Chapter 10
Wat mij aangaat, ik had te veel behoefte aan eenige verkwikking, om niet met den kapitein aan te stooten en gebruik te maken van 't geen hare zorg mij had bereid. Toch haastte ik mij, want ik achtte het onbeleefd den generaal dus zonder toespraak te laten, die inmiddels opnieuw wat sluimerziek scheen geworden; maar het bleek mij toch dat hij sluimerde als een poes die niet op haar gemak is, met half geopende oogen. Zoo ras hij waarnam, dat mijn eetlust genoegzaam was voldaan, wenkte hij den kapitein, die niet naliet mij opnieuw in te schenken, en fluisterde dezen iets in, waarop hij zich verwijderde, na mij nog eens met een onrustigen en nieuwsgierigen blik te hebben gadegeslagen.
Toen wij alleen waren, richtte de generaal zich op uit zijne lustelooze houding en sprak mij toe met zekeren deftigen ernst:
"Een woordje onder ons, Jonker! als 't u belieft."
Ik boog mij.
"Maar wees zoo goed hier naast mij te gaan zitten; ik ben een weinig hardhoorig."
Toen ik voldaan had aan zijn verlangen, ving hij aan:
"Vergeef mij dat ik u een vraag moet doen, die u eenigszins ongepast kan voorkomen.... Is het voor de eerste maal dat gij mijne kleindochter hebt ontmoet?"
"Ja, generaal! en de ontmoeting, die zeer toevallig was, was heel gelukkig voor mij." Ik gaf hem eene kleine schets van mijn kruistocht naar de Werve.
"Nu! dat verheugt me," sprak de grijsaard met een zucht van verlichting. "Ik vreesde, om u de waarheid te zeggen, dat er iets achter stak. Mijne kleindochter heeft veel goeds, dat mag ik met waarheid zeggen, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden; zij kan wel eens wat brusk uitvallen en heeft zekere zucht om alles te wagen en alles te braveeren, die haar al menige ongelegenheid heeft berokkend, al menige vijandschap op den hals gehaald heeft; ik vreesde dat er tusschen u en haar iets voorgevallen was, dat zij nu trachtte goed te maken, zooals dat haar meer gebeurt."
"De Freule heeft niets bij mij goed te maken, generaal! en de welwillendheid waarmee zij mij hier eene goede ontvangst heeft toegezegd, moet ik te meer waardeeren, sinds zij niet de gewoonte heeft uit banale hoffelijkheid te handelen."
"Ik wenschte wel dat zij die gewoonte wilde aannemen," hervatte de grijsaard met een zacht hoofdschudden, "doch wat u betreft, wees verzekerd, dat ik hare toezegging niet te schande zal maken; gij zijt mij van harte welkom; maar verklaar mij toch iets: Francis zegt dat gij van de familie zijt, en ik herinner mij wel dat ik indertijd een van Zonshoven heb hooren noemen, die aan mijne overledene vrouw was geparenteerd, maar 't is al zoo lang geleden, dat ik waarlijk niet meer weet hoe dat in elkander zit!"
"Mijne grootmoeder was eene freule van Roselaer, generaal!"
"Ah! juist, van moeders zijde alzoo; zij moet getrouwd zijn met een Fransch edelman, zoo ik mij niet vergis."
"De baron d'Hermaele was van Belgische afkomst, generaal!"
"Nu ja, maar wij waren toen midden in den Franschen tijd, en men nam het zoo straf niet op met de nationaliteiten. Ik herinner mij nu heel goed de bezwaren die mijne vrouw maakte om ter receptie te gaan, uit oorzaak van brouillerie met freule Sophie.... Ik zette het door, omdat men de convenances in acht moest nemen, uit aanzien van den baron d'Hermaele, die aan onzen prefect was geparenteerd. Het jonge paar vertrok naar een der zuidelijke departementen, en ik heb er niet meer van gehoord. Later, tijdens de regeering van Koning Willem I, vernam ik van derden, dat de baron d'Hermaele in hooge gunst was geraakt bij den Koning."
"Die gunst heeft de ongelukkige edelman duur genoeg geboet, daar zij oorzaak was dat hij trouw hield aan zijn vorst tijdens den Belgischen opstand, 't geen hem door zijne familie zeer kwalijk werd genomen, en, wat erger was, den haat van het gepeupel op hem vestigde, in die mate dat men zijn kasteel in de nabijheid van Laeken plunderde en verbrandde en hem zelven, die zich kloekmoedig tegen die baldadigen verzette, op gruwelijke wijze vermoordde."
"Weer een van die feiten uit dien tijd van jammer en verwarring, die ik mij nog zoo goed kan voorstellen. Mijne soldaten brandden van verlangen om de muiters en plunderaars naar verdienste te straffen, maar ongelukkig werd hun lang, veel te lang werkeloosheid opgelegd; dan, ik wil mij nu niet meer in die ergernissen verdiepen. Wat is er van de weduwe en hare kinderen geworden?"
"Zij was het met de haren ontkomen en keerde naar Holland terug met haar zoon en zeven dochters, waarvan de oudste verloofd was met jonker van Zonshoven. Het huwelijk ging door ondanks de bezwarende tijdsomstandigheden; ik ben hun eenigen zoon."
"Wel, dan ben ik zooveel als uw oud-oom, jonker!"
"Die berekening heb ik ook gemaakt! en daarom...."
"Komt gij mij toch niet over familiezaken spreken, wil ik hopen?" vroeg hij in zichtbare onrust.
"Maar mijn waarde heer oud-oom! men kan immers wel over familieaangelegenheden spreken, zonder dat het juist onaangename moeten zijn?"
"Hm, ja! ik merk wel dat gij een van Zonshoven zijt, en sinds lang vreemd aan de jammerlijke veeten die de Roselaers hebben verdeeld. Zij hebben elkander in letterlijken zin niets gedaan dan bijten en vereten, op zulke wijze dat er schatten verloren zijn gegaan in processen, en dat Francis en ik nòg lijden onder de naweeën."
"Ik wil het gelooven, beste oom! maar...."
"Maar uwe moeder was al eene d'Hermaele, dat stelt mij gerust; doch zoo 't anders ware, zoo gij een ander bericht kwaamt brengen, dat voor Francis pijnlijk zou kunnen zijn of beschamend voor mij; ik weet het, men betwist tot de geldigheid toe van mijn huwelijk in Zwitserland; of zoo het geldzaken betreft, waarin ik of iemand der mijnen betrokken kon zijn, dan bid ik u, wees zoo edelmoedig en spaar het haar zoolang het haar gespaard kan worden. Ik ben oud en al zoo gebogen onder den last des levens, dat ik er nog wel wat bij dragen kan, al ben ik er bijkans onder versuft; mogelijk weet ik er wel iets op te vinden om een gat te stoppen of iets dat dreigt af te leiden; alleen wees oprecht met mij en zegt het mij ronduit in vertrouwen."
"Wel, generaal! ik zou daar veel op kunnen antwoorden, maar verschoon mij voor dit oogenblik. Freule Mordaunt heeft mij dezelfde vraag gedaan, met de goede bedoeling om u _zelf_ mogelijke onaangenaamheid te sparen, en ik heb haar geantwoord naar waarheid, dat ik kennis kwam maken in de hoop de familiebetrekkingen, die al vrij los geworden zijn, nader aan te binden. Zij heeft mij de eer gedaan zeker vertrouwen te stellen in mijne loyauteit en mij eene exceptie genoemd in de familie. Wil gelooven dat ik een oprecht verlangen koester om mij dat vertrouwen en die gunstige onderscheiding waardig te maken en ik verzeker u dat het mijn grootste triomf zoude zijn, zoo een van Zonshoven het geluk mocht hebben de wonden te heelen, voorheen door de Roselaers geslagen."
"Dan zou er veel moeten gebeuren, mijn beste jonker!" hernam von Zwenken met een zwaarmoedig hoofdschudden, "maar toch, reeds de wensch is prijzenswaardig." Na een oogenblik peinzens hervatte hij: "De waarheid, dat geld de zenuw is van den oorlog, moet in dezen ook gelden voor den vrede. Uwe ijverigste pogingen zouden vruchteloos zijn, zoo dit element ontbrak, en toch .... houd mij ten goede zoo ik mij vergis, en toch vrees ik dat de van Zonshovens op dit punt schraal zijn bedeeld. In mijne herinnering werden zij geacht te behooren tot de specialiteit die men _la noblesse besoigneuse_ noemt. Waardige lieden, maar die in de noodzakelijkheid waren geraakt om naar winstgevende ambten en bedieningen te staan, ten einde te kunnen leven."
"Dat is volkomen waar, generaal! en mijn vader maakte in dezen gansch geene exceptie; daarbij was hij zooals ik gezegd heb, getrouwd met eene dier zeven freules d'Hermaele, die bij den Belgischen opstand alles had verloren, en leven moesten van het pensioen, dat hare moeder genoot en dat welhaast met dier overlijden voor haar verloren ging."
"En deed de Koning niets voor de freules?"
"Wat wilt gij, beste oom? De eenige zoon was vorstelijk voortgeholpen, maar stierf in den bloei des levens en liet zelf een gezin na. Wat verdienstelijks hadden die meisjes nog voor Koning Willem II, dat deze geheugen moest houden van de trouw door haar vader den zijnen bewezen?"
"Dat is wel zoo, maar toch, het behoort tot de naaste plichten der vorsten, om de digniteit van den adel te helpen ophouden; en wat brengt in dieper vernedering dan de armoede?"
"Ik ben het met u eens dat de armoede eene zware beproeving is voor elk mensch, en niet het minst in onzen stand, beste oom! maar eene vernedering behoeft zij voor niemand te zijn. Het geheim om rijk te worden wordt dikwijls niet gevonden, dan met het verlies van zekere achting voor zich zelven, en het komt naar mijn gevoelen allereerst den adel toe om hier op het _noblesse oblige_ te letten en zich zelf niet te kort te doen. Ook daarom kan ik het niet goedkeuren, dat men als edelman liever alles wacht van vorstengunst, en alles _afwacht_ wat deze oplegt, dan zich mannelijk boven zekere ingeroeste vooroordeelen te verheffen en door eigen energie en werkkracht te verwerven, wat men _juist om zijne digniteit te handhaven_, niet met de hand op te houden, moest willen aftroonen. Ik voor mij heb daar ten minste zoo over gedacht, en naar dat beginsel gehandeld."
"Met die uitkomst dat gij, volgens de traditiën uwer voorzaten, naar den een of anderen post hebt gestaan?" vroeg von Zwenken wat verdrietelijk.
"Tot hiertoe niet."
"Maar daar valt mij iets in, op dit oogenblik is er een van Zonshoven minister van buitenlandsche zaken," hervatte de generaal; "dat moet, indien ik mij niet bedrieg, een vermogend man zijn; in welken graad zijt ge met hem verwant?"
"Hij is mijn oom."
"Welnu, dat is zoo kwaad niet; met een post bij het een of ander gezantschap derogeert men niet, en bij wat talent en goede relaties komt men dan licht verder."
"Dat stem ik u toe, en ik beken u dat ik in zekere zwakke momenten er wel eens over gedacht heb; maar die oom is juist de man, die, om maar eene zaak te noemen, door zijn huwelijk met een meisje dat noch geest, noch hart, noch beschaving had: den koffiekleurige dochter van een schatrijken Oosterling, zich de millioenen van den nabob heeft toegeëigend, zonder de arme vrouw iets meer te geven dan zijne hand en zijn naam."
"Dat is inderdaad eene jammerlijke mésalliance; maar waaruit volgt voor u, dat gij een oom hebt die schatrijk is en kinderloos?" eindigde hij vragenderwijze.
"Zeker, en nu al op leeftijd; maar met wien ik gebrouilleerd ben en zal blijven zoolang ik het eene laagheid zal achten, om kniebuigingen te maken voor hem ter verzoening."
De generaal schudde het hoofd. "Nog altijd wat bloed van de Roselaers."
"Neen! de van Zonshovens waren nooit haatdragend, maar fier, en ziet gij, generaal! al heb ik in de wieg niet met tientjes kunnen spelen, ik heb geleerd dat er betere trots is dan adeltrots; ik heb geleerd dat men geen Cresus behoeft te zijn om zijne onafhankelijkheid te bewaren, die ik had moeten opgeven als ik mij in de armen geworpen had van dien oom, maar die ik nu heb behouden door eigen werkzaamheid, door sober te zijn en met overleg te handelen, door mij geene behoeften te scheppen dan die ik met mijn matig inkomen wist te voldoen. Zoo ben ik nu vrij man gebleven tot hiertoe, en, om u mijne volle meening te zeggen, dat is mij meer waard dan mijn adeldom."
"Bravo! Bravissimo!" Het was de diepe volle altstem van Francis, die zich achter mij hooren liet, en de handen die mij zoo dapper hadden toegejuicht, legden zich nu vertrouwelijk op mijne schouders. Door de half geopende porte-brisée, die het groote salon van de ruime eetzaal scheidde, onopgemerkt binnengekomen, daar wij met den rug naar die deur toegewend zaten, was zij stil blijven staan om ons gesprek niet te storen, maar toen zij hoorde wat hare instemming vond had zij, die zoo geheel _de premier mouvement_ was, zich niet kunnen onthouden.
"Gij ziet het, jonker!" sprak de generaal wat verdrietelijk met gefronste wenkbrauw, "met zóó te spreken hebt gij mijne kleindochter in haar zwak getast. Zij droomt van onafhankelijkheid; het is hare illusie niets of niemand noodig te hebben."
"Niet mijne illusie, grootpapa! Mijn _beginsel_ is het: liever vrij en arm te zijn om mij zelf te blijven; liever ontberingen te lijden en offers te brengen, dan laagheden te doen om behoeften en begeerten in te willigen die men mannelijk behoort te overwinnen. Ik zeg mannelijk, Leopold! al is hier kwestie van mij zelve, want wat vastheid van wil en kloekheid van daad betreft, op punten als deze--daar behoort eene vrouw voor geen man te wijken, ja, ik houd mij verzekerd, dat wij daarin de meesten uwer vóór zijn."
Von Zwenken beet zich op de lippen, sloot de oogen en dook neer in zijn armstoel of hij een knodsslag ontvangen had, maar verslagen achtte hij zich toch niet, want na eenige oogenblikken hief hij zich weer op en sprak tot Francis: "Ik geef het u toe dat gij het mij afwint in kracht om ontberingen te dragen; maar gij zoudt toch niet kwalijk doen, u van tijd tot tijd toe te leggen op eenige zelfbeheersching. Op mijn leeftijd valt het hard, onder iederen vorm zekere beschuldigingen te moeten hooren, als men toch al zooveel geleden heeft en zulke harde slagen van het noodlot had door te staan. Zeker had het hier anders kunnen en moeten zijn, maar ik.... ik zie helaas! geen kans meer op redres. Ik ben niets meer dan een gebogen grijsaard, onmachtig zich op te heffen uit het stof der vernedering waarin wij zijn weggezonken; ik kan nu eenmaal niet anders leven, al weet ik dat gij u om mijnentwille getroost, wat gij niet behoordet te dragen."
"Kom, kom, grootpa! gij weet wel dat mijne uitvallen harder klinken dan ze gemeend zijn; gij weet wel dat ik veel wat mij tegen is met luchtigheid drage om uwentwil; maar van mij te eischen dat ik goedkeuren zoude wat mij ergert, of niet toejuichen wat zoo geheel mijne instemming heeft als Leo's uitspraak van daareven, dat is te veel gevergd, zulke zelfbeheersching zal ik nooit kunnen oefenen."
"Dat's wel ongelukkig," viel de generaal in, niet zonder wat bitterheid; "want wat zal neef Leopold van ons denken, als hij u bij iedere aanleiding zekere verwijten hoort uitspreken?"
"Hij zal denken, oom! dat hij in eene familie is gekomen, die zich niet voor hem tracht te vermommen, en dat acht hij eene eer en een voorrecht."
"Hm! dat's een avantage dat gij ruimschoots zult genieten, jonker! als gij hier wat lang blijft," viel nu de kapitein in, die weer binnen was gekomen; "onze Majoor vooral heeft de loffelijke gewoonte, iedereen zonder aanziens des persoons terstond te zeggen waar het op staat; hare opinies, van welken aard ze ook zijn, onverwijld lucht te geven, en als er iets wordt gezegd of gedaan dat Haar Hoog Edel Gestrenge niet bevalt, parate executie hoor! evenals bij de vonnissen van den krijgsraad."
Het was von Zwenken aan te zien dat deze plompe aardigheid over zijne kleindochter hem hinderde, maar toch weer sloot hij de oogen en klemde de lippen opeen, als wilde hij er liefst niet mee te doen hebben.
"Mij dunkt, kapitein! dat er toch wel eens gratie wordt bewezen, anders zoudt gij immers al lang uw congé hebben gekregen," zei Francis schertsend; maar toch getuigde die scherts meer van bitterheid dan van vroolijke luim.
"Dat bewijst alleen maar mijne lankmoedigheid, freule Majoor. Gij weet wel dat ik mij door u laat troeven als een conscrit door zijn korporaal. Ik zou van den Prins-Veldmaarschalk niet hebben afgewacht wat ik van u verduur."
"Gij begint er zwak en vervallen uit te zien van al dat lijden en die mishandelingen," spotte Francis.
"Kapitein!" sprak nu de generaal, die met gebogen hoofd, en in zekere zenuwachtige verlegenheid, naar dit katjesspel had zitten luisteren, niet zonder onrust zeker hoe het zou afloopen, "kapitein! ik had u meen ik mijn wensch te kennen gegeven om _en famille_ te blijven."
"En ik, Excellentie, niet radende dat het onderhoud _en famille_ zooveel aantrekkelijks voor u zou hebben, kwam het gewone middel tegen melancholie voorstellen: een partijtje piquet."
"Dank je, kapitein, nù geen kaarten. Ik wensch van het gezelschap van mijn neef te profiteeren."
"En gij komt als een spelbreker invallen, terwijl deze juist op het propos was van zijne _Lebensbekentnisse_, die mij groot belang inboezemen," beet Francis hem toe. "Gij zoudt veel beter doen met eens rond te zien naar mijne rijzweep, die ik ergens op de hei verloren heb--aan den zoom van het bosch. Toen ik neef Leo ontmoette, had ik haar nog."
"'t Is geen lichte corvée, zoo'n ding weer te vinden in het zand," bromde Rolf.
"Maar gij weet wel.... ik ben er zoo mede ontriefd, en als gij haar weerbrengt.... doet gij mij pleizier."
"Nu! daar ik niet van dienst behoef te zijn bij den generaal, zal ik het probeeren...."
"Malicieuse despoot!" kon ik niet nalaten tegen Francis te zeggen, haar met den vinger dreigend.
Zij kleurde even en glimlachte.
"Och Jonker! dat is nog zoo erg niet," zuchtte de deemoedige vazal; "toen freule Majoor nog een kind was, hadt gij het eens moeten bijwonen: in die dagen heb ik wel wat anders te doen en te lijden gehad."
"Precies!" zei Francis, "toen hebt gij mij mee bedorven en meer dan de anderen; zachts dat ge er nu ook wat harder voor boet."
"Als ik zoo zware penitentie doe, moet ik ook absolutie hebben," sprak hij deemoedig.
"Absolutie nooit! maar wapenschorsing, voor den geheelen dag; mij dunkt dat is mooi genoeg; ziedaar mijne hand daarop."
Hij nam die met een zacht hoofdschudden en een aarzelenden blik, als had hij geen groot vertrouwen in de overeenkomst. Ik zag iets vochtigs in zijn oog schitteren, dat mij met zijne brutale gemeenzaamheid verzoende, maar waarover hij zich blijkbaar schaamde, want hij onttrok zich aan onze opmerkzaamheid door een schielijken aftocht; toch keerde hij terug op het oogenblik zelf, dat wij ons voor een vertrouwelijk onderhoud hadden gezet, en wendde zich rechtstreeks tot Francis:
"Ik weet wel dat ik u weer storen kom, freule! maar het is, geloof ik, nog beter ik--dan Frits. Ik ontmoette aan de brug den koetsier van den Jonker, die vragen komt, wanneer hij vóór moet zijn?"
Ik aarzelde met mijn antwoord, in 't ongewisse of mijn wensch om zoolang mogelijk te vertoeven niet in strijd zou zijn met de inrichting van het huis, toen ik den kapitein halfluid tot Francis hoorde zeggen:
"Ik heb al eens naar de kalkoenen omgezien; daar is er wel één klaar voor de keuken, maar.... niet voor vandaag, daar moet gij op rekenen, 't is jammer voor _le cher cousin_, maar...."
"_Le cher cousin_, als gij mij daarmee bedoelt," viel ik in, dit punt van overleg aangrijpende, "zou ik niets liever wenschen dan den dag hier te mogen doorbrengen; alleen, hij maakt niet de minste aanspraak op een fijn _diner_."
"Wel! het spreekt vanzelf dat gij blijft eten, neef Leopold, _à la fortune du pot_," sprak de generaal, na Francis te hebben aangezien, die nog altijd scheen te aarzelen eer zij instemde met de uitnoodiging.
"Het kan niet anders!" sprak zij eindelijk besloten, "wie komt er voor een paar uur naar de Werve; daarbij, wij hebben nog zoo weinig aan elkaar gehad, maar eigenlijk moest het niet zijn, wij behoorden niemand aan onze tafel te nooden...."
"De vraag is maar of gij mij den geheelen dag hier houden wilt, Francis," viel ik in, onderstellende dat zij over een schraal menu tobde. "Het overige beteekent niets, ik kan het desnoods met een koud maal doen...."
"Nu ja! ik ken dat, gij zijt gerust dat men u niet bij het woord zal vatten."
"Heusch, Francis, ik...."
"Als gij het meent zijt gij een phenomeen," riep zij lachend, "maar genoeg, het blijft er bij. Kapitein wilt gij het eens goed overleggen met den koetsier, want het zal noodig zijn dat de jonker niet te laat door het bosch rijdt."
"Waarom toch, er zijn hier geen roovers, denk ik? Of vreest ge mogelijk dat ik den wilden jager in werkelijkheid zal zien verschijnen?"
"Neen, dat wel niet, maar er zijn doolwegen en...."
"Als gij mij voor zoo _bête_ houdt, rijd ik niet weg vóór midden in den nacht...."
"Waartoe die fanfaronnade. Wij zullen vroeg eten en.... om zeven ure het rijtuig, kapitein!" sprak Francis met gezag.
"Gij beschaamt mij, Francis, met zoo povere hospitaliteit," viel de generaal in, "is 't niet veel beter, dat neef van Zonshoven dezen nacht hier logeeren blijft, om morgen op zijn tijd terug te rijden?"
"Een logeergast! grootpapa, gij weet dat zoo niet, maar.... daar zijn wij waarlijk niet op ingericht."
"Nota bene!" riep de kapitein met een luiden lach, "wij zouden eene halve compagnie kunnen herbergen."
"Uwe compagnie zeker!" viel Francis uit, meer bits dan edelmoedig tegenover den man, die als 1ste luitenant was gepensionneerd.... Het bleek wel dat hij ontzag had voor zijn Majoor, want hij werd bleek van ergernis, maar hij verbeet zich de lippen om een antwoord terug te houden en zweeg. Francis scheen toch te goedhartig om de krenking niet weer goed te maken: "ik meende, kapitein, dat er plaats genoeg zoude zijn voor een half regiment, maar zooals men soldaten huisvest; terwijl de Jonker van Zonshoven, aan Haagsche weelde gewoon..."
"Gewoon aan een kamer met alkoof op de tweede verdieping in een burgerhuis," repliceerde ik. "Luister, Freule Francis! als gij Jonker van Zonshoven niet herbergen wilt om redenen, die voor u hare wettigheid kunnen hebben, zeg het dan maar ronduit. Maar maskeer ze niet onder zulke uitvluchten; kamers zijn er genoeg, dat is onwedersprekelijk, en nu, ik slaap op de eerste stroomatras de beste die gij ergens laat neerleggen."
"Ik schaam mij voor u, Francis," sprak de generaal met zachte verlegene stem; "dat is weer een van die caprices...."
"Als gij dan volstrekt blijven wilt," sprak Francis, mij aanziende met een koel en verdrietelijk gezicht, "zal ik trachten eene slaapkamer uit te zoeken waar de ruiten heel zijn. Kom, kapitein, arrangeer dat met den koetsier. Van de corvée om de rijzweep te zoeken zijt gij verschoond; vandaag fungeert gij als _maréchal de logis_;" en haar slaaf bij den arm nemende, zonder een blik op mij te werpen, verliet zij met hem het vertrek.
De generaal scheen zijn best te willen doen om den ongunstigen indruk weg te nemen, dien hij meende dat ik van Francis moest hebben opgevat.
"Geloof toch," sprak hij, toen wij alleen waren, "dat zij het wezenlijk goed met u meent, maar.... er wordt hier niet meer op logeergasten gerekend; gij treft haar _au dépourvu_, en dit hindert haar, daar zij er zich zeker een genoegen van maken zou, het hier recht comfortable voor u in te richten. Eene andere zou den schijn weten te bewaren, en u zekere particulariteiten trachten te verbergen, die u konden doen twijfelen, of gij hier welkom waart; maar ziet gij, dit juist kan Francis niet; mijne kleindochter heeft een uitmuntend verstand, een goed hart, een vast karakter, maar zij heeft zoo hare eigenaardigheden, die haar veeltijds in een ongunstig licht stellen."
"Welke dame heeft niet hare caprices, hare opvattingen?" viel ik in.