoon partijtje piquet."
"Hm, hm, ik zou u dat genoegen willen doen, Francis, maar de jonker heeft zooveel verloren; hij dient toch in de gelegenheid gesteld te worden, om zijne revanche te nemen."
"Gekheid! daar komt toch niets van, dat weet gij vooruit, grootpa!" duwde Francis hem toe, met zekere hardheid.
"Om de waarheid te zeggen, generaal, ik hecht er niet aan," sprak ik, "als het mij gegund wordt, in dezen mijne opinie te zeggen; maar mijn heele doosje is leeg, laat ons afrekenen."
"Afrekenen, onder ons, dat's malligheid, dat zal niet gebeuren," viel Francis in, met iets gedecideerds in stem en houding dat mij tegenstond.
"Als _ik_ gewonnen had, zou ik er aan hechten _mijne_ winsten te berekenen, Freule!" zei ik, tot haar gewend, op een toon, die haar ongepast voorkwam.
"Nu! gijlieden zult ook wel niet om een gulden het fiche hebben gespeeld," hernam zij wat gedwongen, en trad een stap of wat terug.
Dat was waar, maar toch hoog genoeg, om mijn verlies bij guldens te berekenen. Ik reikte den kapitein een muntje toe en verzocht de zaak voor mij met den generaal en hem zelven in orde te maken. Francis zag dit aan met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van misnoegen. Zij drukte de lippen opeen en werd gloeiend rood, om terstond weer te verbleeken; zij fronste onheilspellend de wenkbrauwen; zij trad opnieuw toe en strekte de hand uit om het papier aan Rolf te ontweldigen, maar ik wierp haar een blik toe, die haar van deze intentie deed afzien.
"Mij dacht, freule, dat gij reeds begrepen zoudt hebben hoe onwelvoegelijk in dezen uwe tusschenkomst is," voegde ik haar toe op korten, strengen toon.
"Ook goed! mij is 't wel, als gij geplunderd wilt worden!" viel zij uit en keerde zich af naar hare piano.
De roman van een uur, was al aan de ontknooping, en geen schitterende voorwaar! De generaal was onder dit alles merkwaardig om aan te zien. Hij zweeg; hij zweeg, waar alle convenances hem geboden hadden te spreken; hij zweeg, maar met eene uitdrukking van gelaat, met eene flikkering in het oog, die mij een pijnlijken blik gaven te werpen in zijn karakter. De man van opvoeding, van geboorte, die een eervollen rang in het leger had bekleed, was een speler, een speler niet slechts uit liefhebberij in het nietige spel, maar een speler, wien het om winst was te doen, op welke wijze ook verkregen, klein of groot, van wien ze hem ook toekwam; voor hem was ik een _arme_ verwant, het deed er niets toe, hij had gewonnen! hij moest zijne winst opstrijken, de lage hartstocht moest zijne voldoening hebben!
Ik voelde wel hoe zeer het fier en onbaatzuchtig gemoed van Francis hieronder lijden moest, maar zij zelve had mij op hare wijze ontstemd. Zij had zich zoo meesterachtig aangesteld met over mij te beschikken als over iets, waarmee zij handelen kon naar welgevallen, dat ik het noodig vond haar te toonen, hoezeer zij zich in dezen in mij had vergist.
Ik volgde haar wel naar de eetzaal, maar ik stelde niet voor haar te accompagneeren, en zij, die er vast op rekende, dat haar wil te verstaan en te gehoorzamen voor mij hetzelfde moest zijn, vroeg het mij niet.
Eindelijk mij aanziende met zekere mengeling van spijt en laatdunkendheid: "Dus speelt gij niet?"
"Ja wel, op mijn tijd, als ik er toe gedisponeerd ben."
"En dat zijt ge nu niet?" hernam zij op een toon, waaruit verrassing en gekrenktheid spraken.
"Juist nù niet!"
"O zoo!" bracht zij uit, keerde mij den rug toe en sloeg de toetsen zoo forsch aan, dat wij opnieuw wilde, stormachtige klanken moesten verduren.
Ik greep eene oude krant en wijdde daaraan geheel mijne opmerkzaamheid; daar liet zij de handen weer lusteloos in den schoot rusten, en nam den spiegel te baat om mij aan te zien, zonder dat ik het merkte, maar ik wilde haar die satisfactie niet geven, en wij fixeerden elkaar nu om strijd, of er niets beters in de wereld te doen viel.
Eindelijk preludeerde zij weer, zong het groote alt van Betly, uit de _Châlet_, en accompagneerde daarbij zich zelve. Zooals ik wel vermoed had, bezat zij een diepe, volle altstem, maar zij deed volstrekt niet haar best, om die te doen uitkomen; zij zong met tergende bravoure het refrein:
Liberté chérie, Seul bien de la vie, Règne toujours là! Tra la, la, tra la, la, la, la! Tant pis pour qui s'en fâchera!
Ik begreep heel goed waarom; ik wist, hoe haar te vergelden.
Ik wierp mijn krant weg, ging bij haar staan naast de piano en fluisterde haar in: "Denkt ge er wel aan hoe de aardige operette afloopt?"
"Heel goed! zooals dat altijd geschikt wordt in de komedie; maar in 't werkelijke leven is het juist omgekeerd, en ik.... ik hecht aan de realiteit!"
Juist kwam Frits binnen, om het avondbrood klaar te zetten; er werd gelukkig niet gesoupeerd.
De beide heeren waren opgeruimd, de kapitein was luidruchtig en op zijne wijze aardig, al waren zijne aardigheden juist niet van den besten smaak; ik trachtte met hem in te stemmen, al ging het niet van harte, want Francis bleef droog en kortaf tegen ons allen, en toonde mij haar humeur, zelfs nog in de wijze, waarop zij mij even hare vingertoppen toestak, toen wij elkaar goedennacht wenschten.
Huis de Werve.
Hoe weinig romanesk het ook klinken moge, Willem! ik sliep dien eersten nacht heerlijk in het overruime ledikant en op het overzachte bed, waar wie weet welke mijner moederlijke voorzaten hunne leden op hadden uitgestrekt. Daar er geen oude familie-portretten hingen, wier gestalten kwamen rondspoken, stoorde niets mijne nachtrust dan wat geknaag van ratten en muizen, dat ik waarnam tusschen de bonte en verwarde droomen in, waarin Francis onder allerlei gedaanten de hoofdrol speelde, en vreemd, de slaap was mij overvallen, terwijl ik mij in gissingen verdiepte over dit zonderlinge wezen, dat mij toch aantrok ondanks, neen, zelfs door hare gebreken, die mogelijk slechts de overdrijving waren van degelijke kwaliteiten.
Toen ik ontwaakte drong het daglicht in ongetemperde kracht tot mij door; want ik had een der blinden niet willen sluiten, om zoo vroeg mogelijk iets te genieten van het ongewone schouwspel dat mij hier wachtte: een Geldersch landschap, door een lente-ochtendzon verlicht. Zonder er op te durven rekenen, hoopte ik zelfs de zon te zien opgaan, iets wat bij drukken, nachtelijken arbeid in den Haag niet precies tot mijne gewoonte behoort. Maar dit mislukte; want zij stond reeds hoog aan den hemel en schoot grillige lichttinten uit over het eerwaardige Smyrnasch tapijt, toen ik de oogen uitwreef om mij te bezinnen waar ik mij bevond. Toen alles mij weer helder voor den geest stond, maakte ik mij op om eens eene fiksche wandeling te doen in de buurt van het kasteel. Ik wist, dat men niet matineus was op de Werve; het ontbijt althans was op geen al te vroeg uur bepaald. De vraag was dus maar, hoe naar buiten te komen zonder den goeden Frits in zijne rust te bekorten; dan, mijne bezorgdheid bleek ijdel, want reeds zag ik hem in de vestibule bezig. En de groote dubbele deur, die op het perron uitkwam, stond wagenwijd open. Zwijgend bracht hij de hand aan de muts, toen ik voorbijkwam, en op mijne vraag hoe ik tot de boerderij moest komen, die ik uit mijn raam in de verte had zien liggen, wees hij mij lakoniek maar afdoend den weg dien ik te nemen had.
Ik genoot van de frissche, nog wel wat scherpe ochtendlucht, onder de hooge denneboomen, waarlangs mijn pad ging. Toch kon ik niet, zooals ik mij voorgesteld had, de schoone natuur geheel genieten; te veel bijgedachten drongen zich aan mij op. De pachthoeve die ik wilde bezoeken behoorde reeds aan mij, krachtens de beschikkingen van tante Sophie, sinds de generaal die had moeten verkoopen en Overberg gezorgd had er de kooper van te zijn; maar dezelfde bewoners waren er gebleven, voor welke niets was veranderd dan alleen dat zij de huurpenningen moesten brengen bij den procureur, en dat zij betere reparatie kregen dan onder het beheer van von Zwenkens ontrouwen rentmeester. Overberg had mij aangeraden er eens heen te gaan en met de goede lieden kennis te maken; als gast van de Werve kon ik er licht een glas versche melk vragen en een praatje aanknoopen, dat mij mogelijk een en ander omtrent Francis deed te weten komen, wat ik deze zelf niet kon vragen.
Eens op 't chapitre van Francis, raakte ik zoo aan 't mijmeren, aan 't fantaseeren, aan 't berekenen der kansen vóór en tegen, dat ik niet meer op of omzag, maar alleen met een gejaagden stap voortliep, nauwelijks wetende dat ik zoo deed, toen ik op eens Francis zelve zag aankomen. Zij kwam reeds van de zijde waar de pachthoeve lag, en zij moest er geweest zijn; zij hield een mandje in de hand. Zij scheen een oogenblik te aarzelen of zij een anderen weg zou nemen, mogelijk wel omdat zij, in eene oude grijze sjaal gewikkeld en met een ongracieusen tuinhoed op, zich bewust was weer geen goed figuur te maken, mogelijk ook omdat zij mij nog rancune hield. Hoe dit zij, hare weifeling duurde maar zeer kort, en zij kwam snel en beslist naar mij toe met een opgewekten morgengroet en reikte mij gulweg de hand.
"Zoo, zijn we weer vrienden?" vroeg ik, die hartelijk drukkende en haar half lachend, half ernstig in de oogen ziende.
"Ik wist niet dat wij een oogenblik opgehouden hadden dat te zijn," hernam zij, toch wat kleurende, en niet met hare gewone cordaatheid.
"Hm, hm! op het laatst van den avond hebt gij mij geboudeerd, trots het beste nufje."
"Zeg dan liever: trots het slechtste, want die vrouwengrillen staan heel leelijk, dat ben ik volmaakt met u eens. Maar geloof mij, neef Leo!" hier legde zij vertrouwelijk hare hand op mijn arm, "ik stelde mij niet knorrig aan uit grilligheid; ik was bezorgd en had verdriet. Ik zag wel, dat gij boos op mij waart, en dat mijne wijze van doen u ongepast voorkwam, maar, ziet gij, ik kan geen onrecht en geene laagheid zien zonder daartegen op te komen. Ik vreesde dat gij, om het zwak van mijn grootvader te vleien, u zelf tot dupe liet maken, en.... en...."
"Al ware dat, gij hebt toch notie genoeg van ons _point d'honneur_ om te begrijpen, dat ik hier niemands tusschenkomst kon aannemen."
"Gij hadt mij bekend dat gij arm waart, dat gij u zelven ontberingen moest opleggen, en nu zulke nuttelooze verspilling, hier in ons huis! Het was bijna een _guet-apens_."
"Neen, neen, dat was het niet; maar al zou het dat geweest zijn, voelt gij niet dat het beneden mijn karakter zou zijn om hier gratie aan te nemen van wie ook! Ik ben er zeker van, gij hebt tact genoeg om mij te begrijpen."
"Gij hebt gelijk; wij zijn het beiden veel te veel eens om zoo te harrewarren. Maar ik heb het immers vooruit gezegd dat ik slechte manieren heb!"
"Om u de waarheid te zeggen, hier zijn minder slechte manieren in het spel dan wel zekere aanmatiging, zekere heerschzucht."
"Welnu! vergeef mij dan die aanmatiging, die heerschzucht!" sprak zij schertsenderwijs, maar er trilde iets in hare stem, dat mij aanmoedigde om mijne overwinning in dezen voor goed te constateeren.
"Als gij maar bekennen wilt, dat het mijnerzijds geene onjuiste opvatting is...."
"Dat kon toch wel zijn, zoo gij er mijn goed hart in hebt miskend; want ik begreep dat gij u wildet opofferen om den generaal te believen, en ik wilde u vrijmaken."
"Juist, door over mij te beschikken als over iets, dat het uwe was, en dat gij naar willekeur kondet draaien en wenden; verschoon mij, zoo _iets_ ben ik niet, noch zal dat ooit zijn voor wie ook, en gij, die als vrouw zoo fier zijt, en zoo zelfstandig, dat het u tegen is ook maar den arm van een man aan te nemen, die u als de meest gewone beleefdheid geboden wordt, wat zoudt gij denken van den man die, om aan eenige verveling te ontkomen, zich liet beschermen door eene vrouw?"
"Dat is waar!" sprak zij ras en levendig, "zoo'n man.... zou mij.... te veel op de anderen lijken om hem niet te minachten; maar nu blijkt het mij, dat gij nog rancune houdt van zekere weigering, doch als ik nu toestem, dat gij in uw recht waart, en dat ik deze correctie verdiend heb, zult gij dan ook niet erkennen, dat gij dat kleine vergrijp wel wat hoog opneemt?"
"Niet te hoog, Francis; het plantje onzer vriendschap is nog zoo teer en daarbij zoo kostbaar, dat het wel waard is met wat zorg gekweekt te worden, en als wij het eens eene verkeerde plooi laten nemen, zou het nooit gezond en krachtig kunnen opgroeien."
"Als gij het zóó ernstig opvat met die vriendschap," hernam zij, terwijl een vluchtige blos hare wangen kleurde, "wil ik toegeven dat gij in uw recht waart met mij te kapittelen; maar na zulke concessie moet het kibbel partijtje van gisteravond óók vergeten en vergeven worden, zonder arrière pensée, niet waar?"
"Geene andere nagedachte dan die...... aan uwe echt vrouwelijke beminnenswaardigheid, die de oprechte verzoening verzekert," riep ik uit, verrukt, weggesleept door den indruk dien zij in dat oogenblik op mij maakte, en hare hand vattende, die ik met innige teederheid kuste.
"Leo! wat doet gij!" riep zij, bleek en met tranen in de oogen; hare trekken hadden iets lijdends, of ik haar pijn had gedaan.
"Onze vriendschapsbond verzegelen; laat u dat niet verschrikken noch ontrusten; van nu aan neem ik de leiding daarvan op mij, en--ik ben een eerlijk man; daar kunt ge staat op maken!"
"Leo! Leo! gij weet niet wat gij doet," sprak zij zacht en dof, de beide handen op het hart drukkende, als wilde zij dat verbieden te kloppen, "gij vergeet aan wien gij dat alles zegt, ik ben--Majoor Frans."
"Ik wil van Majoor Frans niet meer hooren; mijne nicht Francis Mordaunt moet mij toestaan haar den steun van mijn arm te geven," en hare hand nemende, schoof ik met zacht geweld haar arm in de mijne. Zij liet mij zwijgend begaan, er was iets mats en kwijnends in hare meegevendheid, of zij den tegenstand moede was, of haar de rust der lijdelijkheid behoefte was voor het oogenblik, want ik gevoelde wel dat ik hier niets had behaald dan de zege in een voorpostengevecht, en dat er nog gansch anders slag zou moeten geleverd worden, eer ik in eene volkomen overwinning kon roemen; ik begreep het reeds uit de wijze waarop zij hervatte:
"Ik ben het met u eens, Leo! het zal mij goed zijn, zoo eens met u te wandelen en te praten, zij het dan ook voor de eerste en eenige maal, maar.... weet gij al waar gij met mij gaan zult?"
"Naar gindsche boerderij; die was het doel van mijn tocht."
"Ik kom er vandaan, maar dat doet er niets toe; 't is een aangename weg en wij kunnen er rusten; het zijn boerenlieden, waar ik zoo goed als thuis ben."
"En waar gij uw eieren vandaan haalt, naar ik zie; laat mij dat mandje dragen...."
"Volstrekt niet, het zou ons kunnen gaan als Pierrette in de fabel. Ik had er niet op gerekend versche eieren mee te krijgen, maar de goede zielen drongen ze mij op; ik was er eigenlijk naar een patiënt gaan zien."
"Een patiënt? speelt gij voor docteresse?"
"Ik doe zoo wat van alles; maar de patiënt in kwestie is een hond, een lief, trouw dier, mijn arme Veldheer, die zijn poot heeft gebroken, en die van niemand geholpen wil zijn dan van mij alleen! Nu, ik ben er ook de naaste toe; het wakkere beest heeft het ongeluk gekregen toen het mij volgde op een wandelrit; ik kreeg den inval met mijn paard over een heg te springen, en hij wilde mij na; maar ongelukkig had hij den sprong niet zoo goed berekend, als ik den mijne met Tancred, en ziet, hij brak een der voorpooten waarop hij neerkwam; het gebeurde dicht bij de hoeve, en 't was maar best dat hij daar bleef tot zijn herstel; de veearts geeft er hoop op, schoon hij zal blijven hinken! Dat's alweer een verdriet, dat ik mij zelve heb berokkend.... en toch.... kon al het andere nog zoo terecht komen! maar.... helaas!"
Zij zuchtte diep.
"Bij zoo sprekend zelfverwijt mag men u niet hard vallen.... anders zou ik zeggen, zijt gij niet wat al te stout en overmoedig bij het rijden? Ik heb u te paard gezien, of eigenlijk, ik heb slechts de stofwolk gezien, die uw wilde vaart opjoeg."
"Zoo is 't; ik weet maar al te goed: ik ben een razende Roeland te paard; 't is me dan of al wat er van gloed en kracht in mij zit, zich gelden doet en tot zijn recht wil komen. 't Is of mijn bloed sneller en gunstiger vloeit, ik gevoel mij leven, ik geniet, ik vergeet, en toch, Leo! toch," voegde zij er in diepe zwaarmoedigheid bij, "toch had ik bijna de gelofte gedaan, nooit weer een teugel in handen te nemen, want.... Gij spreekt van zelfverwijt, wat zoudt gij zeggen als het met veel zwaarder woord moest genoemd worden, wat ik mij door mijne onbedwingbare hartstochtelijkheid voor het leven op den hals heb gehaald...."
"Ik zou zeggen, dat erkenning van schuld reeds berouw insluit en een aanvang is van beterschap, van herstel."
"Spreek zoo niet, Leo!" viel zij in met smartelijke bitterheid, "ik word verscheurd door wroegingen die nooit, nooit zullen uitslijten."
"Dàt neem ik nog niet aan, wroeging, die tot niets leidt dan tot wanhopige berusting, is onvruchtbare zelfkwelling; beter is het naar genezing te trachten; er is immers niets onherstelbaars gebeurd?"
"Ja, 't is onherstelbaar; en 't zal mij altijd blijven drukken als eene zware schuld, en toch.... God weet dat er geen opzet bestond en.... dat ik er toe gekomen ben mijns ondanks."
Ik raadde waarop zij doelde; een smartelijke twijfel, eene vreeselijke onrust overviel mij, eene vraag brandde mij op de lippen, maar ik verloor den moed die te uiten, toen ik haar aanzag; zij was doodsbleek geworden, hare lippen sidderden, en, als gejaagd, haar arm uit den mijnen trekkende, bleef zij even stilstaan en liet zich toen neervallen op een omgehouwen boomstam, terwijl zij de beide handen voor de oogen drukte als om de tranen te weerhouden die mildelijk vloeiden. Ik bleef voor haar staan: "Spreek het uit Francis," drong ik met zachten ernst, "dat zal u verlichten."
"Ja, dat zal het," hernam zij kalmer; "eens moet ik het meedeelen aan iemand, wat ik geleden heb, maar niet nu. Ik wil mij nu dezen vriendelijken morgenstond niet bederven met mij dat afgrijselijk tooneel voor den geest te halen, en dat zou ik toch moeten doen om u.... begrijpelijk te maken, wat ik zelf nauwelijks begrijp, hoe dat mogelijk is geweest, dat ik, ik, die met al mijn drift geen beest kan zien lijden, schuldig ben aan den dood van een mensch!"
"Het schrikkelijk beeld staat u nu toch voor den geest; werp het van u, door het aan mij toe te vertrouwen," smeekte ik met al den drang van het diepste meegevoel.
"Neen! niet nú!" riep zij opspringende; "waartoe zou het baten! het kan alleen maar deze korte oogenblikken samenzijns vergallen."
"Indien het alleen deze ure van samenzijn betrof, zoudt gij gelijk hebben, Francis! maar.... gij begrijpt toch wel, dat ik mij niet met zóó voorbijgaande kennismaking tevreden stel, en daarom hecht ik er aan, alles van u te weten, ook datgene, waarover gij smart of.... berouw voelt. Mag ik uitvinden wat u moeite schijnt te kosten uit te spreken; is er niet zeker ongelukkig voorval met uw koetsier....?"
"Precies, dat is het!" sprak zij nu, op eens weer stout en met bitterheid, mij fier en uittartend aanziende, haar arm weer uit den mijnen losmakende, zonder dat ik nu lust gevoelde mij daartegen te verzetten. "Heel goed; als gij daar meer van weten wilt hebt gij het maar aan de boerenlieden te vragen waar wij heengaan; zij weten er alles van."
"Ik zal mij wel wachten, Francis! naar uwe geheimen te vorschen achter u om...."
"Mijne geheimen!" viel zij nu uit, met eene stem die van toorn en gekrenktheid trilde. "Hoe komt het in u op, dat daar een geheim achter zou steken? Het betreft immers een schrikkelijk ongeluk op den publieken weg, dat maar al te veel gerucht heeft gemaakt, en dat in een oogwenk menigte van toeschouwers had. Maar," ging zij voort, met den voet stampend van ergernis, "ik begrijp wel dat men niet zal nagelaten hebben, zelfs op hetgeen klaar was als de dag, sprookjes en lasteringen te bouwen, om daarmee de publieke opinie tegen mij op te hitsen; het geldt immers maar Majoor Frans, die de dingen niet doet zooals iedereen; Majoor Frans, de vogelvrije; en 't zou jammer zijn geweest, zoo men de occasie niet bij de haren had gevat, om wie weet met welke lasteringen nog hare fout zwarter te maken, alsof het al niet genoeg was dat hare woestheid en overmoed een mensch het leven hadden gekost, en een andere de eer en het levensgeluk! Hoe kon ik zoo onnoozel zijn, te wanen, dat u daar niets van zou zijn ter oore gekomen, dat men u niet daarvan eene voorstelling zou gegeven hebben, die genoeg was, om u zóó nieuwsgierig te maken, dat gij mogelijk alleen herwaarts heen zijt getrokken om de heldin van zoo'n romanesk avontuur eens in al haar doen en laten te leeren kennen. Welnu! het zou jammer zijn, dat zoo'n nobele kruistocht geen doel trof. Daar vóór u ligt de boerderij, ga daar botweg aan de lieden vragen, wat er is van het geval met Majoor Frans en den koetsier Blount; de man en de vrouw zijn er beiden getuigen van geweest, zij kunnen u op de hoogte brengen of liever op de laagte van die gansche jammerlijke geschiedenis, en daarna, Jonker van Zonshoven, keer terug naar de Werve om afscheid te nemen."
Al sprekende wees zij met een gebiedende geste naar het boerenerf dat voor ons lag, en terwijl ik er het oog op richtte, ijlde zij weg en liet mij staan in eene onbeschrijfelijke verwarring en beschaming. Ik wist niet meer wat ik er van denken moest; slechts kwam het mij voor, dat zij voor mij verloren was. Ik stond besluiteloos.... haar volgen.... inhalen.... was het verstandig, zou het niet vruchteloos zijn? Zij scheen zoozeer beslist om mij niets meer te zeggen. Toch moest ik weten. In deze verhouding tot haar kon ik niet op de Werve blijven, en ik kon evenmin heengaan met zulken twijfel in het hart.
Ik zou dan maar doortasten, hare aanwijzing volgen en daarna zien wat mij te doen stond. Het was niet te verwonderen, dat zij haar mandje met eieren, bij den boomstam neergezet, in hare driftige vlucht had vergeten. Ik nam het op, bij wijze van introductie in de boerderij; ik kon mij zelven daar toch niet voorstellen als den aanstaanden landheer, en ik wist niet of Francis van haar gast had gesproken; binnen eenige minuten was ik er tegenover de boerin gezeten, die mij een glas schuimende melk aanbood, dat ik hoog noodig had na de wandeling met hindernissen in den vroegen morgen.