Chapter 12
Maar voor mij was deze mededeeling een lichtstraal. Tante had haar testament veranderd na dit voorval, een paar maanden voor haar dood, in 't _belang van Francis_ en _niet_ om zich te wreken, dit bleek mij duidelijk; zij had zoo nauwkeurig naar mij geïnformeerd om mij tot haar mandataris te maken, en ik begreep nu beter dan ooit, dat ik Francis moest winnen, moest trouwen; en ik moet u bekennen, Willem! dat die noodzakelijkheid mij niet zoo heel hard meer voorkwam. Het is waar, Francis had veel zonderlings, er was in haar verleden allerlei dat mij nog opgehelderd moest worden eer ik haar met gerustheid, met vertrouwen mijne hand kon bieden, maar toch zij had een flink karakter, dat bleek mij uit alles; zij was geen onbeduidende nuf, geen koud zelfzuchtig wezen, dat aan niets dan aan haar opschik dacht en naar allerlei ijdelheid joeg. Zij had mannelijke deugden, en het kwam mij voor dat zij zekere vrouwelijke gebreken miste; maar hare zucht tot onafhankelijkheid, hare zelfgenoegzaamheid zouden mij geducht in den weg staan bij mijn veroveringsplan, dit zag ik reeds nu in. Den generaal tot bondgenoot nemen, die zich daartoe wel zou leenen, indien hij alles wist, was zeker de zaak verkeerd aangrijpen. Ik had liefst nu op ditzelfde oogenblik volkomen oprechtheid willen gebruiken en tante Roselaer gerechtvaardigd, die het waarlijk zoo kwaad niet met Francis had gemeend; maar ik kon mij nog niet voorstellen veel bij Francis gewonnen te hebben, en als ik dan na die gulle bekentenis eens een even gul antwoord ontving, dat mij van alle verdere moeite ontsloeg, wat dan? Wat moest er dan van dien ongelukkigen grijsaard worden en van Francis zelve? Neen, ik moest eer ik sprak eenige zekerheid hebben dat ik mijn pleidooi zoude winnen; ook eenige zekerheid voor mij zelven, dat ik geen zaak aanvaardde die vooruit verloren was; maar al ware ik tot het besluit gekomen om eens eene eerste poging te wagen, het goede moment daarvoor was verloopen. Frits kwam op een drafje naar ons toe en zei tot Francis, na zijn gewonen militairen groet: "Freule! de kapitein laat vragen of u wel aan de saus voor de pudding denkt, en of de freule den sleutel wil geven voor de provisiekamer? want er is nog geen dessert klaargezet."
"Heel goed, Frits! zeg aan den kapitein dat ik voor alles zal zorgen." Toen tot mij: "Excuseer mij, Leo! plicht gaat vóór genoegen, en mijn waardige adjudant herinnert er mij aan, dat ik nog keukendienst heb." Meteen vloog zij op en was in een wip uit mijne oogen.
"En voor mij zal het tijd worden om een weinig toilet te maken," sprak de generaal opstaande. "Ik dineer nooit in mijne kamerjapon, tenzij bij ongesteldheid; gij, neef! zult mogelijk uwe logeerkamer wel willen zien? Holà Frits! Frits!"
Frits, die met deftigen militairen stap Francis volgde, was nog genoeg in de buurt om de stem van zijn meester te hooren en keerde tot ons terug.
"Frits! weet jij waar de jonker logeeren moet?"
"Zeker generaal! Ik heb de reistasch van mijnheer al boven gebracht."
"Zoo! hadt gij een reistasch bij u?" vroeg de generaal met een glimlach, mij met eenig opzet aanziende.
"Wat zal ik u zeggen oom! Was het al te onbescheiden, bij goede ontvangst op een paar dagen gastvrijheid te rekenen?"
"Wel, volstrekt niet, mijn jongen!" viel hij met gulheid uit; "en wat mij aangaat, wat afwisseling is mij zeer welkom; alleen zie dat je 't met Francis...."
"De freule heeft mij opgedragen Jonker van Zonshoven zijne kamer te wijzen," sprak de trouwe Frits, als om zich te verontschuldigen dat hij ons volgde.
"Dat's juist wat ik je ook had te zeggen. Leo, verschoon me zoo ik niet zelf de trappen met je oploop," en hiermede scheidden wij, daar wij in de groote vestibule waren gekomen en Frits mij voorging links af, een breede eikenhouten trap op, die naar de eerste verdieping voerde van den linkervleugel, juist die welke mij had toegeschenen in niet zeer bewoonbaren staat te zijn; toch was het eene ruime, oogenschijnlijk goed gemeubelde kamer, die Frits voor mij opende, waar een groot ouderwetsch ledikant met rood moré gordijnen mij het eerst in 't oog viel. Overigens moest ik mij eene wijle aan de duisternis gewennen die er heerschte, eer ik onderscheiden kon met welke soort van behangsel het vertrek gestoffeerd was, want zeker uit gewoonte had men van de drie hooge ramen slechts een der blinden opengemaakt, en nog wel slechts ten halve; ook toen Frits vroeg of ik nog iets had te belasten, wees ik op die bijzonderheid en gelastte hem wat licht te maken.
Hij verroerde geen vin en bleef stokstijf staan, terwijl hij sprak:
"Jonker! de freule heeft gezegd dat de blinden gesloten moeten blijven, anders komt er te veel licht.... want er zijn geen gordijnen...."
"O! dat zegt niets, doe maar open."
"Ja maar, ook om de tocht, want, ziet u, omdat er nooit logés komen, is dat bij ongeluk vergeten, en, maken gaat nu zoo gauw niet.... hier op het dorp is geen glazenmaker."
Ik begreep hem: er waren wel wat veel ruiten stuk. "Nu, dan is het goed, Frits. Ik zal mij behelpen met het licht van dit eene raam," en ik liet den goeden man gaan, wiens trouw aan de zaak zijner meesteres uit zijne verlegenheid sprak. Het eene blind, geheel geopend, liet genoeg licht door, en de enkele ruit die er stuk was had men zorgvuldig met wit papier beplakt, zoodat het niet te veel tocht doorliet. Het bleek mij nu dat er een geschilderd behangsel was, in vakken verdeeld, met vergulde baguettes omlijst, terwijl de _boiseries_ en de _dessus de porte_ mede geschilderd en verguld waren, alles _style Louis XV_, maar kennelijk door geene meesterhand uitgevoerd, en sinds zonder eenige zorg voor het onderhoud aan vocht en bederf overgelaten, die er dan ook alle denkbare schade aan hadden toegebracht, in vereeniging met ratten en muizen, die hier en daar gaten in het doek hadden gebeten. Met de meubels was het eveneens gegaan. Het rood damast en de zijden koorden en kwasten van eene prachtige sofa, die in een hoek stond, was niet slechts verbleekt, maar op menige plek zoo verscheurd en versleten, dat het paardenhaar er door kwam; daarbij waggelde zij op drie pooten, terwijl er van de hooge, antiek gebeeldhouwde stoelen, eveneens met roode zijde bekleed, niet één was waar men met volkomen gerustheid op kon gaan zitten; daarentegen stond een tafel met een marmeren blad zoo goed op zijn drie berenpoten met vergulde klauwen, of hij u uittarten wilde hem te verzetten; maar het blad zelf was overal gebarsten en miste hier en daar stukken uit het mozaïk ornament dat eene ster moest voorstellen.
Tegen deze prachtige maar verwaarloosde antiquiteiten vloekte een hoogst eenvoudige moderne waschtafel, van grijs geschilderd hout, met lichtgroene randen, die hier zeker _à mon intention_ was neergezet, vlak onder een ovalen spiegel in rococostijl, die echter zooveel geleden had van den invloed der vochtige dampen, dat hij geheel onbruikbaar was. Gelukkig had ik een zakspiegeltje in mijne tasch, dat mij voldoende hulp verleende om mij een weinigje op te knappen voor het diner, sinds ik gehoord had dat de generaal aan die étiquette hechtte; Francis had mij gewaarschuwd dat er een etensbel werd geluid, en dat men stipt op het appèl moest zijn, wilde men den Generaal en zijn staf! geene ergernis geven. Ik was in een oogwenk gereed, en daar ik mijne kamer niet nauwkeurig behoefde rond te kijken om te weten dat zij het symbool was van de gansche Werve: _Vervallen Grootheid_, verkwikte ik mij met het heerlijke uitzicht dat men genoot, reeds uit het eene raam dat met schik kon geopend worden. Heenziende over den vijver rondom het kasteel, die bijkans tot een moeras was uitgedroogd, breidde zich een prachtig Geldersch landschap voor het oog uit. Rechts op eenige minuten afstands, lag de ruïne van het alleroudste kasteel die ik mij voornam eens te bezoeken. Er stond nog een zware, vierkante toren, die bewoonbaar was.... voor kraaien en uilen, welke daarvan zeer dapper gebruik maakten; de bogen die vroeger de gekleurde glasruiten hadden omsloten, waren nog in hun geheel; guirlandes van klimop wonden zich er om heen, dat nu met de lente aanving nieuw blad te maken. Het moest eene statige ruïne zijn, die ik mij zou aantrekken om haar in wezen te houden als mijne rechten op de Werve eenmaal verzekerd waren. Want ondanks alles kon ik niet nalaten, het kostbare landgoed aan te zien met de oogen van een aanstaanden eigenaar. Ik was het reeds in zekeren zin, en niets kon mij hinderen het te aanvaarden als.... Francis maar wilde.... Daar luidde de etensbel; ik haastte mij aan de noodiging te gehoorzamen. Ik was zeer nieuwsgierig hoe Francis er uit zou zien als zij een weinig toilet had gemaakt, hetgeen te onderstellen was uit de exigenties van den generaal; maar tegelijk zou ik er voor mij zelf een goed voorteeken in zien, na ons gesprek van dien morgen.
De generaal was reeds gezeten, en wees mij de plaats naast hem aan de langwerpig vierkante tafel, een meubel dat zeker al diensten had verleend onder het souvereine beheer van oud-tante Sophie, zonder iets van zijne soliditeit te hebben verloren, en waaraan met gemak een twintigtal gasten had kunnen plaats nemen, en wij zouden met ons vieren zijn! Ik stelde mij de gezelligheid voor van een groote table d'hôte, waaraan men met zijn vieren dineert. De kapitein, ook present, nam zijne plaats in over mij, en Francis, die in zekere gejaagdheid kwam binnenstormen, zette zich naast hem neer! Daar zat zij dan in dezelfde verflensde pensée blouse, die al terstond haar rijkleed had vervangen, de prachtige lokken met meer haast dan bevalligheid in een koordzijden net gestopt, dat zwaar neerhing onder dien rijken last. Een verkleurd sjaaltje was losjes om den hals geknoopt, als om diens slanken vorm en blankheid te verbergen, zelfs het eenvoudige heldere boordje ontbrak, dat dit genegligeerde toilet nog eenige frischheid had kunnen bijzetten. Zeker, ik had niet kunnen verwachten dat zij zich in dit oogenblik als eene prinses in een tooverballet zou hebben opgesierd; maar dat volslagen afwezen van alle coquetterie scheen mij van zoo slechte beduidenis, dat ik, na haar even te hebben aangezien, den blik teleurgesteld en ontmoedigd van haar afwendde. De ondeugende moet iets van die misrekening hebben opgemerkt, want een malacieus glimlachje plooide zich even om haar mond, terwijl zij haar levendige blauwe oogen uittartend op mij richtte, als had zij mij willen zeggen: "Reken er op dat het mij niet schelen kan hoe gij mij vindt!" Overigens wijdde zij zich aan hare plichten van gastvrouw met voorbeeldigen ijver en groote bedrevenheid. Zij diende de soep voor, sneed de vleeschen en zorgde zelfs voor schoone borden, daar Frits zijn zaak als afgedaan scheen te beschouwen, zoodra hij de gerechten had opgebracht. De beide heeren, en ik op hun voorbeeld, moesten zich lijdelijk schikken naar deze tafelorde, en zoo had zij het dan ook druk genoeg. Maar.... een middagmaal voor drie, met een onverwachten gast meer en buiten op een afgelegen kasteel, bij lieden die zelf bekennen: "_qu'ils sont pris au dépourvu_," en die daarenboven in _gène_ leven, kon toch zooveel dienens niet eischen, zult gij zeggen; en gij zoudt gelijk hebben, want ik zelf had het mij zoo voorgesteld, maar op de Werve gaat alles.... zooals het niet gaan moest, althans zooals men het niet had kunnen wachten.
Werkelijk was het niet dan hun gewone tafel, en toch was er een overvloed en eene verscheidenheid van spijzen en zulke jacht op delicatesse, dat het zeer goed voor een fijn diner kon passeeren. Wij hadden, behalve de soep en een gerookte runderrib, fijne geconserveerde groenten, "het surrogaat van de primeurs," zooals de generaal zich uitdrukte, nog patrijzen in gelei, een schotel _poulet au riz_, waarmee wij ons maal hadden kunnen doen, en jonge kropsalade met gebakken paling, waarvan de kapitein lachend vertelde "dat hij hem in de fuik was geloopen, expresselijk om mij te fêteeren."
Voor plat-doux een pudding met de fameuse saus, in welks belang Francis zelve naar de keuken was opgeroepen, en voorts een compleet dessert.
De verschillende wijnen, die de kapitein, permanent tot schenker gepromoveerd, met al te veel gulheid en snelheid elkander deed opvolgen, voltooide die tafelweelde. Zij waren van de fijnste merken, en onze gastheer zoowel als zijn _aide de camp_ zorgden wel dat ik deze bijzonderheid niet overzag. Met kennelijke voorliefde werden mij de kwaliteiten en de jaartallen der extraatjes aangewezen, en hoewel ik mijn best deed om niet al te veel onverschilligheid te toonen en mijne soberheid te verontschuldigen met de gewoonte van onthouding, die ik mij van jongs aan had eigengemaakt, zag ik wel dat mijn gebrek aan geestdrift op dit punt hen eenigszins teleurstelde.
Aan die luxe der spijzen beantwoordde echter noch het servies, noch het tafellinnen. Het eerste, Fransch porselein, uit hetzelfde tijdperk als de meubelen en 't goudleer behangsel, had blijkbaar veel aanstoots geleden van de ruwe hand des tijds of der bedienden, en was niet slechts gekramd, maar ook niet meer voltallig, en 't ontbrekende was vervangen door gewoon aardewerk, hetgeen den luister en helaas! ook de leemte van het geheel te sterker deed uitkomen. Het groote damasten tafellaken, dat het huwelijk van eene Spaansche infante voorstelde, had zeker dezelfde dienstjaren als het servies; het was keurig fijn, maar versleten, en niet altijd met goed geluk gerepareerd; en wat het zilver betrof, uit zekere wenken door Francis met de heeren gewisseld, uit de haast waarmee ze de gebruikte vorken en lepels naar de keuken zond en terug liet brengen, bleek het duidelijk dat er geen vol dozijn aanwezig was; daarentegen was er overvloed van keurig glaswerk, waarop de kapitein mij attent maakte, als vreesde hij dat deze bijzonderheid mij zou ontgaan, terwijl hij er bijvoegde: "Ik voor mij hecht niet aan al die fraaiigheid. In den tiendaagschen veldtocht heb ik bier gedronken uit een melknap en champagne uit boeren theekommetjes, en het smaakte er mij niet slechter om."
"Mits de kommetjes maar niet te klein waren," vulde Francis aan.
"Maar de generaal," ging Rolf voort, zonder de hatelijkheid te releveeren, "de generaal is zoo gesteld op alles wat exquis is, dat hij liever geen _IJquem_ zou drinken, als hem geschonken werd uit een schellings glas! en daar onze majoor.... ik wil zeggen de freule oppergebiedster, steeds eene verregaande onverschilligheid toont op dit punt, heb ik mij eens en voor altoos belast met de zorg om het buffet van Zijne Excellentie in goede orde te houden."
Ik kon niet anders dan hem een compliment maken over zijn _zêle_ in dezen, maar toch was er iets in de wijze waarop hij soms den generaal zijn titel gaf, dat mij niet beviel, iets sarcastisch dat den grijsaard treffen moest, naar ik mij voorstelde, hoewel deze zich hield of de speldeprik hem niet raakte. De inferioriteit van zijn middelen bij zijne superieuren rang, die vermoedelijk de heimelijke jaloezie opwekte van zijn voormaligen krijgsmakker, werd hem dus voelbaar gemaakt op eene wijze waarbij elk ander met verontwaardiging zou zijn opgesprongen of zich door een scherpe repartie hebben gewroken; maar het scheen dat aan von Zwenken daartoe geest- of wilskracht ontbrak, of dat hij uit rustliefde het hoofd daaronder boog en de lichte kwetsuur ontveinsde.
Francis daarentegen was meer fijnvoelend en gansch niet gezind zulke lankmoedigheid te oefenen; ook liet zij niet na telkens represailles te nemen op eigenaardige wijze.
"Foei, kapitein!" viel zij in, "gij moet dat niet zoo aan de klok hangen, dat gij hier foeriersdienst doet! Zijt gij misschien bang dat Jonker van Zonshoven niet zal opmerken hoe gij u verdienstelijk maakt! Maar ziet gij, als iedereen hier zich wilde getroosten mijn régime te volgen en zich wist te vergenoegen met ons kristalhelder bronwater, dan zouden al die ijver en zorg voor kelderprovisie en kostbaar drinkgeschir overbodig zijn."
Werkelijk had ik opgemerkt dat Francis niets dan water dronk en dat er op dit punt tusschen haar en den kapitein meermalen een geheimzinnig gebarenspel plaats vond, waarna hij telkens met kennelijk verdriet en teleurstelling zich onthield. Nu geprikkeld door haar rechtstreekschen aanval, viel hij uit: "Precies, freule! daartoe zoudt gij het graag willen brengen, opdat welhaast keldermeester en foerier zelf als overcompleet op retraite kon worden gesteld, en dan zou het hier de volmaaktheid wezen, niet waar?" eindigde hij met eene mengeling van bitterheid en weemoed, waarbij zijne lippen trilden.
"Gij weet wel dat het zoo niet gemeend is, kapitein!" gaf Francis ten antwoord met zekere norschheid, waarin toch goedhartigheid den boventoon had. "Gij weet wel dat wij u hier niet kunnen missen, en dat ook niet wenschen, al blijf ik er bij dat het ons allen goed zou zijn zekere overdaad te besnoeien."
"_Le luxe c'est le nécessaire_," verzuchtte von Zwenken. "Mij ten minste, dat wil ik wel erkennen, neef!" ging hij voort, tot mij gewend; "en ongelukkig is Francis dat in 't geheel niet met mij eens; of 't al niet erg genoeg ware, hier op de Werve in volstrekte afzondering te leven, zou zij mij ook wel willen beduiden, dat ik het recht niet meer heb op eene tafel naar mijn smaak en rang, sinds ik mijn pensioen heb genomen."
"Het recht daarop, grootpapa! betwist ik volstrekt niet," viel Francis in met een pijnlijken glimlach; "alleen...."
"Als we onzen commandant in dezen lieten begaan," hervatte kapitein Rolf met eene poging om door scherts eene afleiding te maken, "dan zoudt gij zien, dat wij welhaast op half rantsoen gesteld werden. Zij verbeeldt zich altijd dat de Werve eene omsingelde vesting is, die een hard beleg zal hebben uit te staan, en dat men niet spaarzaam genoeg kan zijn met de vivres, alsof zij niet een actief adjudant had, die er goed slag van heeft om de noodige fourage binnen te brengen."
"Ik ontzeg u zoomin goeden wil als behendigheid, kapitein!" hernam Francis, zijne intentie steunende; "ik zeg alleen: men moet met de krijgskas te rade gaan, en dan...."
"Ah bah! wij hebben een Minister van Oorlog die het zoo uitmuntend met de Kamer kan vinden, dat er een schitterend budget te gemoet wordt gezien," viel de kapitein in; "ik verwed er mijn eerste luitenants-pensioen onder, dat er met nieuwjaar voor hoofdofficieren verdubbeling van tractement en verhooging van pensioen is te wachten."
"Zoudt ge 't waarlijk denken, Rolf?" vroeg de generaal met eene naïeve levendigheid, die ons allen glimlachen deed.
"Wel zeker, Uwe Excellentie! en als de Majoor mij dan maar met de administratie laat begaan, sta ik er voor in, dat er nog wel een toertje naar Wiesbaden op over zal schieten."
Het diner had den generaal wat geanimeerd; reeds waren zijne bleeke wangen meer gekleurd en stonden zijne oogen minder dof; nu schenen ze op eens als van onnatuurlijken gloed te schitteren; het bloed steeg hem naar het voorhoofd en de aderen zwollen op.
"Nu, kapitein," ving hij aan, "als gij dat mirakel wist te bewerken...."
Maar plotseling zweeg hij, verbleekte en sloeg de oogen neer voor den scherpen, bestraffenden blik, dien Francis hem toewierp, terwijl zij inviel:
"Dankje kapitein, ik houd niet van kunstmiddelen, en mijn grootvader is niet meer van den leeftijd om te reizen...."
"Dat zoudt gij wel beter zien, Majoortje, als wij maar eens zoo ver waren.... want gij zoudt het bataillon toch wel willen begeleiden...." plaagde Rolf.
"Dat zou een waar genot voor me zijn, het toezicht te houden over een paar groote kinderen, die niet wijs genoeg waren om alleen te loopen...." beet Francis hem toe, maar op gedempten toon, zoodat de generaal bij zijne hardhoorendheid de woorden niet verstond; doch hij raadde den zin, en zich tot mij keerende sprak hij wrevelig:
"Mijne kleindochter heeft de manie om mij altijd ouder en zwakker voor te stellen dan ik werkelijk ben," en in één teug ledigde hij zijn glas, dat de kapitein onverwijld weer vulde, terwijl von Zwenken voortging: "niet om mijn ouderdom, maar om haar drijven heb ik mij uit den dienst teruggetrokken!"
"Grootpapa!" sprak Francis gekrenkt, maar toch met kennelijke zelfbeheersching, "ik zou daar veel op kunnen antwoorden.... zoo wij alleen waren, maar, wij zijn _niet_ alleen en het is beter dit chapitre maar te laten rusten, dat alles behalve amusant is voor neef Leopold."
"En ik moet Zijne Excellentie herinneren, dat wij nog niet eens de gezondheid gedronken hebben van onzen gast...." viel de kapitein in, zichtbaar in onrust over de wending die het discours had genomen.
Ik voor mij dacht aan de uitspraak, dat een droge bete en rust daarbij beter is dan een huis vol geslachte beesten met twist.... en tegenover hunne délices herinnerde ik mij de spinasie van mijn kok met slechte boter en een dor stukje vleesch en de kalmte die ik daarbij genoot in mijne eenzaamheid; maar toch gaf ik Francis in mijn hart gelijk dat zij zich ergerde aan een overdaad en verfijning van tafelgenot, die zoo weinig voegde bij dit in puin zinkend huis.
De toast, door den kapitein als _pare-tonnerre_ voorgesteld, bleef toch niet achterwege.
Ik moest mij dit laten welgevallen en mijn glas aan de lippen brengen, ware 't ook alleen om de goede intentiën van Rolf te steunen. Francis knikte mij vriendelijk toe, legde met zekere drift hare hand op den arm van den kapitein, die deze gelegenheid wilde aangrijpen om haar in te schenken, en achtte zich nu gerechtigd op te staan, daar zij geen deel wilde nemen aan het dessert, ondanks het wrevelig hoofdschudden van den generaal; zij schelde Frits, die sigaren presenteerde, en trok zich terug in de _suite_, waar ik haar, juist omdat ik vlak tegenover den spiegel zat, kon gadeslaan, zonder dat zij het bemerkte.
Zij wierp zich in een hoek van de breede oud-modische canapé en wrong beide handen boven haar hoofd samen, terwijl zij zich de lippen verbeet om geen kreet te slaken. Door de snelle en forsche beweging, waarmee zij het hoofd liet neervallen, gleed het zijden net af, en de zware lokken vielen weer in vollen rijkdom neer over hals en schouders, bijkans tot op den grond; zij scheen het niet te bemerken, maar bleef in dezelfde houding liggen met gesloten oogen en samengeklemde lippen, een beeld der diepste mismoedigheid; ik wendde mijn blik niet van haar af, terwijl ik voorgaf naar den kapitein te luisteren, die nu eerst recht op zijn praatstoel geraakte en mij een glorieus tafereel ophing van zijn krijgstocht naar Hasselt en Leuven, waarbij hij de Willemsorde verdiende, en dientengevolge in lateren tijd tot den luitenantsrang werd bevorderd; hij had een geduldig, maar niet zeer opmerkzaam toehoorder in mij, terwijl de generaal zachtjes aan indommelde, als onder het snorren der kogels en den kruitdamp van de _mélée_, waarbij Rolf zijne lauweren won, en die hij zoo plastisch mogelijk voorstelde.
Francis lag daar intusschen kennelijk worstelend in een zwaren innerlijken strijd, die voor mij veel meer beteekenis had dan de heldendaden onzer dapperen, die al dertig jaren in 't verleden lagen. Juist toen Rolf een Belgisch vaandel aan flarden reet en een hoop "muiters" op de vlucht joeg, scheen de zielesmart van Francis tot haar hoogste punt gekomen; zij barstte in tranen uit, en hield haar zakdoek voor 't gelaat, als om haar snikken te smoren. Ik kon het niet langer uithouden; gekomen in het vaste denkbeeld dat ik eene Xantippe zou moeten temmen, zag ik meer en meer in, dat er een slachtoffer was te redden. Ik liet den kapitein aan de oude cognac, die hij zeide noodig te hebben tegen de verkoeling van de vruchten, zag even naar den generaal, die de hoorbare bewijzen gaf van de diepste ruste, en liep met zachte, snelle schreden naar Francis toe, terwijl ik mijne sigaar wegmoffelde.
Snel hief zij zich op, blijkbaar wat onthutst door mij in hare mismoedige bui verrast te worden; maar zij hervatte terstond haar _aplomb_.
"Gij kunt gerust rooken, neef, als gij met mij praten wilt," voegde zij mij toe, met eene poging om te glimlachen.