Chapter 11
"Ja, maar anderen weten die te kleuren en te dekken met wat blanketsel en wat fijn vernis. Francis verstaat niets daarvan; zij heeft ongelukkig geene opvoeding gehad zooals die had moeten zijn voor eene jonge dame van haar stand. Sergeant.... ik wil zeggen kapitein Rolf en zijne zuster hebben haar van jongs aan een weinigje bedorven. Zij heeft hare moeder niet gekend, mijn schoonzoon was vreemdeling en begreep niets van de eischen eener deftige Hollandsche éducatie. Ik was in effectieven dienst en zelden lang genoeg in zijn huis om veel acht te kunnen geven op mijne kleindochter, maar er zijn oogenblikken waarin ik mij zelf verwijt dat ik, aan zekere rancune toegevende, het voorstel niet heb aangenomen van hare oud-tante, die voor hare opvoeding wilde zorgen; zij zou dan wel geene vroolijke jeugd hebben gehad, dat is waar, maar zij zou ook niet als een wilde rank zijn opgeschoten, ongesnoeid en onbuigzaam zooals wij haar nu zien, en daarenboven zou hare toekomst verzekerd zijn. Voor dat alles had ik mijne persoonlijke grieven moeten ten offer brengen," en de generaal liet in diepe moedeloosheid het hoofd op de borst zinken.
Tante Sophie zou zeker hare satisfactie hebben gehad, zoo zij die bewijzen van leedgevoel en naberouw bij den gebogen grijsaard had kunnen gadeslaan. Ik, als haar representant, meende hem troost te mogen geven.
"Kom, Generaal! niet zoo mismoedig. Van eene jonge dame even in de twintig is toch waarlijk het laatste woord niet gezegd; dat de edele plant wat in 't wilde is opgeschoten, maakt haar te frisscher en krachtiger, dat's beter dan de broeikastplanten die onze gedistingueerde kostscholen leveren; mogelijk zal de hand van een welmeenend echtgenoot nog veel kunnen ombuigen en ten goede leiden...."
"Dat's juist een der groote bezwaren, Jonker; Francis zal nooit hare hand leggen in die van een man, dien zij van zulke voornemens verdacht hield."
"Juist gezien, grootpapa! Majoor Frans zal te geener stond het commando afstaan aan haar mindere; zij wil niets om zich zien dan slaven en vazallen, en Jonker Leopold zal wel doen zich naar dit gebruik te schikken, zoo hij lust heeft hier conspiraties tegen hare vrijheid te smeden," sprak nu Francis zelve, gansch niet op schertsenden toon, maar met koelen, bijna minachtenden ernst; en mij een allesbehalve vriendelijken blik toewerpende, ging zij voort: "dat is tegen onze conventie, neef, dat gij hier het zwak van mijn grootvader vleien zoudt met onuitvoerbare plannen te vormen."
"Ik verzeker u, nicht, dat er geen opzet lag in 't geen ik zeide, en dat het alleen volgde uit den loop van mijn gesprek met uw heer grootpapa, hoewel ik blijf volharden in mijne meening dat een degelijk echtgenoot, die zich weet te doen achten, gansch geen verwerpelijke gave is voor iedere vrouw in 't algemeen en bovenal voor Majoor Frans in 't bijzonder. Als gij dit comploteeren noemt, ben ik hier een samenzweerder."
Al sprekende zag ik haar aan met een vasten, uitdagenden blik, dien zij fier en vermetel beantwoordde, terwijl een gloeiend rood, als van toorn, voorhoofd en wangen overtoog; maar op eens zag ik haar bleek worden, het gelaat afwenden, en 't was alleen met een gedwongen lachje, dat zij ten antwoord gaf:
"Een samenzweerder die te minder gevaarlijk is, daar de generaal u bij de eerste aanleiding de beste zeggen zal, dat freule Mordaunt geen anderen dan een schatrijken echtgenoot kan aannemen, en zooals gij zelf ons hebt medegedeeld, staan de van Zonshovens niet op de lijst der hoogstaangeslagenen in de belasting."
"Maar Francis?" viel de generaal in.
"Wel ja, bon Papa! dat is immers de standmeter waarnaar de heeren elkander heden ten dage schatten, en dit zult gij met mij eens zijn: als Majoor Frans verkocht moet worden, dan moet het zijn tot den hoogsten prijs. En nu, neef Leo! gij valt gelukkig niet in de termen, wij kunnen vrienden blijven; loop eens met mij naar buiten, ik zal u wat van het terrein laten zien; grootvader kan mee wandelen, de wind is gaan liggen, de zon is doorgeschoten, het is bijna zacht lenteweer; ik heb ter eere van onzen gast mijn tuinhoed opgezet, en hier is uwe muts, grootpa; de chambercloak maar wat toegeknoopt, mijn arm genomen en opgemarcheerd. Die donkere, vochtige zaal geeft maar muffe en sombere denkbeelden," en reeds sleepte zij den generaal mee, terwijl ik in alle gewilligheid volgde. En ziedaar het waar en waarachtig verslag van mijne installatie op de Werve, die ik sinds, het zal nu al drie weken zijn, niet weer verlaten heb!"
Francis had gelijk, het was zacht lenteweer geworden, en de bijkans tegen zijn wil naar buiten gevoerde grijsaard ondervond den verkwikkenden invloed van frissche lucht en een ruim uitzicht, toen wij achter het kasteel om langs de volière voortwandelden, de generaal door den arm zijner kleindochter gesteund, en ik naast haar gaande, luisterend naar haar opgewekten kout en de malicieuse reparties die zij altijd klaar had, als er iets gezegd werd wat die uitlokte. Met eene oprechtheid die aan onvoorzichtigheid grensde, gaf zij de wonde plekken van de Werve bloot.
"Neef Leo was nu toch huisgenoot en zou deze zelf gauw genoeg opmerken, al wees men hem die niet aan," gaf zij den generaal ten antwoord, die minder gulle bekentenissen had gewenscht.
"Het is nu eenmaal niet anders, neef! Wij zijn hier niet rijk, en men moet het zijn om een landgoed als dit te bewonen en te onderhouden; daarbij is het voor grootpapa geen tijd meer om te laten timmeren en verven, hier en daar wat glazen laten maken zou juist geen luxe zijn, maar wat zal ik u zeggen, wij zien tegen het werkvolk op."
De volière, die voorheen aangelegd was op eene grootsche schaal en met haar verguld netwerk het voorkomen had, eenmaal eene menigte van kostbare en zeldzame bewoners te hebben geherbergd en den pluimgraaf handen vol werk gegeven te hebben, was nu, zooals Francis niet naliet mede te deelen, op verlangen van den kapitein in eene simpele kippenren herschapen, terwijl er tegelijk kalkoenen in opgesloten waren, bestemd om voor de tafel te dienen, "eene liefhebberij van Rolf, die er zelf voor zorgt."
Wij gingen langs eene zachte glooiing opwaarts tot aan een voormaals prachtigen steenen koepel, geheel in den rijken stijl van de 18de eeuw, maar die ruwe witte muren toonde in plaats van het voormalig schilderwerk; de vocht en de achteloosheid der bedienden hadden het geheel bedorven, bekende de generaal, "en daar het onze tijd niet was om zoo iets op te knappen," voegde Francis er bij, "liet ik een brocanteur uit Arnhem komen, die voor de rafelende lappen nog een redelijk sommetje bood. Toch is het hier mijn lievelingsplek, al biedt het dak geen schuilplaats meer tegen regen en sneeuw; maar hier op die rustige bank, die ik er heb laten zetten (gij moet weten, de kapitein kan zoo wat timmeren), zijn wij toch nog door de muren beschut; kom hier wat zitten, grootvader! Neef Leo moet het heerlijke uitzicht genieten over de hoogten en laagten der heidegronden, door het prachtige dennenbosch ter eener zijde begrensd."
Het was werkelijk een verrukkelijk uitzicht, en als de zon nu en dan door de wolken schoot en er hare lichttinten op wierp, waren er effecten die een schilder in geestdrift zouden hebben gebracht.
Francis scheen met volle teugen en met de zorgeloosheid van een onnadenkend kind het verrukkelijke schouwspel te genieten; maar de generaal werd blijkbaar aangegrepen door smartelijke bijgedachten. Ik raadde ze, al sprak hij ze niet uit.
Alles wat hier het oog aanschouwde, de rijke landerijen ingesloten, die maar even aan den horizont, links opdoemden, had eenmaal tot de bezittingen van de Werve behoord; hij zelf had het goed onbezwaard in handen gekregen, en nú, geen duimbreed gronds, geen strookje lands, geen enkelen boom kon hij in waarheid meer het zijne noemen, en daar zat zijne kleindochter, wie dit alles had moeten ten goede komen, in argeloosheid neer, en hij kon haar niet anders nalaten dan eene ruïne, indien nog maar eene "ruïne!" moest hij zich zelf zeggen, als hij moed had om tot in de diepte van zijn ongeluk neer te dalen. Dat mijn raadvermogen mij niet bedroog, bewees mij niet slechts zijn somber zwijgen, de weemoedige blik, dien hij op Francis wierp, na het vergezicht een tijdlang te hebben aangestaard, maar ook de vraag aan mij, waarmee hij zijn stilzwijgen afbrak, en die, schijnbaar doelloos, mij zelf in het hart mijner overpeinzingen trof.
"Apropos, neef! wat is er van die zes meisjes geworden?"
Francis lachte luid. "Grootpapa, die op eens belangstelling toont in het lot van zes jonge meisjes tegelijk, dat's nogal sterk!"
"Spot niet, kind!" gromde hij, en hervatte met zekeren ernst tot mij: "ik bedoel de zes freules d'Hermaele, die zusters uwer moeder."
"Gij wilt weten of Leo misschien door den tijd nog kans heeft om rijk te worden," viel Francis weer in, met de haar eigene clairvoyance en vermetelheid; "dat's mis, grootpapa, daar is niet één erftante bij. Heb ik het geraden, Leo?"
"Maar al te goed. Twee harer zijn sinds lang overleden, twee anderen zijn redelijk goed gehuwd, daar zij niet tegen eene _mesalliance_ opzagen, maar zij hebben kinderen; tante Sophie alleen leeft nog en wordt zoo wat door de familie onderhouden, waartoe ik, in tijd en wijle dat het lijden kan, ook het mijne bijdraag."
"Tante Sophie!" herhaalde de generaal. "Hadden de Hermaeles de handigheid om Sophie Roselaer tot peettante te verkiezen?"
"Denkelijk wel, maar ik weet er waarlijk het fijne niet van te zeggen; mijne goede moeder sprak mij zelden van de familieomstandigheden?"
"Maar zou die tante Sophie dan ook de uitverkorene kunnen zijn van onze oude kwelgeest freule Roselaer."
De generaal kwam op een voor mij zeer onveilig terrein. Ik kon, ik mocht niet oprecht wezen, en ik huiverde tegen dubbelheid, onder de eerlijke opene oogen van Francis; zelve kwam zij mij onwillens te hulp.
"Zeker niet!" riep zij met hare gewone levendigheid, "want dan zou Leo het ons terstond wel gezegd hebben."
"Dat is waar, kind, en gij, Leo, heeft men u behandeld zooals ons, en u zelfs geen kennis gegeven van haar overlijden, zelfs niet uitgenoodigd om hare begrafenis bij te wonen?"
"Ik weet met zekerheid dat niemand van de familie daartoe uitgenoodigd is, en dat zij met den uitersten eenvoud door haar dokter en haar notaris ten grave is geleid."
"Dan is het ook niet twijfelachtig hoe wij door haar behandeld zijn," sprak de generaal, met ergernis zijne kleindochter aanziende en nu zijn onderzoek bij mij opgevend. "Ik voor mij had niet anders verwacht; wij zijn in vijandschap elkaar niets schuldig gebleven, maar ik begrijp mij niet hoe zij het over zich heeft kunnen verkrijgen, om het eenige kleinkind harer zuster zóó te berooven."
"Maar is het dan zoo zeker dat zij dit gedaan heeft?" waagde ik aan te merken; "in Utrecht is het bekend dat hare testamentaire beschikkingen minstens drie maanden moeten geheim worden gehouden."
"Maar toch zeker niet voor de erfgenamen," viel de generaal in; "neen! als zij Francis bedacht had zouden wij er al iets van weten en dan zou zoo'n notaris zich niet verstouten ons zóó achteloos te behandelen; neen! het is maar al te zeker dat zij de familiehaat zoo ver heeft gedreven, dat mijne arme kleindochter, die daaraan volkomen onschuldig is, er dus onder lijden moet."
"Zonder dat ik een oogenblik op zoo iets als een legaat heb gerekend," viel Francis in, "moet ik u toch bekennen, dat het mij eenigszins verwondert, dat tante Sophie ook mij in die familie-_rancune_ heeft begrepen."
"Waartoe verwondert u dat?" vroeg von Zwenken, haar aanziende; "gij hebt immers nooit iets van haar gezien of gehoord?"
"Dat heb ik juist wel; zeer toevallig, dat is waar, maar toch had zij bij die gelegenheid geen reden om zich persoonlijk over mij te beklagen, hoewel het mogelijk is dat zij, zooals 't mij meer gebeurt bij eene eerste ontmoeting (de ondeugende zag mij even schalks aan), een kwaden dunk van mij heeft gekregen."
"Dat lijkt op u," gromde de generaal, "de eenige kans die u mogelijk gegeven was om de fortuin bij de haren te grijpen, willens te veronachtzamen."
"Maar grootpapa! gij verschiet daar uw kruit in het wilde; gij weet immers niet eens wat er tusschen de oude freule en mij is voorgevallen?"
"Als het iets goeds ware geweest, zoudt gij het mij wel hebben medegedeeld."
"Ik zweeg er van, omdat ik wist hoezeer het noemen van dien naam reeds uwe drift placht gaande te maken, en omdat ik het onnoodig vond u opnieuw te verbitteren."
"Wat zal ik u zeggen, kind!" hernam de generaal met eene zachte bewogene stem, "ik zelf voelde mij te oud en te stram om nog voor dat hatelijke wijf eene kniebuiging te maken, en ik geloof dat ik liever mijne hand had zien verdorren, dan die haar toe te reiken ter verzoening; maar toch gij, ja 't is een zwakheid, ik beken het voor u als voor neef Leo, als gij persoonlijk uw pays met haar hadt kunnen maken, en ik daardoor wat meer rust had gekregen over uwe toekomst, dan zou mij dat zeer verheugd, zeer verlicht hebben."
"Jammer dat ik dit niet geweten heb," zei Francis met een luchtig schouderophalen, "want wie weet, zoo ik de kennismaking had voortgezet en eens mijn best had gedaan, hoe schitterend Majoor Frans er in haar testament ware afgekomen!"
"Maar weergasche spotster! vertel ons dan toch waar en wanneer gij die oude hebt gezien en gesproken?"
"Och, 't is nog zoo heel lang niet geleden. Het was in het begin van dit jaar; gij weet wel dat ik de reis naar Utrecht moest maken om zekere treurige oorzaak, waarmee Leo niets noodig heeft."
"Zij wil 't nooit weten als zij wat goeds doet!" viel de generaal in.
"Och, het was niets dan een zware plicht dien ik te vervullen had; ik moest den bekenden dokter D. raadplegen over eene ongelukkige krankzinnige, die in een gesticht werd verpleegd. Niet al te best onderricht van de uren waarop hij te spreken was, en bovenal omdat het met mijn tijd uitkwam, draafde ik, met mijne parapluie onder den arm, naar het huis van den grooten man, maakte mij een weinigje boos op zijn bediende, die goed vond mij voor den volgenden dag te bescheiden, onder pretext dat het spreekuur voor heden verloopen was, en zijn meester nu _en famille_ dejeuneerde, waarbij hij niet gestoord wilde zijn. Ik voor mij vond, dat er voor iemand van zijn vak dringender plichten konden zijn dan een familie-dejeuner; ik dreigde, ik drong er op aan gehoord te worden, en dwong hem met mijn kaartje binnen te gaan, hetgeen zeer onwillig, zeer schoorvoetend geschiedde; de trouwe man wist misschien beter dan ik kon vermoeden, welke inspanning zijn heer, nà zulke stonde verpoozing, wachtte; genoeg, mijn aanhouden zegevierde over zijn tegenstand, ik werd ten gehoore toegelaten, tot mijne bevreemding echter in de huiskamer waar de beroemde man als een gewoon mensch zijn boterham zat te eten. Ik werd uitgenoodigd mee aan te zitten en mij wat te verkwikken; straks zou men _en tête à tête_ besogneeren. Een goed ontbijt ziende, voelde ik zelve dat ik gespoord en gereden had, zonder aan eene behoefte te denken die zich nu deed gevoelen; ik liet mij niet lang nooden en nam de plaats in die mij geboden werd tusschen twee dames van leeftijd, die mij werden voorgesteld als des dokters zuster en hare vriendin. Daar het mij volstrekt onverschillig was hoe de vriendin van juffrouw D. heette, en ik niet voornemens was mijne geheimen aan de ontbijttafel uit te storten, bekommerde ik mij niet over die onwetendheid, en toch de dame, die mij met hare scherpe doordringende zwarte oogen voortdurend gadesloeg, begon mijne nieuwsgierigheid te prikkelen. Zij scheen van eene opgewekte levendige natuur en railleerde zeer aardig over personen en zaken van den dag; haar oordeel kwam mij voor heel helder te zijn, maar onbarmhartig. Hare geestigheid had iets bitters en inhumaans, dat ik geen recht had haar te verwijten, omdat ik zelf juist zoo zacht niet ben uitgevallen als het de dwaasheden en de gebreken mijner medemenschen geldt; maar hoe dat ook zij, het prikkelde mijn strijdlust; van _repartie_ tot _repartie_ liep het bijkans op een twist uit en...."
"Daar heb je 't al!" riep de generaal; "die oude juffrouw zal zeker een vriendin van freule Sophie zijn geweest, en het werd aan deze niet op de vriendelijkste manier overgebriefd."
"Wees niet zoo voorbarig, grootpapa! Gij neemt de _pointe_ van mijn relaas af eer het er aan toe is; het was tante Roselaer zelve met wie ik dus in discussie was geraakt; zij, de slimme feeks, wist wie ik was en had mij, naar ik dacht, zoo eens willen schatten. Zij had de _malice_ gehad van haar eigen naam en persoon in 't gesprek te mengen en scheen mijn opinie daarover te willen uitlokken. Voor die verzoeking echter bezweek ik niet. Ik viel in met de mededeeling, dat mijne familie aan freule Roselaer geparenteerd was en dat ik, meer dan mij lief was, gehoord had van de vijandelijke stemming der familieleden onder elkaar, maar dat ik mij toch niet gerechtigd achtte, over eene dame die ik niet kende met eene andere die mij niet eens bij name bekend was te railleeren, allerminst omdat ik het deloyaal achtte eene vijandin te bestrijden achter haar rug."
"Ik dacht niet dat freule Francis Mordaunt zoo bang was voor een duel," werd mij toegevoegd.
"Integendeel!" viel ik uit, "het duel is eene onmisbare zaak in eene maatschappij als de onze, het is eenigermate een veiligheidsmaatregel tegen leugen en laster. Als ik freule Roselaer in persoon had ontmoet, zou ik haar mogelijk mijn cartel zenden." Die wakkerheid scheen de andere te voldoen. Zij gaf toe dat ik gelijk had en dat zij maar een spiegelgevecht had willen uitlokken, omdat zij van mijne uitvallen had gehoord. Het compliment werd gereciproceerd; dokter D. en zijne zuster schenen daarbij niet op hun gemak te zijn; de eerste hief de séance op, mij uitnoodigend hem in zijn kabinet te volgen. Toen ik hier had afgedaan en mij wilde verwijderen ontmoette ik de mij nu bekende dame in de vestibule; zij vroeg mij of ik haar een eind weegs wilde vergezellen; zij had nog een bezoek te brengen bij een vriend, waar het rijtuig haar zou komen afhalen. Ik gaf toe aan haar verlangen, maar eenmaal wetende met wie ik te doen had, was ik op mijne hoede, en dat gaf zekere strakheid, vooral toen ik op hare noodiging om een dagje bij haar door te brengen, een afwijzend antwoord gaf.
"Dat was onbeleefd en onvoorzichtig!" viel de generaal in met een hoofdschudden.
"Ik meende geheel in uw geest te handelen, grootpapa! door als excuus aan te voeren, dat ik geen uur langer te Utrecht kon blijven dan de schikkingen die ik te treffen had noodig maakten."
"Als de generaal u zóó slecht missen kan, is het gelukkig voor hem dat gij niet trouwt," voegde zij mij toe; "of heb ik het mis, en is er reeds een pretendent?" ging zij voort, mij met hare scherpe zwarte oogen aanziende of zij tot mijn binnenste wilde doordringen.
Het antwoord dat ik haar geven kon was, zooals gij wel raden kunt, bon papa! zeer geruststellend voor u," voegde Francis er met een ondeugend glimlachje bij; "hoe zij het opvatte weet ik niet, want wij raakten op dat oogenblik in een moeielijk parket. Een troepje jongelui van die soort, die meer op de sociëteit studeert dan in de collegiekamer, kwam arm in arm gestrengeld op ons aanhorten, onder niet al te vleiende toespraak, hetzij freule Roselaer in Utrecht eene bekende en weinig beminde persoon was, hetzij iets in haar of in mijn voorkomen den spot- of plaaglust opwekte dier onwaardige muzenzonen. Waarheid is, dat haar hoed eenige modes ten achter was, en de mijne ook niet naar het laatste plaatje; daarbij zij met haar ouderwetschen _boiteux_, ik met mijn regenmantel, beiden zonder crinoline; zij, omdat haar leeftijd haar ontsloeg aan zulke dwaasheid mee te doen, ik, omdat ik nooit iets navolg dat ik belachelijk vind en niet verkoos mij door een cage te laten omsluiten, zagen wij er, ik moet het erkennen, niet uit als zulke élégante dames, die voor diergelijke jongelui genoegzaam _attraits_ hebben om hunne courtoisie uit te lokken. Toch hadden ze ons gemis aan élégantie, dat hen niet deerde, als eene zeer verschoonlijke fout kunnen overzien en ons ongemoeid laten voorbijgaan, maar het omgekeerde scheen hun meer piquant. Zij stelden zich in onzen weg, sloten een kring om ons heen onder het toewerpen van allerlei ongepaste benamingen, waarvan "ohé! slappe juffrouw!" "ohé! _mamsel boiteux!_" en "hoed! hoed!" nog de minst onwelvoegelijke waren. Ziet gij, neef Leo! ik ben geen prude, die een vies mondje trekt als zij een hartig woordje zou moeten spreken: _je nomme un chat, un chat_, als het er op aankomt, maar lafheid en zoutelooze aardigheden ergeren mij op het hoogste, vooral van jongelieden uit den zich noemenden beschaafden stand. Ik verkoos hier geen lijdelijk slachtoffer te blijven, en ware ik alleen geweest, ik had er mij met mijne parapluie onder den arm wel doorgewerkt, maar ik mocht eene dame van tantes leeftijd niet blootstellen aan hunne represailles. Gij zegt altijd, grootpapa, dat ik zoo onbesuisd te werk kan gaan als men mij driftig maakt, en ik beken het gaarne, daar is wat van aan; maar in dezen verdien ik uw lof. Ik bleef uiterlijk kalm tegenover hen staan, trof hen niet dan met den gloed mijner verontwaardiging die uit mijne oogen lichtte, en begon hen dapper de les te lezen over de weinige humaniteit die zij, wetgevers, litteratoren en theologanten in dop, betoonden jegens personen die hun niets in den weg hadden gelegd. Ik zei hun ronduit dat zij zich schamen moesten over zulke manieren, die men op zijn best in _gamins_ kon verschoonen; enfin, ik weet niet recht meer de juiste termen die ik gebruikte bij mijne allocutie; maar het bleek dat zij doel troffen. Enkelen dropen zwijgend af, anderen weken beschaamd ter zijde, een hunner zelfs begon zijne excuses te maken en bood zich aan, ons geleide te geven tot onze woning, eene hoffelijkheid die wij dankelijk afsloegen, zooals gij denken kunt; daarbij hadden wij maar eene straat over te steken om bij den notaris van Beek te zijn, waar de freule wezen moest; zij dankte mij met zekere warmte voor mijn bijstand, prees mijne kloekheid en tegenwoordigheid van geest, doch hield mij voor, dat zulke overwinningen op den publieken weg eigenlijk niet te pas kwamen voor eene jonge dame van mijn stand. "_Encore une victoire et me voilà perdue!_" antwoordde ik lachend. "Het ware zeker welvoegelijker geweest, zoo ik het op mijne zenuwen had gekregen, maar aan die farces doet Francis Mordaunt niet!" en hierop scheidden wij. "Had ik geweten, grootpapa! dat mijn relaas u zoo zou geamuseerd hebben als ik nù zie, dan zoudt gij het al drie maanden eerder gehoord hebben, maar ik vreesde dat het u slechts verbitteren zou, dat ik met tante Sophie in aanraking was gekomen, en daarom zweeg ik er van."
"En daarna nooit weer iets van de freule Roselaer vernomen?" vroeg von Zwenken met eene verdrietelijke uitdrukking op het gelaat.
"Neen, maar ik heb toch een vermoeden dat zij mij heeft willen verplichten. Hetgeen mij nog te Utrecht ophield, waren schikkingen die ik had te maken om de goede verpleging van mijne patiënte te verzekeren. De geldkwestie was ook in dezen hoofdzaak, zooals dokter D. mij had doen inzien. Welnu, in den loop van den dag kreeg ik een briefje van hem, waarin hij mij berichtte, dat dit bezwaar voor mij uit den weg geruimd was door een zijner vermogende vrienden, die onbekend wilde blijven en geen dank verlangde. Ik onderstelde dat die onbekende mijne nieuwe kennis was van dien morgen, en ik verzuimde niet in den aangegeven toon het billet van den dokter te reciproceeren. Ziedaar, grootpapa! wat er is van mijne kennismaking met oudtante Sophie, en waarom het mij eenigszins verwondert, dat zij naar uwe onderstelling ook mij in haar wrok tegen de familie heeft begrepen."
De generaal fronste het voorhoofd en mompelde tusschen de tanden: "Och van dat wijf kan men alles verwachten."