Chapter 13
"Dat is mijne gewoonte niet tegenover...." dames mocht ik niet zeggen, ik bleef in mijne phrase steken.
"Kom! gekheid, zoo'n nuf ben ik niet, dat weet gij nu wel. Wilt gij dat ik koffie voor u zal zetten? De heeren dáár gebruiken die niet, zij blijven rooken en drinken tot dat...."
Op hare beurt was zij wat verlegen om te voleinden, dus viel ik in:
"Ik wil niets dan een oogenblik vertrouwelijk met u spreken; gunt gij mij dat?"
"Wel zeker, dat zal mij pleizier doen; neem dien fauteuil en ga over mij zitten, dat praat het gemakkelijkst."
Ik volgde hare aanwijzing en zij ging voort:
"Zeg me allereerst of gij nu begrepen hebt, waarom ik hier geen gast wil hebben?"
"Zoo ongeveer.... ik onderstel dat gij vereenvoudiging wenscht, die de heeren niet goed vinden, en den omslag dien gasten noodzakelijk maken liefst wilt vermijden."
"Nu, voorwaar! gij zult niet weer eerst raden, dat's slim van u, dàt uitgevonden te hebben na 't geen gij hier reeds hebt bijgewoond!" en de ondeugende lachte mij helder uit; maar zij was weer in goede luim geraakt, en dat was altijd iets; hetgeen ik giste durfde ik niet uitspreken.
"Ik zie wel, ik moet u zelve op de hoogte brengen, anders komt gij er niet. En dàn studeeren de mannen voor rechters en advocaten! en zien niet verder dan hun neus lang is! Wat Shakespeare gelijk had, dat hij Portia gebruikte om een pleidooi te winnen, waarbij het op menschenkennis en scherpzinnigheid aankwam."
"Ondanks mijn respect voor Portia en mijne bewondering voor Shakespeare, moet ik u toch doen opmerken, dat ik _niet_ heb gestudeerd, hoewel ik overtuigd ben dat mijn gebrek aan doorzicht in dezen daarmee niet in verband staat."
"Niet gestudeerd! 't is waar ook, hoe komt dàt? gij zoudt mij dat verteld hebben?"
"Dat zal ik u vertellen, Francis; maar laten we eerst van u zelve spreken; hoe kortzichtig gij ook meent dat ik ben, toch heb ik doorzien, dat gij niet gelukkig zijt, en dat grieft mij; schenk mij uw vertrouwen; mogelijk vinden wij samen het middel om uit den weg te ruimen, wat u tegen is...."
"Met de lamp van Aladin in de hand, en het _Sésame ouvre toi!_ als parool, niet waar?" sprak zij met een minachtenden lach, waarin bitterheid school. "Neen, beste Leo, onderneem dat maar niet, gij zoudt menschen en toestanden beiden moeten veranderen, en nòg! Neen, vertel mij liever van u zelven; dat zal mij afleiding geven, en die heb ik allereerst noodig. Eilieve! zie ginds die heeren der schepping, mijn dagelijksch gezelschap, mijne eenige omgeving," ging zij voort, even den blik naar de eetzaal wendende; "zij zijn op het hoogtepunt van hun levensgenot gekomen, de generaal is met de sigaar in den mond in slaap gevallen, en de kapitein heeft genoeg van zijn cognac; hij stopt zijne groote duitsche pijp en waggelt naar de billardkamer om in zijn eentje te smoken! Zij komen niet weer bij vóór de thee; wij hebben een goed rustig uurtje voor ons. Kom aan, biecht eens op," ging zij voort, nu tot mij op een gansch anderen toon dan die van laatdunkende bitterheid, waarmee zij over "die heeren der schepping" gesproken had, "en zeg mij waarom gij geen advocaat zijt geworden?" Zij vestigde al sprekend hare groote blauwe oogen op mij, met eene mengeling van belangstelling en wantrouwen, of ze mij verdacht een gesjeesde student te zijn.
"Eenvoudig omdat mijn goede vader al te vroeg gestorven is...."
"Een _goede_ vader sterft altijd te vroeg voor iedereen," hernam zij met een licht schouderophalen; "zelfs een slechte, die zich niet om zijn kind bekommert, is nog een verlies; de uwe liet dus niets na?"
"Dan eene weduwe die gewoon was van een vrij goed tractement te leven, en die nu plotseling op een pensioen werd gesteld dat slechts een derde daarvan bedroeg. Wij bezaten niets daarnevens dan een titel en antecedenten, die allerlei eischen stelden, waaraan wij niet meer konden voldoen. Mijne moeder, Brusselsche van geboorte en sinds haar huwelijk in den Haag overgeplant, voelde zich daar recht thuis, en had zich een schrikbeeld van Leiden gemaakt, dat ik haar niet uit het hoofd konde praten; zich bekrimpen, zich behelpen wilde ze, desnoods op eene kamer van eene derde verdieping, maar den Haag te verlaten om te Leiden samen te gaan wonen met mij, dat scheen haar eene ondragelijke ballingschap. Ook wachtte ik mij wel het haar voor te stellen, want zij zou het om mijnentwille hebben aangenomen; en zwak en teergevoelig als zij was, kon het haar dood zijn geweest. Zij verbeeldde zich dat ik toch wel kon blijven studeeren; zij wilde zoo graag heel zuinig zijn voor mij, en ik had immers nooit zulke groote sommen noodig gehad. Dat was waar. Met de bewustheid, dat er geene fortuin voor mij was weggelegd en dat mijne ouders het hunne best konden gebruiken, had ik altijd getracht hen het minst mogelijke te kosten, en had met copieeren en werken voor anderen aangevuld wat er aan mijne toelage te kort kwam. Maar nu! de kosten van tweeërlei huishouding konden niet bestreden worden met haar schraal pensioen, zelfs al leefde ik te Leiden zooals ik geleefd had. Er werd nu veeleer van mij gevorderd te werken voor haar, zou zij niet allerlei lasten en ontberingen lijden. Zoo gaf ik er de studie aan en wendde voor dat ik den lust tot studeeren verloren had, allereerst tegen mijne moeder zelve en hield die rol vol zelfs tegenover vrienden en academie-kennissen. Ik wilde niet, dat men haar verwijten zoude doen, evenmin dat men mij zoude beklagen! Ik beproefde wat ik met mijne nog weinig geoefende talenten als auteur vermocht. Ik begon met vertalen, en de hemel weet wat al onbeduidende romans ik op boekverkoopers-bestelling in den kortst mogelijken tijd heb afgeleverd; intusschen klopte ik hier en daar aan om aan een ambt of in eene betrekking te geraken, die wat betere uitzichten voor de toekomst beloofde; tevergeefs: altijd stiet ik het hoofd omdat ik geen Mr. voor mijn naam kon zetten. Zoo tobde ik een tijdlang, eer ik zekere litterarische connexiën had aangeknoopt, die mij op weg hielpen; maar toen eens mijn pseudoniem een goeden klank had gekregen, ging het vrij goed; niet zonder inspanning, niet zonder offers, dat is zoo, maar toch geene die mij te zwaar vielen. Mijne moeder leed geene al te groote ontberingen, behoefde zich niet op eene derde verdieping te verschuilen, noch aan alle gezellig verkeer te onttrekken, en ik kon haar van tijd tot tijd laten deelen in genoegens en uitspanningen, die haar tot behoefte waren geworden. Toch bleek het dat hare zwakheid niet bestand was om den schok te dragen, dien zij had moeten doorstaan; tevergeefs trachtte zij het voor mij te verbergen dat zij leed, ik bemerkte het aan alles dat zij de smart van haar verlies niet te boven kon komen. Zij verviel langzamerhand tot eene diepe melancholie, waaruit niets haar meer konde opwekken, die haar geest benevelde, hare krachten ondermijnde, ondanks alles wat er beproefd werd tot hare herstelling, en na enige maanden van dit aandoenlijk lijden bezweek zij, zonder in eigenlijken zin ziek geweest te zijn. Hoezeer verblijdde ik mij toen, dat ik haar het zwaarste offer niet had gevergd en die teedere plant niet om mijnentwille had losgerukt uit den grond waar zij wortelen had geschoten. Haar afsterven, reeds in den vroegen herfst des levens zou mij dan als eene zware schuld op het geweten hebben gedrukt. Nu had ik ten minste het mijne gedaan om haar te behouden, ik kon haar nastaren met stille berusting, al was het met diepen weemoed. Zoo is het gekomen, Francis, dat ik geen Mr. voor mijn naam kan zetten...."
"Nu! gij zijt er mij te liever om," viel zij onbedacht uit; "een man die geen egoïst is en zijne ambitie ten offer kan brengen aan de zwakheid van eene moeder, van eene vrouw, is eene zeldzaamheid; laat mij u daarop goed in de oogen zien, Leo! om de uitdrukking van uw gelaat in mijn geheugen te prenten; dus zal ik u in gedachten houden, en dat zal mij goed zijn; want om de waarheid te zeggen, ik heb mijne redenen om geen al te hoogen dunk te hebben van uwe soort."
Wonderlijk schepsel! op het oogenblik zelf, dat zij zich betuigingen liet ontvallen die een onvoorzichtige tot eene declaratie zouden hebben verleid, die ik althans had kunnen opvatten om er haar mee in de war te brengen, de geweldige mannenhaatster! gaf ze mij te verstaan, dat zij vast op mijn heengaan rekende, zonder aan weerzien te denken.
"Hebt gij dan zooveel haast om mij weg te zenden, dat gij nu al op een afscheid peinst?" vroeg ik, haar verwijtend aanziende.
"Maar, Leo! gij hebt immers zelf wel begrepen, dat gij hier niet blijven kunt, nu gij gezien hebt hoe het hier toegaat?"
"Wat zal ik u zeggen. Ik begrijp wel dat het voor u geen stichtelijk schouwspel is, een paar heeren van leeftijd, die zich eene fijne flesch goed laten smaken, maar toch, wat mij aangaat, niet zóó afschrikwekkend om er mij terstond door te laten verjagen."
"Het kwam mij toch voor, dat gij bij exempel de uiterste matigheid hebt gepredikt."
"Niet vreemd. Ik kan niet zoo in eens met mijne gewoonte breken, maar als ik luxe hebben kan, zal ik er mij zoo goed in schikken als een ander; ik zal hier wel gewennen," sprak ik koeltjes, al zag ik dat zij van ongeduld trappelde met de kleine voeten, tot mijne verrassing elegant geschoeid.
"Gij houdt van schertsen," sprak zij, na mij even te hebben aangezien, kennelijk zich zelve beheerschend om niet een van die uitvallen te doen, die de kapitein _parate executie_ noemde, "maar ik vraag u in vollen ernst, of gij gelooft dat men de Werve bewonen kan met een kolonelspensioen en er zulk eene tafel op nahouden?"
"Wat mij betreft, het is niet aan mij om mijn gastheer en vrouwe de rekening te maken; ik kan alleen zeggen, dat ik het jammer zou vinden als gij zooveel omslag zoudt maken om mij, al scheen de generaal er pleizier in te hebben om mijne welkomst wat te fêteeren; ik heb u immers terstond gezegd, dat ik met een schotel groente en wat koud vleesch tevreden ben."
"Gij! dat is wel mogelijk, maar vraag eens wat de kapitein daarvan zeggen zoude?"
"Wat doet dat er toe? Zijt _gij_ het niet die hier de huishouding bestuurt? De generaal heeft toch niet het voorkomen van zoo'n tyran te wezen."
"Helaas, neen! het is niet zijne geweldenarij, maar zijne zwakheid, zijne jammerlijke zwakheid, die mij zoo diep ongelukkig maakt," viel zij in, met een smartelijk hoofdschudden; "geloof niet dat ik den grijsaard geen goed hart toedrage, dat ik hem niet iedere sier des levens zou gunnen,--zou willen geven met opoffering van al het mijne,--maar dat is de groote grieve, die ik tegen hem heb, dat hij zich zoo afhankelijk heeft gemaakt van den kapitein."
"Het komt mij toch voor dat gij waarlijk nog al cavalièrement met uw kapitein omspringt; hij zelf noemt u immers zijne gebiedende vrouwe, zijn majoor! En gij zoudt zijne toestemming noodig hebben om hier bezuinigingen in te voeren die gij noodig acht; op dit punt geloof ik dat iedere vrouw het recht heeft hare autoriteit te laten gelden."
"Ziedaar juist wat ik niet kan, niet mag; maar het schijnt wel dat gij mij niet met een half woord wilt verstaan. Zoo zal ik u den sleutel van dit raadsel in handen geven! dat zal mij tegelijk verlichten; want ik ga onder door verdriet en ergernis, die ik altijd moet verkroppen, en ik heb niemand, niemand waaraan ik mijn hart eens kan uitstorten; gij, gij schijnt mij toe een oprecht, een edelmoedig mensch te zijn; 't is waar, ik heb mij in mijne opinie van een man wel eens meer bedrogen, maar toch, met u wil ik het er nog eens op wagen,--eene teleurstelling meer komt er zooveel niet op aan."
"Schenk mij gerust uw vertrouwen, Francis! Wees er zeker van, dat ik een eerlijk man ben, die een oprecht verlangen heeft uw leed te verlichten."
"Dat verlang ik niet van u; het zal mij genoeg zijn zoo gij het kunt begrijpen en mee gevoelen; maar trek even de porte-brisée toe, dan kan niemand in de schemering binnenkomen, zonder dat wij het bemerken."
Ik volgde haar wenk, en toen ik mij weer tegenover haar had nedergezet, ving zij aan: "Ziet gij, Leo! toen mijn grootvader zijn pensioen had genomen en wij ons hier op de Werve terugtrokken, was het ons dringend noodig op bezuiniging bedacht te zijn. Voormaals hadden wij een rijkelijke en omslachtige huishouding gehad; de eischen van zijn rang, de verplichting als commandant van de kleine vestingstad om de autoriteiten, zoowel als zijne officieren, bij zich te ontvangen, en, laat ik het bekennen, ons beider gewoonte om in zekere ruimte en gulheid te leven, waren oorzaak dat wij bijkans open tafel hielden en er altijd op gasten gerekend was; maar door verschillende oorzaken, door smartelijke familieomstandigheden niet het minst, was onze fortuin in de laatste jaren zoo geslonken, dat het niet mogelijk was op dezen voet voort te gaan. Grootpapa zag het toenmaals in zoowel als ik; zich verminderen en in werkelijken dienst te blijven ging niet, maar hier buiten konden wij leven zooals wij wilden. Wij behoefden niemand te zien, wij sneden in één houw alle parasieten af, en hoewel het eene hachelijke onderneming was, een kasteel als dit te gaan bewonen met eene enkele dienstbode en een oppasser, besloten wij toch daartoe, omdat wij slechts twee of drie kamers in gebruik zouden nemen en het mij niet te veel was, zelve de handen uit de mouw te steken. Bedrijvigheid was mij noodig; ik rekende op den moestuin en den boomgaard, op de boerderij, die toen nog bij de plaats behoorde, om in bijna al onze behoeften te voorzien, en ik had in stilte de bijgedachte om bij zoo zuinige leefwijze zekere bezwaren weg te ruimen en de Werve te eenigen tijd uit haar staat van verval op te richten. In den eersten tijd ging alles vrij goed; wij waren hier in den zomer gekomen; de rust, waaraan wij beiden behoefte hadden, de prachtige natuur vol afwisseling, die ons verlokte tot gezamenlijke rijtoertjes, alles werkte mee om ons de afzondering te veraangenamen. Maar helaas! toen de herfst kwam met hare gure dagen en lange avonden, toen de generaal, door zijne rheumatiek gekweld, niet meer te paard kon stijgen, kwam de verveling over hem als een gewapend man, eene plaag, waartegen ik te vergeefs trachtte te strijden door lectuur en muziek. De laatste trok hem weinig aan, hij hield niet van lezen en zag zelfs niet graag boeken in de handen van anderen dan de prachtwerken die in een salon worden tentoongesteld. Als de courant gelezen was, waren wij uitgepraat. Iederen avond het dominospel of een _piquet à deux_; mij was het haast onuitstaanbaar, en hem was het nog niet genoeg. Wij hadden hier niemand, waaraan wij ons konden of wilden aansluiten. Wie hier de notabelen genoemd worden, zijn plompe lieden, die daarenboven tot de partij van den burgemeester behooren; de dominé is geen man voor ons, en al ware dat, het genot dat men vindt in datgene wat men een degelijk discours noemt, valt niet in den smaak van grootpapa, al placht hij bij uitnemendheid de man te zijn voor het gezellige leven in ruimen kring; en nu hij dat alles miste, werd hij knorrig, lusteloos, ving aan te kwijnen en wist zich hoe langer hoe minder te schikken naar de eenvoudige leefwijze, die ik had ingesteld. Zelve werd ik bijna moedeloos hem dus te zien, zonder de middelen te hebben om hem te helpen. Toen noodigde een zijner vroegere krijgsmakkers, die eveneens zijn pensioen had genomen, maar met het oogmerk om eens recht van zijne fortuin te kunnen genieten, hem uit, om eenigen tijd bij hem te logeeren; dat zou afwisseling geven, dus zou hij zonder eenige bekommeringen kunnen ademen in een atmosfeer naar zijn smaak. De bedoelde kolonel had zich te Arnhem op schitterenden voet ingericht en behoorde tot den kring, die er den toon gaf. Grootpapa was er volkomen in zijn element; hij bleef er de drie wintermaanden."
"En gij?"
"Ik! o, ik bleef hier, dat sprak wel vanzelve; men had vergeten 'Majoor Frans' te inviteeren, en toen men er aan dacht, was het zoozeer eene invitatie _du bout des lèvres_, dat ik niet zou aangenomen hebben, al ware dat mogelijk geweest, maar het kon toch niet, al had men mij met nog zooveel gulheid gevraagd. Gij begrijpt wel, Leo! dat ik, mij hier verschuilende, eens vooral alle overbodige luxe van toilet had afgeschaft; en zonder eene kostbare uitrusting zou ik geen winter in de stadswereld kunnen doorbrengen."
"Dat stem ik toe, Francis; maar toch, zelfs hier zou een weinigje toilet maken niet overbodig zijn," viel ik in, de gelegenheid aangrijpend, om haar op dit chapitre mijn gevoelen te zeggen, om eens te zien _hoe_ zij het opnam.
"Och! voor mij komt het er niet meer op aan."
"Foei! zoo moogt gij niet spreken; gij zijt nog jong, gij moet zelve weten, dat gij bevallig kunt zijn, als gij maar wilt."
"Daar wil ik niet eens aan denken. Ik zeg met zekere Fransche coquette: '_du temps que j'étais femme_' had ik zekere eischen voor mijn uiterlijk, dat's voorbij: het komt er niet meer op aan, hoe Majoor Frans er uitziet."
"Dat ben ik volstrekt niet met u eens, al wilt gij nog zoo'n Amazone zijn. De Amazones zelven weten hare gratie in 't volle licht te stellen. Gij maskeert die met opzet; gij doet alles wat gij kunt om er onbehagelijk uit te zien, en ik moet u ronduit zeggen, dat gij er ditmaal volkomen in geslaagd zijt. Eene jonkvrouw van uwe geboorte moest zoo niet aan tafel gaan; gij zaagt er letterlijk uit als...."
"Nu toch niet als een boschwachter," viel zij in met een ondeugend lachje; "eerder als eene keukenprinses, die maar even uit haar werk is geloopen om inderhaast mee te eten, en dat is maar weinig bezijden de waarheid; ik moet tot het laatste oogenblik zorgen voor de délicatesses, die noodig worden geacht, en zoo ontbreekt mij de lust zoowel als de tijd om toilet te maken."
"Niet eens tijd om een frisch kraagje om te doen, Francis? Dat is toch wat sterk."
"Zijt gij zoo'n fat, Leo, om daarop te letten? Nu ja! ik wil het wel bekennen, aan _lingeries_ doe ik niet veel meer, 't is hier buiten zoo lastig en zoo kostbaar, het is al veel als ik de exigenties van den generaal in dezen kan bevredigen; daarbij, voor wie zou ik mij opknappen? De heeren daar ginds"--zij wees met een gebaar van minachting naar de zaal--"vragen het allereerst of de ommelet goed is gesauteerd en of de farci van den kalkoen genoeg _haut goût_ heeft."
"Mij dunkt gij moest het doen omdat gij het u zelve schuldig zijt, en ditmaal toch ook voor mij--ja, glimlach maar, ik wil het u toch zeggen, dat ik mij aan tafel over u geërgerd heb, al is het waarschijnlijk, dat gij deze ergernis hebt beoogd."
"Gij zijt vindingrijk, Leo."
"Gij hebt zoo even met mijn gebrek aan scherpzinnigheid gespot, ge zult mij nu toestemmen, dat ik u doorzien heb."
"_À peu près_; gij zijt zoo gul met mij lessen te geven, dat ik u op mijne beurt wilde doen verstaan...."
"Dat ik u eigenlijk niet welkom ben...."
"Gij weet wel beter...."
"Eene gastvrouw, die zulk eene opzettelijke nonchalance toont...."
"Wil er mee zeggen, dat zij van alle coquetterie heeft afgezien."
"Coquetterie is ook zoo uitsluitend eene eigenschap van 'de dames,' dat ik die bij Majoor Frans nooit gewacht zou hebben," hernam ik; "maar de zucht voor betamelijkheid is eene mannelijke eigenschap, die men met recht van dezen zou mogen eischen; of moet ik Majoor Frans aan de strikte eischen der militaire tenue herinneren?"
"Als gij het nu zoo kras opneemt met mijn majoorstitel!" sprak ze met zekere gekrenktheid, terwijl haar kleine voet opnieuw met ongeduld trappelde.
"Ik althans ben het niet, die hem u gegeven heb--maar in elk geval moet gij kiezen: Majoor Frans, die _en règle_ behoort te zijn, welke uniform hij zich ook kiest, of Freule Francis Mordaunt, die geene vrijheid heeft om zich aan een neef, een gast, met opzettelijke achteloosheid te vertoonen."
"Met er die uitlegging aan te geven, Leo, brengt gij mij waarlijk in groote verlegenheid; want al wilde ik--ik kan u in dezen niet voldoen. Sinds wij hier op de Werve zijn, heb ik niets nieuws laten maken."
"Maar dat is toch zoo lang nog niet."
"'t Is reeds het derde voorjaar, en...."
"Dan zijn uwe toiletten niet meer naar de mode, dat wil ik toegeven; maar zij kunnen toch smaakvol zijn. En ik ben er zeker van, dat gij u vroeger elegant hebt gekleed."
"Dat geloof ik zelve, hoewel ik niet zelden het verwijt kreeg van bizarrerie, omdat ik zoo mijne eigene ideeën had op dit punt, en er zekere modes waren, die ik niet verkoos na te volgen."
"Nu, ik houd van originaliteit. Kies uit uwe kostumes er een waar de uwe het sterkste in uitkomt, en ik geloof, dat gij er even gracieus als interessant zult uitzien."
"En ik ben zeker, dat het juist andersom zou zijn; gij hebt mij gezien in het kleed, waarin ik mij het meest mij zelve gevoele, en herinner u welk eene figuur ik in uwe oogen heb gemaakt!"
"Neen, dat rekent niet meê, gij hadt u toen zoo toegetakeld...."
"Als de guurheid van dit seizoen het eischte."
"Al verbergt gij u nog zoo voor mij, Francis, ik heb toch al reeds te veel echt vrouwelijke kwaliteiten bij u waargenomen om mij te laten wijsmaken, dat gij juist in uwe amazone het meest op uw gemak zoudt zijn."
"Als gij mij zoo kwelt, dringt gij mij tot de bekentenis, dat ik alles weggegeven heb, wat ik te missen had, in dien winter, dien ik alleen op de Werve doorbracht; eene arme officiersdochter, die als gouvernante in eene deftige familie moest optreden, en die geen voldoende _trousseau_ bijeen kon brengen, wendde zich tot mij, die zij rijk waande, om hulp. Ik kon geen geld missen; maar ik had toch wat te geven. Ik berekende dat ik hier al heel weinig kleedij noodig had, en behield niets dan eene enkele zijden japon als zondagskleed, en mijne baltoiletten, die haar evenmin te pas kwamen als mij, doch waar ik nog aan hechtte als souvenir. En nu, Leo! zijt gij ingewijd in 't geheim mijner ledige garderobe. Oordeel nu zelf, wat ik in dezen voor u doen kan; gij zult toch niet van mij vergen, dat ik hier in danskostuum aan tafel zal verschijnen."
"Hm! hm! wie weet waar ik u nog om plagen zal, als wij eens op de Werve feest vieren!"
"Men viert geen feest op de Werve, daartoe hebben we geene gelegenheid en geene aanleiding," sprak zij wat knorrig en kortaf.
"Druk er niet te veel op, Francis!" plaagde ik, "gij kunt niet vooruit weten wat er nog gebeuren kan; ik ben een stijfkop, zooals gij zelve hebt gezegd, en een origineel op mijne wijze zoowel als gij; maar om te beginnen zal ik mij tevreden houden met dien zekeren zijden japon, die u goed zal staan, dat weet ik vooruit; mits gij wat werk maakt van dat prachtige haar en u de moeite geeft de eene of andere parure aan te doen!"
"Gij moet weten, Willem, dat ik _à tout hasard_ de sieraden die zij bij Overberg te pand had gegeven, in mijne reistasch had gestoken; maar ik bemerkte wel dat zij nog vooreerst niet te pas zouden komen. Zij vloog op of eene wesp haar gestoken had; hare oogen fonkelden van toorn, en al kon ik hare trekken niet meer onderscheiden, ik ben zeker dat een gloed van verontwaardiging haar op het voorhoofd steeg, terwijl zij op heftigen toon uitviel:
"Ik heb geene parures meer: en ik _wil_ ze niet hebben, verstaat gij Jonker van Zonshoven! en dit zeg ik u: als 't u schelen kan of wij vrienden blijven àl of niet, vervolg mij dan nooit weer met uwe zotte invallen. Ik mag wel eens railleeren; dat geeft wat zout aan de conversatie, maar het moet geen bijtend loog worden; en dit is kwetsende ironie, mij van mijne diamanten te spreken, terwijl ik bezig ben u te vertellen, dat ik alles aan mijne relatiën heb opgeofferd." Ik begreep dat ik werkelijk eene pijnlijke wonde had aangeraakt. Ik had niet van diamanten gesproken, maar zij herdacht aan de hare die voor haar verloren waren, en zij betreurde ze, dat was zeker! Ik had te veel deernis met haar om met hare zwakheid mijn voordeel te doen en te toonen hoezeer zij zich verraden had; ik antwoordde koeltjes: